Toen ik, in mei 2008, mijn serie “Dat lastige Leninisme” begon, met in februari 2009 een tweede deel, was dat deels om eens op een rijtje te zetten waarom ik de Internationale Socialisten (IS) – een Leninistische club immers – had verlaten. Mijn opvatting in de eerste anderhalf jaar na mijn vertrek kwam erop neer dat het Leninisme, mits kritisch begrepen en op een open manier gehanteerd, nog altijd de beste soort revolutionaire politiek was. Problemen in de politiek van Leninistische organisaties – in mijn geval de IS – hadden meer te maken met bepaalde interpretaties en toepassingen ervan dan met de kern van het Leninisme zelf. Om die problemen onder ogen te zien en het helder te krijgen, voor mezelf en voor lezers, begon ik aan mijn verkenningstocht, en daarmee aan de serie.
De laatste weken is mijn denken echter nogal in een stroomversnelling geraakt. Ik kan mij niet meer naar eer en geweten een Leninist noemen, hoeveel vruchtbaars ik nog steeds in Lenin’s erfenis aantref. De redenen voor die verandering ga ik in latere stukken proberen uiteen te etten. Maar eerst: waarom vertrok ik uit de IS? Dat had – het is een cliche maar zoals veel cliches niet onwaar – politieke én persoonlijke redenen. Ik begin bij de politieke redenen, want dit is toch vooral een politiek blog.
Al jaren had ik op een reeks van punten kleinere en grotere meningsverschillen rond de koers en de werkwijze van de organisatie. Enkele punten. Ik vond de houding die de IS aannam rond activiteiten van Antifascistische Actie (AFA) te afhoudend, te negatief. Ik vond, begin 2008, de aandacht voor klimaatsverandering en de mogelijkheden die dat thema aan socialisten bood, volstrekt onvoldoende (dat is sindsdien overigens ruimschoots veranderd, de IS mobiliseert uit alle macht voor actie rond de Klimaattop in Kopenhagen, ere wie ere toekomt).
Ik vond dat de IS-politiek richting de SP slordig en oppervlakkig verwerkt was. In 2005 ging de IS de SP in, binnen een paar maanden bleek dat onwerkbaar omdat de SP haar leden verplichtte tot kiezen tussen de twee clubs. Ik was in 2005 – ten onrechte, het is iets dat ik als één van mijn grotere fouten beschouw – groot voorstander van de intrede. Maar ik vond, toen duidelijk was dat het niet werkte, de IS veel te lang bleef steken in en wel héél positieve houding tegenover die partij. Dat ging door tot en met de verkiezingen van 2006.
Mijn mening was inmiddels: revolutionairen horen domweg niet in een sociaal-democratische partij, en het impliciete IS-idee achter de intrede dat de SP méér was en is dan een linkse sociaal-domocratische partij was onjuist. De gedachtenwisseling daarover vond ik niet bepaald grondig. Heel veel verder dan het woord ‘inschattingsfout’ kwam het niet. En mijn veel kritischer toon tegenover de IS, bijvoorbeeld ook op mijn weblog, was duidelijk afwijkend van wat in de IS verstandig werd gevonden.
Ik kreeg ook steeds meer moeite met zowel het perspectief van de organisatie, de strategie, en de werkwijze. Centraal in het perspectief stond het idee dat er, vanaf de WTO-protesten in Seattle in 1999, een antikapitalistische beweging was opgekomen, en vanaf 2001 ook een daarmee sterk overlappende anti-oorlogsbeweging. Taak van revolutionairen was om die beweging uit alle macht te helpen opbouwen, onder meer door grote protesten ook internationaal, met volle kracht te ondersteunen.
Zo ging de IS samen met anderen naar Praag (IMF/Wereldbank) in 2000, met twee bussen vol actievoerders , naar Genua 2001 (G8), ook met twee bussen , naar Nice (EU-top 2000), Brussel (2001, en nogmaals in 2005), naar Gleneagles 2005 (wederom G8), naar de Europese Sociale Fora in 2002 (Florence), 2003 (Parijs), 2004 (Londen). In Nederland stortte de IS zich als weinig andere clubs in campagnes tegen de oorlogen van Bush, met als hoogtepunt het protest van 15 februari 2003, vlak voor de oorlog tegen Irak begon.
Ik was het met deze nadruk erg eens, en ik heb me voluit in proberen te zetten. Ik denk nog steeds dat het in de kern een juiste prioriteit was, de eerste jaren na 1999. Maar vanaf het voorjaar 2005 begon het te knagen. De mobilisaties van wat we “De Beweging” waren gaan noemen, kregen een wat stereotiep karakter, en het werd een beetje een wereld op zich. Intussen begon zich buiten die Beweging iets nog veel groters aan radicaal potentieel te ontwikkelen. Het krachtige néé tegen de Europese grondwet – overwegend línks gemotiveerd – was een teken in die richting. Maar terwijl de SP zich hard maakte voor die néé-campagne – die miljoenen mensen in beweging bracht – was de IS bezig met een, op zich óók belangrijk, protest tegen het bezoek van Bush aan Nederland, dat enkele duizenden mensen op de been kreeg.
Het perspectief van “De Beweging” begon te wringen. Mijn onterechte steun aan de draai richting SP zie ik als een verkeerd antwoord op het, op zichzelf juiste, gevoel dat er iets niet klopte in de aanpak, dat er iets moest veranderen, dat het eenzijdig je oriënteren op “De Beweging” geen verruiming van de blik meer was, zoals in 2000, maar in toenemende mate een keurslijf.
Er was ook een inhoudelijk probleem. In de IS – en vooral ook in de zusterorganisaties – stond De Beweging als kernbegrip zó centraal dat het wel leek alsof klasse als begrip niet meer de kern was. De revolutie leek haast wel een kwestie van de beweging tegen de machthebbers, en niet meer een kwestie van een arbeidersklasse tegenover een kapitalistenklasse. Het marxisme waar de IS mee werkt, werd een tikje onscherp. De beweging, hoe belangrijk ook als handvat, is immers niet meer dan de, deels indirecte, uiting van radicalisering van de arbeidersklasse. Dat inzicht bleek een beetje teveel op de achtergrond, en ik begon dat politiek ongezond te vinden.
Ook vielen me in het marxisme, zoals de IS Tendency (de internatioale stroming waar de IS deel van uitmaakte) zwakke plekken, die ik helaas slecht bij een enkeling heb aangekaart maar die me wel bezighielden. Ook dit had te maken met een wazig omgaan met dingen als klasse en beweging. John Rees, leidend SWP-er, schrijft bijvoorbeeld in een boek over imperialisme: “Er zijn drie grote machten in de wereld. De macht van natie-staten, de macht van de internationale economie, en de macht van werkende mensen waarvan alle staten, legers en bedrijven uiteindelijk afhankelijk zijn” (John Rees, Imperialism and Resistance, London 2006, pag. 3). In plaats van helder een heersende klasse tegenover een arbeidersklasse te zetten, zijn er twee ’stukken’ heersende klasse, die als zelfstandige actoren worden opgevoerd. In principe, als je consequent redeneert, zou dan de strijd tussen macht 1, de staten, en macht 2, de economie, net zo fundamenteel zijn als de strijd van die twee, samen of afzonderlijk, tegen de arbeiders. Wazig, onscherp, en in zijn consequenties misleidend, naar mijn idee.
Alex Callinicos, ook een kopstuk uit dezelfde partij, doet iets soortgelijks. Hij schrijft, in “The Grand Strategy of the American Empire” (International Socialism Journal 97, winter 2002), met een beroep op Boekarin, een Russische marxist uit de eerste decennia van de twintigste eeuw: “De theorie van het imperialisme beargumenteert dat in de loop van de negentiende eeuw twee relatief onafhankelijke processen steeds meer samensmolten: de geopolitieke rivaliteiten tussen staten, en de economische concurrentie tussen kapitalen.” Dit miskent de economische wortels van wat er in het statensysteem gebeurt; het schetst een beeld van twee parallelle systemen, eentje politiek, een andere economisch. Voor marxisten, die de wortels van de politieke sfeer terugleiden naar de economische basis, is zoiets onhoudbaar: er is één systeem, het kapitalism, en geen twee. In dit opzicht was ik een overtuigd marxist, en dat ben ik op dit punt trouwens nog steeds.
Waar kwamen dit soort theoretische ontsporingen vandaan? Het is onbewijsbaar, maar ik denk dat het slordige anlyseren van “De beweging” waar ik eerder over sprak, een rol speelt. Maar ik denk inmiddels – niet direct toen ik me aan dee formuleringen begon te storen, maar pas zeer recent – nog iets anders. Het betreft bij didactische formuleringen pigingen om dingen uit te leggen. Aan de poging om het verhaal makkelijk toegankelijk te maken, is de precizie wellicht enigszins opgeofferd. De narigheid is echter dat slordig formuleren vroeg of laat ook tot slordig denken leidt.
Bij Callinicos speelt iets anders een rol. Die voert, als academicus, vaak discussies met andere niet-marxistische academici. Het idee van geopolitieke rivaliteiten in een, als onafhankelijk statensysteem gedachte, politieke wereld, is daar zeer gebruikelijk. Al debatterend en lezend heeft Callinicos, wellicht ongemerkt, delen van die niet-marxistische theorie geabsorbeerd, hetgeen zijn marxistische scherpte niet echt ten goede is gekomen. Het zijn bepaalt hier op wel heel ironische wijze het bewustzijn, ook voor een marxistische professor. Maar ik ben een beetje afgedwaald inmiddels. We keren terug naar de IS-strategie.
De strategie waarin de opbouw van De Beweging centraal stond had ook andere gevolgen. Het leidde gemakkelijk tot een wel heel overmatig beroep op mensen om zich nóg harder in te zetten. Immers, komende internationale demonstratie was ab-so-luut van levensbelang, we móésten die bussen vol krijgen met nieuwe activisten, de krant had een extra push nodig, we moesten de beste mensen die we tegenkwamen koste wat kost voor lidmaatschap zien te porren…
Het was een werkwijze waarin presteren, in kwantitatieve zin, compleet met ‘targets’, wel erg dominant werd. Meer krantverkoop, meer mensen naar demonstraties, meer nieuwe leden… Intussen werden mobilisaties vanaf 2005 eerder kleiner dan groter. Toenemende inzet, afnemende opbrengsten – iedere ondernemer kan uitleggen dat dit verkeerd moet gaan… De druk op leden om er nog een schepje bovenop te doen, ben ik als roofbouw gaan ervaren, hoe groot mijn enthousiasme voor heel veel van de activiteiten tot het laatste moment ook is gebleven.
Ik ben, eerst voorzichtig maar later steeds nadrukkelijker, de discussie over dit soort dingen aangegaan. Ik had iets van: als de organisatie niet meer succesvol is – en dat wás de organisatie, van 2005 tot 2008, naar mijn indruk inderdaad steeds minder – dan kunnen er een paar dingen aan de hand zijn. 1. De kern van de politiek klopt niet. 2. De kern klopt wel, maar de aanpak is verkeerd. 3. Kern en aanpak kloppen, maar de tijd, de omstandigheden zit gewoon tegen. 4. De kern klopt, de aanpak klopt ook, omstandigheden ook, maar de mensen doe onv0ldoende hun best. Wat was het?
Welnu, ik stond achter de kern van de politiek. Ik vond ook dat de omstandigheden – juist ook die beweging, maar tegelijk allerlei uitingen van radicalisering, blijkend uit de anti-EU-Grondwet-stemming, maar ook uit de scholierenopstand van november 2007 – eerder gunstig dan ongunstig waren voor revolutionair links. Was het dan de aanpak, of werkten we domweg niet hard genoeg? Volgens mij was het vooral de aanpak. Maar de toon in de hoofdstroom van de organisatie, sterk aangezet vanuit haar leiding, was toch vooral dat de aanpak wel klopte, maar dat we gewoon beter en scherper ons best moesten doen. Ik vond dat een volstrekt ontoereikend antwoord, en dat vind ik nog steeds. Al heb ik de indruk dat in de praktijk er wel degelijk aan de aanpak is gesleuteld: de beweging staat lang niet meer zo centraal als enkele jaren terug, en een begin van die verschuiving was op zich al wel merkbaar. Maar het wekt de indruk alsof deze verschuiving ten goede vooral pragmatisch is gegroeid, meer dan bewust doordacht gekozen. En telkens als er iets Groots in aantocht is, zijn de oude reflexen – alles op alles zetten om er ook iets Groots van te maken - weer herkenbaar aanwezig. Als ik mij niet zeer vergis, geldt dat momenteel precies voorde activiteiten richting Klimaattop-protest.
Welnu, de discussie rond al dit soort punten heb ik mijn laatste paar IS-jaren en vooral ook de eerste weken van 2008, gevoerd. In die laatste maanden was ik gewoon óp. Ik voerde de discussie soms bot, ongeduldig, tactloos. Ik denk niet dat ik ooit persoonlijk grof ben geworden, maar aangenaam was mijn toon nu en dan niet. Dat deel van de verantwoordelijkheid voor wat volgde neem ik op mij.
Maar ik vond en vind nog steeds dat een heel serieuze poging om mijn kernbezwaren – rond het perspectief van De Beweging vooral – nauwelijks is gedaan. Mijn kritiek werd zo verstaan alsof ik zei dat er vrijwel niets meer in beweging was op het gebied van verzet en protest, er vrijwel geen acties meer waren – terwijl mijn punt juist was dat er heel veel aan het bewegen was, maar dat dit zich buiten wat wij De Beweging noemden, afspeelde. Die beweging zo centraal blijven stellen, was volgens mij een gevaarlijke vernauwing van het blikveld. Hoe mensen – vooral ook mensen die me beter kenden, en met wie ik individueel allerlei opheldering had gegeven – mijn woorden zo ongeveer omgekeerd konden uitleggen als ik ze had bedoeld én toegelicht, was mij een raadsel.
De discussies hierover liepen uit de hand, en in dat proces knapte er iets. Ik realiseerde me dat ik de taal van de organisatie niet meer sprak en verstond, en andersom. Ik voelde me er niet meer thuis – een zeer pijnlijke gewaarwording, na bijna 20 jaar. Het was, en is, het soort pijn dat doet denken aan het gevoel als een langdurige relatie stukloopt. Het was en is scheidingspijn – uiteindelijk net zo onvermijdelijk als de scheiding zelf.
Achteraf denk ik wel dat ik op ramkoers ben gegaan vanuit een onbewust gevoel dat dit mis móést gaan, dat de confrontatie voor mijn lidmaatschap wel verkeerd moest aflopen. Ik zocht niet bewust naar mijn vertrek. Maar onbewust stuurde ik er, denk ik, wel op aan, ik riep de reacties die er kwamen – hoe onredelijk ik ze ook vond, ik was tegelijk niet verbaasd – als het ware over mezelf af, om vervolgens het voor gezien te houden. Niet als doortrapt spel van mijn kant, wel als een proces dat wel ‘fout’ af moest lopen, en waarvan ik ergens achtersf ook blij was dát het ‘fout’ afliep. Het IS-er zijn was gewoon óp, uit en afgelopen.
Daarbij speelden natuurlijk persoonlijke factoren en eigenschappen een rol. De meningsverschillen zélf zouden op zich hanteerbaar moeten zijn geweest binnen de organisatie: ik trok geen wezenlijk IS-principe in twijfel, en bleef tot het laatst bereid me in te zetten. Wat mij opbrak was het feit dat ik organisatorische druk en de bijbehorende omgang met mensen sowieso slecht trek. Conflicten die zich daarbinnen voordoen trek ik me enorm aan, mijn huid is wat dat betreft erg dun. Hierbij spelen autistische trekken in mijn persoon, waar ik me pas vanaf 2004 via overspannenheid en diagnose echt van bewust ben geworden, ongetwijfeld een rol. Autistische trekken overigens waarvan ik de verantwoordelijken binnen de organisatie waar ik mee te maken had, van op de hoogte heb gesteld nadat ik een diagnose in die richting had.
In eerdere tijden van spanning en conflict had ik me erover heen weten te zetten, me wel jaar na jaar geforceerd maar steeds wel weer overeind gekrabbeld en me overeind gehouden. Als jonge dertiger had ik echter nog reserves die halverwege de veertig gewoon ook een beetje op waren.
De uiteindelijke breuk vond bijvoorbeeld ook plaats in een periode van serieuze overspannenheid, hetgeen het trouwens des te kwetsender maakte dat mijn kritiek deels werd weggezet als vooral een uiting van persoonlijke frustraties. Dat er frustraties waren, mag duidelijk zijn, en ook omstandigheden speelden een rol. Zo had ik tussen 2001 en 2003 geholpen om een IS-afdeling in Tilburg op te zetten, die van één persoon naar negen groeide – om vervolgens weer af te kalven tot dezelfde ene persoon waarmee het begon, ondergetekende. Ik voelde me verantwoordelijk en trok het me nogal aan. En aangezien ik in de rest van de organisatie ook tegenslag en stagnatie waarnam, groeide mijn onbehagen en de motivatie om dat aan de orde te stellen.
Dat in mijn perspectief de nadruk wel erg eenzijdig op negatieve kanten lag, is waar. Maar er zou een ander soort tegengas gegeven hebben kunnen worden dan het niet-verstaan van wat ik naar voren probeerde te brengen, de banvloek over ‘over-pessimisme’ uitspreken en een hernieuwde oproep om harder en beter te werken, en toch vooral niet te blijven steken in kritiek-om-de-kritiek. Dat vond ik toen, en dat vind ik nog steeds.
Maar wat heeft dit alles nu met dat dekselse Leninisme te maken? Weinig en veel. De eerste anderhalf jaar na mijn vertrek uit de IS onderkende ik twee tekortkomingen in de gangbare versies van het Leninisme, waaronder ik ook de IS reken. In de eerste plaats een één-op-éen vertaling van de opbouw van een revolutionaire partij zoals de Bolsjevieken naar de huidige situatie. In de tweede plaats een te gestroomlijnde weergaven van de ontwikkelingen waarmeer de Russische revolutie van 1917 in een complex proces in haar contrarevolutionaire tegendeel omsloeg.
Eerst dat organisatievraagstuk. Het idee was simpel. Een grote Leninistische partij krijg je door een kleine Leninistische partij te vormen, en die lid voor nieuw lid te doen groeien. Wat we dus nu moeten doen is een kleine club vormen, met een redelijk strakke srtructuur volgens het fameuze democratische centralisme, en dan die club groter zien te maken. Ietsje te simplistisch: een grote Bolsjevistische partij krijg je door nu een piepkleine Bolsjevistische partij te vormen. De IS had gelukkig het nuchtere inzicht om die piepkleine organisatie geen partij ter nóémen. Maar de aanpak was en is wel degelijk die van Bolsjevisme-in-zakformaat.
Welnu, een kritische kijk op de ontwikkeling van de Bolsjevistische organisatie in de aanloop naar 1917 in Rusland – het grote voorbeeld immers – laat zien dat het destijds zo NIET ging. Lenin begon NIET met een mini-Bolsjevistisch partijtje. Hij begon met het bijeenbrengen van socialisten die er al waren, in een netwerk. Hij organiseerde vooral rond een revolutionaire krant, om de inzichten van hem en geestverwanten verder ingang te doen vinden. Een strak geleide ondergrondse structuur was vooral nodig vanwege de onderdrukking; Rusland was een dictatuur. Maar Lenin organiseerde vooral een theoretisch en praktisch diepgaand getrainde groep mensen binnen een veel bredere partij. Lenin zou de huidige IS totaal niet herkennen als iets soortgelijks aan wat hij destijds deed.
Wat mij op dit spoor bracht, was vooral het werk van de marxist Hal Draper, die gehakt probeert te maken van de hele Lenin-mythologie op dit punt. Volgens hem is het geen goed idee om een mini-partijtje van Leninisten te vormen. Zoiets leidt alleen maar tot verstarring en tot het verheffen van je eigen principes als handvat om je te onderscheiden van de rest.
Ook van invloed was het werk van Louis Proyect. Hij liet zien dat, wat tegenwoordig doorgaat voor Leninistische organisatie, met haar formele structuur en datgene wat Democratisch Centralisme wordt genoemd, vooral teruggaat op Zinoview in het begin van de jaren twintig. Zioviev was als leider van de Comintern, de organisatie van Communistische partijen, degene die deze organisatiestructuur formaliseerde en doordrukte in zoveel mogelijk piepjonge Communistische partijen.
Wat Leninisten doen als ze een strakke groep opbouwen, is dan ook niet zozeer Leninistisch, maar Zinovievistisch, aldus Proyect. En deze lijn werd doorgedrukt toen de Russische partij al zwaar onder Stalinistische invloed stond. Het Zinovievisme is in dit opzicht eerder een degeneratieverschijnsel dat via de Comintern ook nog esn geëxporteerd werd. Met de kern van het Leninisme had dit weinig te maken, aldus wederom Proyect – en zijn visie had wel impact op mij. Zowel Proyect als Draper bleven op ich wel binnen Leninistische kaders argumenteren. Maar het betrof hier een veel opener en kritischer benadering dan de in Trotskistische organisaties gebruikelijke. Dat sprak me aan, en dat doet het ondanks beperkingen die ik er óók in zie, nog steeds. Het gaat hier immers om inzichten waar elke revolutionair, juist ook een niet-Leninist als ik inmiddels ben, voordeel mee kan doen.
Over de standaard-weergave van de nasleep van de Russische revolutie werd ik ook kritischer. Het standaardverhaal zoals dat binnen de IS veelal gehanteerd werd is terug te vinden in bijvoorbeeld “Russia: how the revolution was lost” van Chris Harman, en in boeken als “The Revolution Besieged”, deel drie van de lenin-biografie van SWP-grondlegger Tony Cliff. Het luidde ongeveer als volgt. Een revolutie bracht in 1917 de gekozen arbeiders-, soldaten- en boerenraden, de zogeheten sovjets, geleid door een gekozen Bolsjevistische meerderheid, aan de macht. Isolement, economische ineenstorting maar vooral interventie en burgeroorlog, deden echter de arbeidersklasse – de klasse die via de sovjets de macht had gegrepen – al snel zo ongeveer uiteenvallen. Controle van onderaf viel weg, de Bolsjevieken zagen zich genoodaakt de kar met steeds hardhandiger middelen, via een autoritair en bureaucratisch bestuursapparaat, op de rails te houden.
Ze moesten wel overgaan tot onderdrukking van andere partijen, Die vochten immers mee aan de kant van de contrarevolutie. Dat daarmee uiteindelijk de Bolsjevieken als enige partij overbleven, was vervelend, maar niet hun fout. Dat ze bijvoorbeeld de opstand in Kronstadt moesten neerslan, was tragisch, maar er zat niets anders op. Anders was de revolutie immers weggespoeld, eerst door boerenopstanden, uiteindelijk door openlijke contrarevolutionaire krachten.
De revolutie kon echter pas standhouden en weer haar democratische inhoud krijgen als ze steun kreeg van revoluties elders. Dat was voor Lenin, Trotski en feitelijk alle Bolsjevieken die een hoofdrol speelden, glashelder. Een stroming in de partij, de Linkse Oppositie geleid door Trotski, probeerde tussen 1923 en 1928 om meer democratie te bereiken en een oriëntatie op die internationale revolutie an te houden. Toen die revolutie uitbleef, kreeg de bureaucratische elite onder Stalin steeds meer de overhand, versloeg de Linkse Oppositie en zette een volslagen contrarevoplutie door. Rusland werd feitelijk één groot staatsbedrijf dat ich op de wereldmarkt maar vooral via een wapenwedloop, staande probeerde te houden, de industrie geforceerd op poten zetten en arbeiders en boeren uitbuitte om aan de daartoe benodigde fondsen te komen. Bureaucratisch staatskapitalisme, dat was het systeem in Rusland vanaf pakweg 1928.
In deze weergave zit best veel waardevols. De opkomst van het Stalinisme, en het totaal contrarevolutionaire karakter ervan, komt er in naar voren. Wat ik er zwak aan ging vinden is het wel erg gladjes accepteren van de repressie die de Bolsjevieken al vrij snel toepasten, en waarvan Kronstadt een soort symbool is geworden. Zelfs als je – zoals ik tot voor kort deed – die repressie onontkoombaar vond, dan nóg werd het me steeds duidelijker dat elke onderdrukkingsmaatregel de positie van de opkomende bureaucratie sterker maakte, en de kans op herlevende arbeidersdemocratie kleiner. Het verbieden van andere partijen, en bijvoorbeeld ook de onderdrukking van Kronstadt, al deze episodes hadden een cumulatief effect in de richting van een steeds bureraucratischer bewind. Die dictatuur was niet enkel het product van omstandigheden; specifieke maatregelen maakten het erger.
Ik ben me, maar dat is echt iets van de laatste tijd, ook gaan storen aan het soort formuleringen waarin in algemene termen fouten van de partijleiding werden erkend, maar nooiut predies werd aangeduid wat dan wel fout was, en wat niet. Zoiets maakt weliswaar een kritische indruk, maar van een inhoudelijk kritische houding was daar onvoldoende sprake. Mike Haynes bijvoorbeeld, een SWP-er die veel en veelal heel goed over Rusland heeft geschreven, zegt het zo: “In de periode 1917 tot 1921 zouden de Bolsjevieken ongetwijfeld veel vergissingen maken, maar ze zouden die maken tegen de achtergrond van een revolutionaire kans in het Westen die geholpen zou hebben maar werd gemist.” Welke vergissingen dan? Stilte alom, niet alleen bij Haynes in dit stuk.
Zo wordt analyse toch enigszins apologie. Zo zag ik het tot voor kort nog niet, maar de laatste weken, waarin ik over veel van deze dingen nog eens ben gaan lezen en herlezen, denken en doordenken, ben ik dat wel zo gaan zien. De héle standaard-weergave van Rusland 1917-1929 die ik hierboven schets, is wat mij betreft inmiddels ook op losse schroeven komen te staan. Maar dat is allemaal onderwerp van volgende artikelen.
(in de uren na plaatsing licht bijgewerkt)