Staken tegen bezuinigen in Frankrijk, Italië en Spanje

29 juni, 2010

Het jaar 2010 is ongeveer op de helft, en we zien twee botsende internationale trends De eerste trend is de golf van bezuinigingen die regeringen op ons loslaten. De tweede is de golf van protest en verzet tegen die bezuinigingen. Vandaag is het weer stakingsdag in Griekenland, en berichten duiden al op grote deelname en stevige actie op straat. Daarover ongetwijfeld snel meer. Maar ook uit andere landen valt van alles te melden van het front der klassenstrijd.

Vorige week donderdag bijvoorbeeld er bijvoorbeeld actie in Frankrijk tegen verhoging van de pensioenleeftijd, stakingsactie in onderwijs, post, openbaar vervoer. Tussen de 12 procent en de 40 procent van de scholen was gesloten. het eerste cijfer komt van het ministerie van onderwijs, het tweede van  vakbondskant. Het percentage personeelsleden bij de posterijen dat staakte was nu 12,58 procent, iets hoger dan de 11,45 procent die op een eerdere protestdag, op 23 maart, het werk hadden neerlgelegd. het ministerie van milieu makate bekend dat 10 priocent van de vluchten op het vliegveld Charles de Gaulle en 30 procent vanaf parijs Orly waren geschrapt.

Bij de cijfers moeten we opmerken dat ze grotendeels van de autoriteiten komen. Die schatten de zaak graag nogal optimistisch (voor hén) in. Ik vermoed dat de echte stakingscijfers en stakingsimpact groter was. Het Aljazeera-bericht waar ik bovenstaande gegevens uit heb geplukt, meldt ook nog dat volgens peilingen van L’Humanité – krant vanuit de Communistische Partij – en Le Parisien, tweederde van de kiezers in Frankrijkt bereid waren aan protestmanifestaties en dergelijke op die dag deel te nemen. Er is dus nog steeds groot draagvlak voor actie. Maar om een doorbraak te bereiken zal wel meer nodig zijn dan de enigszins rituele ééndagsacties waartoe  vakbonden keer op keer beslissen.

Italië was afgelopen vrijdag aan de beurt met een landelijke staking, en demonstraties in grote steden. De actie kwam vanuit één van de grote vakbondsfederaties, de CGIL. De andere twee hadden hun leden niet tot staking opgeroepen. De staking duurde vier uur in het openbaar vervoer, acht uur in andere sectoren.

Naast de verdeeldheid in de vakbeweging, en naast de beperkte aanpak van steeds stakingsdagen – of dagdelen, zoals in Italië – in plaats van toewerken naar stakingen van onbepaalde duur – zien we nog een zwakte: de voorzichtigheid in de vakbondsleiding. Susanne Camusso, vice-voorzitter van de CGIL, zei: “Niemand ontkent dat we bezuinigingen moetn doorvoeren, maar dat m,oeten bezuinigingen zijn die eerlijk zijn en gericht op de toerkomst, niet zomaar snoeien in de uitgaven.” Precies dát is de meegaandheid waardoor regeringen onvoldoende tegenspel krijgen. Door de noodzaak van bezuinigingen te erkennen, wordt de strijd beperkt tot touwtrekken over wat meer of wat minder. Dat maakt de motivatie van arbeiders om tot hetn uiterste te gaan bepaald niet groter – terwijl zo’n soort motivatie er aan de kant van regeringen wel is.

Bovendien: precies die noodzaak van bezuinigingen geldt alleen als we de gezondheid van de staatsfinanciën tot ons doel maken. Maar het is – ik zei het al eerder – niet onze staat (geen enkele staat is ooit van ons), en dus is de gezondheid van de staatskas niet ons probleem. Als hun staat bezwijkt onder de druk van arbeiders die voor hun belangen, collectieve sociale voorzieningen en levenspeil opkomen, dan is dat pech voor die staat, en reden temeer voor de val ervan, en de vervanging door iets socialers, iets dat wél van ons samen is.

Waar we in Frankrijk en Italië, naast grootschalige, bemoedigende deelname aan protesten, allerlei zwakke plekken in het verzet dienen te onderkennen, daar laat Spanje iets zien van de mogelijkheid tot escalatie van het verzet. In Madrid, de hoofdstad van dat land, staakte vandaag het metropersoneel. Daarmee reageerden ze op een stap van het regiobestuur van Madrid. Die voerde een salariskorting waartoe de regering heeft besloten voor ambtenaren, ook door voor het personeel van diensten zoals transport  die volgens het regeringsplan niet onder de korting vielen. Het regio-bestuur – conservatief van samenstelling – gaat kennelijk nog een stap verder in bezuinigingsbeleid dan wat de sociaaldemocratische regering -Zapatero eist.

Tegenover de escalatie van de autoriteiten volgde echter escalatie van arbeiderskant. Ze legden het werk neer. Ze doorbraken tegelijk ook wetgeving die de stakinsgruimte inperkt. De wet zegt in Spanje dat openbare diensten, ook tijdens stakingen, gedeeltelijk - bij de metro voor 50 procent – voor vijftig procent draaiende moeten blijven, als noodvoorziening. Welnu, het metropersoneel legde de metro helemáál stil met hun staking. Zoiets is in geen twintig jaar gebeurd, en het laat zien hoe boos en strijdbaar groepen arbeiders in Spanje ook aan het worden zijn. Sommige Spanjaarden spreken in dit opzicht enigszins Grieks. Hoe lang nog voordat arbeiders in Nederland Spaans gaan spreken?

En overigens ben ik van mening dat deelname aan de demonstratie ‘Griekenland Is Overal’ voor lezers van dit weblog, voor familieleden en vriendinnen en vrienden en collega’s van dit blog, en voor iedereen die de strijd tegen bezuinigingen serieus neemt en wil voeren, doodgewoon noodzaak is.


Zeitgeist en de tijdgeest

28 juni, 2010

De huidige tijd wordt getypeerd door enerzijds een vrij breed gevoel van maatschappelijke crisis, anderzijds een groot gebrek aan wijd verspreide heldere ideëen tot radicale progressieve veranderingen. Het idee dat het kapitalisme onderhevig is aan verval, maar dat het socialisme op één of andere manier – als verkiezingsalternatief, als blok van zich socialistisch noemende staten, als stroming binnen de arbeidersbeweging, of als een combinatie van deze elementen – zich klaarmaakt om het kapitalisme te vervangen, is nog maar slechts bij beperkte groepen levend. De teloorgang van het stalinistische – feitelijk staatskapitalistische, maar als socialistisch geopresenteerde – blok, de wereldwijde verschuiving van het kapitalisme in keihard neoliberale richting, de steeds verdergaande aanpassing van sociaal-democraten aan ditn kapitalisme, het zijn tekenen dat er naast een crisis van het systeem ook sprake is van een diepe crisis van de oppositie tegen dit systeem.

Tegen die achtergrond is de opkomst van allerlei andere vormen van radicalisme en van alternatieve soorten politiek, maar ook van allerlei vaak van irrationaliteit doortrokken ideeën, niet vreemd. We zien een herleving van religieus geformuleerde oppositie, radicaal van toon, maar vaak zeer autoritair van inhoud: fundamentalisme. We zien een grote interesse, voor mystiek, vaak in verwaterde, commercieel op maat gesneden vorm: het New Age-gebeuren. We zien grote aandacht voor het, heel vaak al evenzeer tot koopwaar vervormde, paranormale denken (ik hoorde laatst dat je consults van een medium kunt krijgen via de commerciële omroep, door te bellen, tegen 80 cent per minuut of zo).

Daar valt allemaal over te schamperen, maar dat zulke dingen zoveel belangstelling trekken duidt wel op het zoeken naar ‘iets’ dat ánders is dan de gangbare maatschappij. Er is behoefte aan radicalisme, een aangezien die behoefte niet gevuld wordt met authentiek revolutionair inzicht en verzet, krijgen dit soort verschijnselen – deels halfslachtige, verkeerd gerichte en oppervakkige vormen van kritiek, deels gewoon oplichterij – extra ruimte. In dit plaatje past ook de grote aandacht voor complottheoriëen, of het nu gaat om de aanslagen van 11 september 2001 of om het idee dat achter elk maatswchappelijk ontbindingsverschijnsel wel een Islamitisch gevaar schuil gaat.

Tegelijk zien we juist in dit klimaat van verwarring, van ideeënchaos, soms merkwaardige pogingen om het revolutionaire wiel opnieuw uit te vinden. Het is alsof de grote revolutionaire stromingen die in het voetspoor van Marx en Bakoenin opkwamen, zozeer verzwakt zijn, dat er ruimte is voor een heropleving van een verschijnsel van vóór hun tijd: het utopische socialisme, van buitengewoon boeiende plannenmakers als Robert Owen en Charles Fourier. Hun kerngedachte: als iedereen nu óns briljante concept van een nieuwe maatschappij zou navolgen, dan komt het wel in orde. Klant-en-klaar-recepten, ingenieus vaak, maar tegelijk tamelijk kansloos omdat ze vooral leunden op het verbreiden van inzichten en het lobbyen bij rijken en machtigen om hun plannen ingevoerd te krijgen. Een relatie met strijd van de onderliggende klassen tegen de heersende orde was er niet of nauwelijks. Toch erkende iemand als Marx dit utopisme als wel degelijk waardevol als aanloop van radicale bewustwording. Met de opkomst van de revolutionaire arbeidersbeweging werd het utopische socialisme volgens hem echter achterhaald; de vruchtbare elementen ervan werden door delen van die revolutionaire beweging geabsorbeerd, het vertrouwen in een kant en klaar model, in te voeren door filantropen, bleef als verder nutteloos attrribuut achter.

Nu echter, nu die revolutionaire beweging zio zwak is en de noodzaak ervan zo sterk, zien we op vreemde plekken utopische constructies weer opduiken. Een voorbeeld zien we in een handvol films die de maatschappij beogen te analyseren, en in een bijbehordende beweging en project. De films heten Zeitgeist en Zeitgeist: addendum; de beweging heet, weinig verrassend, de Zeitgeist movement, het project heet Venus Project. De films zijn gemaakt door een zekere Peter Joseph. Dat Venus Project bestaat met name om de opvattingen van industrieel ontwerpere en futuristisch denker Jacque Fresco voor het voetlicht te brengen. De Zeitgeist Movement is een soort axctivistische vertakking van dat project.

De eerste film, uit 2007, heb ik nog niet gezien, maar als ik de beschrijving ervan lees, zit die toch wel tamelijk vol met samenzweringstheorie, met name rond het in dit soort kringen klaabrlijkelijk onvermijdelijke 9/11-gebeuren. Ook zou er proces onderweg zijn naar een One World Government, en naar de vervanging van afzonderlijke Noordamerikaanse munteenheden door een gezamenlijke munt, de Amero. Het internationale bankwezen wordt aangewezen als bron van, wellicht niet alle maar toch wel van veel kwaad. Problematische verhandelingen, kortom.

De tweede film, Zeitgeist: Addendum, heb ik afgelopen nacht met aandacht zitten bekijken en beluisteren op mijn PC-scherm, na een tip van een vriend. Ik wist toen nog niet de inhoud van de eerste film, maar ik had wel opgevangen dat het Zeitgeist-fenomeen een lichte tik uit samenzweringsland had meegekregen, en dat stemde me wel enigszins sceptisch. Met dat in mijn achterhoofd viel de film me erg mee. Er is flink wat op aan te merken, maar er zaten heel zinnige inzichten in verwerkt over wat er mis is met de wereld, en hoe een alternatief er uit dient te zien. Ook werden er – niet zeer overtuigende – stappen geschetst  hoe we dat alternatief dichterbij konden brengen. Een kritisch radicalisme, naast stevige utopische elementen ook, kenmerken de film.

Laat ik de film eens doorkruisen. Eerst wordt ons uitgelegd hoe geld gemaakt wordt uit, ahum, feitelijk uit niets. Geld wordt gemaakt door de centrale bank, in ruil voor staatsschuldpapiweren die door de Amerikaanse staat aan die centrale bank worden geleverd. Papier in ruil voor papier. Dat geld kan dan als krediet worden doorgeleend, maar hoeft maar voor 10 procent gedekt te zijn. Bij dat doorlenen onstaat dusa feitelijk wéér geld uit niets. Zo gaat dat door. Geld is onverbrekelijk verbonden met schulden, en in feite is het één groot pyramidespel dat ons allemaal in de greep houdt. Mensen verrichten bijvoorbeeld ook loonarbeid omdat ze als het ware  door dat geld, die schulden, opgejaagd worden; het is een vorm van schuldslavernij.

Hoe langer ik naar dit deel luisterde, hoe meer ik dacht ja… maar I smell a rat somewhere. Loonarbeid was er al voor de moderne geldschepping, via centrale banken en zo, op gang kwam. Voorwaarde ervoor was niet puur monetair, maar maatschappelijk: het feit dat een kleine groep de grond en de bedrijven in handen had, zodat andere mensen – van het land verdreven boeren, tot bankroet gedreven ambachtslieden – hun arbeidskracht wel moesten verkopen om enigszins in hun bestaan te kunnen voorzien.

De film stelt geld centraal, en zet daarmee de financiële sector op een voetstuk. Die sector is echter alleen maar te vatten als een onderdeel van een stelsel van productieverhoudingen waarin een klasse van kapitalisten een arbeidersklasse tot loonarbeid dwingt en deze klasse uitbuit. Voor de documentaire is het kapitalisme – de monetaire economie, zoals het wordt aangeduid – een vorm van grootschalige oplichterij. Voor iemand als Marx was het kapitalisme een systeem van grootschalige uitbuiting. Dat is niet helemaal hetzelfde, en de analyse van Marx gaat naar een kern die door de film wordt gemist.

Voor het vervolg van de film is dat echter geen ramp. Uitkomst van het hele banken-verhaal is namelijk een inzicht dat wel klopt: de wereld draait om geld, om winst. Er volgt dan een lang interview met een zekere John Perkins, die een aantal gevallen langsloopt van wat er gebuert als een regering in één of ander land de belangen van winstmakers uit de VS weerstreeft. We kregen staatsgrepen in Iran  en Guatemala in de jaren vijftig van de vorige eeuw, een als vliegtuigongeluk vermomde moord – volgens de film althans – op een president van Ecuador in 1981, iets soortgelijks tegen president Torrijos van Panama, en de poging tot staatsgreep tegen Chavez in 2002 te zien. Ook de Irak-oorlog – en het voorspel ertoe waarin de VS eerst Saddam Hoessein op andere maniere in de pas te doen lopen – krijgt aandacht. Het is een van de sterkere stukken van de documentaire. Het hamert de boodschap erin: wie de belangen van wat de filmmaker de corporatocracy, de macht van de grote bedrijven, bedreigt, wordt door de  machthebbers van de VS desnoods met grof geweld aangepakt.

Verderop in de film komt dan Jacque Fresco zelf uitvoerig aan het woord. Hij zet uiteen hoe in een economie die om winsten en geld draait, egoisme, geweld, milieuverwoesting hoogtij vieren, hoe politici krachteloze functionarissen zijn die geen oplossingen brengen omdat oplossingen vanuit die macht van het geld geblokkeerd  zijn, religie vooral verdeeldheid brengt. De kritiek is hier en daar van een zeer aanzienlijk radicalisme, en klopt in de kern veelal ook. Waar winst alles domineert, ís voor menselijkheid en respect voor het milieu geen wezenlijke ruimte. Het maakt ook niet uitl, volgens de film. of er nu sprake is van fascistische, socialistische, communistische of liberaal-kapitalistische regeringsvormen. Achter ál deze vormen ging toch nog die monetaire economie schuil.

Zelf zou ik die monetaire economie trouwens liever gewoon aangeduid zien als: kapitalisme. dan wordt meteen ook zichtbaar dat die andere staatsvormen – ook als ze het etiket ‘socialisme’ of  ‘communisme’ dragen – varianten zijn van dat kapitalisme. dan wordt tevens ook duuidelijkl dat een wérkelijk socialisme of beter, communisme, een alternatief zou kunnen zijn, als we door de nep-variant heen weten te kijken. Maar goed. Het inzicht dat er, achter alle verschillen, wel degelijk één soort economische macht werkzaam is, is al waardevol.

Dan komt Fresco in de buurt van zijn alternatief. Zijn stelling: vraagstukken zijn met name technologische vraagstukken, gene financiële of politieke. Hij schetst hoe de energievoorziening, door middel van zonne-energie, windenergie en andere technieken, geheel schoon zou kunnen worden geregeld, Zij laat zien dat er voor heel veel van de problemen technologische oplossingen zijn. De reden dat het geld ons in de greep heeft is het feit dat er op allerlei puntern schaarste heerst. Maar die schaarte is, als we de technologie ruim baan geven, helemaal niet meer nodig. Dat maakt de monetaire economie, de op winst draaiende maatschappijvorm, niet alleen tot asociaal en destructief maar vooral ook tot achterhaald.

Het is tijd om deze economie te vervangen door wat Fresco aanduidt als een resource-based economy, een economie gebaseerd op hulpbronnen. In zo ‘n maatschappij behoren die hulpbronnen aan de gemeenschap als geheel. De particuliere eigendom van die hulpbronnen is dus opgeheven. Concurrentie verliest haar zin, evenals oorlog, opgelegde wetgeving – heel veel valt technisch te regegelen – eliotes en sociale ongelijkheid en zelfs de staat als zodanig. Een harmonisch verenigde wereld waarin machines en apparaten vrijwel al het werk doen, maar de vrijkomende tijd netjes over iedereen wordt verdeeld, dat is wat Fresco ons voor ogen stelt.  Dat vond ik ondanks toon en vormgeving van de film die hier nogal wat zweverige, New Age-trekjes, vertoonde, een heel sterk onderdeel. 

Er is een woord voor zo’n maatschappij, maar dat woord vermijdt Fresco. Dat woord is communisme. De visie die geschetst wordt is immers een schets van de kern van het communisme, zoals zowel Marx als anarchisten zoals bijvoorbeeld Kropotkin die voor ogen hadden. Geen privé-bezit, geen dwingende hierarchie meer, geen staat, geen elite-macht, en een technologie die in dienst  van de mens en de werld stond in plaats van dat mens en wereld via technologie onderworpen zijn aan kapitaalsmacht, zoals nu. Over de tehcnologische middelen is defilm wat onkritisch: hoe al die slimme apparatuur aangestuurd gaat worden, hoe beslissingen over de bijbehorende structuren genomen zouden moeten worden, bleef erg onduidelijk. Ik kan me de tegenwerping voorstellen: krijgen de ingenieuwrs in deze maatschappij niet een soort van almacht toebedeeld? Maar als we breder kijken, en zien dat technologie een vorm is van menselijke inventiviteit en dcreativiteit, iets dat niet tot een beperkte groep van mensen beperkt hoeft te blijven maar ons allemaal op één of andere vorm eigen kan worden, zou dit bezwaar kunnen vervallen, al blijft het opletten geblazen.

Opvallend vond ik hoe, heel terloops, een redenering werd gevolgd die voor mensen die vertrouwd zijn met de analyses van Karl Marx heel herkenbaar is. De film betoogt: de monetaire economie, geworteld in schaarste,  begint steeds meer te botsen met de  technologische mogelijkheden om die schaarste op te heffen. Dat deed mij denken aan de redenering van Marx dat de groei van de productiekrachten – arbeidsproductiviteit en de daarop gebouwde technische en wetenschappelijke ontwikkeling – vroeg of laat botst met de productieverhoudingen. Als dat plaatsvindt “breekt het tijdvak van sociale revolutie aan”, zodat er nieuwe maatschapopelijke verhoudingen gevormd worden waarin de productiekrachten de ruimte krijgen en de hekle maatschappij ermee vooruitkomt. Het achterhaald-raken van de monetaire economie vanwege de technologische mogelijkheden, zoals Fresco dat aanduidt, lijkt me hiervan een variant, een nieuwe formulering. Of Fresco zich dit precedent van zijn gedachtengang bewust is, weet ik niet.

Hoe moet dan de omvorming naar die resource-based economy plaatsvinden, volgens de film? Hier viel de film in overtuigingskracht sterk terug, want de adviezen deden totaal geen recht aan wat werkelijk nodig is. Zes adviezen kregen we: banken die de Centrale bank ondersteunen boycotten – alsof het groot maken van ándere banken de macht van banken als zodanig ondermijnt -,  de gangbare media boycotten; niet meewerken aan het militaire apparaat, niet in het leger gaan en dergelijke; je zoveel mogelijk loskoppelen van de grote energiebedrijven; de gevestigde politieke structuur geheel en al verwerpen; en het zesde advies: “sluit je bij de beweging aan” - de Zeitgeist Movement wel te verstaan, warvan de de website te zien kregen.  Ik weet het natuurlijk niet absoluut zeker, maar ik heb toch sterk het gevoel dat voor het opdoeken van het kapitalisme – want dát is wel degelijk de inzet – iets meer nodig is dan het verwisselen van bank, het regelen van eigen energievoorziening en een zo klein mogelijke auto, het wegzappen van CNN, het boytocotten van het leger en het politieke proces, en het je aanmelden op die Zeitgeist-website…

Ik ben trouwens wel even op die site wezen rondkijken, zoals ik ook via Wikipedia me enigszins in het Zeitgeist-gebeuren heb verdiept, mede om dit stuk te kunnen maken. Heel onsympathiek is het allemaal niet, maar het lijkt coh wel vooral te gaan om het verder promoten van de Zeitgeist-films als handvat voor bewustwording. De website van het Venus Project opende trouwens niet, dus daar kan ik verder weinig over zeggen. De Zeitgeist Movement zelf heeft trouwens afdelingen in tal van landen, 46 volgens Wikipedia. Op de site van Zeitgeist zelf staan ook ledentallen in verschillend landen, maatr hoe serieus we dat moeten nemen vraag ik me af. Zo lees ik dat er twee leden zijn in Birma, en 79 in Noord-Korea (wellicht een flink dele van het Centraal Comité van de partij aan de macht, want daarbuiten is vrij weinig politiek leven mogelijk). Nederland telt trouwens 4.797 leden volgens deze bron.

Hoe moeten we dit alles nu inschatten? Ik zie op de site geen echt verdachte zaken, gene tekenen dat die Zeitgeist-beweging eigenlijk op het geld van deelnemers uit is, of op politieke macht. Toch zijn er wel vreemde dingetjes. Het Venus Project bijvoorbeeld, bestaat uit een non-profit-tak, maar heeft ook een op winst gerichte tak. Het beschikt over een heel gebouwencomplex in Florida. Wie betaalt dat allemaal? En nog iets geks: in  2009 probeerde het Venus Project om het auteursrecht vastgelegd te krijgen op het begrip “Resource-based economy”! Het is alsof Marx patent aan had gevraagd op het woord ‘Dictatuur van het proletariaat’, of Kropotkin het begrip ‘wederkerige hulp’ auteursrechtelijk beschermd had willen zien. Bonafide maatschappijcritici doen zoiets niet, zeker niet als ze tegelijkertij zulke felle en zulke terechte kritiek op de monetaire economie, de winst-economie, de om geld  draaiende maatschappij, hebben.

Ik denk echter vooralsnog niet dat de bedoelingen van de mensen achter het project en achter de Zeitgeist-beweging heel kwaadaardig zijn. Het lijkt me eerder een combinatie van lichtelijk naieve weldoenerij van mensen die wel degelijk geld hebben, gecombineerd met inzichten die wel degelijk radicaal en diepgaand zijn, maar niet zeer consistent doordacht. Als serieuze revolutionairen hun theorie – anarchistisch of marxistisch of wat ook – prijs zouden geven en aanhangers van Fresco zouden worden, zou ik dat een terugval vinden, een verzwakking van hun revolutionaire kracht. Maar als mensen die voordien nog niet diepgaand kritisch over het kapitalisme waren, via Zeitgeist – de films, de beweging, andere aanpalende verschijnselen – radicale inzichten beginnen te ontwikkelen, is dat echter een stap vóóruit, naar mijn idee.

Revolutionairen dienen zo’n stap vooruit te verwelkomen, en tegelijk de discussie aan te gaan over zowel de kracht als ook de aanzienlijke tekortkomingen en problematische kanten die het hele fenomeen ook heeft. Achter Zeitgeist aanhollen als Het Antwoord op deze maatschappij is verkeerd; neerbuigend afwijzen van elke waardering die mensen ervoor hebben is echter contraproductief. De aandacht die hier en daar voor Zeitgeist bestaat opent interessante mogelijkheden tot nuttige discussie, en dat is mooi meegenomen.


Links van Leninisme(1): het links-communisme van G.I. Miasnikov

27 juni, 2010

Twee takken van politieke theorie en praktijk dienen wat mij betreft als inspiratiebron voor revolutionaire theorievorming, nu het Leninisme – wat dat ook mag wezen trouwens – in grote lijnen heeft afgedaan. De eerste tak is het anarchisme, in veel van zijn veelvormigheid en variaties. De andere tak is het linkscommunisme. Over het anarchisme heb ik het hier al af en toe, en veel van de lezers (v/m) hier zijn er mee bekend, vaak beter dan ikzelf. Over het veel minder bekende linkscommunisme ga ik het daarom eerst eens hebben.

Onder  het etiket ‘linkscommunisme’ worden veelal een aantal revolutionaire denkers en doeners van Marxistische achtergrond geschaard wiens inzichten an aanpakken vanaf rond 1920 begon af te wijken van de standaard-aanpak van de Russische Communistische (eerder: Bolsjevistische)  Partij, en van de Communistische Internationale (Comintern) die onder aanvoering van de Bolsjevieken door communistische partijen was opgezet. Het betreft hier een, aanvankelijk zeer gedeeltelijke, breuk met wat later als Leninisme bekend kwam te staan.

De groeiende meningsverschillen vertrokken zich langs verschillende lijnen, op verschillende plaatsen ook. Men spreekt, vanwege die verschillende plaatsen, dan ook van een Italiaanse school in het links-communisme, m naast een Nederlands-Duitse school en ook een, nog minder bekende, Russische school. Er waren ook linkscommunistische groepen en personen in andere landen trouwens, maar de drie genoemde richtingen zijn de belangrijkste. Omdat het verhaal van de Russische links-communisten relatief het minste bekend is, lijkt me eenn episode daaruit juist nu een aardig onderwerp. Ik ga het hebben over de oude Bolsjeviek, G.I. Miasnikov.

Eerst een aanloop. In Rusland was, in 1917, een revolutie geweest die onder leiding van de Bolsjevistische partij tijdelijk tot de macht vabn sovjets, arbeidersraden, had geleid. Dit was gelukt door een aanpak waarin een arbeidersrevolte zich wist te combineren met een gigantische boerenopstand. Tegen de oude orde in werkten die dezelfde kant op. Toend e oude orde omvergekegeld was, trad de spanning aan het licht. Al snel botsten boeren met de nieuwe Bolsjevistische macht die vanuit de steden, vaak met geweld, het graan kwam halen, zonder goederen te kunnen leveren als tegenprestatie. Dat deze geldleveranties formeel ‘leningen’ waren, deed aan de ergernis onder boeren erover niets af. Het verzet van de boeren, botsend met de nood om de steden te voeden, dwong het nieuwe bewind tot reeksen van compromissen, uiteindelijk zelfs tot het toelaten van marktverhoudingen op het platteland, in de vorm van de NEP.

Een tweede facet van het bewind was al snel het groeiende autoritaire karakter ervan. Binnen zeven maanden waren de sovjets flink uitgehold, herverkiezing werd geblokkeerd of het resultaat ongeldig verklaard als niet-Bolsjevistische partijen de verkiezingen wonnen. Benoemingen, door en via de Communistische partij die zelf steeds strakker werd georganiseerd, kwamen in de plaats van verkiezingen. In de bedrijven werd de macht van arbeiders en hun gekozen fabriekscomité’s aan banden gelegd. Centraal geleide vakbonden, waarbinnen wederom de partij aan de macht overwegend invloed had, domineerden aanvankelijk, maar de nadruk die Lenin en ook Trotsky op éénhoofdige leiding, management met dictatoriale bevoegdheden in de fabrieken legden, maakten ook die indirecte arbeidersinvloed via vakbgonden steeds zwakker. De macht van gekozen raden kwijnde weg, werd soms rechtstreeks terzijde geschoven; een bureaucratische staat domineerde.

Zowel de concessies die het bewind aan boeren en privé-bezit deden als het autoritaire karakter van de nieuwe macht wekten binnen de partij oppositie. Al in 1918 was er een stroming die zich de Linkse Communisten noemde. Steen des aanstoots was de vrede van Brest-Litowsk die de regering met Duitsland aanvaardde. Linkse communisten zagen dat als een capitulatie. Maar de kritiek werd breder. Het feit dat Lenin erop aandrong managers – ‘technische specialisten’- in het verhullende jargon – niet alleen te accepteren in fabrieken, maar ook ruim boven arbeiders wilde belonen, ondervond kritiek. In deze ringen klonk al het verwijt dat Lenin bezig was een vorm van staatskapitalisme op te bouwen, geen socialisme.

Heel veel van deze linkse communisten – Boekarin was één van hen – - haalden de jaren erop bakzeil. Tegenover de inderdaad zeer reële, dreiging van interventie en contarevolutie werd de noodzaak van hardhandig centralisme en verregaande onderdrukking van tegenstanders ook door veel van hen helaas erkend. Maar keer op keer doken de kritische thema’s weer op. In 1920-1921 kregen we bijvoorbeeld de Arbeidersoppositie, die pleitte voor het overdragen van de productie naar de vakbonden. Het tekent de degeneratie van de revolutie dat vakbondsmacht, in 1918 de manier om de rechtstreekse arbeiderszeggenschap in te kapselen, nu gezien werd als een stap om de macht van arbeiders uit te breiden tegenover de oppermachtige bureaucratie.

In 1921 werd deze Arbeidersoppositie binnen de partij goeddeels verslagen. Maar in de jaren erop vormden zich steeds weerr kernen van oppositie van communisten. De inzichten werden radicaler, en mensen begonnen te pleiten voor een volstrekte breuk met de partijstaat zoals die onder Lenin en Trotski vorm had gekregen. Een belangrijke stem van dit soort kritiek levert Gabriel Miasnikov, die een groep om zich heen had die ondergronds actief was en enige weerklank vond: de Arbeiders Groep. Hier zien we een vorm van links-communistische kritiek tot wasdom komen. 

Miasnikov was al heel lang actief als communist, en behoorde al in 1918 tot de linksradicale vleugel, de Linkse Communisten. Tussen 1918 en 1920 houdt hij zijn kritiek op de achtergrond en steunt het bewind actief. Later waren hij en geestverwanten actief in de Arbeidersoppositie, maar ze vonden deze stroming veelal te meegaand, niet kritisch genoeg.

In 1921, toen de matrozen van Kronstadt in opstand kwamen en zelfs afgevaardigden van de Arbeidersoppositie de onderdrukking st van de opstand steunden, weigerde Miasnikov de revolte te veroordelen. Dat was in de communistische partij nogal uitzonderlijk: zelfs de ex-anarchist Victor Serge die zich bij de Bolsjevieken had aangesloten, en die dondersgoed wist wat er gaande was, accepteerde de repressie ervan op dat moment als noodzakelijk. Miasnikov blonk hier uit door radicalisme en politieke moed. In mei 1921 pleitte hij in een memo aan de partij voor persvrijheid, en voor overdracht van de economie aan sovjets van arbeiders. Dat ging dus veel verder dan de voorstellen van de Arbeidersoppositie. Ook pleitte hij voor afschaffing van de doodstraf.

Lenin probeerde Miasnikov – die een reputatie had, en sympathie ondervond in arbeiderskringen – via een brieflisseling en een gesprek op andere gedachten te brengen. Miasnikov hield voet bij stuk. Toen kwam het partijapparat in actie, de veiligheidsdienst begon hem in de gaten te houden, en in februari 1922 werd hij de partij uitgezet. Samen met leden vande al goeddeels uitgeschakelde Arbeidersoppositie ghing hij in beroep bij de Comintern. Die steunde echter de Russische partijleiding, hetgeen gezien de greep die deze leiding in de Comintern had, niet verbazend was.

Uiteindelijk veroordeelt de Communistische Partij de oppositie van Miasnikov tijdens het Elfde partijcongres van die partij, in maart 1922. Opvallend detail voor wie Trotski naar voren wil halen als  de prominente principiële opponent tegen de buraucratische dictatuur die Rusland intussen was geworden: “Trotski, handelend als de hoofdaanklager, haalde uit naar Miasnikov vanwege he verlenen van steun aan de vijand.”, zo schrijft Paul Avrich, de anarchistische historicus aan wiens artikel over Miasnikov ik veel  informatie over Miasnikov ontleen. ‘Bewijs’ daarvoor: rechtse en sociaaldemocratische vijanden van het bewind hadden stukken van Miasnikov gepubliceerd. Het was het soort van ‘u krijgt bijval van foute lui, dus u bent zelf fout’- redenering waarvan Trotski en zijn aanhangers niet zo heel lang daarna zelf de volle laag zouden krijgen. Maar op dat moment was Trotski nog mede-aanvoerder van de dictatuur in haar vroege fase, en dus belanghebbende bij haar handhaving. Het zijn bepaalt ook hier het bewustzijn, klaarblijkelijk.

Snel na dit alles zetten de autoriteiten hem gevangen. Na een hongerstaking van 12 dagen – iets waarin hij in zijn verzet tegen de Tsaar had geoefend – lieten ze hem vrij. Hij probeerde weer toegelaten te worden tot de partij, maar tevergeefs. Toen begon hij een ondergrondse groep die zich de Arbeiders Groep van de Russische Communistische Partij noemde, die aandrong op arbeidersmacht in de fabrieken, grote verruiming van de vrijheid tot kritiek, afbreken van voorrechten voor managers en buraucraten en dergelijke. Een revolutionair programma, in essentie. In een tekst die hij met medestanders opstelde, noemde hij de NEP de Nieuwe Exploitatie van het Proletariaat. Hij begon ook het machtsmonopolie van de partij z;elf uit te dagen: met maar één partij zijn verkiezingen een schijnvertoning, argumenteerde hij niet bepaald zonder  reden.

In 1923, op het Twaalde partijcongres, volgden nieuwe veroordelingen vanuit de partijtop, wederom met Trotski in een kwalijke hoofdrol. Zinoviev, later medestander van Trotski, kon er ook wat van: “elke kritiek van de partijlijn, zelfs een zogenaamde linkse kritiek, is nu objectief een Mensjevistische kritiek.” Iemand Mensjevistisch noemen was in die dagen zoveel als iemand contrarevolutionair noemen, en groen licht geven voor repressie. Korter tijd later ging Miasnikov dan ook de cel weer in. Hij kwam snel weer ‘vrij’, om vervolgens het land uit gezet te worden.

Maar intussen was er, mede vanwege zijn dappere en heldere initiatieven, wel een serieuze revolutuionaire oppositiegroep in Rusland onttaan, in de vorm van die Arbeidersgroep. Die werd bijvoorbeeld tijdens stakingen in 1923 actief en riep zelfs een algemene ééndagsstaking uit, en riep tot een demonstratie op. Zo ging het althans volgens Avrich. Tony Cliff, trotskistisch auteur, die in deel drie van zijn Trotski-biografie aandacht besteedt aan de Arbeidersgroep, zegt echter dat de groep nog bezig was met discussie over zo´n stakingsoproep toen de veiligheidsdienst leden begon te arresteren.  Hoe dan ook, arrestaties vonden plaats en een aantal mensen werd de partij uitgezet. Miasnikov werd terug het land in gelokt, om vervolgens drie en een half jaar in de cel te verdwijnen. Na vrijlating ontsnapt hij naar het buitenland, en komt uiteindelijk in Turkije terecht.

Cliff bevestigt trouwens de afwijzende houding van Trotski tegenover Miasnikov en diens kritiek. Hij accepteerdfe r de repressie, al werd hij snel erna wel kritisch over zowel gebrek aan democratie als over de economische gang van zaken die  de onvrede van arbeiders voedde.  Maar hij zag het staken voor hoger loon, en het opkomen voor verregaande arbeidersdemocratie als kansloos onder de gegeven omstandigheden, zo legt Cliff uit. Hiermee laat hij precies zien dat in de optiek van mensen in de Leninistische traditie als Trotski en Cliff kennelijk ánderen – níét arbeiders zelf – kennelijk het recht wordt toebedeeld om te bepalen wat kansrijk en wat kansloos is. Dat is nu precies een reden waarom er een alternatief voor dit Leninisme nodig is, althans voor wie echt wil dat mensen hun eigen bevrijdingsstrijd kunnen en dienen te voeren, dat niemand het namens hen en voor hen kan doen.

Daar ontstaat zowaar contact met Trotski, die in de jaren ervoor eerst uit de macht, daarna uit de partij en vervolgens uit de Sovjetunie was verdreven, met het soort truuks dat Trotski eerder tegen Miasnikov had gebruikt. Nu zaten ze echter op beel punten – het pleiten voor partijedemocratie vooral – op een verwante lijn. Toch komt het niet tot overeenstemming. Waar Trotski Rusland bleef zien als een soort van arbeidersstaat, daar zet Miasnikov een wezenlijke theoretische stap: hij analyseert Rusland als “een systeem van  staatskapitalisme, geregeerd door een bureaucratische elite”, wederom in de woorden van Avrich. Daarmee was, na de praktische breuk, nu ook de theoretische breuk die hij maakt met het officiële communisme van de Sovjetunie, compleet.

Zijn verdere leven was tragisch. Hij leefde in ballingschap, kwam in Parijs terecht, werkte als metaalarbeider – zijn oude vak – en schreef. In 1946, kennelijk verscheurd door heimwee, gaat hij in op een aanbod van de Russische staat om terug te mogen keren naar Moskou. Hij wordt meteen gearresteerd en snel erna doodgeschoten. Zo verging het een man die als weinig anderen inzicht verwierf in wat er mis was gegaan met de Russiche revolutie en de partij die haar eerst aanvoerde maar vervolgens hielp wurgen. Inzichten van hem en mensen als hij – doordrenkt met de bevrijdende kern van inzicht waar Marx, en korte tijd deels ook Lenin, voor stond, maar in totale oppositie tegen wat vooral diezelfde Lenin er zelf ook van hielp maken – zijn vandaag de dag nog steeds moedgevend en leerzaam, voor wie een alternatief soort revolutionaire politiek zoekt dat breekt met elke vorm van kapitalistische en bureaucratische macht.


Over downloadvrijheid en belmenu’s

25 juni, 2010

Revolutionair gezinde mensen zitten te vaak enigszins gevangen in hun eigen te beperkte thematische keuzes. Ze – te vaak nog: we – beperken zich in hun aandachtspunten en actiethema’s tot een aantal gangbare grote lijnen. We zijn gewend dat revolutionair links zich keert tegen de oorlogen van Bush en Obama. We zijn gewend dat revolutionairen tegen de bezuinigingen op sociale en collectieve voorzieningen zijn. We weten dat revolutionairen thema’s als racisme, seksisme, homohaat serieus nemen – of althans vinden dat ze dat hóren te doen. We weten dat revolutionairen de milieuverwoesting als één van de belangrijkste producten van het kapitalisme zien, een thema dat de aandacht die het krijgt méér dan waard is.

Al deze zaken zijn van groot gewicht en verdíenen aandacht, analyse en activistische inzet. Maar er wordt bij dit alles iets zeer wezenlijks over het hoofd gezien. De kapitalistische maatschappij produceert onvrijheid op het meest alledaagse, maar tegelijk veelal genegeerde, niveau. Het systeem creëert daarmee ergernissen die miljoenen mensen dag in dag uit héls maken. Maar over de manieren waarop dit systeem dat doet, over de psychoterreur in zakformaat die zelfs het meest apolitieke individu op zijn tijd tot wanhopige woede drijft, wordt ter linkerzijde te weinig gezegd en nog minder gedaan. Dat is een gemis, want juist daar liggen mogelijkheden, zowel om radicaal-kritische inzichten in deze maatschappij te helpen groeien als om beginnetjes van verzet op de meest onverwachtse plekken te helpen ontluiken.

Laat ik eens twee voorbeelden noemen. Downloadvrijheid is er ééntje. Heel veel mensen doen het: via allerlei sites muziek, games, films van  via internet op de eigen computer zetten. Veelal gebeurt dat zonder te betalen. Zo verkrijgen mensen kosteloos waar ze anders veel geld aan moeten uitgeven. Dit vinden de bedrijven die CD’s, video’s en games produceren natuurlijk niet leuk. Hun winsten lopen gevaar. Muziekuitgeverijen en CD-producenten lopen dan ook voorop in campagnes om hier een eind aan te maken, websites die gratis downloaden mogelijk te maken krijgen van autersrechtenorganisaties en dergelijke een proces opgedrongen. Grote bedrijven vechten voor hun winsten. Dwe gewone muziekgebruiker wordt op kosten gejaagd, haar of zijn downloadvrijheid wordt aangetast.

De hele zaak behelst een botsing tussen het winstprincipe enerzijds, en het gebruiksrecht naar behoefte anderzijds. Hier botsen feitelijk de kapitalistische logica met een impliciet communistische logica. Juist met internetbestanden is eigendomsrecht een absurditeit, en het afdwingen ervan met machtsmiddelen des ter dwazer. Een vergelijking illustreert wat ik hier bedoel. Fysieke producten – een tafel, een CD – kun je kopen en verkopen. Als jij een tafel van mij koopt, dan is het ding van jou. Je mag het ding zelf gebruiken, je mag mij er ook nog aan laten zitten, je mag het ding kapotslaan en in de vuilcontainer doen - het is aan jou. Ik ben mijn  zeggenschap over de tafel kwijt, ik heb er geld voor teruggekregen. De verkoop heeft  mijn beschikking erover overgedragen. Zo gaat dat met fysieke spullen, met ‘dingen’.

Hoe anders is dat voor een internet-bestand, een document in Word maar ook een MP3-muziekbestand! Ik koop zo’n muziekbestand, van jou, jij stuurt het mij. Ik kan het nu afspelen. Maar jij bent het niet kwijt! Je hebt het bestandje alleen maar te hoeven kopiëren, maar je houdt het origineel zelf. Die bestandjes zijn in principe eindeloos reproduceerbaar. Jij bent niks kwijtgeraakt door het bestand ook aan mij te sturenm, het is niet zoals met een tafel die via verkoop van de ene hand in de andere komt. Het blijft in beide handen. Wat is dan nog de zin van koop en verkoop, als er in principe eindeloos kopietjes gemaakt kunnen worden?

Digitale zaken – bestanden van allerlei aard – ondermijnen door hun eindeloos reproduceerbaar karakter de logica van het prive-bezit. De mensen die dus bestanden gratris downloaden, stelen niks. De bestanden die ze ‘pikken’ blijven immers tegelijk in handen van de ‘bestolene’. Het is niet als met een gestolen fiets, die je echt kwijt bent. Er is dus geen gebruiker benadeeld. Alelen het bezitsrecht, geregeld in de vorm van bijvoorbeeld auteursrechten, is geschonden. Maar precies bezitsrechten zijn bij digitale bestanden onzinnig.

Dat het hier een problematiek betreft die politiek relevant is, blijkt wel uit de opkomst van de Piratenpartij, al viel die op verkiezingsdag uiteindelijk nogal tegen. Die club maakt van verbeteringen in bijvoorbeeld het auteursrecht een politiek punt. Maar bij links leeft het thema nauwelijks. Het deed me daarom plezier toen ik zag dat Emil Jacobs, op zijn weblog De Rooie Rakker, over deze zaken begon. Hij overwoog zelfs lid te worden van die Piratenpartij. Die steun voor de Piratenpartij deel ik niet, maar dat komt vooral omdat het een partij is, met de onhebbelijkheden die daar bij horen. De themas die deze partij via verkiezingen onder de aandacht brengt, verdient echter aandacht van antikapitalistische revolutionairen.

Een heel ander onderwerp waarover juist revolutionairen zich best wat drukker mogen maken: belmenu’s! We kennen het allemaal. Je internet doet het niet, je belt je provider, je mag eerst kiezen tussen TV, internet, abonnementen, storingen en nog drie andere dingen, dan mag je een postcode intikken, en dan wordt je vierendertig minuten in de wacht gezet om vervolgens advies te krijgen dat je je modem eerst eens a uit- en weer in moet schakelen; als dat niet helpt zien we wel verder. Iets overdreven? Ja. Maar niet veel.

Het is een verschijnsel dat we allemaal tegenkomen, en het wortelt in aspecten van een doorgedraaid neoliberalisme, verweven met een op hol geslagen bureaucratische machtsvorming op alle terreinen. Bedrijven schermen zich steeds meer af tegen rechtstreeks contact met de klanten. Rechtstreeks bellen, iemand aan de lijn krijgen die vriendelijk ingaat op je vraag en probeert te helpen – het behoort tot het verleden. De muur van belmenu’s die wordt opgetrokken ontmoedigt mensen om het zelfs maar te proberen. Wie hetn wel probeert wordt stevig op kosten gejaagd: dit telefoonnummer kost 80 eurocent per minuut, plus de kosten van uw provider, klinkt het dan met lijzige stem, waardoor de 80 cent al zowat binnen is voor je nog maar een keuzemenu bent gepasseerd. Tegen de tijd dat je iemand aan de lijn hebt, is je beltegoed op, moet je telefoon aan de adaptor of is je telefoonrekening naar deurwaarderproporties opgelopen. Afpersing is het.

Er worden redenen aangevoerd waarom bedrijven zich zo afschermen. Maar ze deugen vaak niet. Er is de angst bij bedrijven dat kritische klanten snel met juridische procedures beginnen. Daarom houdt een bedrijf de klant dan maar op afstand. Dat je juridische procedures ook kunt voorkomen door goed werk te leveren en waar nodig is kritiek te incasseren, is blijkbaar niet erg ‘bedrijfsmatig’ gedacht.

Ook horen we natuurlijk gejammer over de verwende klant. Journalist John Piek, die zich er in heeft verdiept, tekent uit de mond van een helpdeskmedewerker op: “Mensen denken tegenwoordig over hun breedbandverbinding net als over stromend water. het is een eerste levensbehoefte geworden, en als die uitvalt, schreeuwen ze moord en brand.”

Een goed einternetverbinding is echter ook een wezenlijke levensbehoefte geworden, of beter gezegd: tot een eerste levensbehoefte gemáákt. Je geldzaken, je belastingaangifte, afspraken maken bij Burgerzaken voor een nieuw paspoort, noem het maar op – het gaat steeds meer via internet. gewoon naar een bankkloket gaan om wat geld van je rekening te halen wordt actief ontmoedigt. Je hebt dat internet dus doodgewoon nódig in je dagelijks leven. Inderdaad, bijna net zoals stromend water. Maar dat is niet de schuld van de verwende klant die tevele verwacht.

Maar er is nog iets. Eerste levensbehoefte of niet, we betalen voor die verbinding. We hebben het volste recht om op onze strepen te staan als de boel het niet doet, en boos te worden in geval van wanprestatie. Het goede antwoord op geërgerde klanten is niet: meer belmenu’s. Het goede antwoord heet: fatsoenlijke dienstverlening. Maar dat is kennelijk niet ‘bedrijfsmatig’ gedacht. De klant is voetveeg, de koning heet: winst.

Nog een ander aspect kleeft er aan het ijzige gordijn van belmenu’s en dergelijke: werk dat vroeger gedaan werd door arbeiders, tegen betaling., wordt nu feitelijk door de klant gedaan, ónbetaald, sterker, op een manier die ons nog geld kost ook. Loren Goldner, links-communistisch auteur van een prikkelende analyse van veranderingen in het kapitalisme, verschenen in een veelbelovende nieuwe publicatie, schrijft daarin:  “elk bedrijf en elke  overheidsinstantie die daartoe in staat was, verving receptionistes door eindeloze telefoonmenu’s vol irrelevante opties en eindeloze wachttijden, daarmee kosten drukkend door onbetaalde arbeid af te dwingen van degenen aan wie ze geacht werden service te verlenen.” Zo is het. De klant doet een flink deel van het werk dat vroeger door de klantenservice gedaan werd. En de klant moet daar nog voor dokkken ook. Deze dwangarbeid kost 80 cent per minuut.

Het is allemaal erg frustrerend voor degene die moet bellen en dokken om iets gedaan te krijgen. Het leidt tot woedende klanten, en daarmee weer voor narigheid voor de ongelukkige helpdeskmedewerkers of medewerkster  als de klant eindelijk door de belmenu’s is heen gedrongen en de frustratie afreageert op haar of hem. Het kost ook nog eens werkgelegenheid, van al die telefonistes die nu door opties en wachttijden zijn vervangen.

De strijd tegen belmenu’s, voor het weer invoeren van een behoorlijke klantenservice, rechtstreeks bereikbaar, is daarmee iets waar mensen zowelin hun hoedanigheid van personeel bij bedrijven en instanties, als in de rol van klant van die bedrijven en instellingen, rechtstreeks belang bij hebben. Inzet  voor dat gemeenschappelijke belang brengt hen in botsing met de logica achter de muur van belmenu’s: kostenreductie, ten bate van de winst. Voorwaar, er zijn thema’s waarvan de relevante voor revolutionairen moelijker is uit te leggen. Nu nog een vertaling vinden van deze thematiek naar praktische initiatieven van verzet.

En overigens ben ik van mening dat lezers van dit weblog er goed aan doen op 17 juli deel te nemen aan de solidariteitsdemonstratie onmder het motto  Griekenland Is Overal  tegen bezuinigingen, daar in Griekenland en hier.


SP-stemmers bedankt :-)

23 juni, 2010

De SP heeft weer eens laten zien waar ze staat: met alle sociale aanvechtingen die haar leden eigen is, staat ze aan de kant van de orde. De vijandige, kapitalistische orde, om precies te zijn. Dat bleek overduidelijk uit een motie die SP-er Ronald van Raak in de Tweede Kamer indiende. Een motie tegen bezuinigingen – maar dan wel tegen bezuinigingen op de politie. Daarmee betoont de partij zich als een voorvechter van een, al dan niet geüniformeerd optredende, vijand van onze vrijheden, van ons verzet. Van Raak lonkt, blijkens het bericht op Nu.nl (23 juni) naar de steun van rechts, en naar de sympathie van politieagenten zelf. Van Raak: “Ik reken op uw stem, dat doen de agenten ook.”

Onverteerbaarder nog is het de facto bondgenootschap dat Van Raak feitelijk met, jawel, PVV-er Hero Brinkman had gesloten. Beiden keerden zich zij aan zij tegen topinkomens van politiechefs. In een context waarin de SP tegelijk opkomt tegen bezuiniging op het politieapparaat is dat sociaal klinkende demagogie. En sowieso dient links  alles wat ook maar lijkt op gezamenlijk optrekken met de PVV, te vermijden. Dat rechtse partijen de PVV van legitimatie voorzien is erg genoeg. Dat de SP zelfs maar de schijn wekt zoiets ook te doen, is, laat ik het beleefd zeggen, een schande.

Dit brengt me tegelijk nog even bij degenen die, met al hun oprechte linkse kritiek, toch maar SP hebben gestemd bij gebrek aan beter, uit strategische overwegingen en dergelijke. Onder hen waren ook mensen met revolutionaire opvattingen en/of bedoelingen. Ik mag vermoeden, en ook hopen, dat deze mensen zich bij boven aangeduide kwalijke moves van een Van Raak wel buitengewoon ongemakkelijk voelen. De fractie waar Van Raak deel van uitmaakt, zit daar mede door hún stemmen, en door de stemmen van mensen die het stemadvies van groeperingen als de Internationale Socialisten en Offensief hebben opgevolgd. Ik mag ook hopen dat deze mensen, en deze groepen, hun kritische onbehagen over dit type SP-opstelling met kracht zullen laten horen. Dat is wel het minste. Het is, vanwege hun opstelling, ook hún fractie, hún verantwoordelijkheid.

Dit is tegelijk ook een goed moment om – na twee weken kabinetsformatie  zonder uitzicht op resultaat – nog even op de discussie over wel of niet stemmen terug te komen die hier voor en rondom verkiezingsdag op dit weblog woedde. Mijn laatste stuk erover leverde wederom een handvol reacties op. Dylan geeft blijk van zijn stemweigering, met hem heb ik hierover geen wezenlijk meningsverschil. Met Jelle Bruinsma – die, met verwijzing naar de kennelijk ook door hem zeer gewaardeerde Howard Zinn – nog wel enig nut ziet in de tweeminuten-gang naar de stembus, is mijn meningsverschil ook slechts miniem. Hij redeneert feitelijk: misschien haalt het ietsjepietsje uit, en baat het niet dan schaadt het ook niet. Ik redeneer: misschien maakt niet-stemmen ietsjepietsje uit, en baat het niet dan schaadt het ook niet. De uitkomst is ietsje anders, maar de onderliggende houding – geen vertrouwen in het parlementaire representatieve gebeuren – is zeer verwant.

Dat is trouwens een algemener punt dat in de hitte van de discussie enigszins buiten beeld is geraakt. Bijna al degenen die, vaak met grote felheid, hier kwamen uitleggen dat die SP-stem toch nut en waarde had, hebben net zo min wezenlijk vertrouwen in de representatieve democratie als ik. Bijna allemaal zeggen zij dat verzet vanuit de maatschappij, van onderop om die zinsnede maar weer te gebruiken, de kern is. sstemmen op de SP is voor hen slechts een ondergeschikte strategische keus. In de kérn zijn deze SP-stem-adviseurs en ik dus geestverwanten, bondgenoten, of zouden dat moeten zijn.

Mijn strategische keus leidt tot niet-stemmen, maar ook dát is slechts ondergeschikt aan een groter verhaal: ik heb ook gezegd dat ik niet heel veel in een niet-stem-campagne zie. Het nut daarvan zit in het onder de aandacht brengen van achterliggende anarchistische opvattingen, niet in de paar thuisblijvers meer of minder die het wellicht oplevert. En daar zit precies mijn probleem met de oproep om op de SP te stemmen. Die paar extra SP-stemmers die het heeft opgeleverd – niet voldoende voor zelfs maar één zetel, misschien amper genoeg voor het pluche erop -  , dat is geen drama. Mijn punt was veeleer het groepsgewijs oproepen om SP te stemmen. Dát geeft de stembus, en de SP-keus, een extra gewicht, dát maakt SP-stemmen tot iets belangrijks, dát versterkt parlementaire, electorale illusies, hoezeer er ook bij gezet wordt dat stemmen natuurlijk niet genoeg is enzovoorts. En dát staat wel degelijk op gespannen voet met het opbouwen van zelfvertrouwen dwars tegen alle gevestigde machtsstructuren – ook de electoraal gelegitimeerde machtsstructuren – in.

Met bijna alle mensen die een stem voor SP (of een andere linkse partij: Buchan bijvoorbeeld noemt geen partij maar maakt wel duidelijk dat hij stemmen belangrijk vindt, ook als revolutionair-gezind persoon) heb ik dus wezenlijke diepere keuzes gemeen: zij willen een revolutie dichterbij brengen, ik ook, en zij zien dat in de kern als iets buitenparlementairs, net als ik. We zijn het dus veel minder oneens dan de felheid van de discussie wellicht doet vermoeden.

Met de reactie van Hans ligt dat wezenlijk anders. Hij noemt het het werken via parlement een de buitenparlementaire activiteit “complementair”, elkaar aanvullend dus. Hij wijst erop dat een afdeling – in dit geval Breda – binnen de SP zich hard gemaakt gheeft voor aanscgharping van het SP-program op het punt van het kraakverbod. Dat is natuurlijk  aardig. Maar hij zegt ook: je moet inzetten op actie én op versterking van het SP-geluid. “Als de SP wat zegt en dat komt op het journaal of je hebt ergens een demo dan beïnvloed je de geesten van mensen. Alleen heeft de eerste meer bereik. Denk daar eens over na, over de effectiviteit van wat je doet en wat je wilt bereiken.”

Beste Hans, ik dénk daar over na, maar we zijn het precies over de methoden om iets te bereiken oneens. Het verschil zit hier. Inderdaad, zowel een SP-uiting als een demonstratie hebben invloed op wat mensen denken. Inderdaad, het bereik van demonstraties is veelal kleiner dan dat van de SP-fractie. Dát actiwevoeren momenteel een kleiner bereik heeft, is echter mede een gevolg van het feit dat teveel mensen vooral energie steken is het versterken van het SP-geluid, ten koste van het geluid van de straat. Uiterindelijk zijn die dingen namelijk niet complementair: je kunt de zelfde tijd en energie maar één keer besteden.

Met een stem op de SP versterk je trouwens slechts de omvang van dat SP-bereik, van de draagwijdte van het SP geluid. Je versterkt dan echter ook de omvang van dat geluid als het een verkéérd geluid is, zoals bij de motie van Van Raak tegen politiebezuinigingen. De inhoud van die SP-stem verander ik niet door op de SP te stemmen. Daarvoor moet ik óf lid zijn van de SP en me daarbinnen doen gelden  - en me daarmee voegen in precies de parlementaire, reformistische strategie die ik afwijs -  óf demonstratief niet stemmen, en luid uitleggen wat mijn bezwaren zijn! Linkse mensen die nadrukkelijk niet (meer) op de SP stemmen, dát geeft de SP heel missschien enig stof tot nadenken. En hoe dan ook, toch blijft er uiteindelijk de enige betrouwbare weg tot wezenlijke antikapitalistische veranderingen: zelf doen, samen doen. Volgens Hans zie ik dit kennelijk “te zwart wit”. Ik denk echter dat ik het vooral rood-met-zwart zie.


Griekenland Is Overal, demonstratie 17 juli: maximale deelname noodzaak

22 juni, 2010

De eerdere solidariteitsactie met Griekse protesten tegen bezuinigingen, gehouden op 27 mei,  krijgt een vervolg. Op 17 juli vindt een demonstratie plaats, wederom onder het motto Griekenland Is Overal. Het wordt een betoging “in solidariteit met de mensen in Griekenland en  tegen de crisismaatregelen in Nederland en de rest van Europa”, zoals in de oproep staat te lezen. Op zaterdag 17 juli verzamelen betogers zich, om 14.00 uur, op het Spui. Daarna gaan we – ja, ik ben medeplichtig en ik zal er ook zijn – lekker lopen :-)

Het is van groot belang dat dit een serieus protest wordt, zowel qua omvang als qua strijdbaarheid en uitstraling. Het gaat om solidariteit met arbeiders, jongeren en anderen in Griekenland die protesteren tegen waarlijk schokkende bezuinigingen. Het gaat tegelijk ook om het opbouwen van protest en verzet tegen soortgelijk beleid dat ook mensen in Nederland gaat treffen, hoe de komende regering er ook precies uit gaat zien.

Er komt de laatste weken wat minder opvallend nieuws over Griekenland en  het verzet daar.  Van een grote stakingsdag, zoals bijvoorbeeld op 5 mei, is al enige weken geen sprake meer. Maar nog steeds vindt er staking na staking plaats. Taxikipali berichte op Libcom dat een staking van metro-personeel in Athene haar derde dag in gaat.  De Engelstalige editie van Kathimerini zegt dat stakers echter van de derde stakingsdag afzagen nadat een rechtbank de actie illegaal verklaarde. De  staking is een protest van metro-arbeiders tegen het dreigende ontslag van 289 collega’s.

Kathimerini schrijft wel dat er stakingen van spoorwegpersoneel en van juristen aankomen. Volgens Taxikipali, een buitengewoon belangrijke bron voor informatie en inzicht, is er trouwens wel van een terugloop in de acties sprake. En daarin speelt niet alleen vakantie en hittegolf, maar ook de verwerking van de terugslag na de dood van drie personeelsleden bij een op de actiedag op 5 mei in de brand gestoken bank een rol. Intussen heeft de Griekse regering pensioenplannen aangekondigd: de pensioenleeftijd gaat naar 65 jaar, vervroegd pensioen beneden de 60 wordt zelfs verboden. De Volkskrant pikt dat laatste eruit in de kop en schrijft: “Griek moet doorwerken tot 60ste”. Maar eerder stoppen, tussen 60 en 65, wordt ook sterk ontmoedigt, met een pensioenkorting van zes procent per jaar.

De bezuinigingen daar blijven reden tot protest, het verzet aldaar verdient – juist nu het er even iets minder grootschalig en aanvallend toegaat – onze aandacht en actieve solidariteit. Dat zijn al hele goede redenen om aan de demonstratie deel te nemen. Maar intussen worden de bezuinigingen hier zelf ook steeds voelbaarder, en komen nieuwe aanslagen op ons levenspeil dichterbij. Het kabinet besloot kortgeleden dat allerlei medische voorzieningen – looprek, rollator, krukken, tandarts voor 18 tot 21 jaar, pil voor meiden onder de 21 – uit het basispakket van de ziektenkostenverzekeringen moeten, terwijl voor andere zaken de eigen bijdrage omhoog gaat. Dat laatste geldt voor fysiotherapie, psychologische hulp en dergelijke, maar ook de eigen bijdrage voor lang verblijf in een zorginstelling. Dit zijn maatregelen van een demissionair kabinet. Dan kunnen we na gaan wat een kabinet straks zal proberen als echt, volgens de parlementaire spelregels, aan het werk denkt te mogen gaan.

Het is dan ook belangrijk om de tijd waarin partijen nog bezig zijn met kabinetsformatie, en waarin de vaart van hun kant er nog niet helemaal in zit, extra te benutten. Het is zaak om beginnetjes van verzet te bouwen, initiatieven te nemen om een balletje aan het rollen te helpen brengen tegen bezuinigingen. De demonstratie van 17 juli heeft ook in die zin betekenis. Het is het eerste wat groter opgezette straatprotest tegen bezuinigingspolitiek sinds de rechtse verkiezingsoverwinning van 9 juni. Samen met de voorloper op 27 mei en hopelijk nieuwe initiatieven ná de 17e, kan het, zál het wat mij betreft, de aanzet zijn tot naar veel, veel meer.


Weer een ziek Volkskrant-artikel over Israëlische staatsmisdadigheid

20 juni, 2010

Hoe verachtelijk weet De Volkskrant het te maken als het gaat om haar ‘berichtgeving’ over Gaza, de Israëlische bezetting van Palestina, en aanpalende onderwerpen? Nét als je denkt: erger wordt het niet, duikt er weer een stuk op waarvan je denkt:  wordt de auteur ervan zélf niet misselijk van al het gedraai om de waarheid heen?

Het stuk heet als volgt: “Israël heft de blokkade van Gaza grotendeels op”. Wie het stuk leest, ziet al snel wat de oplettende nieuws-volger al vermoedde en/of via andere kanalen had gehoord: de blokkade wordt helemaal niet opgeheven, niet geheel, niet gedeeltelijk, niet voor een klein deel zelfs. Wat er werkelijk gebeurt is dat Israël aangekondigd heeft dat er minder artikelen worden tegengehouden en meer worden doorgelaten. Was er eerst een lijst met spullen die Gaza binnen mochten terwijl de rest verboden bleef, komt er nu een lijst met spullen die verboden zijn, terwijl de rest dus wel binnen mag. Degenen die dat bepalen en controleren, waren, zijn én blijven de Israëlische autoriteiten. De Volkskrant voegt er nog wat aan toe: de zeeblokkade blijft, het exportverbod vanuit Gaza blijft, personenverkeer blijft sterk beperkt. Aan het feit van de blokkade verandert helemaal niets. Alleen de criteria van de uitvoering veranderen. De kop van het artikel is daarmee misleidend, leugenachtig.

De rest van de inhoud is op een andere manier weerzinwekkend. We krijgen de redenen voorgeschoteld waarom Israël die blokkade versoepelt. Een paar hoogtepunten. “De blokkade hing de internationale gemeenschap al langer de keel uit”, lezen we. Dat de blokkade nóg een groep van mensen de keel uithing – namelijk de anderhalf miljoen Palestijnen die vanwege die blokkade langzaam verrekken – meldt het artikel nergens. “Na de 22 dagen durende oorlog tussen Israël en het Hamas-bestuur, anderhalf jaar geleden, klonk van alle kanten de roep om versoepeling van het Israëlische boycotbeleid”, zo vervolgt de Volkskrant. Oorlog tussen Israël en het Hamas-bestuur? Gooide de Israelische militaire apparaat haar bommen, raketten, granaten, al dan niet met witte fosfor, enkel en alleen op het Hamas-bestuur? Waren al die 1300 doden aan Palestijnse kant waar de Volkskrant dan nog melding van maakt, leden van dat bestuur? Ook de meerdere honderden kinderen die door de Israëlische aanval werden afgemaakt? Was er wel van een oorlog sprake, was het niet eerder een vrijwel compleet éénzijdige slachtpartij tegen een vrijwel weerloze burgerbevolking, waartegen de handvol Palestijnse raketten een volstrekt pathetisch antwoord waren?

Verder maar weer. Ik sla wat stukken over – mensen met een sterke maag lezen de rest maar zelf – en zie: “De afzwakking van de blokkade is geen ideologische koerswijziging”. Vertaling: de poging van israel om de Palestijnse bevolking murw te beuken met honger en geweld gaat onverminderd voort, ondanks de door PR-motieven ingegeven beslissing dat er iets meer spullen onder Israelisch toezicht Gaza binnen mogen. “Dit is de concessie die het mninst pijn doet: veel producten die nu gaza in mogen warend aar al voorhanden door de tunneleconomie met Egypte ” - dat andere land dat verder zo naarstig helpt bij het gevangenhouden van de mensen in Gaza, als het niet te druk is met het terroriseren van de bevolking in Egypte zelf, waarvan we vandaag weer een voorbeeld te zien kregen. De politie trad daar weer eens hardhandig op tegen demonstranten tegen, jawel, politiegeweld.

Verder met het Volkskrant-stuk. “Het neemt niet weg dat Israel zijn verlies neemt, zonder iets van Hamas terug te krijgen. Het geeft impliciet toe dat de blokkade niets heeft opgeleverd. Het heeft de bevolking niet opgezet tegen het Hamas-bestuur” – inderdaad; het is dan ook Israël, niet het Hamas-bvstuur, dat met de blokkade doelbewust honger en ellende aanwakkert onder de bevolking – “noch heeft het de vrijlating van de ontvoerde Gilad Shalit dichterbijgebracht.” Dat laatste is ook ‘grappig’. Als Israël Hamas-strijders oppakt heet het dat ze zijn gearresteerd. Toen Israël en Egypte nog oorlog voerde nam Israël eventueel Egyptische soldaten krijgsgevangen. Maar als Palestijnse gewapende strijders een Israëlische soldaat oppakken en vasthoudt, heet het opeens dat die is ‘ontvoerd’.  Gilad Shalit is krijgsgevangene gemaakt tijdens oorlogshandelingen. Niks ‘ontvoerd’, tenzij de Volkskrant eens erkent dat Israelische gevangenissen vol zitten met ontvoerde Palestijnse mensen.

We lezen ook nog: “Maar de prijs was te hoog: steeds meer vrienden van Israël liepen rood aan.” Dat de prijs van de blokkade in ménselijke termen al vanaf dag één te hoog was, dat de blokkade niet alleen illegaal volgens internationaal recht maar vooral onmenselijk en daarmee totaal verwerpelijk was – je zult het uit het cynische, enkel in machtspolitieke termen gestelde en van dubbele moraal doordrenkte Volkskrant-schrijfsel niet kunen opmaken. ‘Journalisten’ die dit soort stukken maken en het eindresultaat na bewerking aanvaardbaar vinden,  ‘redacteuren’ die zulke stukken op maat snijden en in de kolommen van de Volkskrant helpen belanden, moeten zich schamen.


Irak, wanhoop en een vleugje hoop

20 juni, 2010

Het is naar de achtergrond verdwenen, het krijgt minder aandacht de laatste tijd, maar Irak wordt nog steeds geteisterd door golven van geweld en narigheid. Het zijn, nog steeds, de vruchten van een Amerikaanse inval en bezetting die de maatschappij grondig hebben ontwricht en de deur open hebben gezet naar steeds nieuwe verschrikkingen. Toch zijn er af en toe vleugjes van hoop te bespeuren. Een paar symptomatische berichten.

Vandaag, in Aljazeera, melding van twee autobommen. Slachtoffers: 26 gewonden, minstens, en ook nog eens 53 gewonden. Doelwit:  de Handelsbank van Irak, in Bagdad. Doel: onduidelijk. Misschien een politieke gewelddasad, misschien ‘gewoon’een poging tot bankroof, zo meldt het bericht. Mij lijkt die laatste veronderstelling een beetje bizar. Als je een bank wilt leeghalen, blaas je de bvoel niet compleet op. Maar ja, misschien zijn de zaken niet zo gelopen als de aanslagers gepland hadden.

13 juni, de BBC, melding van een bomaanslag, gevolgd door een beschieting met geweervuur. Aantal slachtoffers: 15 doden, minstens 50 gewonden. Doelwit; ook al een bank, de centrale bank van Irak, ook in Bagdad. Toen ook al de onduidelijkheid of er sprake was van een ‘gewone’ bankroof, een aanval van politiek-gemotiveerde groepen – of een geval van gewelddadige ‘fundraising’ van zo’n gewapende groep.

Zo gaat het door. Aanslagen, vaak van volstrekt onduidelijke herkomst. Een politie en een Iraaks leger die toekijken, zich bezig houden met het treiteren van mensen, amar niet in staat of niet bereid tot optreden tegen de diverse gewapende groepen – mogelijk omdat leden van die groepen geïnfiltreerd zijn in politie en leger, mogelijk ook omdat soldaten en agenten een bijbaantje (of hun core-business) hebben als lid van gewapende groepen. Het is, direct of indirect, de erfenis van de Westerse bezetting die doorgaat. De Amerikaanse troepen hebben zich weliswaar uit de voorpagina’s teruggetrokken, maar nog bepaald niet uit Irak zelf.

Er zijn ook weer eens verjkiezingen geweest, jawel. Meer dan drie maanden geleden vonden de tweede parlementsverkiezingen plaats sinds de bezetting begon. Afgelopen maandag kwam het parlement dan eindelijk bijeen, AFP vertelt erover. De geachte afgevaardigden zongen uit volle borst het nationale volkslied, hielden een vergaderingd ie welgeteld twintig minuten duurde, en dat was dat. Er is nog steeds geen nieuwe regering. Geen van de partijen-coalities heeft een meerderheid, het kan nog wel eventjes dfuren. Als informateur Rosenthal in Nederland klaar is, in november of zo, kan hij misschien adviseren in Bagdad…

Intussen worden flinke delen van de bevolking steeds bozer, en dat laten ze merken. het is ook niet gek. het gfeweld laait, na een aantal maanden iets te zijn afgenomen, weer op. In mei kwamen, volgens het eerder genoemde AFP-stuk,  337 mensen om het leven, volgens regeringscijfers. Dat was de vierdee maand op rij dat er meer dodelijke slachtoffers waren dan dezelfde maand vorig jaar. Het is nu meer dan zeven jaar na het begin van de Westerse bezetting, en het geweld woekert eindeloos verder.

Wat ernstig bijdraagt aan volkswoede zijn de erbarmelijke levensomstandigheden. Die waren gisteren aanleiding tot een felle demonstratie in de zuidelijke stad Basra. Duizenden betogers protesteerden tegen energietekorten. Nog steeds kunnen mensen niet rekenen op elektriciteit in hun woning. In de rijkere wijken hebben mensen acht uur per etmaal stroom. In de arme wijken – de meeste wijken dus – is dat vaak maar één uur het geval. “De regering moet weten dat  de mensen nu een lange tijd hebben gewacht. Wer zijn niet langer geduldig.” Dat zei een 34-jarige demonstrant, volgens de New York Times. “Een andere, de 29-jarige Qaisar banwar, beloofde ‘een revolutie van elektriciteit’”, aldus het artikel. Mensen gooiden stenen naar een bestuurdssgebouw en raakten slaags met de politie. Die schoot een betoger dood. Dat is kennelijk weer eens die democratie, gebracht door Westerse troepen, in de praktijk.

Dit soort demonstraties zijn evenwel een hoopvol teken. Ze laten zien dat doodgewone mensen zich laten gelden, dwars tegen staatsgeweld en levensgevaar door aanslagen in. Maar ook dan is er een politiek probleem. De demonstratie in Bagdad werd georganiseerd door de sjiitische beweging van Al Sadr. Die benut geregeld de terechte volkswoede, maar doet dat om zich populair te maken, haar positie bij verkiezingen en regeringsvorming te verstevigen. Echte bondgenoten van de arme bevolking zijn ook zij niet. De links-communistische publicatie Aufheben rekende in 2009 in een op Libcom gepubliceerd artikel vrij grondig met de pro-Al-Sadr-mythe af die ook in trotskistische kringen – eerder dus ook bij mijzelf, maar een mens blijft gelukkig leren – invloed heeft gehad en wellicht nog heeft.

Politieke en sociale krachten die de noden van arbeiders en andere armen centraal stellen, en een consequente strijd voeren voor sociale en democratische bevrijding, tegen bezetting én tegen Iraakse politici en als verzetsgroep vermomde rechtse, vaak religieus-sectarische organisaties, zijn in Irak zwak. Waar trouwens niet?! Maar het protest in Basra laat wél zien dat er voor zo’n strijd zowel reden is, als ook groot draagvlak, grote potentiële steun. Dáár ligt de hoop.


Bloody Sunday: zeer verlaat begin van gerechtigheid

15 juni, 2010

Zo gaat een keurige democratie – en dat is Groot-Brittanni, nietwaar? – dus met een kwalijke episode uit het verleden om. Zo behandelen de autoriteiten aldaar een wandaad, bedreven door soldaten in dienst van de autoriteiten waarvan zij de wettige erfgenamen zijn. Zo hanteert het gezag de kracht van het onderzoek-tot-op-de-bodem, het wapen van de openbaarheid-boven-alles. Hoe? Welnu, heeeeeel traag. Als volgt. Maar eerst een aanloopje.

In de late jaren zestig van de vorige eeuw protesteerden leden van de katholieke minderheid in Noord-Ierland tegen discriminatie, katholieken woonden in  slechtere huizen, hadden gemiddeld beroerder werk, lagere inkomens en weinig democratische vrijheden. Het establishment, geleid door protestantse politici en gedekt door het Britse gezag, gaf dfe protestantse meerderheid met bescheiden voordelen het gevoel dat zij erbij hoorde, en de katholieken niet of minder. Zo verwierf zij loyaliteit aan de Britse overheersing, hetgeen de naam van voorstanders van die Britse en protestantse hegemonie verklaard: Loyalisten.

Protesten vanuit de arme katholieke gemeenschap waren overwegend vreedzaam, en  fors van omvang. Het was een burgerrechtenbeweging, vergelijkbaar met de beweging van zwarten in het zuiden van de VS voor democratische rechten, de strijd waarin dominee Martin Luther King zo’n gezichtsbepalende rol speelde. En net als in Alabama reageerde het gezag met grof geweld. Nieuwe acties op straat, nieuw politiegeweld. De plaatselijke politie – vrijwel uitsluitend bemenst met protestants personeel – trad op als rechtstreekse onderdrukker van de katholieke gemeenschap. De roep om verdediging van die gemeenschap, desnoods gewapend, groeide. Toen in 1969 een katholieke wijk belegerd werden door een protestantse gewapende overmacht, stuurde de Britse regering soldaten naar Derry. Om tussenbeide te komen, op korte termijn.  Om de strijd vanuit de katholieke gemeenschap in te dammen en neer te slaan. Dat was de meer strategische functie van de Britse troepen. Daarmee werd de strijd voor burgerrechten vooral ook een gevecht tegen Britse bezetting.

In januari 1972 vond een grote demonstratie plaats tegen de Britse aanwezigheid. De Guardian spreekt van tussen de 5.000 en de  20.000 mensen , de BBC houdt het op 10.000. Sommigen gooiden stenen. Je verwacht dan als betoger dan traangas, waterkanon, knuppelende agenten, eventueel te paard. Betogers kregen echter, naast inderdaad dat soort dingen, kogels, afgevuurd door soldaten van het 1e Bataljon Parachutisten Regiment. Soldaten schoten 25 minuten lang, en doodden direct 13 demonstraten. Een veertiende betoger overleed later. Deze gebeurtenis  is bekend komen te staan als Bloody Sunday.

De jaren erop zagen we twee ontwikkelingen. De strijd tegen de Britse onderdrukking en protestantse overheersing nam nu de vorm aan van een bloedige guerrilla, gevoerd door een oude, ingeslapen maar nu weer tot leven gekomen, verzetsbeweging, de IRA. Moorddadige repressie, met langdurige folterende opsluiting van IRA-verdachten, IRA-aanvallen, doorgaans maar niet altijd op Britse soldaten, protestantse aanvallen, vaak op willekeurige katholieken, een strijd die aansleepte tot ver in de jaren negentig. geleidelijk werd duidelijk dat de Britse staat door pure repressie geen rust zou herwinnen, maar dat de IRA niet sterk genoeg was om haar doel – aansluiting van de Britse provincie Noord-Ierland bij Ierland – gewapenderhand te bereiken. Er kwam een wankel ‘vredesakkoord’, dat geen werkelijk recht deed aan gerechtvaardigde verlangens vanuit de onderw orpen bevolkingsgroepen, maar bij gebrek aan beter en vanuit een verlangen naar rust door de meeste mensen toch werd aanvaard.

De tweede ontwikeling, parallel hieraan, was het onderzoek naar de toedracht van Bloody Sunday zelf. Er kwam snel een onderzoekje, onder leiding van een zekere Lord Widgery, dat de soldaten vrijpleitte. Betogers zouden de soldaten aangevallen hebben, soldaten zouden in paniek hebben gereageerd, gedode demonstyranten zouden zelfs spijkerbommen hebben gehad. Maar vijfentwintig minuten schieten met scherp en 14 doden wijst bepaald niet op simpelweg een overreactie. Familieleden van nabestaanden namen, volstrekt terecht, geen genoegen met dit doofpot-rapport.

Uiteindelijk ging in 1998 de toenmalige premier Tony Blair overstag vanwege aandrang van nabestaanden, en gaf opdracht tot een nieuw onderzoek, onder leiding van een zkere Lord Saville. Toen was er, geloof het of nie, dus al zo’n 28 jaar voorbij gegaan waarin mensen hadden kunnen fluiten naar waarheid en gerechtigheid. En ja hoor, de commissie ging aan de slag. Vandaag is dan eindelijk haar rapport gepubliceerd. Conclusies: “geen van de slachtoffers vormde een dreiging van dood of ernstige verwonding, of was zelfs maar iets aan het doen dat in enig geval het neerschieten van hen rechtvaardigde.” Vuurwapens hadden de slachtoffers niet, alles wees erop dat soldaten als eersten het vuur openden. dat soldaten dachten dat ze beshchoten werden, kwam omdat ze het eerste schot van één van hen aanzagen voor een schot óp hen. Het rapport oppert dat de soldaten, in strijd met instructies. Er werd bij één van de slachtoffers inderdaad zo’n spijkerbom aangetroffen. gfamilie zegt dat die dara naderhand is geplaatst, het rapport gelooft dat niet. maar het rapport zegt wel dat ook deze man, toen hjij werd doodgeschoten, niet op het punt stond het ding te gooien, of dat angst voor zoiets echt eenr reden kan zijn geweest om hem dood te schieten. “Hij was neergeschoten terwijk hijm aan de soldaten probeerde te ontsnappen.”

De nieuwe premier van Groot-Brittannië, David Cameron, heeft inmiddels sorry gezegd. “De dood van de dertien betogers was ‘onrechtmatig en onverdedigbaar’, zei de premier. Het is ‘overduidelijk’ dat de militaire ‘fout’ zaten.  Cameron noemde de conclusies van het rapport ‘schokkend’.” Ik ben het daar maar zeer ten dele mee eens. Dodelijk geweervuur is wat je vroeg of laat krijgt als je soldaten stuurt tegenover volksverzet. Dat Cameron na al die jaren nog geschokt moet worden door een onderzoeksrapport dat duidelijk maakt hoe zoiets in zijn werk gaat, dát is schokkend – tenminste voor wie nog enig vertrouwen heeft in de inzichten van zo iemand.

Twee dingen dienen nog te worden vastgesteld. ja, het rapport erkent schuld van sopldaten. Maar die soldaten zouden in strihjd met instructies gehandeld hebben. het echte schandaal ligt echter hogerop, bij degenen die de soldaten stuurden, tegenover een opstandige bevolking. Hoe de preceize instructies ook ludden, de opdrachtgevers van de militaire onderdrukking uit die jaren mogen niet vriuuit gaan terwijl slechts wat uitvoerders aan de schandpaal genageld worden.

Het tweede punt is dit. Eerst 26 jaar wachten voor er zelfs maar een serieus onderzoek op gang gebracht wordt. dan een onderzoek dat 12 jaar in beslag neemt. In totaal hebben nabestaanden en naar gerechtigheid zoekende mensen dus 38 jaar mogen wachten! Ik stel voor dat we de Britse regering nú vast oproepen om een onderzoek te starten naar misdaden die Britse troepen in 2048 ongetwijfeld ergens in hun koloniale operaties, in Afghanistan bijvoorbeeld, zullen plegen. Ik stel voor dat andere regeringen en staten alvast hetzelfde doen. Dan zijn ze een volgende keer misschien een klein beetje op tijd. Beter zou het natuurlijk zijn als er tegen die tijd geen regeringen en staten meer zijn wiens troepen dit soort misdaden zelfs maar zouden kúnnen plegen.


Kirgizië: achtergronden van het geweld

15 juni, 2010

Het centraal-Aziatische land Kirgizië maakt de afgelopen dagen een akelige geweldsgolf mee. Gevechten, aanvalllen vanuit de ene bevolkingsgroep op mensen, huizen, winkels van de andere bevolkingsgroep, vermoorde mensen,m gewonde mensen, vluchtende mensen. Het zijn het soort taferelen die we kennen uit eerdere uitbarstingen van geweld – in Centraal-Azië, de Kaukasus, de Balkan. Er zijn veel slachtoffers: minstens 170 doden,  1.762 mensen die gewond raakten, zo zegt het ministerie van informatie van Kirgizië. Volgens het Rode Kruis zijn 80.000 mensen naar buurland Oezbekistan gevlucht.

Wat zijn de achtergronden van deze verschrikkingen? Berichtgeving spreekt over etnisch geweld tussen Kirgiziërs en Oezbeken, allebei bewoners van Kirgizië. Het begin van het geweld is nog onduidelijk: ruzie in een casino, rivaliteit tussen criminele bendes vanuit beide bevolkingsgroepen. Vergelijkbare conflicten leidden eerder ook al tot geweld. In1990, toen Kirgizië nog nèt deel uitmaakte van de Sovjetunie, kostte een soortgelijke uitbarsting. Dat kostte toen meer dan 200 mensen het leven. Net als nu vond het geweld toen plaats in de stad Osh.

De etnische spanningen hebben historische en sociaal-economische wortels. Het is om te beginnen niet juist om van een eeuwenoud nationaal conflict te spreken. Correspondent Bruce Pannier legt op de website van Radio Free Europe uit hoe de regio waar Kirgizië deel uitmaakt, was ingedeeld in een emiraat en twee zogeheten khanaten. In die traditionele politieke verbanden woonden mensen van allerlei bevoklkingsgroepen. “(N)iemand zou ziochzelf hebben aangemerkt als Kirgies, Oezbeek, Tasjik. Ze zouden zich eerder hebben geïdentificeerd als iemand van het khanaat Khokand  of het Emiraat van Buh khara of  wat ook.”

Na de Russische revolutie, en vervolgens de vorming van de Sovjetunie op de ruïnes daarvan (mijn interpretatie, niet die van Pannier:-) ), werd de regio ingedeeld in een reeks republieken waarvan Kirgizië er één was. Met het grote aantal etnische groepen – 80 alleen al in Kirgizië – die aan verschillende kanten vabn de grenzen woonden – was daarmee een recept voor rivaliteiten gegeven. Onder de Sovjetnunie maakte dat nog weinig uit: de republieken hadden nauwelijks zelfstandigheid, de grenzen waren vooral administratief van aard, weerstanden vanuit de bevolking tegen machthebbers richtten zich vooral tegen het centrum, de Russische overheersing vanuit Moskou. Van  onderlinge spanningen was weinig te merken. De machthebbers, georganiseerd via de Communistische partij, behandelden Centraal-Azië als een kolonie die grondstoffen leverde waar de Russische wapenindustrie en de export voor harde valuta wel bij voer, terwijl de bevolking straatarm was en bleef.

In de nadagen van de Sovjetunie veranderde er iets. De regionale partije-elites gingen streven naar meer zelfstandigheid voor hun republieken, en stookten nationalistische vuurtjes op. Nu werd het opeens wél relevant dat er in Krigizië ook Oezbeken woonden en dergelijke. Nu kwam de deur naar spanningen tussen de bevolkingsgroepen open te staan. Aljazeera noemt niet alleen de uitbarsting van 1990 tussen Oezbeken en Kirgiezen, maar ook een drietal andere botsingen in Kirgizië en buurland Oezbekistan, tussen Oezbeken en Meshketen, tussen Oezbeken en Tazjieken, tussen Tazjiken en Kirgiziërs.

Voedingsbodem voor het geweld vormt zonder enige twijfel de schrijnende armoede in Kirgizië en haar buurlanden. Voeg daarbij een staat die doordrenkt is van corruptie, de opkomst van criminlele netwerken, de rol van de regio in de internationale drugshandel (opium-leverancier Afghanistan ligt in de buurt), en je krijgt een beeld van een gebied waar groepen mensen elkaar al gauw met hand en tand bevechten om beperkte economische voordelen, en waarop van staatswege de greep beperkt is. Een georganiseerde zelfbewuste traditie om van onderop gezamenlijk, over de grenzen van bevolkinsgroepen heen, zich in te zetten voor solidariteit en bestaansverbeteringen, tegenover de belangen van rijken en machthebbers, ontbreekt vrijwel volledig. Wat zich aandient als links, is in de hele voormalige Sovjetunie vrijwel fataal besmet wegens de associaties die alleen al het woord  ‘socialisme’ oproept met het terecht gediskrediteerde  stalinistische verleden.

Dat het geweld in Kirgizië zo langs etnische lijnen loopt, heeft ook economische achtergronden.  Kirgiziërs waren traditioneel nomadisch. Oezbeken waren vooral gevestigde boeren. Vandaaruit hebben flinke aantallen Oezbeken zich klaarblijkelijk een plek als middenstander, als ondernemer, verworven, en zijn redelijk welvarend geworden. Dat wekt de afgunst van veelal straatarme Kirgiziërs. Het etnische conflict heeft dus dimensies van een klassenconflict. “Tegelijk voelden Oezbeken zich ondervertegenwoordigd bij de overheid, zowel op nationaal als op lokaal niveau”, zo vertelt Nu.nl op basis van wat Alexander Cooley, deskundige wat betreft Centraal-Azië en professor op de COlumbia Universiteit in New York, uitlegt aan de New York Times.

Natuurlijk moeten we uitkijken met de generalisaties die hier op de loer liggen: dat Oezbeken oververtegenwoordigd zijn in de middenstand en het zakenleven, dat relatief veel winkeliers en zakenlieden Oezbeek zijn, is één ding. Maar dat kun je dus niet omkeren: je kunt niet zeggen dat veel Oezbeken zakenlieden zijn, enkel omdat veel zakenlieden Oezbeek zijn! Cijfers maken dat een beetje duidelijk. Vijftien procent van de 5,5 miljoen mensen in het land zijn Oezbeeks, in Osh is het zelfs 50 procent. Het is niet aannemelijk dat de helft van de stadbevolking van Osh uit welgestelden bestaat. Oezbeken zijn bepaald niet allemaal bedrijfseigenaar, en al helemaal niet welvarend.  Maar het heeft er wel veel van weg dat het geweld deels een botsing is tussen arme Kirgiziërs en iets minder arme Oezbeken – of Oezbeken die gezíén worden als iets minder arm. Er zijn intussen aanwijzingen dat de Oezbeken momenteel als groep verdreven worden door Kirgizische gewapende groepen, en dat groepen hetzij gesteund worden door soldaten, hetzij wapens hebben bemachtigd uit een legerdepot zoals The Independent bericht, hetzij allebei.

Een tweede factor die het geweld aanjaagt heeft met recente politieke ontwikkelingen te maken. In april kwamen mensen in Kirgizië in opstand tegen het autoritaire bewind van president Bakiev – die in 2005 via een opstand aan de macht was gekomen. Nu was het zijn beurt om verdreven te worden in een zeker zo heftige volksopstand. Aanleiding was volkswoede over verhoging  van energieprijzen, en weerstand tegen censuur en onderdrukking van meningsvrijheid en oppositie-activiteit. De opstand had elementen van democratisch verzet, en van klassenstrijd. Het was een soort van revolutie.

Maar de politici aan het hoofd ervan waren soortgenoten van de machthebbers die door de opstand verdreven werden. Al snel was het van hetzelfde laken een pak: inperking van vrijheden, uitstel van bekloofde verkiezingen, een referendum waarin mensen tegelijk voor of tegen verlenging van het presidentschap van de nieuwe machthebber én voor of tegen een nieuwe grondwet mogen gaan stemmen. Dat laatste betekende dus dat je niet tegelijkertijd voor de nieuwe grondwet en tégen de huidige president kunt stemmen, maar alleen voor of tegen allebei tegelijk. De armoede en corruptie bleven feitelijk onaangetast.

Dat opende de weg voor aanhangers van de verdreven president om te blijven stoken. Deze Bakiev kwam uit het zuiden van het land, en haaft daar nog steeds steun – met name onder de Kirgisische bevolking. Oezbeken stelden juist meer hun hoop op de nieuwe regering. Er zijn dan ook stevige aanwijzingen dat pro-Bakijev-lieden het huidige geweld aanjagen, om de nieuwe machthebbers het leven zuur te maken. “In Aravan bijvoorbeeld nam Shamil Artykov, een door Bakijev benoemdd iemand die in april verdreven was, op 12 juni opnieuw de controle over het plaatselijke bestuur over met de hulp van  een groep gewapende aanhangers”, aldus berichtgeving van Eurasia.net.  De afgelopen maanden kwam het al herhaaldelijk voor dat  om dit soort redenen grote groepen mensen tijdelijk bestuursgebouwen bezetten, om daar vervolgens weer uit verdreven te worden. Nu heeft dit gestook dus een extra duidelijke etnische dimensie gekregen.

De crisis in Kirgizië heeft internationale dimensies. Er is het buurland Oezbekistan, een keiharde dictatuur. Autoriteiten gooiden de grens alweer dicht: “we hebben geen plek om ze onderdak te brengen en geen capaciteit om ze op te vangen”, aldus de vice-premier van het land. Er is Rusland, altijd reuze bezorgd vanqwege de stabilitait dichtbij haar grenzen, maar tegelijk niet erg happig om militairen te sturen in een onduidelijk en ongrijpbaar gewapend conflict. Er is de VS dat gebruiksrechten voor een militaire basis in Kirgizië huurt – een basis die belangrijk is voor de Amerikaanse oorlogvoering in Afghanistan. Rivaliteit tussen VS en Rusland speelde trouwens eerder al een rol in het lansd. De vorige president bakijev had Rusland beloofd dat het de Amerikaanse basis zou sluiten, maar kwam daarop terug toen de VS een hogere huur voor de basis bood. Daarop verhoogde Rusland de prijzen voor energieleveranties aan Kirgizié, hetgeen aan de onvrede bijdroeg die de omverwerping van Bakijev’s bewind hielp aanjagen. Hoe dit soort rivaliteiten nu gana uitpakken is voornamelijk speculatie. dat VS, Rusland en/of Oezbekistan, als ze ingrijpen, dat niet uit onbaatzuchtige bekommernis met de lijdende bevolking zullen doen, mag duidelijk zijn. Ieder idee dat zoiets een echte oplossing biedt, dient hardnekkig bestreden te worden.

De hoop komt uit een heel andere hoek: uit tradities van solidariteit die er in Kirgizië wel degelijkk bestaan, al vinden ze, zoal;s aangegeven, veelal geen expliciet-politieke uiting. Een Kirgizische vrouw, aan het woord gelaten in een artikel van het Institute for War & Peace Reporting van 11 juni,  zegt: “Het conflict is georkestreerd. Ons blok is multi-etnisch, en ik ben al bij mijn Oezbeekse buren wezen kijken om ze te vertellen dat ze naar mijn flat moeten gaan als er enig gevaar is. We verbergen ze als het nodig is.” Het zijn machthebbers die mensen uiteendrijven naar gelang het ze uitkomt. Gelukkig zijn er dan mensen die dwars tegen de haat in, onder moeilijke omstandigheden, toch weer voor elkaar blijven opkomen.


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 36 andere volgers