Afscheid van het Leninisme? Ofwel:niet schrikken, kameraden;-)

Onlangs beëindigde ik mijn lidmaatschap van de Internationale Socialisten (IS), een organisatie waarin ik bijna 20 jaar lang als lid actief ben geweest. De organisatie staat in de Leninistische traditie. Dat werpt de vraag op, voor mezelf maar wellicht ook voor mensen die mij als revolutionair socialist in de IS hebben leren kennen, of mijn afscheid ook betekent dat ik mij losmaak, of al losgemaakt heb, van die Leninistische traditie. En dát werpt weer de vraag op wat dat Leninisme nu eigenlijk voor mij inhoudt. Over deze vragen, en wat die vragen naar boven brengen, ga ik op dit weblog de komende tijd af en toe wat losse aantekeningen neerzetten. Misschien maak ik er, als ik verder ben, wel iets meer van. Ik zal wel zien.

Een eerste opmerking: ik ben geen Marxist en Leninist geworden in de IS. Ik wás op dat moment al Marxist en Leninist [opm.: dat laatste zinnetje heb ik, voor de duidelijkheid, op 30 mei 2008 aan de tekst toegevoegd]. Ik was, lezenderwijs, pratenderwijs, denkenderwijs in de jaren 1986-1987 tot de conclusie gekomen dat de anarchistische ideeeën waarmee ik me in die tijd verwant voelden, geen adequaat antwoord boden op de vraag hoe we van de gevestigde orde afkwamen, en waardoor we die orde dienden te vervangen. Dat werd me duidelijk bij het voorbereiden van mijn doctoraalscriptie over de Amerikaanse anarchist Paul Goodman, een figuur waarvan trouwens heel veel van valt te leren op allerlei tereinen, van kunskritiek tot levenskunst. Maar dat is stof voor een ander verhaal.

Paul Goodman zag  anarchistische trekjes op allerlei plekken. Arbeiderszelfbestuur had een anarchistische inslag, directe actie tegen atoombommen, sit-ins om de racistische aparte faciliteiten in cafetaria’saf te dwingen ook. Maar zelfstandige ambachtslieden konden er ook mee door, en het vrijemarktbeginsel zoals een politiek econoom als Adam Smith mocht er uit anarchistisch oogpunt ook best wezen, volgens Goodman. Het soort maatschappij dat hij graag zag ontstaan was feitelijk een lappendeken van communes en collectieven, kleinschalige bedrijven, in particulier bezit en/ of onder arbeidersbestuur, door de betrokkenen zelf bestuurde onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en een staat die zich beperkte tot die dingen die werkelijk beter centraal gedaan konden worden, het regelen van een spoorwegnet bijvoorbeeld(1).

Twee vragen drongen zich op, en het lezen de marxist Ernest Mandel hielp mij zeer bij het opsporen ervan. De eerste was: als de maatschappij een netwerk was van allerlei kleinschalige eenheden, zoals boven beschreven - wat was dan het mechanisme dat de boel bij elkaar hield? Kwam de vrije uitwisseling tussen losse productie-eenheden niet aal heel gauw neer op de markt als sturend mechanisme? En gold dat niet de kritiek die vanuit marxistische richting daarop werd uitgeoefend niet ook voor Goodman’s visie? Zou je niet via de achterdeur de succesvol opererende ondernemingen boven zien komen drijven - met de bijbehorende ongelijkheid? Ik zeg het nu in woorden die ik vermoedelijk destijds niet gebruikte (ik maakte in 1986 nog geen weblog, ik kan het niet nagaan)… Maar daar kwam mijn twijfel toch wel op neer.

De tweede vraag - ook daarop dienden zich vanuit de marxistische traditie steeds helderder antwoorden voor mij aan - was: hoe komen we van hier naar daar? Zou de veelheid van locale initiatieven - om zelf een collectiefje te beginnen, om actie te voeren tegen onrecht, oorlog, machtsmisbruik - zomaar spontaan samengaan en de weg vrij maken voor zo’n vrije libertaire maatschappij zoals Goodman voor ogen stond? Of was er iets meer nodig - slagvaardigheid, coördinatie, het op de spits drijven van alle revoltes tot iets groters - een revolutie? Alweer bracht het lezen van marxisten - vooral Mandel, en vooral zijn op interveiws gebaseerde prachtboek “Revolutionary Marxism Today” - flink wat verheldering. Een deel ervan vond ik on-line: “Revolutionary Strategy in Europe - a Political Interview”.

Een derde belangrijke invoeld was het werk dat in vanaf voorjaar 1986 - toen ik net met die Goodman-scriptie bezig was - deed in het Anti Militaristies Onderzoeks Kollektief, AMOK. Daar werkten mensen die vanuit marxistische analyse - denken en zoek in termen van klassen en klassentegenstelling - de machtsverhoudingen analyseerden, vooral dan de militaire en anderszins gewapende dimensies ervan. Ik hielp daar bij het archief van krantenknipsels, maar in samenhang ermee voerde ik ook steeds discussies over de samenhangen achter wát ik nu eigenlijk aan het opbergen was. Twee mensen met wie ik die tijd zeer veel discussieerden,  zelf veteranen in de linkse beweging, leerden me feitelijk de kneepjes van het marxistische vak. Hen beschouw ik nog steeds als mijn mentoren. Nee, ik noem geen namen, de AIVD leest met ons mee, en er is ook nog zoiets als privacy, nietwaar? Maar mij dank is groot en vuurrood.

Deze mensen brachten me ook op het spoor van wat later de IS zou worden. Ze raadden met een maandblad aan, de Socialist Worker Review, blad van de Socialist Workers Party. Vanaf begin 1987 kocht ik dat  veelvuldig, bij de Rooie Rat. Zo kwam ik in aanraking met de IS-politiek, een samenstel van opvattingen waarin arbeidersstrijd wereldwijd gezien werd als we zijze waarop we van het kapitalisme af konden komen. En ‘wereldwijd’ betekende: west én oost: ook de Stalinistische staten waren volgens deze traditie een vorm van kapitalisme, een inzicht waar ik niet meteen voor gewonnen was, maar wat me tegelijk erg geruststelde: van enige softheid of vergoelijking van de Stalinistische wandaden was hier geen sprake. Antistalinist was ik, deels door anarchistische impusen en invloeden, maar ook nog eens aangewakkerd door een bezoek aan een drietal Oostblokstaten in 1985, toch al. Op een vakantie in herfst 1987 in Groot-Brittannië bezocht ik daar diverse linkse boekhandels, en ik kwam met een flinke handvol IS-lectuur terug. Dat hielp ook. In de late winter en het vroege voorjaar van 1988 kwam ik dan de mensen tegen die de Groep Internationale Socialisten vormden, de voorloper van de IS. Na een maand vergaderbezoek, discussies en een keertje met ze mee naar  een demonstratie, sloot ik me aan. Ik was thuisgekomen na een lange politieke reis, zo voelde het. Van die reis heb ik geen spijt, van het langdurig verblijf in dat politieke thuis in essentie trouwens evenmin. Maar ik loop op zaken vooruit.

Voordat ik me daadwerkelijk aansloot bij de IS stond voor mij het volgende vast al: we hebben een revolutie nodig om van het systeem af te komen; dat moet een wereldwijde revolutie zijn, gedragen door de arbeidersklasse; die revolutie wint niet puur spontaan, daar is een soort van sturing, coördinatie, leiding voor nodig - iets partij-achtigs, al wist ik niet precies wat en hoe. En die revolutie richt zich tegen alle vormen van onderdrukking, en óók tegen het als socialisme vermomde kapitalisme aan de andere kant van et Ijzeren Gordijn. Ik herkende mezelf, al vóór ik IS-er werd, als een soort van leninist, een soort Trotskist. De mensen van de GIS gingen met groot enthousiasme de discussie met mij aan. De mensen van de SAP (toen nog de Socialistiese Arbeiderspartij, de andere Trotskistische groepering in Nederland die zichtbaar was voor mij) uit die tijd hadden niet zo’n gretige houding om een nieuw zoekend iemand voor hun organisatie te winnen. Ook daarom ging de buit naar de (G)IS.

Waar dit verhaal op neerkomt: ik kwam als Marxist en Leninist de organisatie binnen. En - om vast een geheimpje prijs te geven - ik ben als Marxist en Leninist er weer uit gestapt, en ben dat nog steeds. Degenen die in mij een diep in het Leninisme teleurgestelde ex-Trotskist menen te ontwaren moet ik teleurstellen, degenen die de oude anarchist in mij tegen hopen te komen, omgevormd tot stenengooier als onderdeel van één of ander Black Block, eveneens - en dat is níét omdat ik daar niet kwaad genoeg voor ben trouwens. Maar degenen die denken dat daarmee de Leninistische traditie zoals gehanteerd door de IS wat mij betreft ook buiten schot blijft, vergissen zich ook. Er is wel degelijk een probleem met dat Leninisme - het is mij namelijk op een bepaalde manier zowel te Leninistisch als niet Leninistisch genoeg. Is dat geen mooie cliffhanger?

(1) Ik zou het graag met een uitvoerig citaat hebben laten zien wat Goodman precies zegt, maar de link die ik vond werkt niet en het boek waar ik het citaat in kan vinden heb ik niet bij de hand. Misschien voeg ik het alsnog ergens toe.

Eén reactie to “Afscheid van het Leninisme? Ofwel:niet schrikken, kameraden;-)”

  1. Dat lastige Leninisme (1) « Rooieravotr zegt:

    [...] lastige Leninisme (1) In een eerder stuk schreef ik dat ik me, ook nu ik geen lid meer ben van de Internationale Socialisten (IS), nog steeds als [...]

Reageer