Lenin and all that

25 november, 2009

Pakweg twee weken geleden verscheen op dit weblog mijn artikel “Vertraagde verantwoording van vertrek uit IS”. Dat heeft aanleiding gegeven tot reacties, en een aantal vragen opgeworpen. De reacties verdienen een reactie, de vragen een poging tot beantwoording. Bij deze een poging. Althans, een gedeelte ervan.

Eerst maar eventjes Lenin and all that. Emil wijst op de studie van Lars Lih, die volgens hem “laat zien dat het sectaire gebeuren waarmee we nu bezig zijn, weinig te maken heeft met de Marxistische traditie waartoe Lenin zich rekende en waar Kautsky (jawel, de *renegaat* Kautsky!) tot aan 1914 een leidende figuur van was.” Lenin en Kautsky worden hier tegenover hun politieke nazaten in diverse Leninistische clubs neergezet. Ook ziet Emil, in navolging van Lih, deze twee Marxisten vooral als geestverwant. Beide inzichten lijken me maar zeer gedeeltelijk juist.

Ja, er is een groot verschil tussen hoe Lenin tussen 1899 en 1917 een revolutionaire organisatie probeerde op te bouwen, en hoe bijvoorbeeld de IS, Offensief en vierhonderdnegenenvijftig andere Trotskistische organisaties dat momenteel doen. Hal Draper wijst daar ook op, net als op zijn manier kennelijk ook Lars Lih. Ik ken zijn boek niet maar heb wel een artikel in die zin van zijn hand onder ogen gehad. Dat wil naar mijn idee echter niet zeggen dat we er komen met een ‘terugkeer naar Lenin’. Want er zat toen óók al iets goed scheef, en juist de verwantschap tussen Lenin en Kautsky is hier deel van het probléém.

Kautsky, theoretisch aanvoerder van de SPD, de Duitse sociaaldemocratie met een als Marxisme geformuleerd program, had een nogal schematische kijk op de weg naar het socialisme. De partij kreeg de hoofdrol. Die moest op allerlei manieren steun verwerven, in de strijd in fabriek en op straat – maar vooral in de stembus. Zo zou zij vroeg of laat een meerderheid bereiken. Als rechtse krachten haar de weg naar de meerderheidsvorming zouden beletten, dan was confrontatie onontkoombaar. Het woord ‘revolutie’ was nog geen taboe. Maar de kern van de strategie was electoraal.

Minstens zo problematisch: de kern van de strategie stelde de partij centraal – niet de arbeidersklasse met haar eigen machtsvorming van onderop. Socialisme kreeg je als de partij een meerderheid had, een regering kon vormen en met steun van haar aanhang de kapitalistenklasse onteigende en de productie in gemeenschapshanden bracht. Voor gemeenschapshanden mag je hier trouwens ook ’staatshanden’ lezen. Het hele concept stelde de partij in het middeplunt, en wilde de bestaande staatsinstellingen gebruiken, niet – zoals Marx herhaaldelijk wél bepleitte – slopen en vervangen door iets wezenlijk anders. Het héétte niet alleen sociaal-democratie. Het wás het in essentie ook, hoeveel linkser dan de PvdA Kautsky verder ook was.

Welnu, tot 1914 opereerde ook Lenin binnen dit politieke kader. De partij moest een meerderheid winnen, en op basis van die meerderheid gaan regeren. Alleen: Rusland was een dictatuur. Om zelfs maar aan de Kautskyaanse strategie te kunnen beginnen, moest die dictatuur weg. Daarom pleitte Lenin voor revolutie tegen de Tsaar, de landheren en de bureaucratische staat waarmee boeren en arbeiders eronder gehouden werden. Daarom lijkt de aanpak van Lenins Bolsjevieken heel anders dan die van Kautsky’s sociaaldemocraten. Het verschil zit echter vooral in de context: in Duitsland was er, op een beperkte manier, een democratie met verkiezingen die wat voorstelden. In Rusland moest die democratie nog bereikt worden, en daar was een revolutie voor nodig. Maar zowel bij de stembusstrijd van Kautsky als bij de revolutie van Lenin stond de partij centraal. Na de overwinning zou die partij gaan regeren.

Tussen 1914 en 1918 breekt Lenin met Kautsky – voor een flink deel althans. Hij zag dat de Duitse SPD in grote meerderheid in 1914 de heersende machten van het land steunde in de Eerste  Wereldoorlog. Hij zag dat de partij kennelijk een heel verkeerde kijk over de staat had ontwikkeld – eentje waarin de staatsmacht gezien werd als bruikbaar voor socialistische doelen.  In 1917, tijdens de revolutie, zag Lenin nog iets anders: arbeiders en andere onderdrukten vormden zelf organen, gekozen raden in fabrieken, dorpen, regimenten, met gedelegeerden die elk moment teruggefloten en vervangen konden worden door kiezers. Die raden – sovjets, in het Russisch – praatten niet alleen, ze namen ook maatregelen en zorgden dat die werden uitgevoerd.

Lenin concludeerde: die raden kunnen de kern zijn van een werkelijk revolutionaire macht, een nieuwe revolutionaire bestuursvorm. De gevestigde staat dient niet te worden overgenomen in een revolutie. Nee, de revolutie moest die hele staat opzijschuiven, en vervangen door een netwerk van sovjets: een heel ander soort staat, eentje die samenviel met de georganiseerde kracht van arbeiders en boeren, eentje die niet meer boven de maatschappij uittorende maar van die maatschappij de gebundelde uitdrukking was. Feitelijk een staat die eigenlijk al geen staat meer was, naar Lenins idee. Hij liet in zijn boekje Staat en Revolutie (1) - geen probleemloos werk, maar wel een eye-opener voor de nauwkeurige lezer-  zien dat dit in de lijn lag van wat Marx ook vond, en dat Kautsky’s kijk op de staat een breuk was met Marx’ opvatting.

De Bolsjevistische partij maakte zich in 1917 tot spreekbuis van het snelgroeiende verlangen  onder vooral arbeiders om die sovjets aan de macht te helpen. In september 1917 steunde een meerderheid van arbeiders in de belangrijkste sovjets dit idee, en stuurde een meerderheid van Bolsjevistische gedelegeerden die sovjets in. Lenin pleitte ervoor dat de Bolsjevieken op deze basis de na de val van de Tsaar opgekomen Voorlopige Regering – die tegen sovjetmacht was, en verder ook zo min mogelijk wilde veranderen – omver te werpen en er sovjetmacht voor in de plaatst te stellen. Dat gebeurde, in de Oktoberrevolutie.

Maar waar waar het voor heel veel arbeiders ging om die sovjetmacht zélf, ging het voor de Bolsjevistische partijleiding vooral om de vorming van een regering op básis van die sovjetmacht. En in die regering domineerde de partij al snel volledig, vooral ook trouwens omdat andere zich socialistisch noemende partijen – Mensjevieken en rechtse Sociaal-Revolutionairen – de sovjetmacht niet wensten te erkennen en er soms zelfs gewapenderhand tegen vochten.

Sovjetmacht en regeringsvorming op básis van Sovjetmacht zijn echter niet helemaal hetzelfde. Toen in de jaren daarop de regerings- en partijmacht herhaaldelijk ging botsen met wat er in de sovjets gebeurde, koos Lenin vrij consequent voor de oppermacht van die regering – en van de partij die daarin de drijvende kracht was: de Bolsjevistische – vanaf 1919 Communistische – partij.

Waar was intussen Lenins inzicht – dat je een totaal ander sóórt macht nodig had, en dat sovjets de uitdrukking ervan vormden – gebleven? Gezegd moet worden dat omstandigheden – economische ineenstorting, contrarevolutionaire burgeroorlog,  gesteund door buitenlandse interventie – het in leven houden van wat voor sovjet-bestuur buitengewoon moeilijk maakten. Als arbeiders na 10 uur werk op zoek gaan naar eten dat er niet is, hebben ze daarna nog tijd en puf om bijeen te komen, te beraadslagen en besluiten te nemen? Veel arbeiders waren ook geabsorbeerd in het geïmproviseerde bestuursapparaat, in dienst gegaan van het Rode leger om de revolutie te verdedigen, etcetera. Sovjetmacht kwijnde weg, bij gebrek aan arbeiders die de sovjetmacht van inhoud en leven hadden kunnen voorzien.

Maar er gebeurde meer. Ja, de arbeidersklasse werd zwaar aangetast door oorlog en economische chaos. Maar de arbeidersklasse verdween niet. Al vanaf het voorjaar van 1918 staakten groepen arbeiders. In 1919 gebeurde dat ook, net als in de jaren erop (2). En keer op keer greep het door de Bolsjevistische partij gedomineerde bestuuur naar dezelfde wapens: arrestatie van stakingsleiders, onderdrukking van stakingen, soms het schieten op demonstrerende arbeiders, met soms dodelijk gevolg.

Zo stond, al vanaf het voorjaar van 1918, de nieuwe revolutionaire macht tegenover de klasse uit wiens naam die macht werd uitgeoefend. In een aantal Russische steden verloren Bolsjevieken hun meerderheid bij sovjet-verkiezingen. Soms, in Kostroma bijvoorbeeld, accepteerden de Bolsjevbieken hun nederlaag. Maar te vaak ontbond het Bolsjevistische bestuur zo’n sovjet nadat ze er de meerderheid in waren kwijt geraakt, om er revolutionaire comités waarin Bolsjevieken de leiding hadden voor in de plaats te zetten. Zoiets gebeurde bijvoorbeeld in de voorzomer van 1918 in Tula, nadat Mensjevieken daar sovjet- verkiezingen hadden gewonnen. (3)

Lenin accepteerde de onderdrukking van arbeidersstrijd en arbeidersrechten, als onvermijdelijk en nodig. Hij koos in dit conflict voor de macht, niet voor de arbeiders. Hij deed dat ongetwijfeld niet uit persoonlijke machtswellust of zoiets. Hij deed dat, omdat hij van mening was dat slechts een sterke staat, een desnods hardhandig bestuur, kon voorkomen dat Rusland onder de voet gelopen werd door contrarevolutionaire legers en zou bezwijken aan economische chaos. 

Hij zag autoritaire staats- en partijmacht echter ook als als onmisbaar omdat in zijn hoofd tijdelijk wel het inzicht dat sovjetmacht nodig is was doorgedrongen, maar tegelijk het oude, Kautskyaanse idee - van de partij in de hoofdrol en de staat als hefboom van verandering - in datzelfde hoofd van Lenin nog leefde. De rest van de partijtop – die zich in 1917 helemaal niet direct voor het idee van directe sovjetmacht wilde inzetten  – was in grote lijnen nog mínder losgekomen van deze, in essentie sociaaldemocratische, concepten van socialisme als iets dat van staatswege, van bovenaf, wordt doorgevoerd. Met het verminderen van de druk vanuit de zeer verzwakte arbeiderklasse kregen traditionele, top-down-reflexen bij veel Bolsjevistische bestuurders steeds meer ruimte.

Het feit dat Lenin te weinig breekt met het Kautskyaanse Marxisme dat tot aan 1914 ook zijn soort Marxisme was geweest, verklaart mede waarom Lenin zich uiteindelijk  meer identificeert met de, volgens hem voor de opbouw van het socialisme onmisbare, partij- en regeringsmacht, dan met de macht van arbeiders en andere onderdrukten zelf. Vervolgens gaan hij en Trotsky ook nog eens marxistisch-klinkende verklaringen en rechtvaardigingen ontwikkelen voor de steeds bureaucratischer en autoritairdere verhoudingen in een Sovjet-Rusland waarin sovjets al in 1919 vrij weinig meer voorstelden. En vervolgens doen hedendaagse Leninisten te vaak alsof veel van deze praktijken en rechtvaardigingen een soort van onvermijdelijkheid zijn in moeilijke tijden, iets wat we maar moeten accepteren. Mag ik bedanken?

Daarmee  heb ik indirect ook al gereageerd op een andere opmerking van Emil. “Wel is het me niet geheel duidelijk waarom je jezelf niet mer als Leninist (sowieso een verwarrende term) beschouwd.” Inderdaad, Leninisme is niet bepaald een helder begrip. Ik voel me geestverwant van de Lenin die in 1917 en 1918 probeert werkelijke arbeidersmacht te stimuleren, de centrale rol van de sovjets onderkent, en al met al een marxisme voorstaat dat werkelijke revolutionaire verandering van onderop beoogt, bepleit  en ervoor vecht. Maar helaas is dat niet de enige Lenin. Ik voel me geen geestverwant van de Lenin die vanaf voorjaar 1918 steeds meer als bestuurder námens de arbeidersklasse, maar ook steeds openlijker tegenover die klasse, opstelt, en daar nog en theoretische onderbouwing voor weet te vinden ook – hoezeer ik ook de druk van moeilijke omstandigheden begrijp waaraan Lenin onderhevig was, en waarvoor hij feitelijk bezweek.

En ik herken me niet langer in het Leninisme van Trotskistische organisaties die Lenins identificatie uit de jaren vanaf 1918  met revolutionair bestuur-van-bovenaf delen, en daarbij de grote lijnen van het beleid van Lenin en Trotski in de jaren 1918-1921 onderschrijven, ook waar dat beleid over arbeidersrechten heenwalst. Als er een ánder Leninisme is, een Leninisme dat wél consequent de strijd van arbeiders zelf voor hun bevrijding centraal stelt, dan hou ik me van harte aanbevolen.

Noten:


Trotski in Nepal

15 november, 2009

Nepal is al vele jaren het toneel van intens verzet vanuit de straatarme bevolking. Dit verzet kende door de jaren heen diverse vormen: demonstraties, een langdurige guerilla, meerdere stedelijke opstanden waarvan de laatste, in 2006, bijna tot een revolutionaireomverwerping van de hele machtsstructuur leidde. De laatste dagen zijn er wederom grote straatprotesten.

De achtergrond van dit alles is diepe onvrede , veelal gekanaliseerd via de Maoistische Communistische Partij van Nepal. Die begon in de jaren negentig een guerilla tegen de monarchie, de machtige grootgrondbezitters en de politieke kliek die de belangen van de rijken trouw diende, en de politieke baantjes verdeelde via verkiezingen die wenig tot niets veranderden voor de arme meerderheid. In 2005 riep de koning de noodtoestand af om de oorlog des te effectiever te kunnen voeren. De buitenspel gezette gevestigde politieke partijen – de Congrespartij en meerdere Communistische Partijen (feitelijk milde sociaaldemocraten, hooguit) – keerden zich nu tegen het bewind. De Maoisten maakten een afspraak met deze partijen om enerzijds de guerillastrijd te onderbreken, anderzijds samen met die partijen de straat op te gaan tegen de monarchie.

Dat laatste gebeurde – op grotere schaal dan de poltieke leiders waarschijnlijk verwachtten en beoogden. Felle massademonstraties, gevechten met de veiligheidstroepen, barricaden… het scheelde weinig of een menigte had het koninklijk paleis bestormd. Dat was in april 2006. Er kwam een politiek akkoord, de koning haalde bakzeil, er kwamen verkiezingen voor een grondwetgevende vergadering, en uiteindelijk ruimde de monarchie het veld.

Daarmee was veel gewonnen – maar veel ook niet. Verkiezingen maakten van de Maoisten de grootste partij. Die partij ging regeren, samen met anderen. Maar er waren conflicten: volgens afspraak zouden de guerrillastrijders opgenomen worden in het nationale leger, maar de opperbevelhebber werkte dat tegen. Daarom ontsloeg de Maoistische premier de generaal. Maar de president, van een andere partij dn de Maoistische, maakte dat ontslag ongedaan. Kort daarna verlieten de Maoisten – wie het feitelijk regeren zo ongeveer onmogelijk werd gemaakt door dit soort militaire en politieke tegenkrachten - de regering. Na een lange guerilla-oorlog, een half doorgeette revolutie, en een verkiezingsoverwinning stonden de Maoisten nog altijd buiten de poorten van de macht.

Nu hebben die Maoisten opnieuw straatprotesten op gang gebracht. “Tienduizenden Maoistische betogers hebben het hoofdkrartier van de Nepalese regering voor de tweede dag geblokkeerd”, meldt Aljazeera. Het is de climax van tien dagen straatprotest, waaronder een demonstratie die botste met de oproerpolitie: 20 gewonden.

Met de straatblokkades van gisteren en vandaag sluiten de Maoisten deze actieperiode af. Ze geven, aldus één van hun leiders, de regering hiermee de tijd naar hun eisen te kijken. Die komen, zo valt te lezen in Ben Peterson’s verhelderende, maar wel tamelijk onkritisch pro-Maoistische stuk: “Nepal: The People’s Movement” neer op het vertrek van de regering. Peterson bericht over de omvang en diepte van de protesten: “Er zijn al demonstraties en blokkades van diverse bestuursgebouwen her en der in het land geweest. In sommige gebieden zijn berichten over alternatieve plaatselijke besturen die ingesteld worden.”

Als dat inderdaad zo is, dan is de onderbreking van de protesten niet erg slim: het geeft de regering tijd om op adem te komen en een tegenaanval tegen de verzetsbeweging  voor te gaan bereiden. Veel beter toch om die beweging gaande te houden, en er deze keer een echte revolutie van te maken?

Maar de houding van de Maoistische leiding is wel tekenend voor hun politiek. Die komt namelijk niet neer om ene consequente revolutionaire houding. Protesten, guerrilla en stedelijke opstand zijn in het Maoistische beleid tactieken, pressiemiddelen, om hun leiding in de regering te krijgen. Het gaat er om de feodale structruren af te breken, en een terugkeer naar de monarchie te blokkeren. Maar het gaat er niet om de arme massa’s van arbeiders en boeren élf in het zadel te brengen. In het Maoistische, aan het Stalinisme ontleende jargon: het gaat om een nationaal-democratische revolutie, niet om een socialistische. Daarom waren de maoisten op het hoogtepunt van de revolte van april 2006 niet van plan de zaak op de revolutionaire spits te drijven, maar sloten ze een vredesaccoord. daarom speelden ze het parlementaire spel in alle ernst, tot rechts hun dat onmogelijk maakte. En daarom onderbreken ze de huidige opstand vóór die tot een complete revolutie uit groeit. Het is een tragische koers, die wéér een revolutionaire mogelijkheid verkwanselt, in de hoop op machtsposities binnen dit bestel.

Toch zijn er tekenen van hoop. In de eerste plaats blijkt uit de massale deelname aan de protesten dat de strijdlust van grote aantallen mensen in Nepal bepaald niet gebroken is. De Maoistische leiders mogen de massa’s proberen te behandelen als figuranten in een drama waarin slechts de leiding het script schrijft en de massa’s net zo snel weer van het podium kan dirigeren als ze erop hebben mogen klauteren. Onder die massa’s zijn echter ongetwijfeld mensen die dat slechts met tegenzin doen – of helemaal niet. Het is bepaald niet uitgesloten dat onder demonstranten discussies woeden over hoe het verder moet, en of het niet beter zou zijn nu eens door te zetten en tot het uiterste te gaan, of het Maoistische hoofdbestuur dat nu goed vindt of niet.

Daarbij vinden kritische delen van de protestbeweging politieke aankopingspunten in discussies die intussen binnen de Maoistische partij plaatsvinden. Die partij wortelt in een hard Maoisme, een vorm van Stalinisme waarin de boeren een grote rol in het revolutionaire proces toegedicht krijgen en een partijleiding de touwtjes zeer strak in handen houdt. Maar de partij is niet eensgezind, en juist de impasse waarin het Maoistische verzet zich bevindt, roept vragen op.

Die discussie heeft een heel interessant aspect. Wat niet erg gebruikelijk is in Stalinistische organisaties gebeurt hier: de opvattingen van Trotski, Stalins criticus in de jaren na de Russische revolutie, krijgen positieve aandacht in de partijleiding. Bhattarai, een lid van het politburreau van de Maoistische partij, korte tijd minister van Financiën toen de partij mocht tereren, maar ook een theorieticus van de partij, schreef in een partijblad (geciteerd op de website In Defence of Marxism): “in de huidige context is het Trotskisme om de zaak van het proletariaat vooruit te helpen relevanter geworden dan het Stalinisme.” Trotski, zo luidt de redenering, zag de noodzaak van een internationale revolutie – iets dat in een tijd van globalisering van het kapitalisme een belangrijk inzicht is.

Deze positieve houding ten opzichte van Trotski is omstreden in de Maoistische partij. een andere partijleider, Kushal Pradhan, vindt het helemaal niet nodig om Trotski’s inzichten te hilp te roepen. De partij is bepaald niet als geheel omgezwaaid in Trotskistische richting.  

Erkenning van de noodzaak van internationale revolutie is bovendien slechts één element in Trotski’s erfenis waar maoisten iets aan kunnen hebben. Er is veel meer. Trotski’s theorie van de permanente revolutie  – het idee dat een revolutie niet bij democratische, antifeodale taken halt moet houden maar in één moeite door de arbeidersklasse aan de macht kan helpen en ene socialistische koers kan inslaan – is in Nepal minstens zo belangrijk als het hameren om internationale revolutie.

Permanente revolutie als theoretisch inzicht zou de Maoisten het theoretische handvat verschaffen om de protestbeweging inderdaad volle ruimte te geven een aan te jagen tot een complete overwinning. En dan is er nog de erkenning van democratie binnen de partij, waarin Trotskisten niet vlekkeloos zijn, maar wel drastisch, kwalitatief,  en positief van Maoistisch Stalinisme verschillen. 

Of Bhattarai die aspecten van Trotski’s politiek in zijn artikel deze aspecten van Trotski’s inzichten naar voren brengt, is me niet helemaal duidelijk. Maar dat het taboe op Trotskisme in wellicht de sterkste Maoistische beweging ter wereld is doorbroken, is al een hele, en een hele positieve, stap.


Vertraagde verantwoording van vertrek uit IS

11 november, 2009

Toen ik,  in mei 2008, mijn serie “Dat lastige Leninisme” begon, met in februari 2009 een tweede deel, was dat deels om eens op een rijtje te zetten waarom ik de Internationale Socialisten (IS) – een Leninistische club immers – had verlaten. Mijn opvatting in de eerste anderhalf jaar na mijn vertrek kwam erop neer dat het Leninisme, mits kritisch begrepen en op een open manier gehanteerd, nog altijd de beste soort revolutionaire politiek was. Problemen in de politiek van Leninistische organisaties – in mijn geval de IS – hadden meer te maken met bepaalde interpretaties en toepassingen ervan dan met de kern van het Leninisme zelf. Om die problemen onder ogen te zien en het helder te krijgen, voor mezelf en voor lezers, begon ik aan mijn verkenningstocht, en daarmee aan de serie.

De laatste weken is mijn denken echter nogal in een stroomversnelling geraakt. Ik kan mij niet meer naar eer en geweten een Leninist noemen, hoeveel vruchtbaars ik nog steeds in Lenin’s erfenis aantref. De redenen voor die verandering ga ik in latere stukken proberen uiteen te etten. Maar eerst: waarom vertrok ik uit de IS? Dat had – het is een cliche maar zoals veel cliches niet onwaar – politieke én persoonlijke redenen. Ik begin bij de politieke redenen, want dit is toch vooral een politiek blog.

Al jaren had ik op een reeks van punten kleinere en grotere meningsverschillen rond de koers en de werkwijze van de organisatie. Enkele punten. Ik vond de houding die de IS aannam rond activiteiten van Antifascistische Actie (AFA) te afhoudend, te negatief. Ik vond, begin 2008, de aandacht voor klimaatsverandering en de mogelijkheden die dat thema aan socialisten bood, volstrekt onvoldoende (dat is sindsdien overigens ruimschoots veranderd, de IS  mobiliseert uit alle macht voor actie rond de Klimaattop in Kopenhagen, ere wie ere toekomt).

Ik vond dat de IS-politiek richting de SP slordig en oppervlakkig verwerkt was. In 2005 ging de IS de SP in, binnen een paar maanden bleek dat onwerkbaar omdat de SP haar leden verplichtte tot kiezen tussen de twee clubs. Ik was in 2005 – ten onrechte, het is iets dat ik als één van mijn grotere fouten beschouw –  groot voorstander van de intrede. Maar ik vond, toen duidelijk was dat het niet werkte, de IS veel te lang bleef steken in en wel héél positieve houding tegenover die partij. Dat ging door tot en met de verkiezingen van 2006.

Mijn mening was inmiddels: revolutionairen horen domweg niet in een sociaal-democratische partij, en het impliciete IS-idee achter de intrede dat de SP méér was en is dan een linkse sociaal-domocratische partij was onjuist. De gedachtenwisseling daarover vond ik niet bepaald grondig. Heel veel verder dan het woord ‘inschattingsfout’ kwam het niet. En mijn veel kritischer toon tegenover de IS, bijvoorbeeld ook op mijn weblog, was duidelijk afwijkend van wat in de IS verstandig werd gevonden.

Ik kreeg ook steeds meer moeite met zowel het perspectief  van de organisatie, de strategie, en de werkwijze. Centraal in het perspectief stond het idee dat er, vanaf de WTO-protesten in Seattle in 1999, een antikapitalistische beweging was opgekomen, en vanaf 2001 ook een daarmee sterk overlappende anti-oorlogsbeweging. Taak van revolutionairen was om die beweging uit alle macht te helpen opbouwen, onder meer door grote protesten ook internationaal, met volle kracht te ondersteunen.

Zo ging de IS samen met anderen naar Praag (IMF/Wereldbank) in 2000, met twee bussen vol actievoerders , naar Genua 2001 (G8), ook met twee bussen , naar Nice (EU-top 2000), Brussel (2001, en nogmaals in 2005), naar Gleneagles 2005 (wederom G8), naar de Europese Sociale Fora in 2002 (Florence), 2003 (Parijs), 2004 (Londen). In Nederland stortte de IS zich als weinig andere clubs in campagnes tegen de oorlogen van Bush, met als hoogtepunt het protest van 15 februari 2003, vlak voor de oorlog tegen Irak begon.

Ik was het met deze nadruk erg eens, en ik heb me voluit in proberen te zetten. Ik denk nog steeds dat het in de kern een juiste prioriteit was, de eerste jaren na 1999. Maar vanaf  het voorjaar 2005 begon het te knagen. De mobilisaties van wat we “De Beweging” waren gaan noemen, kregen een wat stereotiep karakter, en het werd een beetje een wereld op zich. Intussen begon zich buiten die Beweging iets nog veel groters aan radicaal potentieel te ontwikkelen. Het krachtige néé tegen de Europese grondwet – overwegend línks gemotiveerd – was een teken in die richting. Maar terwijl de SP zich hard maakte voor die néé-campagne – die miljoenen mensen in beweging bracht – was de IS bezig met een, op zich óók belangrijk, protest tegen het bezoek  van Bush aan Nederland, dat enkele duizenden mensen op de been kreeg.

Het perspectief van “De Beweging” begon te wringen. Mijn onterechte steun aan de draai richting SP zie ik als een verkeerd antwoord op het, op zichzelf juiste, gevoel dat er iets niet klopte in de aanpak, dat er iets moest veranderen, dat het eenzijdig je oriënteren op “De Beweging” geen verruiming van de blik meer was, zoals in 2000, maar in toenemende mate een keurslijf.

Er was ook een inhoudelijk probleem. In de IS – en vooral ook in de zusterorganisaties – stond De Beweging als kernbegrip zó centraal dat het wel leek alsof klasse als begrip niet meer de kern was. De revolutie leek haast wel een kwestie van de beweging tegen de machthebbers, en niet meer een kwestie van een arbeidersklasse tegenover een kapitalistenklasse. Het marxisme waar de IS mee werkt, werd een tikje onscherp. De beweging, hoe belangrijk ook als handvat, is immers niet meer dan de, deels indirecte, uiting van radicalisering van de arbeidersklasse. Dat inzicht bleek een beetje teveel op de achtergrond, en ik begon dat politiek ongezond te vinden.

Ook vielen me in het marxisme, zoals de IS Tendency (de internatioale stroming waar de IS deel van uitmaakte) zwakke plekken, die ik helaas slecht bij een enkeling heb aangekaart maar die me wel bezighielden. Ook dit had te maken met een wazig omgaan met dingen als klasse en beweging. John Rees, leidend SWP-er, schrijft bijvoorbeeld in een boek over imperialisme: “Er zijn drie grote machten in de wereld. De macht van natie-staten, de macht van de internationale economie, en de macht van werkende mensen  waarvan alle staten, legers en bedrijven uiteindelijk afhankelijk zijn” (John Rees, Imperialism and Resistance, London 2006, pag. 3). In plaats van helder een heersende klasse tegenover een arbeidersklasse te zetten, zijn er twee ’stukken’  heersende klasse, die als zelfstandige actoren worden opgevoerd. In principe, als je consequent redeneert, zou dan de strijd tussen macht 1, de staten, en macht 2, de economie, net zo fundamenteel zijn als de strijd van die twee, samen of afzonderlijk, tegen de arbeiders. Wazig, onscherp, en in zijn consequenties misleidend, naar mijn idee.

Alex Callinicos, ook een kopstuk uit dezelfde partij, doet iets soortgelijks. Hij schrijft, in “The Grand Strategy of the American Empire” (International Socialism Journal 97, winter 2002),  met een beroep op Boekarin, een Russische marxist uit de eerste decennia van de twintigste eeuw: “De theorie van het imperialisme beargumenteert dat  in de loop van de negentiende eeuw twee relatief onafhankelijke processen steeds meer samensmolten: de geopolitieke rivaliteiten tussen staten, en de economische concurrentie tussen kapitalen.” Dit miskent de economische wortels van wat er in het statensysteem gebeurt; het schetst een beeld van twee parallelle systemen, eentje politiek, een andere economisch. Voor marxisten, die de wortels van de politieke sfeer terugleiden naar de economische basis, is zoiets onhoudbaar: er is één systeem, het kapitalism, en geen twee. In dit opzicht was ik een overtuigd marxist, en dat ben ik op dit punt trouwens nog steeds.

Waar kwamen dit soort theoretische ontsporingen vandaan? Het is onbewijsbaar, maar ik denk dat het slordige anlyseren van “De beweging” waar ik eerder over sprak, een rol speelt. Maar ik denk inmiddels – niet direct toen ik me aan dee formuleringen begon te storen, maar pas zeer recent – nog iets anders. Het betreft bij didactische formuleringen pigingen om dingen uit te leggen. Aan de poging om het verhaal makkelijk toegankelijk te maken, is de precizie wellicht enigszins opgeofferd. De narigheid is echter dat slordig formuleren vroeg of laat ook tot slordig denken leidt.

Bij Callinicos speelt iets anders een rol. Die voert, als academicus, vaak discussies met andere niet-marxistische academici. Het idee van geopolitieke rivaliteiten in een, als onafhankelijk statensysteem gedachte, politieke wereld, is daar zeer gebruikelijk. Al debatterend en lezend heeft Callinicos, wellicht ongemerkt, delen van die niet-marxistische theorie geabsorbeerd, hetgeen zijn marxistische scherpte niet echt ten goede is gekomen. Het zijn bepaalt hier op wel heel ironische wijze het bewustzijn, ook voor een marxistische professor. Maar ik ben een beetje afgedwaald inmiddels. We keren terug naar de IS-strategie.

De strategie waarin de opbouw van De Beweging centraal stond had ook andere gevolgen. Het leidde gemakkelijk tot een wel heel overmatig beroep op mensen om zich nóg harder in te zetten. Immers, komende internationale demonstratie was ab-so-luut van levensbelang, we móésten die bussen vol krijgen met nieuwe activisten, de krant had een extra push nodig, we moesten de beste mensen die we tegenkwamen koste wat kost voor lidmaatschap zien te porren…

Het was een werkwijze waarin presteren, in kwantitatieve zin, compleet met ‘targets’, wel erg dominant werd. Meer krantverkoop, meer mensen naar demonstraties, meer nieuwe leden… Intussen werden mobilisaties vanaf 2005 eerder kleiner dan groter. Toenemende inzet, afnemende opbrengsten – iedere ondernemer kan uitleggen dat dit verkeerd moet gaan… De druk op leden om er nog een schepje bovenop te doen, ben ik als roofbouw gaan ervaren, hoe groot mijn enthousiasme voor heel veel van de activiteiten tot het laatste moment ook is gebleven.

Ik ben, eerst voorzichtig maar later steeds nadrukkelijker, de discussie over dit soort dingen aangegaan. Ik had iets van: als de organisatie niet meer succesvol is – en dat wás de organisatie, van 2005 tot 2008, naar mijn indruk inderdaad steeds minder – dan kunnen er een paar dingen aan de hand zijn. 1. De kern van de politiek klopt niet. 2. De kern klopt wel, maar de aanpak is verkeerd. 3. Kern en aanpak kloppen, maar de tijd, de omstandigheden zit gewoon tegen. 4. De kern klopt, de aanpak klopt ook, omstandigheden ook, maar de mensen doe onv0ldoende hun best. Wat was het?

Welnu, ik stond achter de kern van de politiek. Ik vond ook dat de omstandigheden – juist ook die beweging, maar tegelijk allerlei uitingen van radicalisering, blijkend uit de anti-EU-Grondwet-stemming, maar ook uit de scholierenopstand van november 2007 – eerder gunstig dan ongunstig waren voor revolutionair links. Was het dan de aanpak, of werkten we domweg niet hard genoeg? Volgens mij was het vooral de aanpak. Maar de toon in de hoofdstroom van de organisatie, sterk aangezet vanuit haar leiding, was toch vooral dat de aanpak wel klopte, maar dat we gewoon beter en scherper ons best moesten doen. Ik vond dat een volstrekt ontoereikend antwoord, en dat vind ik nog steeds. Al heb ik de indruk dat in de praktijk er wel degelijk aan de aanpak is gesleuteld: de beweging staat lang niet meer zo centraal als enkele jaren terug, en een begin van die verschuiving was op zich al wel merkbaar. Maar het wekt de indruk alsof deze verschuiving ten goede vooral pragmatisch is gegroeid, meer dan bewust doordacht gekozen. En telkens als er iets Groots in aantocht is, zijn de oude reflexen – alles op alles zetten om er ook iets Groots van te maken - weer herkenbaar aanwezig. Als ik mij niet zeer vergis, geldt dat momenteel precies voorde activiteiten richting Klimaattop-protest.

Welnu, de discussie rond al dit soort punten heb ik mijn  laatste paar IS-jaren en vooral ook de eerste weken van 2008, gevoerd. In die laatste maanden was ik gewoon óp. Ik voerde de discussie soms bot, ongeduldig, tactloos. Ik denk niet dat ik ooit persoonlijk grof ben geworden, maar aangenaam was mijn toon nu en dan niet. Dat deel van de verantwoordelijkheid voor wat volgde neem ik op mij.

Maar ik vond en vind nog steeds dat een heel serieuze poging om mijn kernbezwaren – rond het perspectief van De Beweging vooral – nauwelijks is gedaan. Mijn kritiek werd zo verstaan alsof ik zei dat er vrijwel niets meer in beweging was op het gebied van verzet en protest, er vrijwel geen acties meer waren – terwijl mijn punt juist was dat er heel veel aan het bewegen was, maar dat dit zich buiten wat wij De Beweging noemden, afspeelde. Die beweging zo centraal blijven stellen, was volgens mij een gevaarlijke vernauwing van het blikveld. Hoe mensen – vooral ook mensen die me beter kenden, en met wie ik individueel allerlei opheldering had gegeven – mijn woorden zo ongeveer omgekeerd konden uitleggen als ik ze had bedoeld én toegelicht, was mij een raadsel.

De discussies hierover liepen uit de hand, en in dat proces knapte er iets. Ik realiseerde me dat ik de taal van de organisatie niet meer sprak en verstond, en andersom. Ik voelde me er niet meer thuis – een zeer pijnlijke gewaarwording, na bijna 20 jaar. Het was, en is, het soort pijn dat doet denken aan het gevoel als een langdurige relatie stukloopt. Het was en is scheidingspijn – uiteindelijk net zo onvermijdelijk als de scheiding zelf.

Achteraf denk ik wel dat ik op ramkoers ben gegaan vanuit een onbewust gevoel dat dit mis móést gaan, dat de confrontatie voor mijn lidmaatschap wel verkeerd moest aflopen. Ik zocht niet bewust naar mijn vertrek. Maar onbewust stuurde ik er, denk ik, wel op aan, ik riep de reacties die er kwamen – hoe onredelijk ik ze ook vond, ik was tegelijk niet verbaasd – als het ware over mezelf af, om vervolgens het voor gezien te houden. Niet als doortrapt spel van mijn kant, wel als een proces dat wel ‘fout’ af moest lopen, en waarvan ik ergens achtersf ook blij was dát het ‘fout’ afliep. Het IS-er zijn was gewoon óp, uit en afgelopen.

Daarbij speelden natuurlijk persoonlijke factoren en eigenschappen een rol. De meningsverschillen zélf zouden op zich hanteerbaar moeten zijn geweest binnen de organisatie: ik trok geen wezenlijk IS-principe in twijfel, en bleef tot het laatst bereid me in te zetten. Wat mij opbrak  was het feit dat ik organisatorische druk en de bijbehorende omgang met mensen sowieso slecht trek. Conflicten die zich daarbinnen voordoen trek ik me enorm aan, mijn huid is wat dat betreft erg dun. Hierbij spelen autistische trekken in mijn persoon, waar ik me pas vanaf 2004  via overspannenheid en diagnose echt van bewust ben geworden, ongetwijfeld een rol. Autistische trekken overigens waarvan ik de verantwoordelijken binnen de organisatie waar ik mee te maken had, van op de hoogte heb gesteld nadat ik een diagnose in die richting had. 

In eerdere tijden van spanning en conflict  had ik me erover heen weten te zetten, me wel jaar na jaar geforceerd maar steeds wel weer overeind gekrabbeld en me overeind gehouden. Als jonge dertiger had ik echter nog reserves die halverwege de veertig gewoon ook een beetje op waren.

De uiteindelijke breuk vond bijvoorbeeld ook plaats in een periode van serieuze overspannenheid, hetgeen het trouwens des te kwetsender maakte dat mijn kritiek deels werd weggezet als vooral een uiting van persoonlijke frustraties. Dat er frustraties waren, mag duidelijk zijn, en ook omstandigheden speelden een rol. Zo had ik tussen 2001 en 2003 geholpen om een IS-afdeling in Tilburg op te zetten, die van één persoon naar negen groeide – om vervolgens weer af te kalven tot dezelfde ene persoon waarmee het begon, ondergetekende. Ik voelde me verantwoordelijk en trok het me nogal aan. En aangezien ik in de rest van de organisatie ook tegenslag en stagnatie waarnam, groeide mijn onbehagen en de motivatie om dat aan de orde te stellen.

Dat in mijn perspectief de nadruk wel erg eenzijdig op negatieve kanten lag, is waar. Maar er zou een ander soort tegengas gegeven hebben kunnen worden dan het niet-verstaan van wat ik naar voren probeerde te brengen, de banvloek over ‘over-pessimisme’ uitspreken en een hernieuwde oproep om harder en beter te werken, en toch vooral niet te blijven steken in kritiek-om-de-kritiek. Dat vond ik toen, en dat vind ik nog steeds.

Maar wat heeft dit alles nu met dat dekselse Leninisme te maken? Weinig en veel. De eerste anderhalf jaar na mijn vertrek uit de IS onderkende ik twee tekortkomingen in de gangbare versies van het Leninisme, waaronder ik ook de IS reken. In de eerste plaats een één-op-éen vertaling van de opbouw van een revolutionaire partij zoals de Bolsjevieken naar de huidige situatie. In de tweede plaats een te gestroomlijnde weergaven van de ontwikkelingen waarmeer de Russische revolutie van 1917 in een complex proces in haar contrarevolutionaire tegendeel omsloeg.

Eerst dat organisatievraagstuk. Het idee was simpel. Een grote Leninistische partij krijg je door een kleine Leninistische partij te vormen, en die lid voor nieuw lid te doen groeien. Wat we dus nu moeten doen is een kleine club vormen, met een redelijk strakke srtructuur volgens het fameuze democratische centralisme, en dan die club groter zien te maken. Ietsje te simplistisch: een grote Bolsjevistische partij krijg je door nu een piepkleine Bolsjevistische partij te vormen. De IS had gelukkig het nuchtere inzicht om die piepkleine organisatie geen partij ter nóémen. Maar de aanpak was en is wel degelijk die van Bolsjevisme-in-zakformaat.

Welnu, een kritische kijk op de ontwikkeling van de Bolsjevistische organisatie in de aanloop naar 1917 in Rusland – het grote voorbeeld immers – laat zien dat het destijds zo NIET ging. Lenin begon NIET met een mini-Bolsjevistisch partijtje. Hij begon met het bijeenbrengen van socialisten die er al waren, in een netwerk. Hij organiseerde vooral rond een revolutionaire krant, om de inzichten van hem en geestverwanten verder ingang te doen vinden. Een strak geleide ondergrondse structuur was vooral nodig vanwege de onderdrukking; Rusland was een dictatuur. Maar Lenin organiseerde vooral een theoretisch en praktisch diepgaand getrainde groep mensen binnen een veel bredere  partij. Lenin zou de huidige IS totaal niet herkennen als iets soortgelijks aan wat hij destijds deed.

Wat mij op dit spoor bracht, was vooral het werk van de marxist Hal Draper, die gehakt probeert te maken van de hele Lenin-mythologie op dit punt. Volgens hem is het geen goed idee om een mini-partijtje van Leninisten te vormen. Zoiets leidt alleen maar tot verstarring en tot het verheffen van je eigen principes als handvat om je te onderscheiden van de rest.

Ook van invloed was het werk van Louis Proyect. Hij liet zien dat, wat tegenwoordig doorgaat voor Leninistische organisatie, met haar formele structuur en datgene wat Democratisch Centralisme wordt genoemd, vooral teruggaat op Zinoview in het begin van de jaren twintig. Zioviev was als leider van de Comintern, de organisatie van Communistische partijen, degene die deze organisatiestructuur formaliseerde en doordrukte in zoveel mogelijk piepjonge Communistische partijen.

Wat Leninisten doen als ze een strakke groep opbouwen, is dan ook niet zozeer Leninistisch, maar Zinovievistisch, aldus Proyect. En deze lijn werd doorgedrukt toen de Russische partij al zwaar onder Stalinistische invloed stond. Het Zinovievisme is in dit opzicht eerder een degeneratieverschijnsel dat via de Comintern ook nog esn geëxporteerd werd. Met de kern van het Leninisme had dit weinig te maken, aldus wederom Proyect – en zijn visie had wel impact op mij. Zowel Proyect als Draper bleven op ich wel binnen Leninistische kaders argumenteren. Maar het betrof hier een veel opener en kritischer benadering dan de in Trotskistische organisaties gebruikelijke. Dat sprak me aan, en dat doet het ondanks beperkingen die ik er óók in zie, nog steeds. Het gaat hier immers om inzichten waar elke revolutionair, juist ook een niet-Leninist als ik inmiddels ben, voordeel mee kan doen.

Over de standaard-weergave van de nasleep van de Russische revolutie werd ik ook kritischer. Het standaardverhaal zoals dat binnen de IS veelal gehanteerd werd is terug te vinden in bijvoorbeeld “Russia: how the revolution was lost” van Chris Harman, en in boeken als “The Revolution Besieged”, deel drie van de lenin-biografie van SWP-grondlegger Tony Cliff. Het luidde ongeveer als volgt. Een revolutie bracht in 1917 de gekozen arbeiders-, soldaten- en boerenraden, de zogeheten sovjets, geleid door een gekozen Bolsjevistische meerderheid, aan de macht. Isolement, economische ineenstorting maar vooral interventie en burgeroorlog, deden echter de arbeidersklasse – de klasse die via de sovjets de macht had gegrepen – al snel zo ongeveer uiteenvallen. Controle van onderaf viel weg, de Bolsjevieken zagen zich genoodaakt de kar met steeds hardhandiger middelen, via een autoritair en bureaucratisch bestuursapparaat, op de rails te houden.

Ze moesten wel overgaan tot onderdrukking van andere partijen, Die vochten immers mee aan de kant van de contrarevolutie. Dat daarmee uiteindelijk de Bolsjevieken als enige partij overbleven, was vervelend, maar niet hun fout. Dat ze bijvoorbeeld de opstand in Kronstadt moesten neerslan, was tragisch, maar er zat niets anders op. Anders was de revolutie immers weggespoeld, eerst door boerenopstanden, uiteindelijk door openlijke contrarevolutionaire krachten.

De revolutie kon echter pas standhouden en weer haar democratische inhoud krijgen als ze steun kreeg van revoluties elders. Dat was voor Lenin, Trotski en feitelijk alle Bolsjevieken die een hoofdrol speelden, glashelder. Een stroming in de partij, de Linkse Oppositie geleid door Trotski, probeerde tussen 1923 en 1928 om meer democratie te bereiken en een oriëntatie op die internationale revolutie an te houden. Toen die revolutie uitbleef, kreeg de bureaucratische elite onder Stalin steeds meer de overhand, versloeg de Linkse Oppositie en zette  een volslagen contrarevoplutie door. Rusland werd feitelijk één groot staatsbedrijf dat ich op de wereldmarkt maar vooral via een wapenwedloop, staande probeerde te houden, de industrie geforceerd op poten zetten en arbeiders en boeren uitbuitte om aan de daartoe benodigde fondsen te komen. Bureaucratisch staatskapitalisme, dat was het systeem in Rusland vanaf pakweg 1928.

In deze weergave zit best veel waardevols. De opkomst van het Stalinisme, en het totaal contrarevolutionaire karakter ervan, komt er in naar voren. Wat ik er zwak aan ging vinden is het wel erg gladjes accepteren van de repressie die de Bolsjevieken al vrij snel toepasten, en waarvan Kronstadt een soort symbool is geworden. Zelfs als je – zoals ik tot voor kort deed – die repressie onontkoombaar vond, dan nóg werd het me steeds duidelijker dat elke onderdrukkingsmaatregel de positie van de opkomende bureaucratie sterker maakte, en de kans op herlevende arbeidersdemocratie kleiner. Het verbieden van andere partijen, en bijvoorbeeld ook de onderdrukking van Kronstadt, al deze episodes hadden een cumulatief effect in de richting van een steeds bureraucratischer bewind. Die dictatuur was niet enkel het product van omstandigheden; specifieke maatregelen maakten het erger.

Ik ben me, maar dat is echt iets van de laatste tijd, ook gaan storen aan het soort formuleringen waarin in algemene termen fouten van de partijleiding werden erkend, maar nooiut predies werd aangeduid wat dan wel fout was, en wat niet. Zoiets maakt weliswaar een kritische indruk, maar van een inhoudelijk kritische houding was daar onvoldoende sprake. Mike Haynes bijvoorbeeld, een SWP-er die veel en veelal heel goed over Rusland heeft geschreven, zegt het zo: “In de periode 1917 tot 1921 zouden de Bolsjevieken ongetwijfeld veel vergissingen maken, maar ze zouden die maken tegen de achtergrond van een revolutionaire kans in het Westen die geholpen zou hebben maar werd gemist.” Welke vergissingen dan? Stilte alom, niet alleen bij Haynes in dit stuk.

Zo wordt analyse toch enigszins apologie. Zo zag ik het tot voor kort nog niet, maar de laatste weken, waarin ik over veel van deze dingen nog eens ben gaan lezen en herlezen, denken en doordenken, ben ik dat wel zo gaan zien. De héle standaard-weergave van Rusland 1917-1929 die ik hierboven schets, is wat mij betreft inmiddels ook op losse schroeven komen te staan. Maar dat is allemaal onderwerp van volgende artikelen.

(in de uren na plaatsing licht bijgewerkt)


Opmerkingen bij de arrestatie van een anarchist

3 oktober, 2009

Soms zie je op een gezapige zaterdag opeens zo’n kort berichtje dat je aandacht prikkelt, en dat na enig snuffelwerk zowaar aanleiding voor een weblogstukje is. Dat overkwam me dit weekend weer eens. Kop van het berichtje: “Griekse politie arresteert bejaarde anarchist”. Zowel mijn waardering voor het anarchisme als het feit dat ik gebeurtenissen in Griekenland na de revolte van december 2008  probeer te volgen, maakten dat ik het berichtje eventjes las.

Wat bleek?  Twee mensen hadden een bank beroofd inde Griekse plaats Trikala. Even later arresteerde de poltitie twee mensen, een 46-jarige Griek, en een 72-jarige Italiaan. Om die laatste draait het. Zijn naam is Alfredo Maria Bonanno, al tientallen jaren anarchist en schrijver waarin hij zijn kijk geeft op de soort revolutie die volgens hem noodzakelijk is.

Wat moeten we met dit bericht? Van alles. Laten we het eerst eens over de bankoverval hebben. Ik word niet warm of koud van bankovervallen. Ik zie er geen revolutionaire verzetsdaad in. Maar ik reserveer mijn morele verontwaardiging graag voor ernstiger vergrijpen dan een bankroof. Ik woon in een land waarin banken als de DSB mensen mogen beroven door ze dubieuze waardepapieren aan te smeren, en daarvoor niet veel  meer straf krijgen dan een vermanend woord van minister Bos en een boete van 120.000 euro die ze nauwelijks mérken. Over de grenzen gaat het niet wezenlijk anders. Waarom mogen banken straffeloos mensen beroven, terwijl mensen die een bank beroven als vreselijke criminelen worden afgeschilderd en behandeld?

Het enige anti-sociale aan  een bankroof als deze is de, mogelijkerwijs traumatische, schrik die de daders aan personeelsleden – die het allemaal ook niet kunnen helpen – kunnen hebben toegebracht. Maar dat er een bedrag van 50.000 euro verhuist vanuit de kluis van een bank naar mensen die er ongetwijfeld iets zinnigers mee weten te doen dan als bankkapitaal dienen – dat kan ik geen ramp, geen wandaad, vinden.

Maar hebben de twee het dan gedaan? Het bericht baseert zich op een woordvoerder van de Griekse politie. Eéén ding over de politie in het algemeen, en de Griekse in het bijzonder. Niets van wat zo’n instantie beweert kan op voorhand als waarheid worden gezien. De geloofwaardigheid van het gezag in dit soort aken is wat mij betreft minimaal. Griekse autoriteiten – en niet alleen zij – arresteren wel vaker radicaal-linkse mensen wegens zaken waar ze niets mee te maken hebben. Het valt niet uit te sluiten dat ze nu ook een anarchist te grazen hebben willen nemen, en een bankoverval gebruikt hebben als excuus om hem op te pakken.

Is het dan uitgesloten dat hij en de 46-jarige Griek het gedaan hebben? Nee, dat niet. Er ís een stroming binnen het anarchisme die bepaalde vormen van roof – van grote kapitalistische instellingen – als legitiem actiemiddel, of als uitdrukking van verzet tegen burgerlijke orde en moraal, ziet. Het is geen promonente stroming binnen het anarchisme, hoezeer rechtse publicisten ook graag hun best doen om het hele anarchisme als stroming van gewelddadige relschopp[ers en criminelen af te schilderen. Maar het is ook onzinnig om te ontkennen dat dit type anarchisme bestáát.

Het is dus dénkbaar dat ze het hebben gedaan, vanuit een politiek motief. Maar voor hetzelfde geld zaten ze gewoon krap bij kas. Ik roep ook wel eens, als ik wat leuks wil doen dat geld kost: ik beroof morgen wel een bank. Weten wij veel, misschien hebben deze twee mensen wel de daad bij dit soort woorden gevoegd. Het zou zomaar kunnen… maar het zou ook zomaar kunnen dat de twee helemaal niets met de hele bankoverval te maken hebben gehad. Bewijs van hun schuld heb ik niet gezien.

Interessanter is echter het antwoord op de vraag: wie is deze  Alfredo Maria Bonnano? Ik had niet van de man gehoord, ik ben positief-belangstellend in het anarchisme, maar geen anarchisme-expert. Enig vluchtig gesnuffel, via het vrijwel onvermijdelijke Wikipedia en via Indymedia,  leerde dat het hier een anarchist betreft die al heel wat jaartjes meeloopt. En zoals het een serieus revolutionair vrijwel betaamt, heeft hij van die vele jaartjes ook enige tijd in de gevangenis gezeten.

Hij heeft een reeks publicaties op zijn naam staan. Eén van die publicaties heb ik vandaag on-line zitten doorlezen, en dat was geen nutteloze tijdsbesteding, en ook niet onaangenaam. Het gaat om een werk uit 1977 dat ook in het nieuwsberichtje genoemd werd: “Gewapend plezier”. Ik heb de Engelstalige tekst bekeken: “Armed Joy”. Het is een tekst trouwens waarvoor Bonnano 18 maanden in de gevangenis heeft gezeten,en die volgens de inleiding van het boek uit Italiaanse bilbliotheken moest worden verwijderd. Zeer vrijheidslievend, zeer democratisch allemaal.

Uit de tekst blijkt dat Bonanno gewapende strijd tegen de staat – concreet: tegen politieagenten en dergelijke – nodig en juist vindt. ik vermoed dat dát de reden was waarom de Italisaanse staat hem achter slot en grendel gooide. maar de kern van de tekst, het zwaatepunt, ligt niet bij die gewapende strijd zelf. Hij voert in “Armed Joy” een polemiek tegen andere delen van de revolutionaire beweging die hij verwijt niet diepgaand-revolutionair genoeg te zijn

Zo valt hij de gangbare revolutionaire politiek aan omdat die werk, arbeid, zo centraal stelt. Arbeid is de basis van de uitbuiting. Het gaat er volgens hem niet om het arbeidsproces over te nemen, de productiemiddelen in handen te nemen, productie in zelfbeheer  te organiseren of zoiets. Waar de productie centraal staat, daar staat de onvrijheid, de arbeidsmoraal van het kapitalisme, nog altijd centraal. De wereld van de arbeid is de wereld van de vervreemding. Daartegenover wil Bonanno het “plezier” - misschien beter: de vreugde - uit de titel  van zijn tekst naar voren schuiven – gewapenderhand, in de revolutionaire strijd die tegelijk speels en serieus is.

In het voorbijgaan keert hij zich ook tegen andere vormen van gewapende strijd, zoals de soort stadsguerrilla die de Rode Brigades en de RAF voerden in de tijd dat hij dit schreef. Díé gewapende strijd was niet vreugdevol, maar wortelde in het aloude plichtsbesef, met haar discipline en opofferingsgezindheid – kortom, in de door Bonanno verfoeide wereld van de arbeid.

Bonanno maakt veel scherpe observaties, die bij mij ook herkenning oproepen. Inderdaad – het is niet zijn rechtstrekse onderwerp, maar wel eraan verwant denk ik - voelt actief zijn als revolutionair te vaak als een báán, als arbeid. Inderdaad ontbreekt de vreugde nogal eens. Inderdaad is arbeid sowieso niet iets dat in zichzelf vrij is, ook niet na een arbeidersrevolutie.

Karl Marx had het in dit verband over het “rijk van de noodzakelijkheid”: de noodzaak om in het bestaan van mensen te voorzien. Dat rijk van de noodzaak, de wereld van de arbeid, van de productie, moest natuurlijk onder democratische zeggenschap van de maatschappij komen te staan. het werk kon en moest ook ontdaan worden vande onaangename werkomstandigheden, het geush door chefs en dergelijke, die arbeid in het kapitalisme ook tot zo’n hel maken. Maar er blééf een element van noodaak, van dwang, van ónvrijheid in aanwezig. Onontkoombaar. 

Daarnaast was er het “rijk van de vrijheid”:  de ontplooiing van de menselijke mogelijkheden,  waarvoor steeds meer tijd en ruimte kwam naarmate het mogelijk werd door technische ontwikkeling in steeds minder tijd in de behoeften van de maatschappij en haar leden te voorzien. Marx spreekt in Het Kapitaal, deel 3, van “die ontwikkeling van menselijke energie die een doel op zichzelf is, een waar rijk van vrijheid, dat echter alleen tot bloei kan komen met dat rijk van noodzakelijkheid als basis. De verkorting van de arbeidsdag is hiervoor de elementaire voorwaarde.”  De sleutel was dus: steeds korter hoeven werken, steeds meer écht authentiek vrije tijd.

Over dit soort complexiteiten maakt Bonanno zich nauwelijks druk. Over hoe in de communistische wereld waar hij voor vecht, de mensen hun basisbehoeften bevredigd gaan zien, is hij erg summier. Maar zijn polemische aanval op arbeid-als-norm is daarmee niet weerlegd. Stof tot nadenken biedt Bonnano zeer zeker.

Stof tot denkwerk trouwens ook, en tot vermaak. De tekst zit vol wrange humor, maar ook vol ingewikkelde formuleringen. Ik snap lang niet altijd wat hij bedoelt. Hij is duidelijk beïnvloed door het Situationisme, een revolutionaire stroming uit vooral de jaren zestig van de vorige eeuw die marxistische analyse, anarchistische rebelsheid en surrealistische beelden en visies combineert.

Centraal staat in het Situationisme het begrip “het spektakel”, waarmee Situationistisch theroreticus Guy Debord het verschijnsel aanduidde dat de kapitalistische werkelijkheid een wereld van illusies uitstraalt, een vervreemdende schijnwerkelijkheid waardoor allerlei aspecten van de maatschappij déél worden, ondergeschikt blijven, aan het kapitalisme. We leven in een schijnwereld die tegelijk een hele reële wereld van uitbuiting en geweld is, en waar we veroordeeld zijn tot de rol van toeschouwer van iets waar we geen greep op hebben. De titel van Debords bekendste werk zegt het al: , “Le Societé du Spectacle”, in het Franse origineel, “De spektakelmaatschappij”. De Engelse vertaling staat on-line: “Society of the Spectacle”.

Het begrip “spektakel” hanteert ook Bonanno veevuldig in zijn tekst, al is zijn proza verder wel een stuk minder ingewikkeld dan dat van Debord. De tekst doet ook wel een beetje denken aan een veel recenter werk dat onder revolutionair links opgang heeft gemaakt: een Franse tekst geschreven in de nasleep van de rellen in de Franse voorsteden in 2005. De vertaling in het Engels heet: “The Coming Insurrection”.

Net als bij de tekst van Bonanno bevat ook dit werk veel leerzaams dat overdenking verdient, ook al ben ik het met lang niet alles eens. Zoals zo vaak bij anarchisten en aanverwante revolutionairen: ook al ben je het met het hele verhaal niet eens, er valt meer van te leren dan menig marxist helaas nog steeds denkt.


Nieuwe website Internationale Socialisten: een juweel

21 augustus, 2009

De zomer loopt ten einde, de vakantieperiode eveneens. Maar in links internetland heerst helaas nog te veel rust. Ik wacht bijvoorbeeld met enieg smart op de hervatting van activiteit op een weblog als Kritisch Links (laatste artikel: 17 juni), en enog levensteken op het weblog van Platform Rosa (laatste stuk: 12 juni) zou me ook groot genoegen doen. Het is niet bedoeld als kritiek, ik weet hoe onmisbaar vakanties kunnen zijn. Ik hoop gewoon vooral dat de makers van deze blogs goed uit gerust en met hernieuwd elan snel weer iets moois weten te maken.

Gelukkig is er nu – eindelijk, eindelijk! – de nieuwe website van de Internationale Socialisten (IS). Die organisatie heeft zich heel lang gered met een weblog, maar het wachten is de moeite waard geweest.

De website is een juweel: overzichtelijk, levendig maar niet te druk (een fout die te vaak gemaakt wordt). Een heleboel eerder gepubliceerd materiaal is al in de nieuwe opzet beschikbaar gemaakt, de fout om een website online te gooien met eigelijk alleen drie openingsstukken plus zes pagina’s “in aanbouw” is gelukkig vermeden. De ietsje zelfingenomen klinkende  leus rechtsboven “de linkste site van Nederland” zullen we maar met een relativerende knipoog bezien.

Een andere keer ga ik vast wel weer eens gezellig mopperen op inhoudelijke IS-zaken, als ik daar reden voor zie. Nu zeg ik alleen: gefeliciteerd kameraden! :-)

De nieuwe website van de IS: www.socialisme.nu  In je favorieten met dat ding!


Zomerschool Internationale Socialisten: moeite waard (2)

17 augustus, 2009

De andere discussiebijeenkomt waar ik op dit blog wat aandacht aan wil besteden was “Socialisme of anarchisme”. Jeroen van der Starre hield daarover eerst een uitvoerige inleiding vol historische voorbeelden. Daarna deden een aantal aanwezigen, ik ook, een bijdrage uit de aal. Zowel inleiding als bijdragen uit de zaal bevatten veel goeds en leerzaams. Toch vond ik de bijeenkomst uiteindelijk op beide onderdelen niet bevredigend.

Eerst de inleiding. Daar was overduidelijk veel leeswerk in gaan zitten en tijd in gestoken. De spreker bezweek vrijwel onder de informatie, kwam in hevige tijdnood en moest flinke delen van wat hij wilde vertellen gaandeweg inkorten of schrappen. Dat is een frustratie die ik zelf maar al te goed ken uit tijden di dat ik dit soort inleidingen deed. Evengoed bleef er veel over.

We werden door Jeroen meegenomen in een historische rondleiding langs de grondleggers van het anarchisme: William Godwin, de individualist Max Stirner, Jean-Pierre Proudhon die het woord anarchie voor het eerst in zijn niet-negatieve beterkenis (anarchie als chaos), maar zijn zijn politieke betekenis (anarchie als maatschappij zonder autoriteit), en de eigenlijke grondlegger van het moderne anarchisme, Michael Bakoenin. Jeroen legde ondertussen wel redelijk uit hoe de totale ontkenning van iedere autoriteit als zodanig onwerkbaar is en abstract blijft. Hij haalde de zeer efficiënte weerlegging van anti-autoriteit-als-principe aan van Friedrich Engels aan, die uitlegde dat revoluties zelf heel autoritaire aangelegenheden zijn: de onderliggende klasse legt met gewapende machtsmiddelen haad dwingende autoriteit op aan de heersers, door ze omver te werpen en omvergeworpen te houden.

In de praktijk kwam er vaak niets van terecht, en Bakoenin pleitte tussen al zijn anti-autoritaire uitspraken ook voor een geheime dictatuur die van achter de schermen zo’n ‘anti-autoritaire’ revolutie moest leiden. Ook het vrij hilarische verhaal waarin Bakoenin in Lyon de afschaffing van de stata uitroept en iedereen die zich tegen  de nieuwe door Bakoenin opgelegde orde verette met de doodstraf bedreigde (maar Bakoenin is helemáál niet autoritair hoor…) - om binnen de kortste keren door de zojuist afgeschafte staat verjaagd te worden – kwam langs.

Daarna besprak Jeroen het isolement waarin de opkomende anarchistische beweging belandde, en de strategie van “propaganda van de daad”, het plegen van aanslagen, waartoe de beweging gedeeltelijk overging. Hij noemde Kropotkin en Malatesta als pleitbezorgers van deze vorm van terrorisme, maar legde veel te weinig nadruk op het feit dat 1. deze twee anarchisten daar heel snel afstand van namen, en 2. dat er naast de aanslagen-versie van het anarchisme ook allerlei andere activiteiten door anarchisten werden ontplooid, waaronder vooral ook theoretisch werk. Kropotkin bijvoorbeeld verdient een groot krediet als theoreticus en propagandist voor een maatschappij zonder opgelegde dwang, samenhangend via vrijwillige samenwerking en wederkerigheid. Zijn weerleggingen van de zin van strafrecht en gevangenissen, zijn bijvoorbeeld meesterlijk; in hoofdstuk 9 van zijn autobiografische “In Russian and french Prisons” vindt je een voorbeeld (teruggevonden via een mooie collectie anarchistische teksten in boekvorm: The Anarchist Reader, samengesteld door George Woodcock). Iedere revolutionair kan met het lezen van zulke teksten zijn of haar voordeel doen en er inspiratie aan ontlenen.

Later begon een deel van de anarchisten – en daar pakt Jeroen de draad weer op – zich te richten op vakbondsst rijd. Dit was de opkomst van het anarchosyndicalisme, dat in Spanje haar hoogtepunt vond. Vakbondsstrijd kwam in de plaats van politieke strijd, de vakbond kon als het ware de kiem van een vrije maatschappij van onderop vormen, daar kwam het op neer. Jeroen maakte duidelijk hoezeer in deze vleugel van het anarchisme een revolulutionair elan tot uiting kwam. Mara hij liet ook zien hoe de pricncipiéle afwijzing van elke autoriteit ertoe leidde dat het anarchisme de revolutionaire boot in Spanje 1936 miste. In dat jaar pleegden generaals een staatsgreep. Arbeiders kwamen daartegen in opstand. Anarchistische ideeén en organisaties waren prominent in die opstandige arbeidersbeweging. maar de Anarchosu yndicalistische vakbond CNT weigerde om door te bijten en de macht van de arbeidersklasse daadwerkelijk te vestigen in de vorm van een van ondereaf aangestuurde arbeiudersstaat. daardoor bleef de gevestigde burgerlijke staatsmacht intact. Uiteindelijk geionnen leiders van de CNT die staatsmacht zelfs tegen f de fac scisten en generaals te steunen door ministers te leveren voor de regering. Het anarchisme had hier laten zien geen gids te zijn voor een succesvolle revolutie. Het abstracte anti-autoritarisme deed he revolutionaire elan dat anarchistisch geïnspireerde bewegingen zo overduidelijk bezaten, niet tot zijn recht komen.

 Mijn overzicht van Jeroens inleiding is  incompleet. Hij besprak bijvoorbeeld ook nog de rol van anarchisten in de Russische revolutie. Omdatdie revolutie de sovjets – gekozen raden van arbeiders, boeren en soldaten- , onder Bolsjevistische leiding, tot staatsmacht verhief, keerden veel anarchisten zich daar tégen: elke staatsmacht was verdacht. Dat plaatste deze anarchisten aan de kant van de contrarevolutie, aldus Jeroen.

Ik denk dat dit veel te kort door de bocht is. Voor sommige anarchisten klopt dit. Andere anarchisten zagen dat sovjetmacht toch iets anders was dan reguliere staatsmacht, dat het veel dichter bij de anarchistische idealen stond, en dus waard om voor te vechten (Victor Serge was een voorbeeld daarvan, zoals een IS-er vanuit de zaal  naar voren bracht). Weer anderen anarchisten probeerden zowel tegen de Sovjet-macht als tegen de rechtse tegenstanders ervan te vechten.

Hoe illusoir dat laatste naar mijn mening uiteindelijk ook was, en hoezeer dat sóms de Witten ( de rechtse legers) in de kaart speelde, het gaat niet aan om dit soort bewegingen simpelweg af te doen als objectief contrarevolutionair. De hele historie vande Russische revolutie,de sovjetmacht en de relatie tussen Bolsjevieken en allerlei bewegingen waar anarchisten actief in waren en inspiratie aan ontlenen, verdient naar mijn mening een betere evaluatie, met een positievere inschatting van de rol van anarchisten en ander stromingen links van de Bolsjevistische hoofdstroom, en iets kritischer ten aanzien van die hoofdstroom, dan in de IS doorgaans te vinden is. Maar dat werk ik later nog wel eens uit.

De inleiding van Jeroen was dus informatief, maar bleef iets teveel steken in negatieve anecdotes en stereotypen over anarchisten. Complimenten die anarchisten van Jeroen en sommige andere aanwezigen kregen, hadden naar mijn idee vooral als doel om een al te sectarische indruk te voorkomen en kwamen wat obligaat over. 

Er was nog een manco: de titel, iets waar de IS en niet de spreker op zichzelf verantwoordelijk voor is. “Socialisme of anarchisme?” suggereert dat anarchisten géén socialisten zijn. Welnu, Jeroen gaf terecht aan dat iemand als Bakoenin zichzelf wel als socialist beschouwde. Ik denk dat we, vanaf uiterlijk die tijd, de hoofdstroom van het anarchisme als een stroming bínnen het socialisme moeten zien.

Kropotkin en Malatesta bijvoorbeeld hingen een anarchistisch communisme (en dus een vorm van socialisme; Marx noemde zich ook communist) aan. Heel veel anarchisten duiden hun opvattingen aan als libertair socialistisch. In Nederland had je bijvoorbeeld een anarchistisch netwerk dat zich de Federatie van Vrije Socialisten noemde.

Je kunt zeggen: maar dat is allemaal geen écht socialisme, het enige échte socialisme is het marxisme. Volgens mij is dat niet juist en niet slim. De erin besloten afwijzing-bij-voorbaat is niet bevorderlijk voor een echt en open discussie met anarchisten, en ook niet voor samenwerking. En we hebben elkaar veel te hard nodig om osn dit soort van nodeloze afstand te kunnen veroorloven. Het getuigt van een ideologische arrogantie, van vooringenomenheid, zo van wíj zijn de echte socialisten, jullie niet.

Ik ben zelf marxist en geen anarchist. Maar ik voer de discussie met anarchisten graag als een discussie binnen de socialistische beweging in brede zin, en ik plaats anarchisten daar niet bij voorbaat buiten door mezelf socialist te noemen en de anarchist niet. Over socialisme kun je verschillende opvattingen hebben, en natuurlijk prefereer ik de mijne boven die van een ander (totdat de ander me overtuigt!). Maar dat is een discussie bínnen het socialisme.

De echte titel van de bijeenkomst had moeten luiden: “Marxisme of anarchisme?” Het gaat hier twee stromingen binnen het socialisme, met een serieus meningsverschil. En in dat meningsverschil heb ik van anarchisten wel degelijk iets te leren, net als hopelijk ook andersom.

Díé houding – leren van elkáár, niet alleen de ander vertellen hoezeer diens opvattingen tekort schieten – miste ik in deze bijeenkomst – in de lezing, en in enkele van de bijdragen – toch enigszins. Het is een storende, tekortschietende houding die één van de mindere kanten is van de (hoofdstroom in de) IS, en van zeer veel trotskisten in het algemeen. Dat veel anarchisten andersom net zo’n houding innemen jegens marxisten, doet hier niets aan af. Ik kom hier op terug.


De SP: ruggengraat van links met zwakke plekken

17 april, 2009

De Socialistische Partij (SP) is in politieke zin de ruggengraat van links in Nederland. Er zijn andere, zelfs grotere, clubs ter linkerzijde. Er zijn vooral ook clubs met een betere politiek dan de SP, ter uiterste linkerzijde. Maar de grotere clubs zijn maar in zo beperkte mate nog links dat ik ze niet tot de ruggengraat van links reken. De radicalere clubs spelen in de landelijke krachtsverhoudingen een marginale rol. En allemaal moeten ze zich, ten goede of ten kwade, rekenschap geven van de rol en de opstelling van de SP.

Kijken we eerst naar de grote clubs, dan treffen we nog steeds de PvdA. Die partij moet je volgens mij, strikt analytisch gezien, nog steeds wel bij links rekenen. Haar wortels liggen in de arbeidersbeweging, al is de band tergnwoordig nog maar erg indirect, veelal via  vakbondsbestuurders in de FNV wiens afstand tot de werkvloer zelf al aanzienlijk is. Kiezers verwachten nog steeds linksige politiek van deze partij, en mede daardoor is de PvdA nog altijd genoodzaakt haar politieke keuzes in te kleden met een links verhaal, met gelijkwaardigheid en ontplooiing in een hoofdrol. En als de partijleiding een te rechtse koers inslaat – zoals onlangs met een nota over integratie en dergelijke – dan steekt er binnen die partij nog altijd wel een linkse tegenwind op. De PvdA hoort nog steeds bij links. Maar ze is zozeer verbonden met het politieke midden, zozeer verknocht geraakt aan de markteconomie wiens verdediging in Bos een kampioen heeft gevonden, dat zebinnen links als geheel geen ruggegraatsfunctie vervuklt, maar een hoogst onbetrouwbare rechterflank.

GroenLinks is wat linkser, maar het verschil is niet principieel meer. Ook deze partij accepteert in de kern de markteconomie. Mede omdat ze niet regeert, kan ze zich wat radicaler opstellen op het gebied van de rechten van vluchtelingen en de inzet voor  antiracisme en mileiu. Omdat ze echter minder verbonden is met vakbeweging en dus werkvloer, gaat ze vaak verregaand mee met anti-arbeiderverhalen over flexibeler werken en dergelijke. De toon van Femke Halsema tegenover Wilders is vrij scherp. Maar er klinkt te vaak ook iets van teleurstelling in door, zo van, ‘beste Geert waarom doe je niet gewoon netjes méé, zoals wij?’ En precies daar wringt de schoen: we hebben geen links nodig dat endeloos schippert om mee te doen. Zo frontaal als Wilders het politieke minden vannuit rechts aanvalt, zo frontaal moet links dat vanaf de andere kant van de barricaden doen. Op GroenLinks als partij hoef je daarvoor niet te rekenen.

Aan de andere kant zijn er tal van radicaal-linkse groeperingen, vaak groepen met een messcherpe politiek en een praktijk die groot respect verdient. Het is een breed scala. Je hebt groepen die zich baseren op anarchistische/autonome politiek, en/of geworteld zijn een subcultuur waar die opvattingen wijd verspreid zijn. Zo is er de AntiFascistische Actie (AFA) die keer op keer, met grote inzet maar wisselend succes, tegenacties op touw zet als fascistische groeperingen de straat op gaan. Zo is er de Anarchistische Anti-deportatiegroep Utrecht (AAGU) die keer op keer actie voert tegen de onmenselijke behandeling van vluchtelingen. vandaag bezette die groep bijvoorbeeld een gebouw van de Immigratie- en Naturalisatiedienst in Utrecht. Prachtige actie!

Dit slag groeperingen is aantrekkelijk wegens het hoge doe-het-zelf-gehalte van de acties, en de aanstekelijke radicaliteit ervan. Tegelijk wordt daarmee de afstand tot grotere groepen mensen vaak groot, en de subculturele uitstraling die activisten uit dit soort groepen meestal hebben – de duistere kledij, de harde muziek – vergroot die afstand nog eens nodeloos. Deze groepen voegen iets wezenlijks toe aan de linkerzijde, en zouden van de rest van links best wat meer krediet en steun mogen krijgen. Maar ze maken het vaak ook niet erg makkelijk.

Dan is er Doorbraak, een relatief nieuwe groep die deze week voor het eerst met een tweemaandelijkse krant is gekomen.Vooral in de strijd tegen racisme en opkomend uiterst rechts laat deze organisatie van zich spreken. De politiek is radicaal, maar de houding naar mensen van de rest van links relatief open , en de bereidheid om serieus discussie te voeren zonder elkaar meteen neer te sabelen, is aanzienlijk. Ik heb soms aanzienlijk meningsverschil met deze groep, maar dat wordt uitgespeeld op basis van het soort wederzijdse respect dat je bij de rest van links – gematigd én radicaal – vaak wat verder te zoeken is.

Ja, en dan is er nog revolutionair marxistisch links, de plek waar ik me ideologisch nog altijd het meest thuisvoel. Het gaat dan om politiek, geworteld in antistalinistisch leninisme – Trotskisme in de brede zin des woords. Diverse groeperingen zijn daarin actief. Over Offensief ben ik kort, net als over Socialistische Alternatieve Politiek (SAP). Beiden zijn erg klein en opereren goeddeels binnen de SP – althans, dat proberen ze,want de SP probeert Offensief eruit te werken. Grenzeloos, het blad vande SAP, en de bijbehorende website, is de moeite waard, snijdt belangrwekkende thema’s aan en doet dat veelal zinnig. Maar geen van beide groepen heeft bijzonder veel slagkracht en uitstraling.

Dat ligt iets anders met de groep waar ik lang lid van was en nog steeds veel verbondenheid mee voel: de Internationale Socialisten (IS). Die hebben een stevige activistische inslag, gecombineerd met de bereidheid om met mensen van allerlei achtergronden samen te werken op specifieke thema’s. De inzet van de IS om mensen naar internationale demonstraties te krijgen – van Praag 2000 , tegen IMF/ Wereldbank via Genua 2001 tegen de G8 tot Straatsburg 2009 tegen de NAVO – heeft zowel andersglobalisering als protest tegen oorlogen een hele dynamishe push gegeven. De mate waarin de IS zich breed maakte voor protesten, steeds als de VS of Israël ergens een nieuwe oorlog ontketenden, heeft wezenlijk bijgedragen tot  breder activisme tegen oorlog en bezetting.

Dat bij al deze hectiek de kortadiemigheid wel eens toesloeg, is waar. De inhoudelijke scherpte en diepgang leed hier wel eens onder – nog niet eens doordat de standpunten zelf verwaterden, maar wel  in de zin dat de wat moeilijker standpunten wat erg ver naar de achtergrond verdwenen. En bij alle nadruk op ‘het opbouwen van DE beweging’ ‘verdween het feit dat niet wat voor beweging dan ook, maar de arbeidersklasse de spil is waar het allemaal om draait, wel eens teveel naar de achtergrond. Te vaak leek het alsof de arbeiedersbeweging gewoon één beweging was naast andere bewegingen – anti-oorlogsbeweging, andersglobalisering, antiracisme. Terwijl in werkelijkheid al die segmenten direct of indirect reacties zijn vanuit een arbeidersklasse die op allerlei manieren onder vuur ligt en dus op allerlei manieren rond diverse thema’s reageert.

Maar dit is stof voor ideologische scherpslijpertjes als ik, alhoewel naar mijn overtuiging niet irrelevant. Discussies rond deze thema’s – uit de hand gelopen, zoals dat te vaak gaat – speelden een rol bij mijn vertrek uit de organisatie, februari 2008. Het doet in de kern niets af aan de rol die de IS ter linkerzijde speelde en speelt, als gangmaker van allerlei acties waaraan het - in tegenstelling tot veel activisme uit de anarchistische hoek – vrij eenvoudig is om deel te nemen voor mensen die niet al helemaal in het linkse wereldje zitten.

Vergeleken bij de SP echter is het - AAGU, Doorbraak, IS, AFA, de hele santekraam – allemaal klein grut. En in de krachtsverhoudingen op landelijk schaal spelen al deze clubs, afzonderlijk of zelfs gecombineerd – een marginale rol. Geen kabinetsberaad dat zich over verlenging van de Afghanistan-missie buigt, vraagt zich zorgelijk af: “wat zal de IS doen?!” Geen minister hoeft bij de vraag welke vluchtelingen worden opgesloten of gedeporteerd, angstiug af te vragen hoe de AAGU zal reageren. Geen toponderneming gaat zich, voordat hij 1000 mensen gaat ontslaan, achter de oren krabben of Offensief geen roet in het eten zal gooien. Op dat niveau is radicaal en revolutionair links domweg géén speler. Dat kan veranderen, dat zál hopelijk veranderen. Maar dat is nog toekomstmuziek en ambitie, geen realiteit.

Daarmee zijn we terug bij de partij wiens opstelling er in de landelijke verhoudingen wél toe doet: de SP. Wat die partij doet, dat dóét er in de landelijke verhoudingen echt toe, en dat blijkt ook uit reacties die de partij steeds weer oproept. De IS kande hele Uruzgan-missie tot op de grond toe afkraken – en terecht – zonder dat minister van Defensie een kik geeft. De SP maakt een  TV-spotje met als thema: “Opbouwmissie? Hoe lang laten we ons nog voor de gek houden?” Middelkoop reageert vrijwel direct, en noemt het spotje “schaamteloos”. Het laat zien hoe de machthebbers in Nederland de SP als linkse oppositiekracht, als machtsfactor ter linkerzijde vooral, serieus nemen.

Hetzelfde moeten linkse mensen zelf ook doen, of ze nu veel met de SP hebben of erg weinig. Wat de SP doet, is wezenlijk voor de opstelling van héél links. Een strijdbare radicale SP versterkt het élan van héél links. Een slappere, aarzelende SP maakt de positie van héél links moeilijker, en speelt rechts in de kaart. Daarom is het nodig dat juist ook linkse mensen buiten de SP de gang van zaken en de opstelling in de SP volgen: het gaat ons áán.

De huidige SP geeft wat dit betreft geen éénduidig beeld. Op sommige ]untenneemt de partij heel goed en stevig stelling. De partij helpt het personeel van de TNT Post om actie te komen tegen de schandalige loondaling die het bedrijf met de vakbonden heeft proberen af te spreken. De actiegroep Red de Postbode is op initiatief van een SP-kamerlid op gang gekomen. Op het gebied van de zorg is de SP sterk: ze keert zich, met documentatie maar ook met actie, tegen het van hogerhand toegediende gif dat ‘marktwerking ‘ heet. In de strijd op dit soort fronten is de SP hard links bezig, en dat is maar goed ook.

Op andere thema’s neemt het gezwabber, en de gang naar het politieke midden, zorgwekkende vormen aan. Al enige tijd is de partij helaas geen tegenstander meer van het NAVO-bondgenootschap dat haar vredesrol amper twee weken geleden nog van de daken schreeuwde van achter wolken traangas en tegen het decor van brandende gebouwen. De partij geeft zelfs een boek uit waarin voor een andere NAVO wordt gepleit – alsof een imperialistisch bondgenootschap zich zomaar om laat bouwen tot een internationale welzijnsorganisatie.

De nieuwste knieval voor het establishment kwam deze week. De SP gaat deelnemen aan de Tweede-Kamer-commissie die het werk van de inlichtingendiensten volgt. Die commissie werkt in beslotenheid: fractievoorzitters krijgen dingen te horen die ze vervolgens niet buiten de Commissie bekend mogen maken. vandaar de bijnaam: de “commissie-stiekem”. Deze geheimhoudingsplicht was tot nu toe – terecht- reden voor de SP om niet mee te doen. Dat ze nu door de bocht is, in ruil voor toezeggingen dat er ‘zo veel mogelijk’openheid zal zijn, vind ik kwalijk. In een echte democratie is geen énkel stukje staat gevrijwaard van controle en openbaarheid. Als een AIVD dan niet meer kan functioneren… des te beter. In een echte democratie hoort zo’n geheime dienst immers sowieso al niet thuis.

Dat de SP op dit punt nu mee gaat doen, tekent de koers van de leiding. obstakels die in de toekomst regeringsdeelname – samen met de PvdA, maar echt volledig uitsluiten doet de SP zelfs het CDA niet – moeten worden opgeruimd. Van een stevig linkse partij in oppositie tegenover rechts, met haar markteconomie maar ook met haar de militaire prioriteiten, instellingen en bondgenootschappen, is de SP zich aan het ontwikkelen naar een partij die zich daar op onderdelen mee aan het verzoenen is. Dat maakt de rol van de SP als ruggengraat van links meer en meer problematisch. De ruggengraat is weliswaar aanwezig, maar de zwakke plekker erin worden steeds pijnlijker voelbaar.

De taak voor mensen en groepen links ván, maar ook links bínnen de SP om hun kracht verder te versterken naarmate ook de SP naar het midden beweegt, is urgent. Onderdeel van die taak is: kritisch blijven meedenken en stelling nemen over de keuzes die de SP maakt – ten goede en ten kwade. De SP is nèt ietsje te belangrijk om aan Agnes Kant, Harry van Bommel  en Jan Marijnissen te worden overgelaten.


Socialistische Partij werkt socialistische groep uit partij

12 februari, 2009

Op het weblog van Platform Rosa, een initiatief van kritische linkse SP-ers, las ik dat de SP besloten heeft om de groepering Offensief uit die partij te werken. Dat is een kwalijk besluit, een besluit dat de SP armoediger maakt en daarom heel links nodeloos weer iets verzwakt. De SP-beslissing verdient dan ook luide afkeuring, van SP-leden én van iedereen die – SP-er of niet – graag een sterk en radicaal links ziet groeien.

Waar gaat het om? Offensief is een kleine organisatie met een specifieke opvatting van de Leninistische, Trotskistische traditie. Het idee is dat de opbouw van een revolutionaire arbeiderspartij het best gediend is door in een bredere linkse partij actief te zijn. Met oplaaiende arbeiderstrijd en radicalisering zal er om een kleine groep revolutionairen in zo’n partij dan een grotere linkervleugel kunnen onststaan. Die linkervleugel kan de overhand krijgen in zo’n partij, of na splitsing zelf een veel grotere radicaal-linkse, naar revolutie neigende, partij vormen. Het hele idee staat in de Trotskistische traditie bekend als lange-termijn intredepolitiek.

Met dit idee was Offensief jarenlang actief binnen de PvdA. Maar toen begin jaren negentig duidelijk was hoezeer die partij een linksige, maar uiteindelijk ideologisch hooguit nog sociaal-liberale partij geworden was, verliet Offensief die partij en werd actief binnen de SP. Daar drong ze aan op een veel linker programma en een activistischer opstelling. Tegelijk opereerde ze ook als zelfstandige groep op demonstraties en  met eigen bijeenkomsten.

Natuurlijk was dit wel eens vervelend voor de leiding en de hoofdstroom van de SP, die steeds meer een gematigde, klassiek sociaal-democratische koers richting regeringsdeelname insloeg. Op lastige linkse tegenwerpingen zaten deze mensen niet te wachten. Tegelijk kun je je afvragen waar de SP zo bang voor was:  Offensief is bepaald klein, en de manier waarop ze optrad is niet bepaald aansprekend voor  grote bijval. De, op zich vaak juiste, standpunten, worden vaak nogal star naar voren gebracht, hetgeen onbegrip en irritatie in de hand werkten.

Maar irritatie mag geen argument zijn om een groep uit te sluiten. Offensief probeerde op haar manier socialistische politiek te bedrijven in een partij die zegt socialisme na te streven. Een partij die haar linkse elementen uitsluit, verzwakt haar radicalisme en haar linksheid. Dat raakt niet alleen Offensief, maar álle linksere activisten binnen de partij. Elke handvol linkere SP-ers die tegengas willen geven tegen partijleiding en gematigde koers, kan het weren van Offensief voelen als een waarschuwing. Geen wonder dat Platform Rosa – ook actief in de SP – er zo fel stelling tegen neemt!

Maar ook linkse mensen buiten de SP dienen het uitsluiten van Offensief af te wijzen. Het gaat hier niet om specifieke sympathie met de exacte Offensief-opolitiek. Alhoewel Offensief uit dezelfde Leninistische traditie put als ik probeer, verschil ik toch op talloze punten van mening. Het intreden binnen de SP om via die weg een revolutionaire partij te bouwen vind ik onjuist: in een sociaal-democratische partij hebben revolutionairen in principe niets te zoeken, zeker niet op lange termijn. Het afschrijven van de PvdA als een partij die puur-burgerlijk is vind ik een miskenning van haar sociale basis en van haar verbindingen met de vakbond (via een bureaucratische vakbondsleiding, maar toch).

Het optreden van Offensief in de praktijk staat mij soms, wegens enorme, op zelfverzekerde toon gebrachte starheid, vaak tegen. Mijn ervaringen in samenwerking met Offensief toen ik nog lid was van en actief in de Internationale Socialisten (iets waar ongeveer een jaar geleden een eind aan kwam) waren bepaald niet aangenaam. Daar staat trouwens wel tegenover dat Offensief momenteel op het gebied van antifascisme een redelijk goede lijn kiest. De groep steunt bijvoorbeeld openlijk bijvoorbeeld de anti-Voorpost-demonstratie op 1 maart in Maastricht. Dat is meer dan andere Trotskistische groepen kunnen zeggen.

Maar politieke solidariteit tegenover uitsluiting is niet geworteld in goede herinneringen, persoonlijke waardering of totale politieke eensgezindheid. Het gaat om iets anders. Een partij als de SP is belangrijk als tegenwicht tegen rechts. Ik prefereer een linksere boven een meer gematigde SP, een activistische boven een puur-parlementaire. Het gedwongen vertrek van Offensief uit de SP maakt de linkse, meet activistische krachten binnen die partij zwakker.

Ik prefereer bovendien een SP die meerdere, ook georganiseerd optredende, stromingen openlijk accepteert, boven een SP die opponenten die ruimte niet gunt. Het wegwerken van Offensief is een teken dat de SP géén meerstromenland, en veel te weinig een open en democratische organisatie, is. Dat is een verlies, en niet alleen voor  SP-ers zelf.

Ik zeg dit alles als iemand die, sinds bijna een jaar, van geen enkele politieke organisatie lid is, zeker niet van Offensief en al helemaal niet van de SP. Maar ik was bij de laatste verkiezingen wel een SP-stemmer, en ben van plan dat komende keer wederom te doen. Het enthousiasme om de komende keer wéér op de SP te stemmen wordt er op deze manier echter niet bepaald groter op.


Dat lastige Leninisme (2)

6 februari, 2009

In april en mei van vorig jaar schreef ik over het Leninisme, de waarde en geldigheid ervan, en de vraag in hoeverre ik mijzelf nog altijd in de Leninistische traditie plaatste. Destijds deed ik dat, en dat doe ik nog steeds. Wel gaf ik aan dat ik problemen zag met de vorm van Leninisme waarin ik een kleine 20 jaar had geopereerd – de vorm die de Internationale Socialisten beoefen(d)en, net als veel kleine revolutionaire groeperingen met een Leninistische politiek. Lang, te lang heeft het geduurd voor ik op deze vragen terug kom. Maar nu waag ik een poging.

Ik schreef in het tweede stuk al wat Leninisme níét was. Het Leninisme is níét de top-down versie van het Stalinisme, waarin de hele Russische revolutie zo ongeveer van bovenaf, door lenin en zijn groiep vastberaden medestanders, werd doorgedrukt, tot heil en zegen van de arbeiders maar in wezen over hun hoofden heen. Het Leninisme is evenmin de diabolische fantasie van rechtse liberalen, conservatieven, veel sociaal-democraten en zelfs anarchisten die beter zouden horen te weten – een fantasie waarin een machtswellustige Lenin, achter een cvamouflage van radicale leuzen, via een samenzwering een totalitaire staat vestigt. Stalinisme en Koude-Oorlogs-theorie zijn elkaars spiegelbeeld. Maar wát er ook weerspiegeld wordt, met de realiteit heeft het weinig te maken.

Wat behelst het Leninisme dan wel? In essentie gaat het om de politieke praktijk en theorie die de Russsische  Oktoberrevolutie mogelijk maakte, evenals de vestiging van een arbeidersstaat als product van die revolutie.  Maar het Leninisme was bovendien de politiek die beoogde om dit type revolutie wereldwijd te helpen overwinnen. Ontwikkeld als theorie in de Russische revolutionaire beweging was het Leninisme pas echt zichzelf als theorie van de internationale arbeidersrevolutie als hefboom naar arbeidersmacht wereldwijd, als voorbode van een klassenloze maatschappij op wereldschaal.

Dat zijn grote woorden, ik weet het. We zullen iets dichterbij de historische realiteit moeten komen om de boel wat aan te kleden. We gaan eens naar Rusland tegen het einde van de negentiende eeuw kijken, het land waar de jonge Lenin politiek actief werd. We zien dan een land van straatarme boeren, onderdrukt en leeggeplukt door een klasse van grootgrondbezitters. We zien een absolute monarchie met een keizer, een Tsaar, aan het hoofd. We zien intellectuelen die kritiek leveren en actie voeren voor meer vrijheid en rechtvaardigheid – en keer op keer in de gevangenis en/ of in Siberische ballingschap belandden, als de dictatuur ze tennminste niet ter dood bracht. We zien een, door  de staat gesteunde maar in hoge mate door buitenlandse leningen gefinancierde, industrialisering die hypermoderne fabrieken tot stand brengt waarin een kleine klasse van ondernemers tegenover een snelgroeiende arbeidersklasse staat. De Tsaristische onderdrukking zorgde ervoor dat ondernemers zich de woede van die vertrapte arbeiders van het lijf wisten te houden. Rusland was feitelijk een combinatie van feodale (grootgrondbezit, absolute monarchie) en kapitalistische (industriële ondernemingen, maar ook de groeiende markteconomie op het platteland)  elementen.

In dat Rusland waren allerlei vormen van revolutionaire politiek te vinden. De meesten gingen ervan uit dat de boeren het belangrijkste waren. Volgens sommigen moesten zij zichzelf bevrijden met grote opstanden, daarbij geholpen door de intelligentsia. Volgens anderen moest die intelligentsia bevrijding afdwingen door een samenzwering tegen de Tsaar, waarna de rest van de maatschappij de bevrijding als het ware opgelegd kreeg. De diverse vormen van radicalisme waarin de boeren centraal stonden, maar de intellectuelen feitelijk een hoofdrol speelden, stonden bekend als Populisme, en de aanhangers werden Narodniki (Narod = volk) genoemd. Het hele idee was om van het feodale Tsarisme in één keer over te springen naar een socialisme dat zich op de boerenbevolking baseerde. Het kapitalisme werd als het ware overgeslagen.

Marrxistisch was dit alles bepaald niet. Immers, voor Marx stond het idee centraal dat arbeiders, door zichzelf gezamenlijk te bevrijden, de weg baanden naar een socialistische maatschappij. Arbeidersstrijd kwam echter in het verhaal van de Narodniki amper voor, hetgeen niet zo vreemd was. Toen het Populisme opkwam, waren er immers amper arbeiders in Rusland te vinden, en ook tegen het einde van de negentiende eeuw was de overgrote meerderheid van de bevolkihng nog steeds arme boer. De boeken van Marx werden door Narodniki wel gewaardeerd: de scherpe kritiek die Marx  op het industriële kapitalisme was immers een schitterend argument om aan te tonen dat de verschrikkingen van dat kapitalisme als het maar enigszins kon verméden moesten worden. En precies dáár kwam het boerensocialisme van de Narodniki op neer. Toen er her en der arbeidersstrijd, in de vorm van- stakingen, demonstraties, uitbrak, zagen Narodniki daar vooral een aanvulling op hun eigen strijd in, een extra drukmiddel, een gelegenheid om steun te vinden. Een centrale rol kreeg het bij deze revolutionaire traditie niet.

Welnu, de kleine groepjes Marxisten die laat in de negentiende eeuw óók in Rusland actief werden, voerden een scherpe polemiek met de Narodniki – terwijl ze tegelijk leerden van de praktijk van Populistische revolutionairen. Lenin was één van die marxisten, en verdiende in dit soort polemische strijd zijn sporen. Hij vocht voor het idee dat óók in Rusland het kapitalisme de dominante economische vorm aan het worden was. Met dat doorbrekende kapitalisme zou de klasse die tegenover de kapitalistenklasse stond de sleutel van de revolutie in handen krijgen. Die klasse was de arbeidersklasse. Het Leninisme begon boven alles met het inzicht dat óók in Rusland de arbeidersrevolutie op de agenda stond, en dat daartoe geschikte politieke praktijken en organisatievormen moesten worden ontwikkeld. Het Leninisme begon dus boven alles als Marxisme.

Maar Marxistische revolutiionaire politiek had een hefboom nodig om effectief te zijn tegenover de ogenschijnlijke almacht van de Tsaristische staat en de kapitaluistische macht. Her en der werkten groepjes Marxisten- in studiekringen om de theorie aan  (andere) arbeiders uit te leggen, in strijdgroepen om stakingen en demonstraties van de grond te krijgen. De meeste initiatieven duurden niet lang: na enkele maanden rolde de geheime politie de zaak op en verdwenen de ‘raddraaiers’ naar Siberië of de galg.

Lenin zag op dat moment de versnippering van de Marxistische revolutionaire beweging als wezenlijk obstakel. Hij reageerde met een reeks initiatieven en geschriften. Het fameuze “Wat te Doen” was er één van. Hij zei kortweg het volgende: om maximaal effect hebben op de hele arbeidersklasse en op álle onderdrukte lagen van de bevolking, dienen revolutionaire Marxisten zich te bundelen, hun initiatieven te coördineren, en zich van een gezamenlijke stem te voorzien in de vorm van een orgaan, een krant. Om de arbeidersbeweging als geheel naar een zo hoog mogelijk niveau te trekken, was het nodig dat revolutionairen – arbeiders samen met intellectuelen – zich zelfstandig organiseerden, hun geluid zo luid en helder mogelijk lieten klinken, en initiatieven in de klassenstrijd te nemen waarin andere groepen arbeiders in de praktijk stappen vooruit konder zetten, hun kracht konden ontdekken en leerden dat hun afzonderlijke gevecht deel uitmaakt van een grotere strijd om bevrijding.

Arbeiders worden nu eenmaal niet allemaal in hetzelfde tempo strijdbaar en radicaal. Door de meest strijdbare en radicale arbeiders  – de voorhoede, daar is-ie, jawel – te verenigen in een organisatie, konden die revolutionaire arbeiders het proces van radicalisering bevorderen, en de hele arbeidersklasse en alle onderdrukten stappen vooruit helpen in de strijd. Dát was wat Lenin beoogde met het opbouwen van een revolutionaire organisatie, en dat ging hij samen met medestanders dóén ook. Het concept van een voorhoede in de arbeidersklasse, en een partij die probeert die voorhoede effectiever te maken door haar te verenigen – dát is een wezenlijke pijler van het Leninisme.

Maar het is verkeerd om het Leninisme te zien als vooral Marxisme-plus-voorhoedepartij, of zoiets schematisch. De partij waar Lenin voor stond kreeg bij hem rond 1900 zo enorm veel nadruk, omdat zoiets in Rusland zo pijnlijk ontbrák – met funeste gevolgen voor de effectiviteit van het verzet. Dus gingen zijn medestanders onvermoeibaar op pad om bestaande revolutionaire groepen te winnen voor het idee van een gecentraliseerd werkende partij met een partij-orgaan.

Uiteindelijk kwam er zo’n partij, die echter op haar congres in 1903 – in ballingschap in Londen – vrijwel onmiddelijk splitste. Degenen die, met Lenin, vonden dat een partij een tamelijk strak gebundelde organisatie van activisten moest zijn, van mensen die verantwoordelijkheid namen naar elkaar en naar de partij als geheel, en voor wie die partij ook verantwoordelijkheid nam, stonden tegenover degenen die een lossere aanpak beoogden, nauwelijks onderscheid maakten tussen leden en sympathisanten. Omdat de aanhang van Lenin op een bepaald moment  in de debatten op het partijcongres van 1903 een meerderheid achter zich hadden, en zijn tegenstanders een minderheid, kwam de eerste groep bekend te staan als mensen van de meerderheid oftewel Bolsjevieken, zijn tegenstanders als mensen-van-de-minderheid ofwel Mensjevieken.

De splitsing was aanvankelijk helemaal niet definitief; maar omdat de lossere structuren van de Mensjevieken al snel samengingen met een steeds softere, minder revolutionaire en in toenemende mate op hervormingen gerichte politiek, werd de afstand met de revolutionairen rond Lenin steeds groter. Wat aanvankelijk nog fracties waren binnen één partij, werden vanaf 1912 twee partijen, een Bolsjevistische en een Mensjevistische. Lenin wasde centrale figuur in de Bolsjevistische vleugel, later partij, in de revolutionaire beweging van Rusland.

Maar ver voor de splitsing definitief was, waren er grote dingen gebeurd in Rusland – zaken die duidelijk maakten dat Lenin veel was, maar géén blinde partij-fetisjist. In 1905 gingen arbeiders van een grote metaalfabriek in staking. Vervolgens gingen arbeiders een petitie aanbieden aan de Tsaar, om nederig om hun rechten te vragen. Revolutionairen – Bolsjevieken en Mensjevieken – waren in dit gebeuren volstrekt marginaal, de arbeiders zochten hun heil in een door Gapon, een priester, geleide vakbond die aanvankelijk vanuit de staat  was opgezet maar een eigen leven begon te leiden.  Tweehonderdduizend arbeiders gingen in optocht naar het paleis van de Tsaar om hun smeekschrift aan te bieden. De troepen van de tsaar openden het vuur en schoten honderden arbeiders dood. De woede van arbeiders en andere onderdrukten zette zich om in een reeks stakingen, opstanden, een muiterij op het slagschip Potemkin. Dit groeide uit tot de, uiteindelijk neergeslagen, revolutie van 1905.

Op het hoogtepunt van de beweging vormden arbeiders overkoepelende stakingscomités die het hele openbare leven begonnen over te nemen, tegen de gevestigde orde in. Dit waren de fameuze arbeidersraden oftewel sovjets. En het is hoogst interessant hoe Lenin, maar ook andere Bolsjevieken, daarop reageerde. De Bolsjevieken in Sint Petersburg, de Russische hoofdstad, vonden die Sovjets maar niets. Het initiatief kwam van buiten de partij, en kon dan ook alleen maar haaks staan op pogingen van de partij om maximale invloed op de revolutie te hebben. Je bent Voorhoede of je bent het niet, nietwaar? Dus eisten de Bolsjevieken dat de Sovjets zich aan de instructies van de Bolsjevieken onderwiepr en het programma van de partij overnam – of anders… De waarde van het initiatief van arbeiders om hun eigen strijd in eigen hand te nemen, tot samenwerking over partijgeschillen heen te komen en een tegenmacht tegen de macht van staat en ondernemers te vormen – dat alles werd niet onderkend. Deze Bolsjevieken hadden het kesje van Lenin wat ál te goed geleerd, het waren wat al te goede ‘Leninisten’ geworden.

Lenin zelf reageerde echter heel anders. Op de vraag die gesteld werd: wat hebben we nodig, de partij of de sovjets van afgevaardigden antwoordde hij: allebei! “Ik denk dat het verkeerd is om de vraag zo te stellen, en ik denk dat de beslissing zeker moet zijn: zowél de Sovjet van Arbeidersafgevaardigden als de  partij. De enige vraag – en een hoogst belangrijke  is hoe de taken van de Sovjet en van de (…)Partij te verdelen en te combineren.” Geen sprake van voorrang van de één boven de ander, ze hadden allebei een onmisbare rol. En hij voegt er aan toe: “Ik denk dat het niet aan te raden is voor de Sovjet om zich te verbinden aan één enkele partij.” De Sovjet bundelt juist arbeiders van allerlei stromingen, ook partijloze arbeiders, in een gezamenlijke strijd voor gezamenlijke belangen. En hij geeft de Sovjet groot gewicht, beschouwt de Sovjet - twaalf jaar voor de leus “Alle macht aan de Sovjets” de  aanloop tot de Oktoberrevolutie verwoordde – als “het embryo van de voorlopige revolutionaire regering”. (Zie Lenin’s “Our Tasks and And the Soviet of Workers Deputies” )

Lenin is totaal niet geobsedeerd door De Partij en haar Hoofdrol. Lenin is maar door één ding geobsedeerd: het vooruit helpen van de strijd, de revolutie. Hij kijkt naar organisaties, naar élke organisatie, of het nu vakbonden, sovjets, andere comités of de partij betreft, met dat ene criterium in het achterhoofd: hoe dient of hindert dit te revolutie, de bevrijdingsstrijd van de arbeiders? Waar voor sommige Leninisten – en niet alleen voor de pseudo-Leninisten uit de tuchtschool van Stalin! – de hoofdleus luidt “Bouw De Partij Op!” kun je de geest van het Leninisme van Lenin zelf veel beter verwoorden met “Organiseer Je Voor Revolutie!” Het is dát Leninisme wat destijds nodig was, en waarvan de noodzaak alleen groter is geworden.

Voor het bovenstaande heb ik uit mijn geheugen geput; ik ga hier geen uitgebreide literatuurlijst erbij geven. Twee boeken zijn echter enorm waardevol, als bron van gegevens en analyse. Het eerste is Paul LeBlanc’s “Lenin and the Revolutionary Party”; het tweede is Lenin: “Building the Party“, Tony Cliff’s eerste deel van ‘zijn driedelige boekenreeks over Lenin. Dat tweede geeft in de eerste hoofdstukken ook veel context over de revolutionaire beweging in de tijd waarin Lenin actief begion te worden; veel van wat ik schrijf  heb ik daaraan ontleend. En ja, het staat online, dus ik kan leuk doorlinken.

Dat wil niet zeggen dat ik met de hele teneur van Cliff’s boek altijd even blij ben: het boek van  LeBlanc is mooier en subtieler. En juist Cliff is zo’n Leninist voor wie “Bouw De Partij Op” al het andere steeds meer ging domineren – soms tot schade van het Leninisme waar hij bij betrokken was zelf .  Maar ik loop op dingen vooruit. Wordt vervolgd…