Thijs Wöltgens overleden - over sociaaldemocratische tragiek en ironie
Ze sterven uit, de klassieke sociaaldemocraten. Over hun moderne opvolgers in die hedendaagse sociaaldemocratische partij, de SP, heb ik het nu eventjes niet. Vandaag heb ik het over het overlijden van zo’n klassieke sociaal-democraat, PvdA-veteraan Thijs Wöltgens.
Voor mij was Wöltgens, zoals zoveel van dit type sociaal-democraten, een man met twee gezichten. Prominent werd hij tijdens het kabienet Lubbers-III, tussen 1989 en 1994. In dat kabinet was CDA-er Lubbers premier, PvdA-er Wim Kok vice-premier. Thijs Wöltgens was als PvdA-fractieleider in de Tweede Kamer de ándere sterke man van die partij - en als zodanig verantwoordelijk voor nogal grof en asociaal kabinetsbeleid.
Dieptepunt daarvan was de aanval op de WAO die het kabinet, met Kok in een hoofdrol, inzette tegen de WAO. Het was hoogzomer, blijkbaar dacht het kabinet aan de ergste heisa te ontkomen door in vakantietijd de aanval te openen. Dat liep anders. Grote vakbondsprotesten vonden plaats, met een kwart miljoen mensen op het Malieveld in de herfst. Maar ook duizenden PvdA-ers die van hun eigen partij zulke aantastingen van sociale zekerheid niet pikten. De PvdA raakte in crisis, en zowel Koks leiderschap als het kabinet zelf kwamen in gevaar.
Welnu, Thijs Wöltgens kon kiezen: de kant van de bedreigde WAO-ers, boze PvdA-ers, vakbondsmensen en andere verdedigers van de sociale zekerheid - óf de kant van Kok, kabinet, en achter hen ondernemers die op dit type afbraak aandrongen. En Wöltgens koos: voor het kabinet en Kok, en daarmee tegen de WAO-ers, vakbondsmensen en kritische Pvda-ers.
Ongetwijfeld was hier de logica dat de PvdA maar beter in het kabinet kon blijven, anders kwam de VVD terug. De logica van de burgemeester die in oorlogstijd op zijn post blijft. Hier speelde de sociaaldemocratie haar klassieke rol: bezuinigingen tolereren en verjkopen aan de achterban als onvermijdelijk.
Wöltgens accepteerde op dat moment die rol, wat ook zijn pogingen geweest mogen zijn geweest om de pijn via een gevecht achter de schermen wat te verzachten. En door déze rol te spelen, jaar na jaar na jaar, heeft de sociaaldemocratie haar eigen basis ondergraven, kiezers van zich vervreemd en het verschil tussen zichzelf en de gangbare rechtse partijen steeds kleiner gemaakt. Wóltgens houding in die jaren is deel van dat grotere verhaal van een verloederende PvdA.
Bínnen het aanvaarden van bezuinigingen stelde hij zich nu en dan trouwens wel relatief links op. De Volkskrant vandaag, in een herdenkingsstuk: “In 1981 (…) trok hij aandacht met pleidooien voor links (dus sociaal verantwoord) bezuinigen. Hij voerde heftig strijd met fractiegenoten Kombrink en Vermeend die ruwer wilden ingrijpen in de bedreigde staatshuishouding.” Bezuinigingen, ja - maar wel een beetje met zachte hand. De twee gezichten van Wöltgens, een klassiek sociaal-democratische opstelling.
Zijn plek binnen de Pvda-hiërarchie werd er niet echt sterker mee naarmate de jaren vorderden. Vermeend werd later, heel passend, staatssecretaris van Financiën, Kombrink invloedrijk wethouder in Rotterdam. Voor Wöltgens was de aardigheid er in Den Haag na het kabinet-Lubbers-III nogal af. Hij werd burgemeester van Kerkrade, daarna voorzitter bij de Open Universiteit en vervolgens ook nog voorzitter van de Vereniging van de Kamers van Koophandel - waarmee hij trouwens op het eind in ondernemersland is beland, net als Wim Kok die commissariaten vergaart zoals ik vroeger schelpjes verzamelde op het strand. Ook dat lijkt een soort sociaaldemocratisch patroon te zijnn dat de dienstbaarheid van dit soort politiek aan de belangen van ondernemers als klasse wel heel sterk symboliseert.
Toch werd juist Wöltgens na zijn Haagse carrière kritisch ten aanzien van het soort maatschappij waar hij tgelijk zo loyaal aan was. In 1996 verscheen een boekje van zijn hand: “de nee-zeggers, of De politieke gevolgen van het economische liberalisme”. Hierin hekelde hij het dogma dat de markt altijd het beste medicijn was, en vooral de meegaandheid van de Pvda ten aanzien van dat dogma.
Hij was daarmee een vrij vroege stem tegen het in die jaren zo meedogenloos oprukkende neoliberalisme. Hij liep hierin relatief voorop ook. De SP had op dat moment 3 kamerzeteltjes, het woord ‘globalisering’ raakte juyist in die tijd ingeburgerd, van antiglobalisme of andersglobalisme had nog niemand gehoord, en de protesten in Seattle tegen de WTO-top die die doorbraak van dit andersglobalisme markeerden lagen nog drie jaar in de toekomst.
Wöltgens zei dingen die gezegd moesten worden, en socialisten moeten dat geluid blijven oppikken en versterken - tegen de erfenis van uitverkoop in waar diezelfde Wöltgens óók aan bijdroeg. Dat is de ironische tragiek van de teloorgang van de sociaaldemocratie.