Gisteren en vandaag heb ik flinke stukken van de Algemene Beschouwingen – de gedachtenwisseling tussen kabinet en Tweede Kamerfracties naar aanleiding van Prinsjesdag en Miljoenenota – aan mij voorbij zien trekken. Zoals wel vaker zwabberden de woordenstromen heen een weer tussen enerzijds een meest middelmatig maar soms werkelijk amusant cabaret, en anderzijds het voorleen van een telefoonboek of een technische handleiding. Maar er zijn toch wel enkele lijnen van politieke tegenstelleningen ichtbaar geworden, en erg hoopvol stemmen die breuklijnen niet.
De kern van de strijd in Den Haag gaat over de timing en omvang van grootschalige bezuinigingen. Het kabinet zegt: er zijn enorme bezuinigingen nodig, we stellen ambtelijke werkgroepen in om die in te vullen, maar zolang de crisis woedt. Maar zolang de recessie woedt, doet grootschalig bezuinigen meer kwaad dan goed, we wachten er dus nog mee. Niet dat er helemaal niet bezuinigd wordt, maar de grote klappen – gemotiveerd met een enorm oplopende staatsschuld – komen later.
Oppositiepartijen – vooral de VVD, maar ook D66 – willen niet wachten met bezuinigen. Vooral de VVD wil meteen het mes in de begroting zetten, en dat wordt van-dik-hout-zaagt-men-planken. Maar D66 – dat vooral in uitgaven rond sociale zekerheid en reïntegratie het mes wil zetten – kan er ook wat van. Dit geeft Balkenende en de regeringspartijen in zijn reactie brede ruimte om zich te profileren als toch wel min of meer sociaal tegenover de hardvochtigheid van liberale zijde.
Zo krijgen we een debat tussen de rechts-van-het-middenkoers van het kabinet enerzijds, en het veel hardere rechts van de twee neoliberale partijen VVD en D66. In een gevecht tussen halfslachtig rechts en hard rechts is hard rechts in het voordeel. Dat blijkt ook nu: regeringspartij CDA hamert er inmiddels op dat de invulling van de grootschalige bezuinigingen voortvarend, per direct, moet worden aangepakt. Daarmee is het zwaartepunt in de discussie al naar rechts verschoven.
Een tweede thema dat erg centraal stond in de debatten was een observatie die dwars door rechts en links heen liep. “Waar is de premier?” vroeg Femke Halsema (GroenLinks)keer op keer, terwijl ze het ene beleidsterrein na het andere afliep. Pechtold stelde op soortgelijke wijze vast dat de regering niet regeert maar eindeloos voor zich uitschuift, en benoemde Sint Juttemis tot beschermheilige van het kabinet. Vanuit Rutte hoorden we iets dergelijks. Allemaal smeken ze om leiderschap, om een premier die als vader des vaderlands ons door de crisis leidt, op weg naar prachtige vergezichten.
Het vergezicht van GroenLinks was veel socialer en milieuvriendelijker dan dat van D66 met haar zwaartepunt op een dynamische moderne economie. Dat gelukkig wel: niet élk verschil tussen links en rechts in in het vage rechts-ban-het-midden-modderbad verzopen. Terzijde: ik vond het opvallend hoezeer de GroenLinkse verhalen leken op het betoog van Arie Slob van de Christenunie, althans waar het sociale en ecologische punten betrof. Beiden maakten bijvoorbeeld duidelijk dat ze van de – klimaat-rampzalige – kolencentrales af wilden. Maar zou de CU zich schrap zetten op dit punt binnen d’t kabinet? Ik moet het zien.
Maar het gaat me nu vooral om de rol die aan Balkenende werd toegedicht. Falend leiderschap is wat hem werd verweten. Ik snap dat van rechtse partijen. Maar een links politicus die een rechtse premier smeekt om leiderschap en voorbeeldfunctie bevalt me een heel stuk minder.
Links dient een premier als Balkenende niet aan te kleden als potentiële redder die nalatigheid en uitstel wordt verweten, hoe grappig ik de oneliner van Halsema ‘Wanneer valt Sint Juttemis dit jaar?” op zich ook vond. Links dient zo’n premier tegemoet te treden als ware het de aanvoerder van het vijandelijk kamp – want dat ís de premier van dit kabinet. De constructieve laten-we-er-een-goed-gesprek-over-hebben en waarom-gaat-de-premier-nu-niet-inhoudelijk-op-mijn-vragen-in? – houding van zowel Kant (SP) als Halsema geeft de regering veel te veel krediet en speelruimte. We hebben een destructieve regering dat leiding geeft aan een destructief bestel en een in essentie destructief beleid, en links dient hier een destructieve, diep-vijandige houding tegenover in te nemen.
Een derde debatlijn stelde de overgrote deel van de fracties tegenover de PVV van Wilders. Die nam uiteraard de gelegenheid weer waar om tegen de “islamisering” aan te trappen. Zijn misselijke voorstel om 1000 euro belasting op een hoofddoek – alleen op een ‘islamitische’ in de stad! Niet op hoofddoeken op het platteland, niet op keppeltjes… – te heffen stond hiervoor symbool. Zijn beledigende taal waarmee hij dit bepleitte – en die kennelijk al min of meer gangbaar is geworden, want hij kwam er mee weg - zette zijn hetze nog eens verder aan.
Maar Wilders deed meer: de behandeling van gevangenen behendig afzetten tegen de schamele omstandigheden waaronder veel ouderen moeten leven. De kosten die de opvang van vluchtelingen meebrengt afzetten tegen de financiële noodzaak om de AOW-leeftijd omhoog te gooien naar 67 jaar. Minder uitgeven aan migranten, vluchtelingen – maar ook aan gevangenen, heel handig van hem om een dag na de ontsnapping van een vrouwenhandelaar-met-verlof! – zodat we ‘onze bejaarden’ beter kunnen behandelen, zelfs ‘in de watten leggen’. Nationalisme, racisme en autoritaire politiek gingen op subtiele wijze hand in hand – en daarbij bespeelde Wilders ook themas die doorgaans het terrein van links zijn, zoals goede zorg voor kwetsbare groepen zoals ouderen.
Het betreft hier trouwens – maar ook dat is voor een andere keer – geen werkelijke stap van Wilders naar links, zoals de NRC dat eens heeft getypeerd. Het laat veeleer een verschuiving zien van een vooral neoliberale politiek, gecombineerd met fel racisme (Wilders als VVD-er en ook nog de eerste tijd van zijn PVV) – naar een politiek voor wie neoliberalisme helemaal niet heilig is maar die bovenal een machtsbasis voor de vestiging van een racistische politiestaat zoekt. Het is een indicatie van de steeds duidelijker fascistische inslag van de PVV.
De rest van de fracties – regering zowel als oppositie – wees vrijwel eensgezind de toon, houding en voorstellen van Wilders af. We hoorden bij de een na de andere politicus, van halsema en kant tot en met Pechtold en Balkenende – roerende verhalen over wat voor samenleving we willen, dat iedereen er bij hoort, dat we geen bevolkingsgroepen gaan wegzetten, dat overlast en wangedrag moet worden aangepakt maar dat iedereen ook een eerlijke kans en een welkome plek in de samenleving verdient te krijgen. Geen ruimte voor het wereldbeeld van Wilders met zijn islamofobe racisme, zijn uitsluiting van moslims buiten de gemeenschap van Ware Nederlanders dus! tegelijk ook weer consessies aan de geest waarin Wilders werkt. Daartoe reken ik het voorstel van CDA-fractieleider Van Geel om huwelijksmigratie nog wat moeilijker te maken.
Dat klinkt op het eerste gezicht heel goed: allemaal samen tegen Wilders. Toch is er een zeer wezenlijk probleem. Als regeringspartijen preken over harmonie, integratie, iedereen die tot zijn recht mag komen en in haar of zijn waarde wordt gelaten, dan gelóóf ik ze niet. Het gaat om partijen die jaar na jaar de kaalslag van sociale zekerheid, de overal oprukkende marktwerking, de uitholling van de levensstandaard, de verhoging van de werkdruk alle ruimte hebben gegeven. Dit alles om bedrijfswinsten en een concurrerende economie te bevorderen.
Dit heeft de leefbaarheid jaar na jaar ondermijnd, het samenleven van mensen ondermijnd, een ieder-voor-zich-mentaliteit steeds meer gestimuleerd. Dit ís geen maatschappij waar iedereen tot zijn racht kan komen, net met Wilders maar ook niet zonder. Het beleid werkt die toestand in de hand, en als beleidsmakers die hiervoor verantwoordelijkheid dragen nu naar Wilders wijzen, dan zijn hun op zichelf niet onjuiste woorden doordrenkt van hypocrisie.
Dit hele beleid – dat al tientallen jaren met variaties wordt doorgeet, door wisselende combinaties van partijen – heeft heel veel mensen schade gedaan en daardoor tot onvrede geleid. Wilders slaagt er in toenemende mate in om zich tot spreekbuis van die onvrede te maken en er een ergiftige racistische draai aan te helpen geven. Als degenen die mensen kwaad en chagrijnig hebben gemaakt met hun beleid, één van de spreekbuizen van het chagrijn de les gaan lezen over zijn onverdraagaamheid, dan zullen veel mensen die op Wilders stemmen of dat overwegen, zich eerder extra bevéstigd voelen, niet alleen in hun chagrijn, maar ook in hun keus voor die volksmisleider die Wilders is. Boos praten tegen Wilders en tegelijk mensen van hun bestaanszekerheden blijven beroven hélpt Wilders meer dan het hem schaadt. Natuurlijk zou het óvernemen en naar de mond praten van Wilders door de gevestigde politiek nog ernstiger zijn. maar de stellingname van bijvoorbeeld Balkenende tegenover Wilders is geen betrouwbaar schild tegen Wilders en is niet bepaald vrij van hypocrisie.
Links moet daar afstand van houden en een eigen lijn trekken. Afwijzing van Wilders met zijn racisme en zijn autoritaire ‘oplossingen’ dient gecombineerd te worden met een consistent verzet tegen al datgene dat mensen chagrijnig, en daarmee kwetsbaar voor Wilders’ verleidingen maakt. Stelling nemen tegen de komende bezuinigingen, opkomen tegen marktwerking waar die zich maar voortdoet, en het terugdringen ervan afdwingen en tegelijk opkomen tegen het racisme waarmee juist slachtoffers van bezuinigingen en marktwerking tegen elkaar opgezet worden, zodat ze zich minder kunnen verweren. Herstel, wederopbouw, van een strijdbare solidariteit tegen zowel Wilders als de bezuinigingen van rechts en nog wat rechtser aan de onderkant van mensen van allerlei afkomst is de kerntaak van ieder links dat serieus genomen wenst te worden.
Toch opmerkelijk, dat wanneer liberalen suggereren om de crisis op bejaarde arbeiders af te wentelen, het racistische tegenvoorstel om buitenlanders voor de puinzooi te laten betalen, door journalisten als een geweldige ‘ruk naar links’ is verpakt.
Overigens is dit niet een slachtofferen van neoliberale principes ten gunste van het apartheidsstreven, zoals je suggereert. De tegenvoorstellen van de PVV zijn een ouderwetse combinatie van neoliberalisme en racisme. Neoliberaal is het meegaan in de megabezuiniging, neoliberaal is het streven ondanks begrotingstekorten toch extra lastenverlichtingen in te plannnen. Neoliberaal is de weigering deze bedragen te realiseren door het schappen van de villasubsidiëring. Het is bovendien racistisch neoliberalisme omdat de sanering van de schatkist zuiver en alleen door immigranten en derde wereld moet worden opgedracht.
Fundamentele tegenstelling van deze strategie is het niet-duurzame karakter ervan. Net als het verkopen van het staatszilver door Lubbers en Kok zal de racistische roofpartij van het eerste kabinet Wilders maar eenmalig geld opleveren. Daarna zal ook hij de autochtone levensstandaard aan moeten tasten. Het ‘sociaal-racisme’ a la Wilders is politiek een doodlopende weg.
[...] Column op Rooieravotr over Wilders’ vermeende “ruk naar links”. (meer) [...]