Een hele tijd terug, nog op de vorige locatie van dit weblog, begon ik een serie stukken waarin ik probeerde uit te leggen waarom Geert Wilders een soort van fascist was. Het is tijd om de draad weer op te pakken en die serie voort te zetten, want ik ben nog steeds deze mening toegedaan. En met de ruzie in het TON en de winst die Wilders prompt in peilingen vangt, is hernieuwe aandacht voor zijn politiek niet overbodig.
Een vrij gangbare methode om thet fascistisch karakter van een persoon of partij (pardon, ‘Beweging’) op te spoiren, gaat ongeveer als volgt. Je geeft een beschrijving van wat fascisme is, met een lijstje kenmerken. Je bekijkt vervolgens de person of organisatie, loopt de checklist af en kijkt of aan (bijna) alle punten is voldaan. Zo ja: fascist. Zo nee: geen fascist. Om met de onder revolutionaire marxisten erkende definitie te beginnen: fascisme is een beweging met de ambitie om een volslagen dictatuur te vestigen en ieder georganiseerd arbeidersverzet met terreur te breken. Zo’n beweging bouwt aanhang door extreem nationalisme en racisme op te stoken; die aanhang wordt geactivieerd in knokploegen en paramilitaire organisaties, die de georganiseerde arbeidersbeweging te lijf gaan. deze beweging krijgt van grote ondernemers ruimte en financiële steun als zij hun positie en hun winsten zodanig bedreigd achten dat zij in hoog tempo loondalingen van tientallen procenten door willen drukken, de sociale zekerheid af willen schaffen, de staat in willen richten als dictatuur zodat ze binnenlands verzet kunnen breken en over de grenzen aan het plunderen kunnen slaan. Maar het zijn niet de kapitalisten die die fascistische massabeweging vormen: het zijn vooral losgeslagen, door crisis wanhopig geworden mensen uit de middenklasse wiens frustraties via nationalisme en racisme gericht worden tegen vermeende dreigingen, en uiteindelijk tege de georganiseerde arbeidersbeweging zelf.
In de vorm van een keurige checklist krijg je dan: 1 vastbeslotenheid de arbeidersbeweging te breken, te verpletteren; 2. streven naar een absolute dictatuur, om ieder herstel van arbeidersverzet langdurig onmogelijk te maken; 3. een, uiteindelijk gewapende, massabeweging die dit gaat doen; 4. nationalisme en racisme als bindmiddel voor deze massabeweging; 5. de kleinburgerij, aangevuld mat gedemoraliseerde, vaak werkloze arbeiders, als sociale basis voor deze massabweweging; 6. (delen van) het grote kapitaal als diegenen wiens belangen deze massabeweging uiteindelijk dient: winstherstel tegen iedere prijs. “De historische functie van het fascisme is het verpletteren van de arbeidersklasse, het vernietigen van de organisaties van de arbeidersklasse, en het verdrukken van de politieke vrijheiden op een ogenblik dat de kapitalisten zelf niet in staat zijn om zelf te regeren en te domineren op basis van ee democratisch apparaat”, zo omschreef Leon Trotski in 1934 de kern in ‘Wither France?’, een stuk over de fascistische dreiging in Frankrijk. Trotski was en blijft de revolutionair aan wie we de scherpste analyses van de opkomst van het fascisme vóór de Tweede Wereldoorlog te danken hebben.
Leggen we deze checklist naast de politiek van Wilders, dan zijn de overeenkomten er, maar ook de verschillen. Ja, de vijandigheid jegens de arbeidersbeweging is groot (punt 1.). Ja, nationalisme en racisme zijn wezenlijk deel van het ideologische bindmiddel dat Wilders hanteert (punt 4.). Ja, de sociale basis, en vooral de ruggengraat ervan, heeft wel degelijk een oververtegenwoordiging van kleine ondernemers en vergelijkbare midenklasse-mensen (punt 5). Ja, economische eisen passen bij de belangen van dat deel van het kapitaal dat geen compromissen meer wil, maar frontaal met verzorgingsstaat en bescherming voor arbeiders wil breken (punt 6.). Maar nee, nergens pleit hij voor afschaffing van democratie en invoering van een openlijke dictatuur (punt 2). En nergens brengt hij knokploegen op de been om tegenstanders aan te vallen (punt 3). Dus kun je Wilders beter geen fascist noemen, luidt veelal de kritiek - vooral vanwege de afwezigheid van knokploegen, van een poging om gewelddadig de straten te veroveren als onderdeel van een strategie om de macht te veroveren. En dus zien we Wilders omschreven met dat afschuwelijk verhullende woord ‘rechts-populist’. Waarom dat verfoelijke begrip in linkse analyses niet thuishoort ga ik een andere keer uitleggen.
Wat in deze checklist-aanpak ontbreekt, is een goed oog voor dynamiek. Je moet niet alleen kijken naar wat iets nu ís, maar naar hoe het zich ontwikkelt, waar het vandaan komt en waar het heen gaat. Als iemand begint als zeer rechtse VVD-er met een islamofobe tic, maar vervolgens met steeds hardere taal richting mensen met een moslim-achtergrond komt, een steeds scherper nationalisme aanjaagt, compleet met loyaliteitseisen en dus dreigende uitbanning als volksvijand van degene die als niet loyaal wordt neergezet; als die iemand een sociaal-economisch programma gaat pushen waarin minimumloon wordt afgeschaft en vakbonden effectief werken onmogelijk wordt gemaakt; als die politicus grof geweld van politiekant aanmoedigt, opsluiting zonder vormen van proces een goede zaak vindt en daarmee minstens enkele methoden van dictatuur begint over te nemen; als die persoon het parlementaire politieke gebeuren enkel en alleen nog gebruikt om zijn boodschap erin te beuken - is iemand dan niet stevig op weg zich te ontwikkelen van een rechtse liberaal naar een… tsja, fascist? Ook als de knokploegen ontbreken - vooralsnog?
Om de zaak te belichten koos ik destijds in mijn serie nu eens eventjes niet voor bovenstaande checklist-aanpak. Ik deed iets anders. Eerst heb ik aangegeven dat ik niet elk autoritair politicus, niet elke generaal-aan-de-macht, niet elke vorm van dictatuur en onderdrukking, zomaar als fascisme bestempel. Daarna ben ik - wel met iets als een checklist in mijn achterhoofd, maar meer inventariserend, rondsnuffelend - begonnen om de opvattingen van Wilders en de PVV in kaart te brengen, en parallellen en verwantschappen naar boven te halen.
Zo heb ik gewezen op het racisme dat, veelal in de vorm van islamofobie, het ideologische stokpaardje van Wilders is. Ik heb laten zien dat dit veel verder gaat dan het alledaagse, helas wijdverbreide racisme van ze-komen-profiteren-van-uitkeringen-en-ze-pikken-onze-banen-in - een innerlijke tegsnstrijdigheid, op de hak genomen in een spotprent op de website van Doorbraak. Het racisme van Wilders gaat verder, het is een mechanisme om ‘het volk’ (de goeden) af te schermen van aangewezen buitenstaanders (de slechten), diede natie bedreigen. Racisme functioneert om nationale loyaliteit af te dwingen, het is zowel bindmiddel van de (potentiële) aanhang als uitsluitingsmiddel van hele bevolkingsgroepen. En met het openlijk erkennen van ongelijkheid van hele bevolkingsgroepen breekt Wilders met het gelijkheidsbeginsel dat ook in beperkte vormen van democratie althans formeel hoog wordt gehouden. Ook hier betoont Wilders zich geestverwant van fasctisctische stromingen.
Verder belichtte ik de autoritaire trekken in Wilders’ programma, en de economische doelstellingen waar die neigingen bij pasten. Zijn economische programma houdt een zeer verregaande aanval op arbeidersrechten inhoudt. Ik zei erbij dat het zeer onwaarschijnlijk was dat vakbonden de afschaffing vanhet minimumloon zomaar gaat accepteren. Doorvoering van dit soort dingen betekent een hevige botsing met vakbonden en links. Wil Wilders dat winnen dan heeft hij aan het gangbare optreden van politie en justitie niet genoeg, dan zal hij de methoden van een politiestaat moeten hanteren.
Of hij zich dat realiseert weet ik niet. Maar de economische kern van Wilders’ programma is wel degelijk een impliciete oproep tot een keiharde dictatuur. Wilders’ autoritaire geluiden over internering zonder proces en het met scherp laten schieten op ‘relschoppers’ wijzen erop dat hij van dictatuur-methoden op zijn minst niet afkerig is.
Tot zover was ik vorig jaar iongeveer gekomen. In komende stukken komt wel degelijk ook het ontbreken van knokploegen, en de waarde daarvan als definiërend kenmerk, aan de orde. Wordt dus vervolgd…