In de nacht van 3 op 4 juni, nu 20 jaar geleden, reden er tanks in de richting van het Tiananmin-plein in China. Soldaten, geweren in de aanslag, schoten zich door protesterende menigten een weg in de straten in de richting van dat plein. Op Tiananmen, het Plein van de Hemelse Vrede, zelf dreven de soldaten de laatste paar duizend demonstranten bijeen en dwongen ze het plein te verlaten. Onder de studenten op het plein zelf vielen vermoedelijk geen doden. Des te bloediger ging het toe in de omliggende straten waar niet zozeer studenten maar vooral arbeiders vochten met de oprukkende militaire overmacht, in een desperate poging om de dictatuur te weerstaan.
Met deze bloedige onderdrukking maakten de Chinese leiders een einde aan een bijna-revolutie. De dood van partijleider Hu Yaobang op 15 april, die een reputatie als verlicht hervormer had; rouwplechtigheden waar vooral studenten kritiek op corruptie begionnen te leveren en om democratie vroegen; zeven weken van demonstraties, eerst vooral van studenten, later van andere stadsbewoners waaronder grote aantallen arbeiders; een hongerstakingin de derde week van mei, waaraan uiteindelijk 1000 studenten deelnamen; steunbetuigingen ana de hongerstakers, in de vorm van immense demonstraties met op een gegeven moment twee miljoen deelnemers; menselijke blokkades van ettelijke miljoenen mensen toen aan het eind van die week de noodtoestand afgekondigd werd en troepen de stad probeerden binnen te trekken(de troepen hadden opdracht niet te schieten, en liepen vast in het volksverzet); stakingen en stakingsdreigingen, en demonstraties in vele tientallen andere steden in China; daarna enkele weken waarin de demonstraties afnamen, mensen hoopten dat verzoeningsgezinde leiders de overhand zouden krijgen, terwijl binnen de partij- en legertop het touwtrekken gaande was over of, en hoe de protesten neergeslagen zouden worden; een opleving van demonstraties vanaf eind mei, toen actievoerders een Beeld voor de Democratie op het plein neerzetten; en uiteindelijk de moorddadige ontknoping in die bloedige nacht van 3 op 4 juni, met scherpe onderdrukking en massa-arrestaties in de weken en maanden erna. Een enorm veelvormige ee grootschalioge volksopstand had het onderspit gedolven tegen een aanvankelijk aarzelend, maar uiteindelijk bitter-vastberaden bewind dat haar macht bedreigd zag en naar de wapens greep.
Vandaag de dag heerst dat regime nog steeds, met ogenschijnlijk ongebroken macht. Maar er is veel veranderd. Het bewind heeft enige jaren geprobeerd een vrijwel totale controle op de bevolking te herstellen. Tegelijk zette ze de, tijdelijk gestagneerde, mars richting markteconomie voort. Getemde arbeiders, steeds meer ruimte voor martktwerking: het was het recept voor een grote en langdurige economische bloei. Maar met het afdanken van stagnerende staatsbedreiven kwam ook massa-ontlag – en protest daartegen. Met de marktwerking allom viel er voor corrupte bestuurders des te meer te graaien – hetgeen keer op keer tot protesten en vaak rellen leidden, tot in allerlei uithoeken van het land. En de erbarmelijke lonen en werkomstandigheden brachten steeds groepen arbeiders in verzet. Jaarlijke rapporten van uit het bewind zelf spraken van grote aantallen zogeheten ‘massa-incidenten’ – demonstraties, stakingen, rellen. Alleen al in de eerste drie maanden van dit jaar waren er 58.000 van deze opstandige gebeurtenissen geregistreerd. Dat zijn er tussen de 600 en 700 per dág! Van de rust die het bewind met geweld had afgedwongen in juni 1989 is – gelukkig! – weinig meer over.
Het regime is dan ook begonnen met een iets andere strategie om haar macht te behouden. Op plaatselijke protesten wordt vaak nog steeds hardhandig gereageerd, met politiegewe;ld dat soms dodelijk uitpakt. Wie roept om rechtsherstel voor de slachtoffers van 1989 krijgt nog steeds met arrestatie te maken, en wie klaagt over behandeling van vrijgelaten critici van de regering eveneens. Dat ondervond Wu Gaoxing, die samen met vier anderen een brief had geschreven aan de Chinese president. Daarin klaagden ze dat vrijgelaten dissidenten als hij gehinderd werden in het vinden van werk, en geen pensioen en ziektenkosten. De man zelf had twee jaar vastgezeten wegens deelname aan protesten in 1989.
Maar tegelijk is de ruimte voor individuele critici wel gegroeid. Het komt zelfs voor dat een klager die een rechtszaak tegen de autoriteiten aanspant, die zaak wint. Dat merkte, tot zijn verbazing, academicus Hu Xingdou. Die had voor een rechtbank geëist dat een website waar kritische artikelen rond corruptie en milieu geplaatst werden, na sluiting door censuur weer heropend werd. Hij won.
Dit soort verruiming van kritische mogelijkheden, op zich zeer welkom, heeft een dubbel karakter. Kennelijk ziet de regering dat ze niet elke vorm van kritiek meer kan smoren. kanaliseren van protest – mensen het gevoel geven dat ze, als ze redelijk blijven en hun grieven via officiële kanalen zoals rechtbanken naar voren brengen, ze recht kunnen krijgen. Zo groeit bijvoorbeeld het aantal juridische arbeidsconflicten, vanwege de economische crisis maar ook in de hand gewerkt door vorig jaar ingevoerde gunstiger arbeidswetgeving,, dat voor de rechtbank komt, pijlsnel, met 98 procent in 2008 in vergelijking met het jaar ervoor: 693.000 zaken, met 1,2 miljoen betrokken arbeiders.
Als mensen bij de rechtbank verhaal kunnen halen, hoeven mensen niet de straat op, en loopt de ’stabiliteit’ – dat heilige punt van de Chinese machthebbers – geen gevaar. Dat is kennelijk het idee. Een milde politieke liberalisering is hier een vorm van subtiele sociale controle. Dat is de ene kant. De andere kant is dat critici deze liberalisering kunnen benutten om de speelruimte steeds verder op te rekken, en de controle erop steeds verder uit te hollen. Dit kan onderdeel zijn van het werken aan veel verdergaande veranderingen.
Maar de kern van dat werken ligt toch buiten de rechtszaal en buiten de eveneens opkomende tamelijk keurige NGO’s die tegenwoordig in China actief kunnen zijn. Die kern ligt veel eerder in de al genoemde ‘massa-incidenten’. Allemaal afzonderlijk kan het regime die wel aan, de ene keer door mensen plaatselijk hun zin te geven (een corrupte bestuurder te ontslaan bijvoorbeeld), de andere keer door de mensen als vanouds te onderdrukken. Maar als de ‘incidenten’ zich aanéénsluiten tot een golf, een beweging, dan wordt het bloedlink voor het bewind. Als daarbij radicalere kritiek op het bewind wijder verbreiding vindt en invloed binnen de ‘massa-incidenten’ verwerft, kan een protestbeweging een levensgevaarlijke bedreiging voor het bewind worden. Dan dreigt in feite een vervolg van de beweging van 1989.
Mede dáárom houdt het regime de mensen die destijds een rol speelde nog steeds zo kort, juist daarom smoort ze nog steeds de roep om rechtsherstel, juist daarom blokkeert ze pogingen tot demonstratieve herdenkingen van het bloedbad. Door te vechten tegen alles wat doet denken aan de protesten van 20 jaar geleden, strijdt het regime feitelijk tegen datgene wat haar nu en morgen bedreigt: een volgend, gróter, en succesvol 1989.
Intussen kan het geen kwaad om ons nog eens te verdiepen in die glorieuze en uitiendelijk tragische gebeurtenissen uit dat bewogen jaar. Ons laten inspireren door eerdere protesten maakt ons immers sterker in de volgende ronde. Dat geldt in China en dat geldt wereldwijd. Een immense lading informatiebronnen staat ter beschikking aan een ieder die neer wil weten over de Chinese bijna-revolutie van 1989. Ik noem er enkele die mij opvielen en aanspraken.
De BBC heeft een handzaam chronologisch overzicht, vanaf de dood van partijleider Hu Yaobang op 15 april (aanleiding voor de eerste protesten) tot en met de toespraak van China’s opperbaas destijd, Deng Xiaoping, in een toespraak op 9 juni om het neerslaan van het protest te rechtvaardigen. Het overzicht bevat video-materiaal, onder meer van die éne man die voor een oprukkende tank ging staan – en over wiens lot niets bekend is. Aljazeera heeft aan de gebeurtenissen van destijds een programma gewijd, waarin onder meer mensen die destijds een rol in het protest speelden aan het woord komen.
In The Nation staat een mooi artikel van Harvey Wasserstrom over China toen en nu: “Tiananmen at Twenty”. De schrijver laat zien hoe veel er veranderd is sindsdien, maar ook hoezeer het bewind probeert zich tegenover veelvormige uitdagingen te handhaven, en hoe het blokkeren van een eerlijke en open verwerking van het bloedbad van toen daarin een rol speelt.
Hij prikt in het voorbijgaan ook nog wat mythen stuk – zoals bijvoorbeeld het idee dat de onderdrukking zich vooral tegen studenten richtte. De meeste slachtoffers in de nacht van 3 op4 juni twintig jaar terug waren geen studenten, maar arbeiders. Juist hun deelname – zo zegt Wasserstrom zelf niet, maar zo zie ik het wel – maakte de protestbeweging zo enorm gevaarlijk voor de machthebbers. Juist daarom kregen zij de volle laag van de repressie.
Er is wel meer mythologie te slopen. De gangbare beeldvorming rond de gebeurtenissen schetst een botsing tussen democratie met vrije markt enerzijds, tegenover communistische dictatuur anderzijds. Het beeld klopt niet echt. Ja, de Chinese machthebbers organiseren zich in een club die zich Communistische Partij noemde en noemt. Maar al in 1989 was die bezig met stevige stappen richting vrije markt. Juist de prijsstijgingen en de mogelijkheden tot corrupte verrijking die dit meebracht, zetten kwaad bloed en lokten het protest mede uit.
Maar ook de staatsgeleide economie uit de tijd van Mao Zedong – in 1989 al flink veranderd, inmiddels verregaand omgevormd – verdient het etiket ‘communistisch’ helemaal niet. De staatsfunctionarissen verhielden zich tot de arbeiders zoals ondernemers in een markteconomie zich tot arbeiders verhouden: als bazen tegenover personeel. Staatskapitalisme op weg naar marktkapitalisme, dat was de Chinese sociale realiteit in 1989, en tegen de kapitalistenklasse richtte zich de massabeweging van destijds. Dat, en meer, maakt Matthew Cookson duidelijk in “Tiananmen Square, 1989: China’s uprising”, in de Socialist Worker (UK) van deze week.
Dan is er nog een mooi weblog gewijd aan de gebeurtenissen van 1989 in China: “Tiananmen Moon”. Schrijver van de stukken op dat blog is Philip J. Cunningham. Die was zelf destijds in China, nam deel aan demonstraties en heeft een boek over de gebeurtenissen in de maak. Op de site zijn de gebeurtenissen van destijds prachtig te volgen in persoonlijke stukken, interviews van destijds, reportages. je krijgt een beeld van de studentenbeweging van binnenuit,ook met haar tekortkomingen.
In een artikel in de Bangkok Post dat ik vond op het weblog “Informed Comment: Global Affairs” (waar ik trouwens ook het blog van Cunningham op het spoor ben gekomen) neemt dezelfde Cunningham stelling tegen degenen die feitelijk de studenten verantwoordelijk sstelden voor de akelige ontknoping. Hij schrijft: “Twintig jaar lang vond de officiële stem van China, en in verbazende mate ook van haar buitenlandse discussiepartners, het nuttig om de elementaire feitenvan de onderdrukking onder de mat te vegen, door te kibbelen over details, allerlei argumenten in elkaar te flanzen over de alles overheersende noodzaak van stabiliteit, of door te zwijgen, dit in contrast met alle eenvoudig beschikbare kleurrijke beschrijvingen van wat voor lummels en opportunisten de studentenleiders wel waren. De schuld geven aan de studenten, zoals veel jongeren in China doen, betekent: vallen voor een propaganda-lijn, je oog afhouden van de bal.” En eerder in hetzelde stuk: “de studenten waren inderdaad niet perfect, en ze weerpiegelden onbewust het beste en het slechtse neigingen van hun Communistische ouders. maar zij voerden niet de bloedige onderdrukking door; dat deden zekere eenheden van het PLA” (het Chinese Volksleger). Inderdaad: machthebbers zijn verantwoordelijk voor de onderdrukking die ze pleegden.
Wel is Cunningham nog te welwillend voor die machthebbers. Hij beschreef de gebeurtenissen als “het bloedige en volledig onnodige neerslaan met militaire middelen in juni 1989″. Bloedig? jazeker. Maar volledig onnodig? Voor de heersers hoogstwaarschijnlijk niet. Degenen onder de leiding die – zoals partijleider Zhao Ziyang – zonder geweld, met overleg, de demonstranten van het plein probeerden te krijgen en ze te bewegin de hongerstaking op te geven, hadden gefaald – omdat ze te weinig aan werkelijke veranderingen k0nden bieden. Niets doen, en de beweging op haar beloop laten? Met een toenemende organisatiegraad, en een begin van georganiseerd arbeidersverzet als deel van de protesten? Dat zou de kans dat de beweging helemaal onbeheersbaar zou worden verder vergroten, en daarmee een einde aan het bewind dichterbij brengen. Vanuit de positie van de machthebbers was het grijpen naar gewlelddadige onderdrukking volstrekt begrijpelijk, en helemaal niet ‘overbodig’.
Voor wie, zoals ik en hopelijk de lezers van dit weblog, aan de kant van dit soort protesten staat is dit belangrijk. Het gaat er namelijk niet om de heersers te doen inzien dat repressie ‘onnodig’ is. Dat is een illusie. machthebbers, wat ze ook verder allemaal voor moois nastreven, willen boven alles de macht die ze hebben vasthouden. Grote protestbewegingen bedreigen die macht. Als die bewegingen niet door overreding verdwijnen, dan zullen de geweren en de tanks het werk moeten doen. Dat laten de gebeui urtenissen in China 1989 zien.
Protestbewegingen en hun sympathisanten kunnen daar maar beter rekening mee houden. De vraag is dan niet: hoe overerreden we de machthebbers? De vraag is: hoe belétten we hun machtsuitoefening? En als de repressie komt – hoe weerstaan en verslaan we die? Als die vragen het juiste antwoord krijgen, dan kan een volgend 1989 een waarlijk succesvolle omwenteling worden.