Zonovergoten actievoeren tegen hogere AOW-leeftijd

21 november, 2009

Hete herfst? Het leek meer op lente, op de Coolsingel vandaag, daar tussen ettelijke duizenden andere mensen die actie voerden tegen verhoging van de AOW-leeftijd. Het was een goede actie, qua opkomst en qua sfeer. Naar alle waarschijnlijkheid komt er een vervolg, en dat is nodig ook.

De opkomst: het is bij zoits altijd lastig om een schatting te maken, een enkeling heeft nooit echt een goed overicht. Wat ik vanaf het podium hoorde – vijftien- tot twintigduizend – leek me overdreven positief, en zo’n mededeling staat op gespannen voet met de geloofwaardigheid die je als organisatoren van protest toch graag wilt hebben. Ik hou het op acht- a tienduizend mensen. En er waren vandaag nog drie actiebijeenkomsten tegen de hogere AOW-leeftiijd. Omroep Brabant meldt dat er vandaag in Eindhoven 5000 mensen bijeen waren. Nu.nl In Deventer waren 2000 tot 2500 mensen (volgens de politie dan, dus ligt het echte aantal waarschijnlijk hoger),  in Assen een paar duizend, zo blijkt uit berichtgeving van Nu.nl. Dat is een behoorlijke opkomst. Zelfs als we de laagste schattingen aanhouden, en de enkele duizenden in Assen vertalen naar een voorzichtige 2000, dan kom je landelijk toch tot  17.000 deelnemers.

Dat is heel netjes. De traagheid waarmee de vakbondstop tot dit soort manifestaties heeft opgeroepen – de hele campagne sleept al maanden aan – , droeg namelijk het ernstige risico in zich dat mensen het gevoel kregen dat de zaak al bekeken was, dat de hogere AOW-leeftijd er toch al bijna door is, en dat actievoeren weinig zin meer heft. De opkomst laat zien dat het zover nog niet is, dat er wel degelijk een forse bereidheid is om door te vechten.

De stemming onder mensen wees ook die kant op. Weliswaar vanaf het podium een soms bijna feestelijke vrolijkheid, maar ook oproepen dor “actie, actie” door presentatrice Carrie. Dat riepen ook deelnamers aan de manifestatie herhaaldelijk hardgrondig. De redelijk stevige taal van bijvoorbeeld FNV-voorzitter Jongeris, maar ook van radicale vakbondsbestuurder Niek Stam, kregen fors hoorbare bijval. k hoorde op het podium ook iemand van de vakbond De Unie, meen ik – en van het CNV. Die laatste liet nog eens duidelijk blijken dat we vooral flexibel moeten zijn, en ook niet perse aan de 65 jaar vast moesten houden. Wat doet zo’n iemand dan op zo’n manifestatie? Dat vroeg ik me af. Maar kennelijk is dit de prijs om ervoor te zorgen dat tenminste ook CNV-léden, zij aan zij met hun FNV-collega’s, aan de actie meedoen. Of die CNV-leden allemaal zo blij zijn met de dubieuze opstelling van hun leiding? Ik hoop maar van niet. In ieder geval hebben ook zij het veel strijdbaarder verhaal van Jongerius en vooral Niek Stam kunnen horen – en zich kunne voorzien van het radicalere actiemateriaal van aanwezige linkse organisaties, en zich kunnen laten inspireren door de hele sfeer.

Opvallend an de toespraken vond ik enkele punten die Jongerius naar voren brwacht. Zij vroeg aan aanwezigen wie er destijds in 2004, ook bij waren, eerst op de Coolsingen en darana op het Museumplein. Daarmee riep ze de grootschalige vakbondsprotesten uit dat jaar tegen afbraak van vervroegde pensioneringsmogelijkheden in herinnering. Ze wees erop dat toen PvdA-leider Wouter Bos ook op het Museumplein was. Nu heeft diezelfde Bos, verantwoordeliojk voor het voornemen om de AOW-leeftijd op te trekken, zijn “rode jasje” uitgedaan, aldus Jongerius. De vraag of dfat jasje destijds nog geloofwaardig was, is terzake. Maar de felheid waarmee  Jongerius nu tegen de PvdA  stelling neemt is opvallend, en nuttig.

Zeker zo opvallend was de toespraak van Niek Stam. Hij maakte duidelijk dat we ons frontaal tegen kabinet en ondernemers dienen te keren. Hij deed ook een oproep: over vijfenzestig dagen, dat wil zeggen op maandag 25 januari, allemaal naaer Den Haag. Dát wordt kennelijk een vvolgende stap in het veret. Het is een doordeweekse dag. Des te belangrijker om te komen, desnoods tegen de wil van baas of schooldirectie in.

Van het podium nu naar de actievoerders op de begane grond. Het was een gemengd gezelschap. Migranten - in redelijke aantallen – en witte mensen naast elkaar. Vakbonden en werkplekken zijn kennelijk nog steeds plekken waarin mensen ongeacht kleur en achtegrond voor geamenlijke rechten op komen. Het is zaak dat dit zo blijft – en dat we dus geen herhaling zien van de gevaarlijke  bereidheid die Jongerius onlangs vertoonde tot een gesprek met Wilders. Met zoiets schoffeert een vakbondstop een flink deel van haar achterban direct, en de rest indirect.  Dat schaadt de solidariteit, en daarmee de strijd.

Erg veel FNV-vlaggen waren er, maar ook aardig wat CNV- en Unie-materiaal in handen van, of als kledij van, aanwezigen. Veel SP-zichtbaarheid ook, deze partij neemt de strijd  serieus. Verder was marxistisch en aanverwant links nadrukkelijk aanwezig. Offensief verkocht haar krant, Rode Morgen was er met spandoek en tijdschriften, DIDF, een Turkse arbeidersorganisatie, was er met spandoek en vlaggen. Ik zag zelfs een vlag met een heuse hamer en sikkel, met MKPD erop, als ik me niet vergis één van de talloze Turkse communistische partijen en partijtjes. En ik zag natuurlijk de Internationale Socialisten, stevig aanwezig met spandoek, kranten borden. De NCPN zag ik niet (maar ik was niet overal tegelijk), en de linkse groepering Doorbraak helaas evenmin.

Opvallend, maar bij dit soort professioneel opgezette, tamelijk top-down georganiseerde manifestaties ook weer niet vreend, vond ik het bijna ontbreken van zelfgemaakt actiemateriaal. Het waren bijna allemaal professionele, in massaproductie vervaardigde vlaggen en borden die het kleurrijke beeld bepaalden. Maar juist het zelfgemaakte spul geeft dit soort acctioes extra levendigheid, en laat ook de betrokkenheid van deelnemers zien. Meer dan twee handgemaakte teksten op borden heb ik echter niet gezien.

Te verwachten maar toch jammer was het onbreken van zichtbaarheid van anarchistische, autonome en aanverwante politiek. Wat dit betreft was de actie op de Coolsingen bijna een spiegelbeeld van de kraakdemonstratie van enkele weken terug, toen marxistisch en aanverwant links het vrijwel helemaal liet afweten.

Het ontbreken van anarchistische zichtbaarheid was  te verwachten, omdat vakbonden, met huh gematigde imago en hun verstrengeling met de gevestigde orde, op een stevige dosis afwijing uit die kringen kunnen rekenen. Toch jammer, omdat een verhaal uit die kringen over de noodzaak van organisatie door arbeiders zélf, in dit gezelschap van toch redelijk strijdbare vakbondsmensen en aanverwanten, niet had misstaan. Juist omdat dit soort organisatie van onderop zo zwak is, komt een vakbondstop keer op keer weg met haar trage inet van het actiemiddel, en met haar strategie om acties gematigd en top-down op te zetten om de greep niet te verliezen, de weg naar onderhandelinge open te houden, desnoods ten koste van de strijdbaarheid.

Juist anarchisten zouden in staat geacht moeten worden om dit soort punten te maken, tegengas te geven aan vakbondstop, inkapseling en slappe compromisvbereidheid Daarmee zouden zij een bijdrage leveren, én aan de arbeidersstrijd, én aan de uitstraling van anarchistische ideeën. Bovendien… ik vind dat rood-met-zwart zo mooi ;-) Volgende keer beter?

Over volgende keer gesproken: die maandag 25 januari biedt een prachtig handvat om de strijd verder op te bouwen. Het is zaak dat die datum verder wereldkundig wordt gemaakt – en dat mensen en groeperingen van uiteenlopende achtegrond en opvatting zioch voorbereiden om die dag wederom in actie te komen, in groten getale en stévig ook. Draagvlak voor verdere acties is er. De Volkskrant bericht dat driekwart van ondervraagden denkt nadeel te ondervinden van een hogere AOW-leeftijd, en “dat zij ook willen dat de vakbonden hun best doen om de verhoging van de AOW-leeftijd tegen de houden.” Het gevecht gaat verder.

Foto’s! Gemaakt door Peter Storm, net als het artikel, en net als het plaatje bovenaan. Gebruik ervan is prima, bronvermelding en link naar dit stuk horen er dan wel bij.


SP: Steuncomité Politie?!

16 november, 2009

De Socialistische Partij (SP) maakt veel werk van haar inzet voor veiligheid op straat, en tegen beuinigingen op de politie. Hierin maakt de SP zich spreekbuis van de verlangens binnen de politie Daarmee komt zij lijnrecht tegenover het idee te staan dat de politie er is om een orde overeind te helpen houden waar de gewone mensen waar de SP voor  zegt op te komen, dag in dag uit onder lijden. Het is een stellingname die serieus en stevig links onwaardig is.

Nu lees ik weer het volgende op de site van deze partij: “Onderzoek SP: bezuinigingen en bureaucratie leiden tot onveiligheid op straat”. Dat is de kop. Agumentatie volgt: “Bijna negen van de tien politieagenten vindt dat zij onvoldoende aanwezig zijn. Dit blijkt uit het SP-onderzoek ‘de agent ana het woord’ onder ruim 10.000 politieagenten.” Verderop volgen wat cijfers: 81 procent vindt de werkdruk te hoog, 89 procent signaleert een groeiende bureaucratie, 40 procent wil eigenlijk weg bij de politie. “Dit is treurig, omdatjuist ook uit het onderzoek blijkt dat de politieagenten trots zijn op hun vak”, aldus Agnes Kant. Er stata nog meer, maar dat mag je elf leen, als je tenminste graag aan zelfkwelling doet.

Het is sowieso al vreemd om de méning van politieagenten op zichelf te verheffen tot bewijs voor het verband tussen veiligheid en aanwezigheid van de politie. Natúúrlijk vinden agenten dat ze meer collega’s nodig hebben, minder werkdruk enbetere arbeidsvoorwaarden, om die fameuze veiligheid veilig te stellen. Je zou echter vann een linkse partij verwachten dat die iets kritischer kijkt naar het zelfbeeld van de krachten van een orde en een gezag die door links doorgaans – en terecht – gewantrouwd en verafschuwd worden. De SP staat  in deze zaken waar ze niet hoort te staan: aan de verkeerde kant van de barricaden.

Hoe verkeerd, kun je afleiden uit een bericht in De Volkskrant. Daarin wordt duidelijk hoe gewelddadig ook die brave Nederlandse politie eigenlijk is, ook in vergelijkend opzicht. “In Nederland vallen relatief veel doden door politiekogels. Dat blijkt uit een vergelijking van het aantal doden en gewonden door gericht pistoolvuur van agenten in negen verschillende landen. nederland staat daarin op de derde plaats.” De eerste en tweede plek worden ingenomen door de VS en door Canada.

Oorzaken voor dee hoge score ijn onduidelijk. relatief ruime schietbevoegdheid, relatief weinig tijd voor schietoefeningen, het kan een rol spelen. maar onderzoeker Jaap Timmer zegt over het forse verschil met andere landen:  “we weten eigenlijk niet hoe het komt.” Duidelijk lijkt mij echter wel dat die veiligheid waar de SP zo hard op hamert, door dodelijke pistoolschoten niet echt wordt bevorderd.


Vertraagde verantwoording van vertrek uit IS

11 november, 2009

Toen ik,  in mei 2008, mijn serie “Dat lastige Leninisme” begon, met in februari 2009 een tweede deel, was dat deels om eens op een rijtje te zetten waarom ik de Internationale Socialisten (IS) – een Leninistische club immers – had verlaten. Mijn opvatting in de eerste anderhalf jaar na mijn vertrek kwam erop neer dat het Leninisme, mits kritisch begrepen en op een open manier gehanteerd, nog altijd de beste soort revolutionaire politiek was. Problemen in de politiek van Leninistische organisaties – in mijn geval de IS – hadden meer te maken met bepaalde interpretaties en toepassingen ervan dan met de kern van het Leninisme zelf. Om die problemen onder ogen te zien en het helder te krijgen, voor mezelf en voor lezers, begon ik aan mijn verkenningstocht, en daarmee aan de serie.

De laatste weken is mijn denken echter nogal in een stroomversnelling geraakt. Ik kan mij niet meer naar eer en geweten een Leninist noemen, hoeveel vruchtbaars ik nog steeds in Lenin’s erfenis aantref. De redenen voor die verandering ga ik in latere stukken proberen uiteen te etten. Maar eerst: waarom vertrok ik uit de IS? Dat had – het is een cliche maar zoals veel cliches niet onwaar – politieke én persoonlijke redenen. Ik begin bij de politieke redenen, want dit is toch vooral een politiek blog.

Al jaren had ik op een reeks van punten kleinere en grotere meningsverschillen rond de koers en de werkwijze van de organisatie. Enkele punten. Ik vond de houding die de IS aannam rond activiteiten van Antifascistische Actie (AFA) te afhoudend, te negatief. Ik vond, begin 2008, de aandacht voor klimaatsverandering en de mogelijkheden die dat thema aan socialisten bood, volstrekt onvoldoende (dat is sindsdien overigens ruimschoots veranderd, de IS  mobiliseert uit alle macht voor actie rond de Klimaattop in Kopenhagen, ere wie ere toekomt).

Ik vond dat de IS-politiek richting de SP slordig en oppervlakkig verwerkt was. In 2005 ging de IS de SP in, binnen een paar maanden bleek dat onwerkbaar omdat de SP haar leden verplichtte tot kiezen tussen de twee clubs. Ik was in 2005 – ten onrechte, het is iets dat ik als één van mijn grotere fouten beschouw –  groot voorstander van de intrede. Maar ik vond, toen duidelijk was dat het niet werkte, de IS veel te lang bleef steken in en wel héél positieve houding tegenover die partij. Dat ging door tot en met de verkiezingen van 2006.

Mijn mening was inmiddels: revolutionairen horen domweg niet in een sociaal-democratische partij, en het impliciete IS-idee achter de intrede dat de SP méér was en is dan een linkse sociaal-domocratische partij was onjuist. De gedachtenwisseling daarover vond ik niet bepaald grondig. Heel veel verder dan het woord ‘inschattingsfout’ kwam het niet. En mijn veel kritischer toon tegenover de IS, bijvoorbeeld ook op mijn weblog, was duidelijk afwijkend van wat in de IS verstandig werd gevonden.

Ik kreeg ook steeds meer moeite met zowel het perspectief  van de organisatie, de strategie, en de werkwijze. Centraal in het perspectief stond het idee dat er, vanaf de WTO-protesten in Seattle in 1999, een antikapitalistische beweging was opgekomen, en vanaf 2001 ook een daarmee sterk overlappende anti-oorlogsbeweging. Taak van revolutionairen was om die beweging uit alle macht te helpen opbouwen, onder meer door grote protesten ook internationaal, met volle kracht te ondersteunen.

Zo ging de IS samen met anderen naar Praag (IMF/Wereldbank) in 2000, met twee bussen vol actievoerders , naar Genua 2001 (G8), ook met twee bussen , naar Nice (EU-top 2000), Brussel (2001, en nogmaals in 2005), naar Gleneagles 2005 (wederom G8), naar de Europese Sociale Fora in 2002 (Florence), 2003 (Parijs), 2004 (Londen). In Nederland stortte de IS zich als weinig andere clubs in campagnes tegen de oorlogen van Bush, met als hoogtepunt het protest van 15 februari 2003, vlak voor de oorlog tegen Irak begon.

Ik was het met deze nadruk erg eens, en ik heb me voluit in proberen te zetten. Ik denk nog steeds dat het in de kern een juiste prioriteit was, de eerste jaren na 1999. Maar vanaf  het voorjaar 2005 begon het te knagen. De mobilisaties van wat we “De Beweging” waren gaan noemen, kregen een wat stereotiep karakter, en het werd een beetje een wereld op zich. Intussen begon zich buiten die Beweging iets nog veel groters aan radicaal potentieel te ontwikkelen. Het krachtige néé tegen de Europese grondwet – overwegend línks gemotiveerd – was een teken in die richting. Maar terwijl de SP zich hard maakte voor die néé-campagne – die miljoenen mensen in beweging bracht – was de IS bezig met een, op zich óók belangrijk, protest tegen het bezoek  van Bush aan Nederland, dat enkele duizenden mensen op de been kreeg.

Het perspectief van “De Beweging” begon te wringen. Mijn onterechte steun aan de draai richting SP zie ik als een verkeerd antwoord op het, op zichzelf juiste, gevoel dat er iets niet klopte in de aanpak, dat er iets moest veranderen, dat het eenzijdig je oriënteren op “De Beweging” geen verruiming van de blik meer was, zoals in 2000, maar in toenemende mate een keurslijf.

Er was ook een inhoudelijk probleem. In de IS – en vooral ook in de zusterorganisaties – stond De Beweging als kernbegrip zó centraal dat het wel leek alsof klasse als begrip niet meer de kern was. De revolutie leek haast wel een kwestie van de beweging tegen de machthebbers, en niet meer een kwestie van een arbeidersklasse tegenover een kapitalistenklasse. Het marxisme waar de IS mee werkt, werd een tikje onscherp. De beweging, hoe belangrijk ook als handvat, is immers niet meer dan de, deels indirecte, uiting van radicalisering van de arbeidersklasse. Dat inzicht bleek een beetje teveel op de achtergrond, en ik begon dat politiek ongezond te vinden.

Ook vielen me in het marxisme, zoals de IS Tendency (de internatioale stroming waar de IS deel van uitmaakte) zwakke plekken, die ik helaas slecht bij een enkeling heb aangekaart maar die me wel bezighielden. Ook dit had te maken met een wazig omgaan met dingen als klasse en beweging. John Rees, leidend SWP-er, schrijft bijvoorbeeld in een boek over imperialisme: “Er zijn drie grote machten in de wereld. De macht van natie-staten, de macht van de internationale economie, en de macht van werkende mensen  waarvan alle staten, legers en bedrijven uiteindelijk afhankelijk zijn” (John Rees, Imperialism and Resistance, London 2006, pag. 3). In plaats van helder een heersende klasse tegenover een arbeidersklasse te zetten, zijn er twee ’stukken’  heersende klasse, die als zelfstandige actoren worden opgevoerd. In principe, als je consequent redeneert, zou dan de strijd tussen macht 1, de staten, en macht 2, de economie, net zo fundamenteel zijn als de strijd van die twee, samen of afzonderlijk, tegen de arbeiders. Wazig, onscherp, en in zijn consequenties misleidend, naar mijn idee.

Alex Callinicos, ook een kopstuk uit dezelfde partij, doet iets soortgelijks. Hij schrijft, in “The Grand Strategy of the American Empire” (International Socialism Journal 97, winter 2002),  met een beroep op Boekarin, een Russische marxist uit de eerste decennia van de twintigste eeuw: “De theorie van het imperialisme beargumenteert dat  in de loop van de negentiende eeuw twee relatief onafhankelijke processen steeds meer samensmolten: de geopolitieke rivaliteiten tussen staten, en de economische concurrentie tussen kapitalen.” Dit miskent de economische wortels van wat er in het statensysteem gebeurt; het schetst een beeld van twee parallelle systemen, eentje politiek, een andere economisch. Voor marxisten, die de wortels van de politieke sfeer terugleiden naar de economische basis, is zoiets onhoudbaar: er is één systeem, het kapitalism, en geen twee. In dit opzicht was ik een overtuigd marxist, en dat ben ik op dit punt trouwens nog steeds.

Waar kwamen dit soort theoretische ontsporingen vandaan? Het is onbewijsbaar, maar ik denk dat het slordige anlyseren van “De beweging” waar ik eerder over sprak, een rol speelt. Maar ik denk inmiddels – niet direct toen ik me aan dee formuleringen begon te storen, maar pas zeer recent – nog iets anders. Het betreft bij didactische formuleringen pigingen om dingen uit te leggen. Aan de poging om het verhaal makkelijk toegankelijk te maken, is de precizie wellicht enigszins opgeofferd. De narigheid is echter dat slordig formuleren vroeg of laat ook tot slordig denken leidt.

Bij Callinicos speelt iets anders een rol. Die voert, als academicus, vaak discussies met andere niet-marxistische academici. Het idee van geopolitieke rivaliteiten in een, als onafhankelijk statensysteem gedachte, politieke wereld, is daar zeer gebruikelijk. Al debatterend en lezend heeft Callinicos, wellicht ongemerkt, delen van die niet-marxistische theorie geabsorbeerd, hetgeen zijn marxistische scherpte niet echt ten goede is gekomen. Het zijn bepaalt hier op wel heel ironische wijze het bewustzijn, ook voor een marxistische professor. Maar ik ben een beetje afgedwaald inmiddels. We keren terug naar de IS-strategie.

De strategie waarin de opbouw van De Beweging centraal stond had ook andere gevolgen. Het leidde gemakkelijk tot een wel heel overmatig beroep op mensen om zich nóg harder in te zetten. Immers, komende internationale demonstratie was ab-so-luut van levensbelang, we móésten die bussen vol krijgen met nieuwe activisten, de krant had een extra push nodig, we moesten de beste mensen die we tegenkwamen koste wat kost voor lidmaatschap zien te porren…

Het was een werkwijze waarin presteren, in kwantitatieve zin, compleet met ‘targets’, wel erg dominant werd. Meer krantverkoop, meer mensen naar demonstraties, meer nieuwe leden… Intussen werden mobilisaties vanaf 2005 eerder kleiner dan groter. Toenemende inzet, afnemende opbrengsten – iedere ondernemer kan uitleggen dat dit verkeerd moet gaan… De druk op leden om er nog een schepje bovenop te doen, ben ik als roofbouw gaan ervaren, hoe groot mijn enthousiasme voor heel veel van de activiteiten tot het laatste moment ook is gebleven.

Ik ben, eerst voorzichtig maar later steeds nadrukkelijker, de discussie over dit soort dingen aangegaan. Ik had iets van: als de organisatie niet meer succesvol is – en dat wás de organisatie, van 2005 tot 2008, naar mijn indruk inderdaad steeds minder – dan kunnen er een paar dingen aan de hand zijn. 1. De kern van de politiek klopt niet. 2. De kern klopt wel, maar de aanpak is verkeerd. 3. Kern en aanpak kloppen, maar de tijd, de omstandigheden zit gewoon tegen. 4. De kern klopt, de aanpak klopt ook, omstandigheden ook, maar de mensen doe onv0ldoende hun best. Wat was het?

Welnu, ik stond achter de kern van de politiek. Ik vond ook dat de omstandigheden – juist ook die beweging, maar tegelijk allerlei uitingen van radicalisering, blijkend uit de anti-EU-Grondwet-stemming, maar ook uit de scholierenopstand van november 2007 – eerder gunstig dan ongunstig waren voor revolutionair links. Was het dan de aanpak, of werkten we domweg niet hard genoeg? Volgens mij was het vooral de aanpak. Maar de toon in de hoofdstroom van de organisatie, sterk aangezet vanuit haar leiding, was toch vooral dat de aanpak wel klopte, maar dat we gewoon beter en scherper ons best moesten doen. Ik vond dat een volstrekt ontoereikend antwoord, en dat vind ik nog steeds. Al heb ik de indruk dat in de praktijk er wel degelijk aan de aanpak is gesleuteld: de beweging staat lang niet meer zo centraal als enkele jaren terug, en een begin van die verschuiving was op zich al wel merkbaar. Maar het wekt de indruk alsof deze verschuiving ten goede vooral pragmatisch is gegroeid, meer dan bewust doordacht gekozen. En telkens als er iets Groots in aantocht is, zijn de oude reflexen – alles op alles zetten om er ook iets Groots van te maken - weer herkenbaar aanwezig. Als ik mij niet zeer vergis, geldt dat momenteel precies voorde activiteiten richting Klimaattop-protest.

Welnu, de discussie rond al dit soort punten heb ik mijn  laatste paar IS-jaren en vooral ook de eerste weken van 2008, gevoerd. In die laatste maanden was ik gewoon óp. Ik voerde de discussie soms bot, ongeduldig, tactloos. Ik denk niet dat ik ooit persoonlijk grof ben geworden, maar aangenaam was mijn toon nu en dan niet. Dat deel van de verantwoordelijkheid voor wat volgde neem ik op mij.

Maar ik vond en vind nog steeds dat een heel serieuze poging om mijn kernbezwaren – rond het perspectief van De Beweging vooral – nauwelijks is gedaan. Mijn kritiek werd zo verstaan alsof ik zei dat er vrijwel niets meer in beweging was op het gebied van verzet en protest, er vrijwel geen acties meer waren – terwijl mijn punt juist was dat er heel veel aan het bewegen was, maar dat dit zich buiten wat wij De Beweging noemden, afspeelde. Die beweging zo centraal blijven stellen, was volgens mij een gevaarlijke vernauwing van het blikveld. Hoe mensen – vooral ook mensen die me beter kenden, en met wie ik individueel allerlei opheldering had gegeven – mijn woorden zo ongeveer omgekeerd konden uitleggen als ik ze had bedoeld én toegelicht, was mij een raadsel.

De discussies hierover liepen uit de hand, en in dat proces knapte er iets. Ik realiseerde me dat ik de taal van de organisatie niet meer sprak en verstond, en andersom. Ik voelde me er niet meer thuis – een zeer pijnlijke gewaarwording, na bijna 20 jaar. Het was, en is, het soort pijn dat doet denken aan het gevoel als een langdurige relatie stukloopt. Het was en is scheidingspijn – uiteindelijk net zo onvermijdelijk als de scheiding zelf.

Achteraf denk ik wel dat ik op ramkoers ben gegaan vanuit een onbewust gevoel dat dit mis móést gaan, dat de confrontatie voor mijn lidmaatschap wel verkeerd moest aflopen. Ik zocht niet bewust naar mijn vertrek. Maar onbewust stuurde ik er, denk ik, wel op aan, ik riep de reacties die er kwamen – hoe onredelijk ik ze ook vond, ik was tegelijk niet verbaasd – als het ware over mezelf af, om vervolgens het voor gezien te houden. Niet als doortrapt spel van mijn kant, wel als een proces dat wel ‘fout’ af moest lopen, en waarvan ik ergens achtersf ook blij was dát het ‘fout’ afliep. Het IS-er zijn was gewoon óp, uit en afgelopen.

Daarbij speelden natuurlijk persoonlijke factoren en eigenschappen een rol. De meningsverschillen zélf zouden op zich hanteerbaar moeten zijn geweest binnen de organisatie: ik trok geen wezenlijk IS-principe in twijfel, en bleef tot het laatst bereid me in te zetten. Wat mij opbrak  was het feit dat ik organisatorische druk en de bijbehorende omgang met mensen sowieso slecht trek. Conflicten die zich daarbinnen voordoen trek ik me enorm aan, mijn huid is wat dat betreft erg dun. Hierbij spelen autistische trekken in mijn persoon, waar ik me pas vanaf 2004  via overspannenheid en diagnose echt van bewust ben geworden, ongetwijfeld een rol. Autistische trekken overigens waarvan ik de verantwoordelijken binnen de organisatie waar ik mee te maken had, van op de hoogte heb gesteld nadat ik een diagnose in die richting had. 

In eerdere tijden van spanning en conflict  had ik me erover heen weten te zetten, me wel jaar na jaar geforceerd maar steeds wel weer overeind gekrabbeld en me overeind gehouden. Als jonge dertiger had ik echter nog reserves die halverwege de veertig gewoon ook een beetje op waren.

De uiteindelijke breuk vond bijvoorbeeld ook plaats in een periode van serieuze overspannenheid, hetgeen het trouwens des te kwetsender maakte dat mijn kritiek deels werd weggezet als vooral een uiting van persoonlijke frustraties. Dat er frustraties waren, mag duidelijk zijn, en ook omstandigheden speelden een rol. Zo had ik tussen 2001 en 2003 geholpen om een IS-afdeling in Tilburg op te zetten, die van één persoon naar negen groeide – om vervolgens weer af te kalven tot dezelfde ene persoon waarmee het begon, ondergetekende. Ik voelde me verantwoordelijk en trok het me nogal aan. En aangezien ik in de rest van de organisatie ook tegenslag en stagnatie waarnam, groeide mijn onbehagen en de motivatie om dat aan de orde te stellen.

Dat in mijn perspectief de nadruk wel erg eenzijdig op negatieve kanten lag, is waar. Maar er zou een ander soort tegengas gegeven hebben kunnen worden dan het niet-verstaan van wat ik naar voren probeerde te brengen, de banvloek over ‘over-pessimisme’ uitspreken en een hernieuwde oproep om harder en beter te werken, en toch vooral niet te blijven steken in kritiek-om-de-kritiek. Dat vond ik toen, en dat vind ik nog steeds.

Maar wat heeft dit alles nu met dat dekselse Leninisme te maken? Weinig en veel. De eerste anderhalf jaar na mijn vertrek uit de IS onderkende ik twee tekortkomingen in de gangbare versies van het Leninisme, waaronder ik ook de IS reken. In de eerste plaats een één-op-éen vertaling van de opbouw van een revolutionaire partij zoals de Bolsjevieken naar de huidige situatie. In de tweede plaats een te gestroomlijnde weergaven van de ontwikkelingen waarmeer de Russische revolutie van 1917 in een complex proces in haar contrarevolutionaire tegendeel omsloeg.

Eerst dat organisatievraagstuk. Het idee was simpel. Een grote Leninistische partij krijg je door een kleine Leninistische partij te vormen, en die lid voor nieuw lid te doen groeien. Wat we dus nu moeten doen is een kleine club vormen, met een redelijk strakke srtructuur volgens het fameuze democratische centralisme, en dan die club groter zien te maken. Ietsje te simplistisch: een grote Bolsjevistische partij krijg je door nu een piepkleine Bolsjevistische partij te vormen. De IS had gelukkig het nuchtere inzicht om die piepkleine organisatie geen partij ter nóémen. Maar de aanpak was en is wel degelijk die van Bolsjevisme-in-zakformaat.

Welnu, een kritische kijk op de ontwikkeling van de Bolsjevistische organisatie in de aanloop naar 1917 in Rusland – het grote voorbeeld immers – laat zien dat het destijds zo NIET ging. Lenin begon NIET met een mini-Bolsjevistisch partijtje. Hij begon met het bijeenbrengen van socialisten die er al waren, in een netwerk. Hij organiseerde vooral rond een revolutionaire krant, om de inzichten van hem en geestverwanten verder ingang te doen vinden. Een strak geleide ondergrondse structuur was vooral nodig vanwege de onderdrukking; Rusland was een dictatuur. Maar Lenin organiseerde vooral een theoretisch en praktisch diepgaand getrainde groep mensen binnen een veel bredere  partij. Lenin zou de huidige IS totaal niet herkennen als iets soortgelijks aan wat hij destijds deed.

Wat mij op dit spoor bracht, was vooral het werk van de marxist Hal Draper, die gehakt probeert te maken van de hele Lenin-mythologie op dit punt. Volgens hem is het geen goed idee om een mini-partijtje van Leninisten te vormen. Zoiets leidt alleen maar tot verstarring en tot het verheffen van je eigen principes als handvat om je te onderscheiden van de rest.

Ook van invloed was het werk van Louis Proyect. Hij liet zien dat, wat tegenwoordig doorgaat voor Leninistische organisatie, met haar formele structuur en datgene wat Democratisch Centralisme wordt genoemd, vooral teruggaat op Zinoview in het begin van de jaren twintig. Zioviev was als leider van de Comintern, de organisatie van Communistische partijen, degene die deze organisatiestructuur formaliseerde en doordrukte in zoveel mogelijk piepjonge Communistische partijen.

Wat Leninisten doen als ze een strakke groep opbouwen, is dan ook niet zozeer Leninistisch, maar Zinovievistisch, aldus Proyect. En deze lijn werd doorgedrukt toen de Russische partij al zwaar onder Stalinistische invloed stond. Het Zinovievisme is in dit opzicht eerder een degeneratieverschijnsel dat via de Comintern ook nog esn geëxporteerd werd. Met de kern van het Leninisme had dit weinig te maken, aldus wederom Proyect – en zijn visie had wel impact op mij. Zowel Proyect als Draper bleven op ich wel binnen Leninistische kaders argumenteren. Maar het betrof hier een veel opener en kritischer benadering dan de in Trotskistische organisaties gebruikelijke. Dat sprak me aan, en dat doet het ondanks beperkingen die ik er óók in zie, nog steeds. Het gaat hier immers om inzichten waar elke revolutionair, juist ook een niet-Leninist als ik inmiddels ben, voordeel mee kan doen.

Over de standaard-weergave van de nasleep van de Russische revolutie werd ik ook kritischer. Het standaardverhaal zoals dat binnen de IS veelal gehanteerd werd is terug te vinden in bijvoorbeeld “Russia: how the revolution was lost” van Chris Harman, en in boeken als “The Revolution Besieged”, deel drie van de lenin-biografie van SWP-grondlegger Tony Cliff. Het luidde ongeveer als volgt. Een revolutie bracht in 1917 de gekozen arbeiders-, soldaten- en boerenraden, de zogeheten sovjets, geleid door een gekozen Bolsjevistische meerderheid, aan de macht. Isolement, economische ineenstorting maar vooral interventie en burgeroorlog, deden echter de arbeidersklasse – de klasse die via de sovjets de macht had gegrepen – al snel zo ongeveer uiteenvallen. Controle van onderaf viel weg, de Bolsjevieken zagen zich genoodaakt de kar met steeds hardhandiger middelen, via een autoritair en bureaucratisch bestuursapparaat, op de rails te houden.

Ze moesten wel overgaan tot onderdrukking van andere partijen, Die vochten immers mee aan de kant van de contrarevolutie. Dat daarmee uiteindelijk de Bolsjevieken als enige partij overbleven, was vervelend, maar niet hun fout. Dat ze bijvoorbeeld de opstand in Kronstadt moesten neerslan, was tragisch, maar er zat niets anders op. Anders was de revolutie immers weggespoeld, eerst door boerenopstanden, uiteindelijk door openlijke contrarevolutionaire krachten.

De revolutie kon echter pas standhouden en weer haar democratische inhoud krijgen als ze steun kreeg van revoluties elders. Dat was voor Lenin, Trotski en feitelijk alle Bolsjevieken die een hoofdrol speelden, glashelder. Een stroming in de partij, de Linkse Oppositie geleid door Trotski, probeerde tussen 1923 en 1928 om meer democratie te bereiken en een oriëntatie op die internationale revolutie an te houden. Toen die revolutie uitbleef, kreeg de bureaucratische elite onder Stalin steeds meer de overhand, versloeg de Linkse Oppositie en zette  een volslagen contrarevoplutie door. Rusland werd feitelijk één groot staatsbedrijf dat ich op de wereldmarkt maar vooral via een wapenwedloop, staande probeerde te houden, de industrie geforceerd op poten zetten en arbeiders en boeren uitbuitte om aan de daartoe benodigde fondsen te komen. Bureaucratisch staatskapitalisme, dat was het systeem in Rusland vanaf pakweg 1928.

In deze weergave zit best veel waardevols. De opkomst van het Stalinisme, en het totaal contrarevolutionaire karakter ervan, komt er in naar voren. Wat ik er zwak aan ging vinden is het wel erg gladjes accepteren van de repressie die de Bolsjevieken al vrij snel toepasten, en waarvan Kronstadt een soort symbool is geworden. Zelfs als je – zoals ik tot voor kort deed – die repressie onontkoombaar vond, dan nóg werd het me steeds duidelijker dat elke onderdrukkingsmaatregel de positie van de opkomende bureaucratie sterker maakte, en de kans op herlevende arbeidersdemocratie kleiner. Het verbieden van andere partijen, en bijvoorbeeld ook de onderdrukking van Kronstadt, al deze episodes hadden een cumulatief effect in de richting van een steeds bureraucratischer bewind. Die dictatuur was niet enkel het product van omstandigheden; specifieke maatregelen maakten het erger.

Ik ben me, maar dat is echt iets van de laatste tijd, ook gaan storen aan het soort formuleringen waarin in algemene termen fouten van de partijleiding werden erkend, maar nooiut predies werd aangeduid wat dan wel fout was, en wat niet. Zoiets maakt weliswaar een kritische indruk, maar van een inhoudelijk kritische houding was daar onvoldoende sprake. Mike Haynes bijvoorbeeld, een SWP-er die veel en veelal heel goed over Rusland heeft geschreven, zegt het zo: “In de periode 1917 tot 1921 zouden de Bolsjevieken ongetwijfeld veel vergissingen maken, maar ze zouden die maken tegen de achtergrond van een revolutionaire kans in het Westen die geholpen zou hebben maar werd gemist.” Welke vergissingen dan? Stilte alom, niet alleen bij Haynes in dit stuk.

Zo wordt analyse toch enigszins apologie. Zo zag ik het tot voor kort nog niet, maar de laatste weken, waarin ik over veel van deze dingen nog eens ben gaan lezen en herlezen, denken en doordenken, ben ik dat wel zo gaan zien. De héle standaard-weergave van Rusland 1917-1929 die ik hierboven schets, is wat mij betreft inmiddels ook op losse schroeven komen te staan. Maar dat is allemaal onderwerp van volgende artikelen.

(in de uren na plaatsing licht bijgewerkt)


Jelle Schuurman, welkom terug in weblogland

31 oktober, 2009

Links in Nederland heeft nauwelijks een weblog-traditie. Waar je enorme aantallen revolutionaire of anderszins stevig-linkse Engelstalige weblogs kunt aantreffen van de meest fascinerende anarchisten, trotskisten en andere rooie of rood-zwarte ravotrs en weet ik wat al niet nog meer, daar is het Nederlandse stuk internet van dit soort subversieve elementen helaas vrijwel gevrijwaard. Gelukkig is er goed nieuws: Jelle Schuurman heeft zijn weblog-activiteit hervat. Go, Jelle, go!

Er zijn een paar weblogs vanuit de richting van de SAP/Grenzeloos: Leo de Kleijn, met een stevige nadruk in binnenlandse en Rotterdamse zaken (daar is hij gemeenteraadslid voor de SP); en Kritisch Links, waar meerdere mensen aan meewerken, met vooral aandacht voor internationale zaken. Maar op Kritisch Links is helaas al maandenlang geen nieuw stuk geplaatst. Een min of meer prominente lid van de Internationale Socialisten (IS) met een persoonlijk weblog is er bij mijn weten helaas niet. Geen Nederlandse tegenhanger van het onmisbare Lenin’s Tomb, dus.

Er was een vaak treffend en amusant blog van Hiram: Ipse dixit. Tijdens het maken echter van dit stuk je check ik dat weblog en lees: “Dit onbeschreven balad wordt u aangeboden door de anarchist Hiram, die zelf eindelijk, wijselijk zijn mond houdt.” Tsja, zo komt die staatloze wereld van solidariteit en samenwerking er natuurlijk ook niet sneller, waarde kameraad ;) . Er is gelukkig nog wel de weblog-veteraan Martin Wisse met “het eerste Nederlandse socialistische blog”, oftewel Linkse Gedachten. Maar het laatste bericht daar is ook alweer van eind juli.

Kijken we naar stevig maar niet revolutionair links, dan hebben we prominente SP-ers met een eigen weblog: Harry van Bommel, en vooral Anja Meulenbelt, immer inspirerende stem vóór de rechten van palestijnen en tégen Islamofobie. Vermeldenswaard is nog het weblog van Platform Rosa, enkele revolutionaire marxisten die actief zijn binnen de SP.

En er zijn natuurlijk de officiële sites van de diverse revolutionaire groepen, Internationale Socilisten, Offensief, SAP/Grenzeloos. Maar mij gaat het hier juist om die onofficiële, persoonlijke stemmen uit de linkse beweging. Die zijn veel te schaars, al is mijn overzicht ongetwijfeld erg incompleet (wie mooie weblogs in dit genre kent, of zelf maakt: de commentaarrev briek is er ook voor jou!).

Gelukkig is nu jelle Schuurman weer terug van te lang weggeweest. Hij was eerder in webblogland actief, met levendige verslagen van zijn deelname aan bijvoorbeeld de protesten tegen de G8 in Rostock, en felle betogen tegen allerlei vormen van onderdrukking.

Nu is hij er weer, met een aantrekkelijk, kleurrijk vormgegeven blog. Hij zet zijn tanden meteen in een belangrijk onderwerp: democratie, en de verschillende kijk die anarchisten en marxisten hebben op hoe een bevrijde maatschappij zich moet besturen. Zelf situeert hij zich ergens tudden die twee stromingen in, een plaats waar het trouwens ook voor mij steeds beter toeven is. Reden temeer om hier te zeggen: Welkom terug, Jelle!

 


Vrolijke kraakdemonstratie

25 oktober, 2009

Foto024

Hoe vrolijk kan een mens op een regenachtige zaterdagmiddag worden? Zeer vrolijk. Althans, afgelopen zaterdag gold dat voor mij. Aanleiding tot deze vrolijkheid was een zeer geslaagde demonstratie vóór kraken. Tegen de duizend mensen, krakers en sympathisanten, voerden met deze betoging actie tegen het kraakverbod dat onlangs door de Tweede Kamer is aangenomen.

Heel veel hoeft er over het exacte verloop hier niet gezegd te worden. Het was een vrij lange tocht door de binnenstad, vrijwel onder gedoe met de politie zodat de volle aandacht bij de zaak zelf lag: de noodzaak en het nut van kraken, de opgewekte wil van mensen op te komen vóór het kraken, maar ook voor de alternatieve levensstijl die daar voor veel mensen mee samenhangt.

Pas tegen het einde was er een vleugje spanning, toen er opeens politiebusjes snel langsreden en agenten te paard voorbij kwamen galopperen. Plotseling stond er een ME-linie en was er een begin van een charge zichtbaar aan de flank van de actie. Ook aan de andere kant van de dmonstratie was  ME opgedoken. De aanleiding? Voor mij op dat moment onduidelijk, ik begreep naderhand dat mensen een kant op wilden waar het gezag ons niet wilde hebben.

Het politiegebeuren zag er op dat moment uit als combinatie van nervositeit en machtsvertoon. maar de spanning nam gelukkig snel af. Wat bij andere betogingen vaak gebeurt, namelijk dat veel demonstranten het opgefokte politiegedrag met eigen opgefokheid beantwoordden, dat bleef nu achterwege. Mensen bleven rustig en gingen opgewekt verder met de actie zelf, die niet zo heel lang erna op een veldje dichtbij het station werd afgesloten.

Opgewektheid typeerde de actie. Het was een stoet vol dansende en springende mensen, voor een flink deel meer een streetrave dan een ‘gewone’ demonstratie. Het strakke  groepsgewijs scanderen van leuzen – dat ik zo goed ken van acties waarin de Internationale Socialisten, die dáár goed in zijn, prominent aan deelneemt – ontbrak goeddeels, al werd af en toe wel “Idealen ontruim je niet, kraken gaat door!” geroepen – vooral hoorbaar waar mensen in groepsverband zo’n leus aanhieven. Iets méér leuzen, iets meer variatie erin, iets meer aandacht voor die kant van de actie, was welkom geweest. Zulke leuzen zijn niet alleen voor demonstranten zelf handvaten, ze maken vooral ook aan omstanders iets duidelijk. Maar het is een relatief detail.

Er was daarentegen wel een veelheid van borden en spandoeken, zo te zien vooral handgemaakt en soms erg mooi, te zien. Dat compenseerde het matige leuzen roepen. De foto’s hieronder geven een indruk. De kern van het thema werd duidelijk, vaak ook humoristisch, voor het voetlicht gebracht. Humor en vrolijkheid typeerden de sfeer sowieso. Dit zag er niet uit als een restant van een vrijwel verslagen beweging. Dit zag er uit als iets springlevends, iets met niet alleen een roemrucht en respectabel verleden van strijd, maar evenzeer met toekomst.

Het zag er ook niet uit als enkel of zelfs vooral een in zichzelf gekeerde scene. Het grimmige karakter, dat vroeger bij acties waarin krakers een grote rol speelde zo opviel, met de veelheid aan donkere kleding en eindeloze punkmuziek ontbrak vrijwel.  Ja, er was woede, en terecht. Dat bleek wel uit meegevoerde leuzen en zo. Maar het was geen woede uit plichtsbesef. Het was boosheid uit levenslust. Deze mensen hadden op een zeer aanstekelijke wijze plezier in wat ze – pardon, wat we – deden. En dat straalde de stoet dan ook uit. ja, mensen waren met zichzelf, met hun eigen ding bezig. Dat kun je ‘naar binnen gekeerd’ noemen, als je dat graag wilt. Maar het ding waar men mee bezig was, werd juist door de zo evidente lol van mensen, tegelijk gecommuniceerd naar iedereen die kon zien en/of horen. In al dat pleier was intussen steeds zichtbaar waar het om draaide: kraken heeft waarde, kraken is nodig, kraken gaat door.

Uit de muziek op de geluidwagens bleek eenzelfde soort vrolijkheid. Eerste nummer dat ik herkende toen de stoet liep: “Lust for Life”, van Iggy Pop. Dat zou zo ongeveer het motto van de demonstratie hebben kunnen zijn! Ja, een punknummer – maar ook een tamelijk bekend nummer, destijds in 1977 een hit (ik herinner me nog hoe Iggy Pop de studio zo ongeveer verbouwde tijdens een optreden in het toenmalige populaire programma Toppop…). Daarna: “Somebody to Love”, Jefferson Airplane, 1967 en een hippie-lied zonder weerga. Het werd nog gekker: “Ma Baker”, disconummer van Boney M. uit de jaren zeventig, “Tainted Love” van Soft Cell, “Le Freak” van Chic (ook weer stokoude disco), “These Boots Are Made for Walking” (Nancy Sinatra)… Allemaal nummers die je niet meteen met de kraakwereld of radicaal-links  in verband zou brengen. Maar ook allemaal nummers die veel omstanders herkend zullen hebben, en die de afstand tussen betogers en mensen erbuiten eerder kleiner dan groter zullen hebben gemaakt. En dat helpt.

Degenen die verantwoordelijk waren voor de muziekkeus hadden een groot gevoel voor ironische humor: veel van de genoemde titels zijn makkelijk op te vatten als ondeugende rebelse knipogen. These Boots Are Made for Walking (I’m gonna walk all over you)…  Ze hadden ook het inzicht om nu eens niet de smaak in het gemiddelde kraakpand of infocentrum tot uitgangspunt te maken, zoals in het verleden te vaak gebeurde op demonstraties. Die smaak is immers nogal anders dan die in de gemiddelde eensgezinswoning, en juist dat verschil via muziek benadrukken vergoot de afstand nodeloos. Maar daarvan was dus nu minder dan tevoren sprake. Verfrissend en vrolijkmakend. Zoals eigenlijk de hele actie.

Waren er geen minpunten? Zeker wel. De belangrijkste zwakte was de samenstelling van de betoging. Krakers natuurlijk, ik had ook de indruk dat er redelijk wat studenten (al dan niet zelf krakend) meededen. De kraakbeweging wás er, en ik vond het aantal van 1000 mensen heel behoorlijk (ik had enkele honderden mensen verwacht). Maar er waren zeer weinig mensen in georganiseerd verband van buiten de kraakwereld gekomen. Ik zag maar één linkse groep die georganiseerd zichtbaar actief was: een handvol mensen van de Internationale Socialisten (IS), met enkele borden en een stapel pamfletten over klimaatacties rond de top in Kopenhagen. Ik was erg blij dat de IS aanwezig was. Maar waar was Rood (SP-jongeren, zelf nog wel eens bezig met kraakacties)? Waar waaren andere uiterst-linkse groepen, Offensief, Rode Morgen, NCPN? Misschien heb ik ze over het hoofd gezien, de stoet was groot… maar ik let op zulke dingen. En waar was Dwars (GroenLinkse jongeren)? Dan heb ik het nog maar niet over zichtbare SP- en GroenLinkse aanwezigheid. OK, ik zag één iemand met een SP-tomaat en een button tegen hogere pensioenleeftijd. Maar onder georganiseerde aanwezigheid versta ik iets meer dan dat.

Ik zeg het maar eens hard. Vrijwel geheel links buiten de linksradicale, met kraken verweven, scene, heeft de krakers, en daarmee het kraken zelf, en daarmee een wezenlijk gevecht om woonrecht, in de steek gelaten. Verwijzingen naar de naar-binnen-gekeerdheid, het scene-krakter, van de kraakbeweging gaan minder dan ooit op. Ze kunnen gehanteerd worden als smoes om verstek te laten gaan, maar niet langer als serieus argument.

Alleen al het spandoek “mede mogelijk gemaakt door de kraakbeweging”,  dat vanuit de kraakbeweging al enige tijd wordt verspreid, laat juist een inzet zien van krakers om hun strijd nara buiten uit ter dragen, de relevantie ervan te laten zien. Dit spandoek hangt veelal op panden die via kraken voor sloop opf speculatie behoed zijn en inmiddels eene sociale en/ of culturele bestemming hebben gevonden. Ik vind het spandoek meesterlijk, en de verspreiding ervan heel verstandig en slim. Zoals ik eigenlijk de hele demonstratie vond getuigen van ene verstandige, slimme en vooral dus zeer vrolijke aanpak. Het is een vrolijkheid die links in de huidige moeilijke tijden zeer goed kan gebruiken.

Foto004

Foto006

Foto008

Foto010

Foto009

Foto012

Foto013

Foto015

Foto017

Foto021

Foto022

Foto026

Foto027

Foto028

Foto029

Foto030

Foto’s gemaakt door Peter Storm; gebruik ervan is prima, maar dan graag met vermelding van maker en verwijing naar dit weblog.


Dilemma opgelost, kraken gaat vóór

23 oktober, 2009

Eerder deze week schreef ik over het kraakverbod, en het doorgaand verzet ertegen. in dat verband noemde ik de demonstratie “Kraken gaat door!”, morgen in Utrecht. Toen schreef ik ook dat ik niet zeker was of ik eraan deel ging nemen. Er is immers op dezelfde dag ook een mars tegen klimaatverandering. Dilemma dus. Maar ik ben er uit. Ik ga naar de kraakdemonstratie.

Ja, het door mensenhanden catastrofaal veranderende klimaat is met gemak het meest dreigende probleem dat de mensheid bedreigt. Ja, actie op straat daartegen is noodzakelijk, de de klimaatmars verdient op zichzelf steun. En in de aanloop naar de top in Kopenhagen, waar ook grootschalige actie verwacht wordt, is de timing ook goed.

Toch ga ik, om een handvol redenen, naar de kraakdemonstratie.  Allereerst heb ik zoiets van “wie A zegt moet ook B zeggen”. Ik heb het kraakverbod herhaaldelijk gehekeld, de noodzaak van verzet beklemtoond, en er op gewezen dat juist solidariteit van buiten de kraakbeweging zelf belangrijk is. Welnu: ik ben zelf geen kraker, maar wel solidair. Ik hoor mijn eigen advies dus op te volgen, dus ik ga erheen.

Maar er zijn belangrijker redenen dan mijn eigen behoefte om consistent te zijn. De actie – de hele strijd tegen een kraakverbod – is van groot gewicht voor de opbouw van links verzet, vér buiten de kraakbeweging zelf. 

Het gaat sowieso om een wezenlijk recht: het recht op een dak boven je hoofd. Kraken betekent niet alleen huisvesting voor krakers zelf. Het betekent ook dat bezitters van panden rekening houden met de dreiging van kraken. Het maakt leegstand voor hen riskant, en dat betekent dat ze zich enigszins in moeten houden met eindeloos speculeren. De kans op kraak motiveert eigenaars ook om andere woningzoekenden goedkope woonruimte te bieden: zonder kraak geen antikraak. Als kraken effectief verboden wordt, komen niet alleen  krakers op straat, maar dan is ook de kans op woonruimte op anti-kraakbasis vrijwel verkeken. Een kraakverbod betekent meer woningnood. Het betekent dat slachtoffers van gedwongen huisverkoop, bijvoorbeeld dat gezin dat na DSB-narigheid in Breda via de kraakbeweging aan woonruimte kwam, nog minder kansen op huisversting krijgen.

Dat verbod mag er dus niet komen. De Tweede Kamer  heeft weliswaar ja gezegd, maar de Eerste Kamer nog niet. De strijd is dus niet beslist. Maar hij moet dan wel per direct met alle kracht gevoerd worden. Een soortgelijke nu-of-nooit factor is er met het klimaat veel minder, dat is op een heel ándere manier urgent. De strijd tegen klimaatverandering staat of valt niet met wat er tussen nu en een handvol weken gebeurt. De kraakstrijd mogelijk wél. Volgens mij betekent dat: naar die demonstratie morgen!

Er is meer. Kraken is niet alleen vechten voor een woning. Er is zoiets als een kraakbeweging. Daarbinnen zijn mensen actief die veel verder kijken, die zich inzetten voor een fundamenteel andere wereld. Vandaaruit zijn allerlei verwante initiatieven: weggeefwinkels, infocentra, ook podia voor kritische en alternatieve kunst. De politieke inslag van dit alles is veelal anarchistisch, en dat is in dit ordelievende landje eerder een pluspunt dan iets negatiefs. Maar wezenlijker dan die identiteit is het feit dat dit alles een soort van infrastructuur van radicaal-links activisme biedt. En dat gaat veel breder dan het anarchisme van veel krakers. Zonder kraakpanden en voormalige kraakpanden ook geen centra als ACU in Utrecht en (tot voor kort ) Hotel Bosch in Arnhem, noem het allemaal maar op. Valt dit weg, dan wordt héél links strategisch verzwakt, dan worden plekken vanwaaruit we onze acties kunnen organiseren weer schaarser, en duurder. Wie aan het kraken komt, die komt aan de speelruimte voor kritiek en verzet. En dat gaat héél links aan.

Dat betekent niet dat links kritiekloos meedoet met alles wat in krakerskringen wordt bedacht en gedaan. Het betekent  kritisch meedoen, niet klakkeloos meelopen. Zo is de gerichtheid van grote stukken kraakbeweging op de scene als bijna een eigen wereldje niet erg productief. En ook is de anarchistische politiek -  hoe welkom ook als tegenwicht tegen het oprukkend autoritarisme in dit land – bepaald niet probleemloos. En juist het feit dat het een politieke verzetsvorm in de marge van de maatschappij is maakt de beweging kwetsbaar.

Hoe kwetsbaar blijkt uit de houding van bestuurders en politie tegen kraak-gerelateerd activisme. Zo krijgen de organisatoren van de demonstratie van morgen ook allerlei beperkende eisen voorgelegd over de route. Daar zouden de autoriteiten minder makkelijk mee wegkomen als er bredere steun, groter draagvlak, rond deze demonstratie stond. En voor dat bredere draagvlak moeten krakers, maar juist ook niet-krakers uit de volle breedte van links, maar eens helpen zorgen, vind ik. Het gaat hier ook nog eens om ons demonstratierecht.

Maar het feit dat een deel van de kraakbeweging vooor deze marginale plek kiezen, maakt het des te urgenter voor andere delen van links om die marginaliteit te doorbreken – niet door met het vingertje naar die marginale krakers te wijzen, maar door zij aan zij met krakers aan acties deel te nemen. Dat laat in de praktijk zien wat er nodig is: een combinatie van breed en tegelijk radicaal verzet, voor het woonrecht van ons allemaal én voor een fundamenteel andere wereld. Daarom: kraken gaat niet alleen dóór. Morgen gaat kraken vóór.

Demonstratie “Kraken gaat door!”, Morgen, Utrecht, verzamelen 12.00 uur Mariaplaats, en dan 5 kilomoter strijdbaar lopen door de stad.


Kraken: op naar de volgende verzetsronde

19 oktober, 2009

De Tweede Kamer heeft vorige week het kraakverbod  aangenomen, dankzij de steun van de PVV die in ruil hiervoor zwaardere straffen voor kraken en aanverwanten in het wetsvoorstel terugzag. Tijdens en direct na de steemming was er levendig, vrolijk en uiteindelijk grimmig protest van enkele honderden krakers. Zij hadden een tentenkamp op het Plein in Den Haag opgezet. ’s Avonds hielden ze een sit-in bij het Binnenhof. hardhandig politieoptreden maakte later aan die actie een einde. De politie arresteerde tegen de 100 actievoerders. Die zijn inmiddels allemaal weer vrij, lees ik op Indymedia. Merijn de Boer maakte een mooi verslag, te vinden op de website van de Internationale Socialisten (IS) (1).

Wat mij opviel is de opgewekte zelfbewuste houding van kraakactivisten, op het Plein en sowieso de laatste tijd. Het oogt niet als een beweging die op haar laatste benen loopt. Het ziet er veel meer uit als een beweging die, onder druk van het kraakverbod, een nieuw elan aan het hervinden is. De leus “Kraken gaat door!” is geen slag in de lucht, maar een helder uitgesproken, realistische ambitie.

Dat zal komende zaterdag hopelijk ook duidelijk blijken op de demonstratie die dan in Utrecht plaatsvindt onder de leus, jawel: “Kraken gaat door!”. De bedoeling is, aldus de poster, een “kleurrijke optocht tegen kraken”. Deze actie biedt een prachtige gelegenheid voor krakers, maar voral ook voor niet-krakende sympathisanten, om de druk tegen het kraakverbod op te helpen bouwen als ook om komende kraakacties bij voorbaat een hart onder de riem te steken (2).

Hoe relevant kraken is, juist in een tijd dat mensen makkelijk in geldproblemen raken, blijkt uit een kraakactie in Breda die vandaag in de publiciteit kwam. Het gaat om een gezin dat in financiële nood raakte omdat ze een te dure hypotheek plus koopsompolis van de DSB hadden gekocht. Schulden, huis ver onder de prijs verkocht, drama. gelukkig konden ze praktische steun vinden. “De Bredase kraakbeweging heeft zondag in de Bredase Meerten Verhoffstraat een woning gekraakt voor een gezin dat onder meer door een dure DSB-hypotheek op straat was beland.”

Een hele goede zaak – zowel voor dit gezin dat concreet geholpen is, als voor de kraakbeweging zelf die laat zien dat ze zich open opstelt, naar buiten kijkt en een rol speelt in bredere behartiging van belangen van mensen inn nood. Kraken als voorhoedestrijd? Daar mogen zowel anarchisten als leninisten eens lekker over na gaan denken :-) .

(1). In mijn vorige stuk schreef ik dat “de rest van links het weer eens grotendeels liet afweten”waar het ging om een campagne tegen het kraakverbod. Ik noemde daarbij “niet alleen parlementair maar ook grote delen van revolutionair links.” Een dag na mijn stuk was er gelukkig het al genoemde stuk op de site van de IS – en ee reactie op mijn stuk van de hand van Sieb. Die wees mij op het IS-stuk (dat ik inmiddels had gezien), en voegde er aan toe: ‘nog wel voorpagina nieuws” (élk nieuwe stuk staat op zo’n site even op de voorpagina, haha). Iets serieuzer: mijn kriteik was niet dat er niet nu en dan over  kraken en kraakverbod geschreven werd door bijvoorbeeld de IS. Mijn punt was dat linkse groepen buiten de kraakbeweging zelf heel weinig merkbare inzet vertonen als het om activiteiten rond kraken, een campagne tegen het kraakverbod bijvoorbeeld, gaat. Dat punt hou ik overeind, hoe mooi en welkom ik het artikel van Merijn de Boer ook vindt.

(2). Ik weet zelf nog niet of ik aan deze demonstratie deelneem. Op dezelfde dag is er namelijk ook een optocht tegen klimaatsverandering, en die vind ik ook belangrijk (gevonden via de IS-site). Op twee plaatsen tegelijk actievoeren gaat me niet lukken. Dilemma dus.


Opmerkingen bij de arrestatie van een anarchist

3 oktober, 2009

Soms zie je op een gezapige zaterdag opeens zo’n kort berichtje dat je aandacht prikkelt, en dat na enig snuffelwerk zowaar aanleiding voor een weblogstukje is. Dat overkwam me dit weekend weer eens. Kop van het berichtje: “Griekse politie arresteert bejaarde anarchist”. Zowel mijn waardering voor het anarchisme als het feit dat ik gebeurtenissen in Griekenland na de revolte van december 2008  probeer te volgen, maakten dat ik het berichtje eventjes las.

Wat bleek?  Twee mensen hadden een bank beroofd inde Griekse plaats Trikala. Even later arresteerde de poltitie twee mensen, een 46-jarige Griek, en een 72-jarige Italiaan. Om die laatste draait het. Zijn naam is Alfredo Maria Bonanno, al tientallen jaren anarchist en schrijver waarin hij zijn kijk geeft op de soort revolutie die volgens hem noodzakelijk is.

Wat moeten we met dit bericht? Van alles. Laten we het eerst eens over de bankoverval hebben. Ik word niet warm of koud van bankovervallen. Ik zie er geen revolutionaire verzetsdaad in. Maar ik reserveer mijn morele verontwaardiging graag voor ernstiger vergrijpen dan een bankroof. Ik woon in een land waarin banken als de DSB mensen mogen beroven door ze dubieuze waardepapieren aan te smeren, en daarvoor niet veel  meer straf krijgen dan een vermanend woord van minister Bos en een boete van 120.000 euro die ze nauwelijks mérken. Over de grenzen gaat het niet wezenlijk anders. Waarom mogen banken straffeloos mensen beroven, terwijl mensen die een bank beroven als vreselijke criminelen worden afgeschilderd en behandeld?

Het enige anti-sociale aan  een bankroof als deze is de, mogelijkerwijs traumatische, schrik die de daders aan personeelsleden – die het allemaal ook niet kunnen helpen – kunnen hebben toegebracht. Maar dat er een bedrag van 50.000 euro verhuist vanuit de kluis van een bank naar mensen die er ongetwijfeld iets zinnigers mee weten te doen dan als bankkapitaal dienen – dat kan ik geen ramp, geen wandaad, vinden.

Maar hebben de twee het dan gedaan? Het bericht baseert zich op een woordvoerder van de Griekse politie. Eéén ding over de politie in het algemeen, en de Griekse in het bijzonder. Niets van wat zo’n instantie beweert kan op voorhand als waarheid worden gezien. De geloofwaardigheid van het gezag in dit soort aken is wat mij betreft minimaal. Griekse autoriteiten – en niet alleen zij – arresteren wel vaker radicaal-linkse mensen wegens zaken waar ze niets mee te maken hebben. Het valt niet uit te sluiten dat ze nu ook een anarchist te grazen hebben willen nemen, en een bankoverval gebruikt hebben als excuus om hem op te pakken.

Is het dan uitgesloten dat hij en de 46-jarige Griek het gedaan hebben? Nee, dat niet. Er ís een stroming binnen het anarchisme die bepaalde vormen van roof – van grote kapitalistische instellingen – als legitiem actiemiddel, of als uitdrukking van verzet tegen burgerlijke orde en moraal, ziet. Het is geen promonente stroming binnen het anarchisme, hoezeer rechtse publicisten ook graag hun best doen om het hele anarchisme als stroming van gewelddadige relschopp[ers en criminelen af te schilderen. Maar het is ook onzinnig om te ontkennen dat dit type anarchisme bestáát.

Het is dus dénkbaar dat ze het hebben gedaan, vanuit een politiek motief. Maar voor hetzelfde geld zaten ze gewoon krap bij kas. Ik roep ook wel eens, als ik wat leuks wil doen dat geld kost: ik beroof morgen wel een bank. Weten wij veel, misschien hebben deze twee mensen wel de daad bij dit soort woorden gevoegd. Het zou zomaar kunnen… maar het zou ook zomaar kunnen dat de twee helemaal niets met de hele bankoverval te maken hebben gehad. Bewijs van hun schuld heb ik niet gezien.

Interessanter is echter het antwoord op de vraag: wie is deze  Alfredo Maria Bonnano? Ik had niet van de man gehoord, ik ben positief-belangstellend in het anarchisme, maar geen anarchisme-expert. Enig vluchtig gesnuffel, via het vrijwel onvermijdelijke Wikipedia en via Indymedia,  leerde dat het hier een anarchist betreft die al heel wat jaartjes meeloopt. En zoals het een serieus revolutionair vrijwel betaamt, heeft hij van die vele jaartjes ook enige tijd in de gevangenis gezeten.

Hij heeft een reeks publicaties op zijn naam staan. Eén van die publicaties heb ik vandaag on-line zitten doorlezen, en dat was geen nutteloze tijdsbesteding, en ook niet onaangenaam. Het gaat om een werk uit 1977 dat ook in het nieuwsberichtje genoemd werd: “Gewapend plezier”. Ik heb de Engelstalige tekst bekeken: “Armed Joy”. Het is een tekst trouwens waarvoor Bonnano 18 maanden in de gevangenis heeft gezeten,en die volgens de inleiding van het boek uit Italiaanse bilbliotheken moest worden verwijderd. Zeer vrijheidslievend, zeer democratisch allemaal.

Uit de tekst blijkt dat Bonanno gewapende strijd tegen de staat – concreet: tegen politieagenten en dergelijke – nodig en juist vindt. ik vermoed dat dát de reden was waarom de Italisaanse staat hem achter slot en grendel gooide. maar de kern van de tekst, het zwaatepunt, ligt niet bij die gewapende strijd zelf. Hij voert in “Armed Joy” een polemiek tegen andere delen van de revolutionaire beweging die hij verwijt niet diepgaand-revolutionair genoeg te zijn

Zo valt hij de gangbare revolutionaire politiek aan omdat die werk, arbeid, zo centraal stelt. Arbeid is de basis van de uitbuiting. Het gaat er volgens hem niet om het arbeidsproces over te nemen, de productiemiddelen in handen te nemen, productie in zelfbeheer  te organiseren of zoiets. Waar de productie centraal staat, daar staat de onvrijheid, de arbeidsmoraal van het kapitalisme, nog altijd centraal. De wereld van de arbeid is de wereld van de vervreemding. Daartegenover wil Bonanno het “plezier” - misschien beter: de vreugde - uit de titel  van zijn tekst naar voren schuiven – gewapenderhand, in de revolutionaire strijd die tegelijk speels en serieus is.

In het voorbijgaan keert hij zich ook tegen andere vormen van gewapende strijd, zoals de soort stadsguerrilla die de Rode Brigades en de RAF voerden in de tijd dat hij dit schreef. Díé gewapende strijd was niet vreugdevol, maar wortelde in het aloude plichtsbesef, met haar discipline en opofferingsgezindheid – kortom, in de door Bonanno verfoeide wereld van de arbeid.

Bonanno maakt veel scherpe observaties, die bij mij ook herkenning oproepen. Inderdaad – het is niet zijn rechtstrekse onderwerp, maar wel eraan verwant denk ik - voelt actief zijn als revolutionair te vaak als een báán, als arbeid. Inderdaad ontbreekt de vreugde nogal eens. Inderdaad is arbeid sowieso niet iets dat in zichzelf vrij is, ook niet na een arbeidersrevolutie.

Karl Marx had het in dit verband over het “rijk van de noodzakelijkheid”: de noodzaak om in het bestaan van mensen te voorzien. Dat rijk van de noodzaak, de wereld van de arbeid, van de productie, moest natuurlijk onder democratische zeggenschap van de maatschappij komen te staan. het werk kon en moest ook ontdaan worden vande onaangename werkomstandigheden, het geush door chefs en dergelijke, die arbeid in het kapitalisme ook tot zo’n hel maken. Maar er blééf een element van noodaak, van dwang, van ónvrijheid in aanwezig. Onontkoombaar. 

Daarnaast was er het “rijk van de vrijheid”:  de ontplooiing van de menselijke mogelijkheden,  waarvoor steeds meer tijd en ruimte kwam naarmate het mogelijk werd door technische ontwikkeling in steeds minder tijd in de behoeften van de maatschappij en haar leden te voorzien. Marx spreekt in Het Kapitaal, deel 3, van “die ontwikkeling van menselijke energie die een doel op zichzelf is, een waar rijk van vrijheid, dat echter alleen tot bloei kan komen met dat rijk van noodzakelijkheid als basis. De verkorting van de arbeidsdag is hiervoor de elementaire voorwaarde.”  De sleutel was dus: steeds korter hoeven werken, steeds meer écht authentiek vrije tijd.

Over dit soort complexiteiten maakt Bonanno zich nauwelijks druk. Over hoe in de communistische wereld waar hij voor vecht, de mensen hun basisbehoeften bevredigd gaan zien, is hij erg summier. Maar zijn polemische aanval op arbeid-als-norm is daarmee niet weerlegd. Stof tot nadenken biedt Bonnano zeer zeker.

Stof tot denkwerk trouwens ook, en tot vermaak. De tekst zit vol wrange humor, maar ook vol ingewikkelde formuleringen. Ik snap lang niet altijd wat hij bedoelt. Hij is duidelijk beïnvloed door het Situationisme, een revolutionaire stroming uit vooral de jaren zestig van de vorige eeuw die marxistische analyse, anarchistische rebelsheid en surrealistische beelden en visies combineert.

Centraal staat in het Situationisme het begrip “het spektakel”, waarmee Situationistisch theroreticus Guy Debord het verschijnsel aanduidde dat de kapitalistische werkelijkheid een wereld van illusies uitstraalt, een vervreemdende schijnwerkelijkheid waardoor allerlei aspecten van de maatschappij déél worden, ondergeschikt blijven, aan het kapitalisme. We leven in een schijnwereld die tegelijk een hele reële wereld van uitbuiting en geweld is, en waar we veroordeeld zijn tot de rol van toeschouwer van iets waar we geen greep op hebben. De titel van Debords bekendste werk zegt het al: , “Le Societé du Spectacle”, in het Franse origineel, “De spektakelmaatschappij”. De Engelse vertaling staat on-line: “Society of the Spectacle”.

Het begrip “spektakel” hanteert ook Bonanno veevuldig in zijn tekst, al is zijn proza verder wel een stuk minder ingewikkeld dan dat van Debord. De tekst doet ook wel een beetje denken aan een veel recenter werk dat onder revolutionair links opgang heeft gemaakt: een Franse tekst geschreven in de nasleep van de rellen in de Franse voorsteden in 2005. De vertaling in het Engels heet: “The Coming Insurrection”.

Net als bij de tekst van Bonanno bevat ook dit werk veel leerzaams dat overdenking verdient, ook al ben ik het met lang niet alles eens. Zoals zo vaak bij anarchisten en aanverwante revolutionairen: ook al ben je het met het hele verhaal niet eens, er valt meer van te leren dan menig marxist helaas nog steeds denkt.


Sociaaldemocratie Duitsland tussen ondergang en reanimatie

1 oktober, 2009

De uitslag van de Duitse verkiezingen van afgelopen zondag heeft ter linkerzijde flink wat reacties losgemaa. Niet al die reacties zijn even verstandig. Vooral het goede resultaat van Die Linke heeft hier en daar een wat al te juichende ontvangst gekregen.

 Eerst maar even de grote lijnen. Zoals  verkiezingen in parlementair geregeerde staten doorgaans, zijn ook in deze verkiezingen meerdere krachtmetingen met elkaar verstrengeld. Het is zaak ze te ontwarren, en daarna kijken we verder.

De eerste krachtmeting is de strijd tussen links en rechts in de breedste zin van het woord. Enerzijds de partijen die – hoe indirect en vaag ook – verbonden zijn met arbeidersbeweging en verwante sociale bewegingen. De partijen die het kapitalisme tenminste nog enigszins willen inperken ten gunste van de brede onderkant van de maatschappij, ten gunste ook van milieu en internationale rechtvaardigheid. In Duitsland zijn dat Die Linke, de Groenen en – jawel, nog steeds – de SPD. Anderzijds de partijen die onverkort het kapitalisme voorstaan en de belangen dominante ondernemersklasse verdedigen. In Duitsland hebben we het dan over christendemocratische CDU-CSU (de partij van bondskanselier Merkel), en de liberale FDP. Die krachtmeting is – niet met een enorm verschil, maar toch onmisje kenbaar – gewonnen door rechts. CDU-CSU en FDP samen gingen iets vooruit, SPD, Die Linke en de Groenen gingen tesamen iets achteruit. Het zit erin dat er nu een rechtse regeringscoalitie komt. Dat is geen goed nieuws.

Mara er vonden tegelijk andere krachtmetingen plaats: bínnen rechts, en bínnen links. Beide krachtmetingen zijn gewonnen door de radicalere vleugels. Ter rechterzijde won de FDP opmerkelijk veel. Ze behaalde haar beste resultaat sinds 1949. De partij vocht haar campagne met een programma van verregaande bezuinigingen, en zag haar rechtse scherpte beloond. CDU-CSU, veel voorzichtiger in dat opzicht en niet eenstemmig enthousiast over de harde lijn van de FDP, verloor veel. Rechts als geheel is dus niet alleen iets groter geworden, maar daarbinnen heeft neoliberaal hard rechts haar positie versterkt.

Ter linkerzijde zien we een soortgelijk patroon. Links is weliswaar iets gekrompen, maardarbinnen is het stevig en radicaal links dat sterker is geworden. Vooral Die Linke – een nog tamelijk nieuwe formatie, maar zoals op Lenin’s Tomb terecht wordt opgemerkt, géén eendagsvlieg – deed het goed, groeide 4 procent en kwam op 12 procent uit. Maar ook de Groenen – die weliswaar veel van hun radicale glans verloren hebben, maar in ieder geval deze keer niet meeregeerden – wonnen flink en kwamen op 10,6 procent. Grote verliezer was de sociaaldemocratische SPD, die 11 procent kwijtraakte en nog slechts 23 procent van de stemmen behaalde. Heel veel mensen straften zo de SPD af voor deelname aan een regering die bezuinigingen doorvoert en ook nog eens oorlog voert in Afghanistan – een oorlog die niet bepaald populair is.

De opokomst van Die Linke als alternatief tegenover de SPD is hoopgevend. Het laat zien dat met het verval van gevestigd, meegaand links er mogelijkheden liggen om een veel steviger, consistenter en geloofwaardiger links op te bouwen. Zoals in Nederland de SP de PvdA ter linkerijde uitdaagt en deels weet te vervangen, zo doet Die Linke dat in Duitsland. De opkomst van dit soort partijen betekent dat de woede van veel mensen wegens bezuinigingen en ander asociaal crisisbeleid een politieke vertaling krijtgt, tot in het parlement toe.

Dat is – met rechtse kapers die onvrede hun racistische draai geven – niet onbelangrijk: hoe sterker een SP of een Linke, hoe minder speelruimte voor Wilders in Nederland, voor fascistische partijen in Duitsland. Zo zien we in Duitsland dat de NDP, een verkapte nazi-partij, slechts een schamele 0,1 procent wist te behalen. Vanuit de proteststemming in dat land gaan veel mensen naar línks, en de stevige opstelling van Die Linke zou daar wel eens veel mee te maken kunnen hebben. Dat dit in Nederland anders loopt, zou wel eens mede veroorzaakt kunnen worden door de steeds meegaander opstelling van de SP, die niets liever lijkt te willen dan braaf meeregeren.

Er dient echter bij alle positieve reacties op de groei van Die Linke wel een stevige kanttekening te worden geplaatst. Hier en daar zie ik in dit verband formuleringen die niet kloppen. Lenin’s Tomb bijvoorbeeld ziet in de uitslag een “een manier waarop de historische ineenstorting van de sociaaldemocratie zich voltrekt”. Als hij bedoelt dat de opkomst van Die Linke en de afgang van de SPD een ineenstorting van de sociaaldemocratie als zodanig inhouden, dan heeft hij het grondig mis. Net zo problematisch is de uitspraak van Mona  Dohle in een op zichzelf zinnig stuk op de website van de Internationale Socialisten (IS). Zij spreekt van een “historische nederlaag voor de failliete Duitse  sociaaldemocratie”, de kop van het stuk luidt ook nog eens “Opnieuw historische nederlaag voor Duitse sociaaldemocratie”.

Wat er mis is met typeringen als “ineenstorting” of “historische nederlaag” van de “failliete Duitse sociaaldemocratie”? Minstens twee dingen. Allereerst de gelijkstelling van de sociaaldemocratie met één specifieke partij, de SPD, die inderdaad een electorale dreun heeft gekregen. Maar de sociaal-democratie in Duitsland is groter dan één partij! Die Linke vertegenwoordigt niet zomaar een niet-nader-omschreven soort van ‘radicaal links’ zoals zowel Lenin’s Tomb als Mona Dohle dat impliceren. Die Linke is radicaal sociaaldemocratisch links: het is een partij die via verkiezingen en wetgeving verbeteringen wil bereiken ten gunste van arbeiders, van milieu en dergelijke. De partij probeert hier te doen wat de SPD steeds meer nalaat: het kapitalisme hervormen.

De verhuizing van kiezers van SPD naar Die Linke is voor een belangrijk deel een verhuizing van sociaaldemocratische arbeiders die steeds minder sociaaldemocratie terugvinden in een SPD, die eerder sociaal-liberaal is, en die Die Linke een zinnig alternatief vinden. Er is dus wel een ineenstorting van de SPD, maar daarmee nog niet van de hele sociaaldemocratische traditie in Duitsland. Integendeel – die wordt in en via Die Linke juist gereanimeerd!

Maar ook de teloorgang van de SPD kunnen we maar beter niet overschatten, want “failliet” is de SPD zeker nog niet. Mona Dohle zelf schetst al hoe binnen de SPD linksere geluiden hoorbaar zijn die een koerswijziging van de partij willen. Eenmaal in de oppositie komt de partij naast Die Linke en de Groenen te staan. Het is helemaal niet onwaarschijnlijk dat de partij zich daardoor weer linkser gaat profileren, om kiezers terug te winnen die nu naar Die Linke en ook de Groenen zijn gegaan. Het is niet ondenkbaar dat dit zelfs voor een flink deel nog lukt ook, deels vanwege traditionele en weliswaarverwakte maar niet verdwenen bindingen van SPD met vakbonden. Ja, de SPD is zwaar gehavend. Maar voor een overlijdensbericht of bankroetverklaring is het bepaald veel te vroeg.

Is mijn typering van Die Linke als sociaaldemocratisch te beperkt? Ja, ik weet dat binnen die partij revolutionairen, zelfs in groepsverband, actief zijn. Ik weet dat actieve leden van de partij zich sterk maakten voor protesten tegen bijvoorbeeld de NAVO in Straatsburg. Er zitten binnen de partij tal van leden die beslist geen sociaaldemocraten zijn, maar dichter in de buurt van revolutionair socialistische politiek staan. Zulke mensen heb je binnen de SP ook – en tot diep in de jaren tachtig had je ze zelfs in de PvdA (als je goed zoekt vind je er nu ook nog wel drie of vier, wellicht). Maar zij bepalen niet de koers en de identiteit van de partij.

Die Linke is in essentie gebouwd op het samengaan van twee vleugels – en beiden waren in essentie sociaaldemocratisch. Er was de PDS, die voortkwam uit de oude SED, de  ‘Communistische’ partij van de voormalige DDR (‘Oost-Duitsland’). Die partij stond in de jaren negentig aldoor stevig in dat voormalige Oost-Duitsland, en regeert hier en daar zelfs mee. Ze ontwikkelde zich tot een parlementaire linkse partij, met iets radicalere standpunten dan de SPD maar met volop de bereidheid om de gevestigde staat te helpen besturen in een kapitalistische context. Ook waar de PDS meeregeerde, werd netjes bezuinigd. Klassiek sociaaldemocratisch, dat werd meer en meer de politiek van deze organisatie.

Vanaf 2003 kwam in het westen van Duitsland intussen steeds meer kritiek op de bezuinigingen van de toenmalige SPD-regering onder kanselier Schröder. Sociaaldemocraten en boze vakbondsmensen begonnen een Verkiezingsalternatief voor Werk en Sociale Rechtvaardigheid (WASG). Binnen die groepering werden ook revolutionairen van diverse tradities – ook de traditie waar de IS deel van uitmaakt trouwens – actief. Maar ook binnen de WASG domineerde een linkse, vaak best strijdbare, maar toch sociaaldemocratische aanpak.

Welnu, de door sociaaldemocraten gedomineerde WASG fuseerde in 2007 met de dóór en dóór sociaaldemocratische bestuurderspartij PDS. Hoe zeer dit ook een welkome versterking was van krachten links van de SPD, het is in essentie een sociaaldemocratische versterking in die positie.

Dat zie je ook aan de leiding van de partij. Daarin vinden we Gregor Gysi, eerder de welbespraakte aanvoerder van de PDS en een beetje de Duitse Jan Marijnissen. daarin vionden we ook ex-SPD-er Oscar Lafontaine, eerder als SPD-er ooit premier van de deelstaat Saarland, ooit ook minister van financiën onder Schröder, een klassieke Keynse iaanse sociaaldemocraat die echter bereid is zowel veel linksere taal te bezigen als ook nare nationalistische retoriek te bezigen. Het laat maar zien hoe wendbaar sociaaldemocratische politiek is – zonder op te houden sociaaldemocratische politiek te zijn.

Jazeker, Die Linke verdient electorale steun als tegenwicht tegen rechts en tegen de uitverkoop-politiek van de SPD. Maar het is verkeerd en riskant om Die Linke te benaderen alsof het iets principieel ánders, méér is dan een nieuwe linksere variant van de sociaaldemocratie. De kans dat de partij werkelijk weerstand biedt en blijft bieden aan de verleidingen van regeringsdeelname, lijkt me tamelijk klein.

Nu al neemt ze als opvolgerspartij van de PDS aan deelstaatregeringen deel, met alle nare gevolgen -meeverantwoordelijkheid voor bezuinigen, inkapseling, kortom het soort ellende waardoor de SPD zo aangetast is – van dien. Dit is trouwens een gevaar dat in de door mij aangehaalde stukken wel degelijk wordt onderkend. Maar ik heb het idee dat de mate waarin een partij als Die Linke uit dit bestuurlijke vaarwater kan komen en blijven, schromelijk wordt overschat.

Een opmerking tot slot. Dat twee aanhangers van Marx21,  geestverwanten van de IS – als parlementslid voor Die Linke zijn gekozen – zoals Socialist Worker, weekblad van de Socialist Workers Party (zusterorganisatie van de IS in Groot-Brittannië) meldt – is echt een uitglijder, of erger. Revolutionairen horen niet als lid van sociaaldemocratische partijen in parlementen te gaan zitten, maar alléén als openlijke en zelfstandige revolutionairen, met alle politieke bewegingsvrijheid dir daarbij hoort. Maar dat is weer een andere discussie…


26 september: “Laat de rijken de crisis betalen!”

27 september, 2009

Foto014

De optocht naar en omsingeling vande Nederlandsche Bank, gisteren gehouden als protest tegen het cirisibeleid van het kabinet was, zowel quo opkomst als qua toon en uitstraling, succesvol. Op het hoogtepunt deden er zeker 400 mensen aan mee, en maakten hun punt duidelijk met aanhoudende leuzen als “belast de rijken, haal het geld waar het zit!”, en de standaard-meezinger voor dit soort acties: ‘1,2,3,4,5,6,7, waar is onze poen gebleven? Het is niet hier, het is niet daar, Aáállemaal naar Wassenaar’.

Vanaf de geluidwagen wrerd herhaaldelijk een gouwe ouwe van Drukwerk gspeeld: “Laat de rijken de crisis betalen!” Aan het begin trad een amusante liedjeszanger met gitaar op. En bij de omsingeling zelf – gedeeltelijk, voor een complete kring waren meer mensen nodig – werd vooral metuitgedeelde FNV-fluitjes een enorme herrie geproduceerd.

De opkomst was niet alleen groter dan ik had durven hopen, maar ook meer divers.ik was bang dat het voornamelijk een actie van de Internationale Socialisten (IS) plus sympathisanten zou worden. De IS heeft heel veel aandacht en publiciteit aan de actie gegeven, en elders, op bijvoorbeeld de landelijke SP-site, vond ik er niets over. Of het gelukt was om meerdere groepen betrokken te krijgen, werd me pas op de dag duidelijk – en het wás gelukt. Ik zag een flinke groep actieve FNV-leden; ik begreep van een mede-demonstrant dat daar mensen bij zaten die een dag of wat geleden actie hadden gevoerd in een HEMA-vestiging in Groningen. Ik zag wel degelijk wat SP-ers. NCPN en Offensief, kleine uiterst-linkse groepen, waren zichtbaar. DIDF, een linkse Turkse arbeidersorganisatie,deed nadrukkelijk mee. Uit toespraken bleek het draagvlak. Bart Griffioen van de IS, maar ook een spreker namens DIDF en twee actieve mensen binnen het FNV waaronde Egbert Schellenberg van FNV vecht voor je recht, een “onafhankelijke website bedoeld om de strijdbaarheid binnen de FNV te bevorderen”.

Ik ben met mijn mobieltje foto’s wezen maken, maar door een foute druk op een knop bleek ik ook veel kleine -en goeddeels nutteloze – filmpjes te hebben gemaakt waar ik foto s had bedoeld.  Maar er zijn toch ook wel wat foto’s gelukt, helaas alleen aan het begin van de actie, op het verzmeplunt, het Beursplein. Komen ze:

Foto001

Foto002

Foto004Foto006Foto007Foto003

Foto008

Foto011Foto009

Foto012

Foto013

Foto014

Foto015