De SP en de Algemene Beschouwingen

19 september, 2009

Een onderwerp dat ik in mijn vorige stuk over de Algemene Beschouwingen goeddeels heb laten rusten, is de opstelling van de Socialistische Partij in de debattten. Die opstelling viel opzichzelf niet tegen. Maar de keus van Agnes Kant om een motie van wantrouwen van rechts tegen het kabinet te steunen, vond ik onjuist en erg riskant.

Agnes Kant hamerde in haar bijdrage keer op keer op de verschraling van de publieke sector vanwege de vermarkting, het doordrukken van marktwerking in allerlei sectoren, openbaar vervoer, zorg, noem maar op. Ze verweet het kabinet om – ondanks de crisis de voortkomt uit doorgedreven marktwerking nen hebzucht-boven-alles – stug door te gaan met de huidige koers. Ze pleitte hardnekkig voor keuzes op de publieke sector weer echt publiek te maken, en de markt daaruit weg te werken.

Ze pleitte voor een paar eerste concrete eerste stappen. Eén zo’n stap is het in staatshanden nemen van vervoersbedrijf Connexion om het om te bouwen tot een Nederlandse Busmtaas tschappij. “Het is mooi geweest met het mislukte experiment met marktwerking in het busvervoer.” Een andere eerste stap: “We stoppen met de marktwerking in de thuiszorg.” Daarvoor heeft de SP een eigen wetsvoorstel ingediend.

Natuurlijk nam ze ook fel stelling tegen het plan om de AOW-leefijd tot 67 jaar te verhogen.  Dat plan noemde ze “ongewenst: Als je 65 bent is het mooi geweest (…) Een beschaafd lant gunt ouderen hun welverdiende rust.” Ze noemde het plam ook “onzinnig” en “onnodig: de AOW is helemaal niet onbetaalbaar.” Allemaal ware en nuttige woorden, en op de fronten van strijd tegen marktwerking en tege slechtere sociale zekerheid levert de SP nog steeds nuttig werk.

Ook deed Kant in haar bijdrage een nadrukkelijke oproep om de oorlogsmissie in Afghanistan stop te zetten, en zelf een stap te zetten: “Haal de Nederlandse troepen terug!” Ook dat is een goede zaak. In de debatten die volgden was ze bovendien vrij hard tegen Wilders, en ook dat  was niet bepaald verkeerd.

Minder blij ben ik met de inzet voor de politie waar de SP de laatste tijd zo’n stevig nummer van maakt. Jazeker, “meer blauw op straat” klinkt goed, in oren van mensen die een op zichzelf niet onredelijke zorg hebben over veiligheid en criminaliteit. Maar een redelijke bezorgdheid verdient ook een redelijk antwoord: meer politie dient niet de veiligheid, maar eerder de orde. En juist degenen die vechten voor een anders, socialer soort orde, komen keer op keer de politie tegen: met dwangbevelen, met boetes, met helmen en wapenstok. Links dient de politie niet te behandelen als  zomaar een groep arbeiders wiens sociale eisen gesteund dienen twe worden. Links hoort de politie  te zien voor wat ze in feite is: de knokploeg van het kapitaal, heel ouderwets gezegd. Dat daarmee niet het laatste woord over op zichzelf terechte zorgen rond veiligheid en criminaliteit gezegd is, mag duidelijk zijn. De drie-hoeraatjes-voor-onze-dienders houding waar de SP de laatste tijd zoveel uiting aan geeft, bevalt me niets.

Echt verkeerd ging het met de vertaling van de SP-opstelling in stemgedrag. De PVV van Wilders had meteen woensdag al een motie van wantrouwen aangekondigd;  de VVD volgde in de loop van donderdag. De SP steunde uiteindelijk de motie van wantrouwen.

Directe aanleiding was de lompe en botte houding van Balkenende over vragen die Agnes Kant aanhoudend stelde over bezuinigingen op zorg en dergelijke. “Ja, de plaat blijft een beetje hangen”, voegde de premier Kant vinnig toe. Dat was de druppel. Maar de hele houding van de premier die alle kritiek afwimpelde had al kwaad bloed gezet bij haar.

Uiteindelijk steunde ook Agnes Kant de motie van de VVD. Ze zei: “de opstelling van de premier is een premier onwaardig. Hij gaat vragen uit de weg, toont geen visie en zijn aanpak mist iedere mate van daadkracht. Ik kan daarom na vandaag niemand meer uitleggen waarom de SP vertrouwen hebben in dit kabinet.”  

Wat moeten we daar nu van denken? Natuurlijk toont het kabinet wèl visie: een visie waarin bezuinigen centraal staan, maar nog even worden uitgesteld om om de zaken niet erger te maken als heze al zijn. Het is, in de woorden van Maina van der Zwan, “dezelfde als de voorgaande kabinetten: een maatschappij waarin winst voor de top boven alles gaat.” De kritiek op de visieloosheid van het kabinet is wat mij betreft net zo min erg terzake als de kritiek op het ontbrekend leiderschap van Balkenende, waarik woensdag over schreef. 

En ik mag toch hopen dat vóór gisteren de SP toch óók al geen vertrouwen meer had in het kabinet? Dat bleek uit het eerdere betoog van Kant, maar ook uit de hele opstelling van de SP tegen dit kabinet: oppositie voeren, niet als tijd stevig genoeg, maar toch. Van vertrouwen was geen spreke, de SP hoort niet bij de meerderheid waaraan de regering haar steun ontleent. Van vertrouwen in reële zin was aldoor al geen sprake. Het idee dat pas gisteren een eind aan dat vertrouwen kwam, zoals Kant impliceert, lijkt me absurd.

Wat een motie van wantrouwen doet is feitelijk: de regering manen tot vertrek. Door zo’n motie niet te steunen, spreek je geen inhoudelijk vertrouwen uit, maar je erkent er simpelweg het feit mee dat dee regering nu eenmaal over een Kamermeerderheid beschikt en dus, in parlementaire termen, legitiem regeert. Een motie van wantrouwen die een Kamermeerderheid achter zich krijgt, laat zien dat de regering die Kamermeerderheid niet meer heeft. Voor een motie van wantrouwen stemmen betekent: zeggen dat de regering moet opstappen.

Nu vind ik in principe dat elke kapitalistische regering dient op te stappen, liever vandaag dan morgen. Maar niet elke soort van opstappen is op elk moment onder alle omstandigheden een stap vooruit. De motie van de VVD worteld in de réchtse kritiek die deze partij op het kabinet heeft: het kabinet is te slap en stelt hoognodige bezuinigen uit. Het kabinet is niet rechts genoeg, dát is de kritiek. De PVV-motie is uiteraard  ook een aanval van rechts.

Agnes Kant onderkende wel het verschil tussen haar houding en die van de VVD. “De SP maakt heel andere keuzes dan het kabinet, maar ook dan de VVD”, zei ze in een toelichting op haar steun aan de VVD-motie. Punt is en blijft dat ze, hoezeer ze in woorden zich ook onderscheidt van de VVD, ze een initiatief van die partij steunt. Een succes van die motie zou het kabinet ten val hebben gebracht, ten gunste van réchts. Het had de deuren geopend voor een verkiezingscampagne waarbij VVD en PVV – in toenemende mate zij aan zij, met Hans Wiegel als bruggenbouwer tussen die twee – frontaal in de aanval zouden kunnen gaan. Het wegsturen van het kabinet, op inititatief van rechtse en uiterst rechts, verdient van een linkse partij op dit moment dan ook geen enkele steun.

Uit een reconstructie in de Volkskrant blijkt – gelukkig! – dat het steunen van een motie van wantrouwen binnen de SP ook omstreden was. “Bij de socialisten waren ze flink verontwaardigd  over ‘de minachting’ voor de kamer van ‘deze norse’ premier. Maar  een motie van wantrouwen steunen van de VVD nota bene, was niet vanzelfsprekend. De liberalen wilden immers het kabinet naar huis sturen omdat er te laat en te weinig werd bezuinigd. Niet een standpunt van de SP-fractie. De voorstanders binnen de SP deden dat argument van hun twijfelende collega’s af als ‘Haags geneuzel’.” Soms is Haags geneuzel écht Haags geneuzel. maar hier werd ‘Haags geneuzel’ als scheldwoord gebruikt tegen mensen die zich nog enigszins linkse tactieken en strategische keuzes weten te herinneren: géén steun aan agressief rechts, ook niet tegen een vijandig kabinet. Onder de twijfelende collega’s bevond zich trouwens een zekere Jan Marijnissen, die zich “op de vlakte (hield)”.

We mogen hopen dat de SP haar talloze zinnige en woorden in de Algemene Beschouwingen, combineert met daden, en omzet in actie. We moen eveneens hopen dat de neiging tot het spelen van doodenge parlementaire spelletjes binnen de SP voldoende omstreden is om ervoor te zorgen dat zoiets niet weer gebeurt. Maar ergens op rekenen wat dit betreft? Dat zou getuigen van grote, onverantwoordelijke naïviteit.


Over de Algemene Beschouwingen

17 september, 2009

Gisteren en vandaag heb ik flinke stukken van de Algemene Beschouwingen – de gedachtenwisseling tussen kabinet en Tweede Kamerfracties naar aanleiding van Prinsjesdag en Miljoenenota – aan mij voorbij zien trekken. Zoals wel vaker zwabberden de woordenstromen heen een weer tussen enerzijds een meest middelmatig maar soms werkelijk amusant cabaret, en anderzijds het voorleen van een telefoonboek of een technische handleiding. Maar er zijn toch wel enkele lijnen van politieke tegenstelleningen ichtbaar geworden, en erg hoopvol stemmen die breuklijnen niet.

De kern van de strijd in Den Haag gaat over de timing en omvang van grootschalige bezuinigingen. Het kabinet zegt: er zijn enorme bezuinigingen nodig, we stellen ambtelijke werkgroepen in om die in te vullen, maar zolang de crisis  woedt. Maar zolang de recessie woedt, doet grootschalig bezuinigen meer kwaad dan goed, we wachten er dus nog mee. Niet dat er helemaal niet bezuinigd wordt, maar de grote klappen – gemotiveerd met een enorm oplopende staatsschuld – komen later.

Oppositiepartijen – vooral de VVD, maar ook D66 – willen niet wachten met bezuinigen. Vooral de VVD wil meteen het mes in de begroting zetten, en dat wordt van-dik-hout-zaagt-men-planken. Maar D66 – dat vooral in uitgaven rond sociale zekerheid en reïntegratie het mes  wil zetten – kan er ook wat van. Dit geeft Balkenende en de regeringspartijen in zijn reactie brede ruimte om zich te profileren als toch wel min of meer sociaal tegenover de hardvochtigheid van liberale zijde.

Zo krijgen we een debat tussen de rechts-van-het-middenkoers van het kabinet enerzijds, en het veel hardere rechts van de twee neoliberale partijen VVD en D66. In een gevecht tussen halfslachtig rechts en hard rechts is hard rechts in het voordeel. Dat blijkt ook nu: regeringspartij CDA hamert er inmiddels op dat de invulling van de grootschalige bezuinigingen voortvarend, per direct, moet worden aangepakt. Daarmee is het zwaartepunt in de discussie al naar rechts verschoven.

Een tweede thema dat erg centraal stond in de debatten was een observatie die dwars door rechts en links heen liep. “Waar is de premier?” vroeg Femke Halsema (GroenLinks)keer op keer, terwijl ze het ene beleidsterrein na het andere afliep. Pechtold stelde op soortgelijke wijze vast dat de regering niet regeert maar eindeloos voor zich uitschuift, en benoemde Sint Juttemis tot beschermheilige van het kabinet. Vanuit Rutte hoorden we iets dergelijks. Allemaal smeken ze om leiderschap, om een premier die als vader des vaderlands ons door de crisis leidt, op weg naar prachtige vergezichten.

Het vergezicht van GroenLinks was veel socialer en milieuvriendelijker dan dat van D66 met haar zwaartepunt op een dynamische moderne economie. Dat gelukkig wel: niet élk verschil tussen links en rechts in in het vage rechts-ban-het-midden-modderbad verzopen. Terzijde: ik vond het opvallend hoezeer de GroenLinkse verhalen leken op het betoog van Arie Slob van de Christenunie, althans waar het sociale en ecologische punten betrof. Beiden maakten bijvoorbeeld duidelijk dat ze van de – klimaat-rampzalige – kolencentrales af wilden. Maar zou de CU zich schrap zetten op dit punt binnen d’t kabinet? Ik moet het zien.

Maar het gaat me  nu vooral om de rol die aan Balkenende werd toegedicht. Falend leiderschap is wat hem werd verweten. Ik snap dat van rechtse partijen. Maar een links politicus die een rechtse premier smeekt om leiderschap en voorbeeldfunctie bevalt me een heel stuk minder.

Links dient een premier als Balkenende niet aan te kleden als potentiële redder die nalatigheid en uitstel wordt verweten, hoe grappig ik de oneliner van Halsema ‘Wanneer valt Sint Juttemis dit jaar?” op zich ook vond. Links dient zo’n premier tegemoet te treden als ware het de aanvoerder van het vijandelijk kamp – want dat ís de premier van dit kabinet. De constructieve laten-we-er-een-goed-gesprek-over-hebben en waarom-gaat-de-premier-nu-niet-inhoudelijk-op-mijn-vragen-in? – houding van zowel Kant (SP) als Halsema geeft de regering veel te veel krediet en speelruimte. We hebben een destructieve regering dat leiding geeft aan een destructief bestel en een in essentie destructief beleid, en links dient hier een destructieve, diep-vijandige houding tegenover in te nemen.

Een derde debatlijn stelde de overgrote deel van de fracties tegenover de PVV van Wilders. Die nam uiteraard de gelegenheid weer waar om tegen de “islamisering” aan te trappen. Zijn misselijke voorstel om 1000 euro belasting op een hoofddoek – alleen op een ‘islamitische’ in de stad! Niet op hoofddoeken op het platteland, niet op keppeltjes… –  te heffen stond hiervoor symbool. Zijn  beledigende taal waarmee hij dit bepleitte – en die kennelijk al min of meer gangbaar is geworden, want hij kwam er mee weg -  zette zijn hetze nog eens verder aan.

Maar Wilders deed meer: de behandeling van gevangenen behendig afzetten tegen de schamele omstandigheden waaronder veel ouderen moeten leven. De kosten die de opvang van vluchtelingen meebrengt afzetten tegen de financiële noodzaak om de AOW-leeftijd omhoog te gooien naar 67 jaar. Minder uitgeven aan migranten, vluchtelingen – maar ook aan gevangenen, heel handig van hem om een dag na de ontsnapping van een vrouwenhandelaar-met-verlof! – zodat we ‘onze bejaarden’ beter kunnen behandelen, zelfs ‘in de watten leggen’. Nationalisme, racisme en autoritaire politiek gingen op subtiele wijze hand in hand – en daarbij bespeelde Wilders ook themas die doorgaans het terrein van links zijn, zoals goede zorg voor kwetsbare groepen zoals ouderen.

Het betreft hier trouwens – maar ook dat is voor een andere keer – geen werkelijke stap van Wilders naar links, zoals de NRC dat eens heeft getypeerd. Het laat veeleer een verschuiving zien van een vooral neoliberale politiek, gecombineerd met fel racisme (Wilders als VVD-er en ook nog de eerste tijd van zijn PVV) – naar een politiek voor wie neoliberalisme helemaal niet heilig is maar die bovenal een machtsbasis voor de vestiging van een racistische politiestaat zoekt. Het is een indicatie van de steeds duidelijker fascistische inslag van de PVV.

De rest van de fracties – regering zowel als oppositie – wees vrijwel eensgezind de toon, houding en voorstellen van Wilders af. We hoorden bij de een na de andere politicus, van halsema en kant tot en met Pechtold en Balkenende – roerende verhalen over wat voor samenleving we willen, dat iedereen er bij hoort, dat we geen bevolkingsgroepen gaan wegzetten, dat overlast en wangedrag moet worden aangepakt maar dat iedereen ook een eerlijke kans en een welkome plek in de samenleving verdient te krijgen. Geen ruimte voor het wereldbeeld van Wilders met zijn islamofobe racisme, zijn uitsluiting van moslims buiten de gemeenschap van Ware Nederlanders dus! tegelijk ook weer consessies aan de geest waarin Wilders werkt. Daartoe reken ik het voorstel van CDA-fractieleider Van Geel om huwelijksmigratie nog wat moeilijker te maken.

Dat klinkt op het eerste gezicht heel goed: allemaal samen tegen Wilders. Toch is er een zeer wezenlijk probleem. Als regeringspartijen preken over harmonie, integratie, iedereen die tot zijn recht mag komen en in haar of zijn waarde wordt gelaten, dan gelóóf ik ze niet. Het gaat om partijen die jaar na jaar de kaalslag van sociale zekerheid, de overal oprukkende marktwerking, de uitholling van de levensstandaard, de verhoging van de werkdruk alle ruimte hebben gegeven. Dit alles om bedrijfswinsten en een concurrerende economie te bevorderen.

Dit heeft de leefbaarheid jaar na jaar ondermijnd, het samenleven van mensen ondermijnd, een ieder-voor-zich-mentaliteit steeds meer gestimuleerd. Dit ís geen maatschappij waar iedereen tot zijn racht kan komen, net met Wilders maar ook niet zonder. Het beleid werkt die toestand in de hand, en als beleidsmakers die hiervoor verantwoordelijkheid dragen nu naar Wilders wijzen, dan zijn hun op zichelf niet onjuiste woorden doordrenkt van hypocrisie.

Dit hele beleid – dat al tientallen jaren met variaties wordt doorgeet, door wisselende combinaties van partijen – heeft heel veel mensen schade gedaan en daardoor tot onvrede geleid. Wilders slaagt er in toenemende mate in om zich tot spreekbuis van die onvrede te maken en er een ergiftige racistische draai aan te helpen geven. Als degenen die mensen kwaad en chagrijnig hebben gemaakt met hun beleid, één van de spreekbuizen van het chagrijn de les gaan lezen over zijn onverdraagaamheid, dan zullen veel mensen die op Wilders stemmen of dat overwegen, zich eerder extra bevéstigd voelen, niet alleen in hun chagrijn, maar ook in hun keus voor die volksmisleider die Wilders is. Boos praten tegen Wilders en tegelijk mensen van hun bestaanszekerheden blijven beroven hélpt Wilders meer dan het hem schaadt. Natuurlijk zou het óvernemen en naar de mond praten van Wilders door de gevestigde politiek nog ernstiger zijn. maar de stellingname van bijvoorbeeld Balkenende tegenover Wilders is geen betrouwbaar schild tegen Wilders en is niet bepaald vrij van hypocrisie.

Links moet daar afstand van houden en een eigen lijn trekken. Afwijzing van Wilders met zijn racisme en zijn autoritaire ‘oplossingen’ dient gecombineerd te worden met een consistent verzet tegen al datgene dat mensen chagrijnig, en daarmee kwetsbaar voor Wilders’ verleidingen maakt. Stelling nemen tegen de komende bezuinigingen, opkomen tegen marktwerking waar die zich maar voortdoet, en het terugdringen ervan afdwingen en tegelijk opkomen tegen het racisme waarmee juist slachtoffers van bezuinigingen en marktwerking tegen elkaar opgezet worden, zodat ze zich minder kunnen verweren. Herstel, wederopbouw, van een strijdbare solidariteit tegen zowel Wilders als de bezuinigingen van rechts en nog wat rechtser aan de onderkant van mensen van allerlei afkomst is de kerntaak van ieder links dat serieus genomen wenst te worden.


Ramadan onterecht ontslagen

18 augustus, 2009

De gemeente Rotterdam heeft Tariq Ramadan, werkzaam als integratie-adviseur in die stad, vandaag ontslagen. De reden die daarvoor is gebruikt is het feit dat Ramadan ook werkt voor Press TV, een door de Iraanse staat gefinancierde omroep. Volgens mij is die reden een vals voorwendsel. Ramadan is slachtoffer geworden van een campagne vanwege het feit dat hij zijn opvattingen beargumenteerd vanuit zijn interpretatie van de Islam. Zijn ontslag is geen stoer antwoord op medeplichtigheid aan dictatuur; zijn ontslag is een soort van beroepsverbod, ontslag vanwege de ideëen en religieuze achtergronden van de man, en als zodanig een verwerpelijk ontslag.

Tariw Ramada werkt sinds twee jaar als integratie-adviseur voor de gemeente Rotterdam. Eerder is al geprobeerd de man beentje te lichten, vanwege vermeende homofobe en vrouwvijandige uitlatingen. Bij onderzoek bleek dat echter niet hard te maken: “uit uitputtend bronnenonderzoek bleek vorige week dat Ramadan (46) in het verleden geen homofobe en vrouwvijandige uitspraken zou hebben gedaan”, schreef de NRC destijds. Hij mocht blijven. De VVD stapte om die reden boos uit het gemeentebestuur.

Overigens is het best mogelijk, zelfs niet onwaarschijnlijk, dat er problematische kanten zitten aan Ramadans opvattingen over vrouwen- en homorechten. Dat geldt voor veel filosofen of politici met een christelijke achtergrond eveneens. Maar dán wordt er zelden een groot probleem van gemaakt. De ChristenUnie, een partij die het recht op abortus afwijst en openstelling van het huwelijk voor homo’s en lesbo’s eigenlijk ook maar niks vindt, is nota bene deel van het Nederlandse kabinet. Ramadan aanvallen en regeringsdeelname van de CU acceptabel vinden, dat is meten met twee maten. Gelukkig slaagde de aanval destijds dus niet.

Maar afgelopen week werd opeens het feit dat Ramadan – overigens al vanaf 2008 - werkzaam is voor Press TV aanleiding voor Leefbaar Rotterdam en VVD, maar treurig genoeg ook de SP – aanleiding om het ontslag van de man te eisen. Ramadan legt in een fel maar waardig stuk uit dat hij inderdaad een nprogramma presenteert voor Press TV, dat hij daarin niet gehinderd wordt door de regering van Iran, en aan de orde kan stellen wat hij wil, en dat hij de onderdrukking in Iran verwerpt. Dat kun je afdoen als mooie woorden. Je kunt, zoals Asfhin Elian doet, het pure feit dat je werkt voor een Iraans staatsmedium, afdoen als medeplichtigheid aan onderdrukking en dictatuur. Dat lukt echter slechts zolang je niet weet of wil weten wat Press TV brengt aan berichtgeving.

Ja, het is een staatsomroep. Nee, het is geen pure propagandazender. De verdeeldheid die met de verkiezingsprotesten ook binnen het bewind aan de dag is getreden, weerspiegelt zich bijvoorbeeld binnen Press TV. De omroep berichtte over de protesten – weinig welwillend (net zo min als de NOS erg welwillend over protesten tegen de Nederlandse regering bericht). De omroep meldt ook uitspraken van oppositieleiders over de protesten, en ontwikkelingen in de oppositie. Zo doet Press TV vandaag verslag van het feit dat ex-president Khatami en oppositiekanididaat  Karoubi deel gaan nemen aan de opositionele beweging die door de meest prominente oppositiekandidaat Mousavi is opgericht. Dat is nieuws, en het is nieuws dat het bewind niet bepaald welgevallig al zijn. 

Press TV is geen pure propagandazender. Press TV is een staatszender zoals de BBC, in een bewind dat de totale greep op staat en media niet bepaald weet te garanderen. Het feit dat deze zender kritische geluiden enigszins door laat klinken, is teken daarvan. Wie voor zo’n omroep een programma maakt is daarmee nog geen betaalde propagandist voor een dictatuur. Een serieuze reden tot ontslag dient dat dan ook niet te zijn. Of het wijs en wenselijk is om voor zo’n omroep te werken, is een andere discussie.

Volgens mij ligt de werkelijke reden dan ook ergens anders, en Ramadan wijst daar zelf in zijn brief ook op. “Vanwaar die beschuldigingen die alleen op mij van toepassing lijken?  het antwoord is simpel: bij de keuze van een ‘moslim-intellectueel’  tot doelwit, is hun echte agenda de politiek van het moslimpesten en de angst.” Dat lijkt mij een juiste observatie. het ontslag van Ramadan is feitelijk een indirecte knieval voor het van rechts – door Geert Wilders en zijn PVV, maar ook door teveel anderen – steeds harder aangejaagde islamofie. Dat de SP hier als linkse partij in mee meende te moeten gaan, is verachtelijk.


De onzin van de ‘Islamisering’

7 augustus, 2009

Hét grote angstbeeld waar een fascist als Wilders mee schermt is de angst voor Moslims, de angst voor wat hij Islamisering noemt: het idee dat er steeds meer moslims naar nederland -en Europa komen, dat  die moslims hun godsdienst en bijbehorende praktijken meenemen en op proberen te leggen aan de rest van de maatschappij, endat dit slecht is voor niet-moslims. Door op die angst te hameren wint hij steun, en leidt hij tegelijk de aandacht af van allerlei werkelijke problemen. Over de ruggen van moslims wordt Wilders sterk; angst voor moslims werkt tegelijk als bliksemafleider.

Er zijn verschillende manieren waarop tegenstanders van de PVV en dergelijke op deze angsten in dienen te gaan. Het is nodig om te snappen dát mensen angstig zijn, maar dat het verkeerd is om die tegen Moslims en de Islam te richten. De echte angst heeft te maken met bestaansonzekerheid, het gevoel dat ‘Den Haag maar wat doet’, en dat het ‘daarboven allemaal zakkenvullers ‘ zijn – maar ook met het gevoel dat mensen speelbal zijn van krachten waar ze geen greep op lijken te hebben: ‘de economie’, ‘de globalisering’. Die angsten zijn géén onzin.

De onzin begint waar Wilders die angsten een draai geeft en suggereert: het is allemaal de islam, de immigrattie, de moslims, dáár gaat het geld heen, daar gaat de macht naar toe. Tegenstanders van Wilders moeten die onzinnige draai tegengaan, maar de onderliggende boosheid erkennen en zelfs délen. Ja, er is een elite, die negeert gewone mensen en verrijkt zichzelf over onze ruggen. Daar heeft de islam verder niets mee te maken. Sterker, die ruggen van ons zijn net zo goed ruggen van moslims – doorgaans arme mensen – als van niet-moslims. ‘Wij’ – dat zijn moslims en niet-moslims aan de onderkant sámen. 

Wat Wilders doet is niet wérkelijk anti- elitair of anti-establishent Hij houdt de woede juist wég van het legitieme doelwit ervan – de machthebbers, economisch en politiek – door de woede vooral tegen moslims, en tegen die delen van de politiek die niet meegaan met zijn racisme – te richten. Een serieus links dat Wilders echt de weg naar de macht wil versperren moet authentiek anti-elitair durven te zijn. Zo’n links déélt en verwoordt de boosheid  die nu verkeerd wordt gericht op een goede en goed gerichte manier. Dat is punt één.

Maar tegelijk ontkomen we ontkomen er niet aan om in te gaan op de beweringen die islamofobe racisten als Wilders verspreiden: over het groeiende aantal moslims, en de gevolgen die hij daaraan toedicht. Of we dit nu leuk vinden of niet, veel mensen hechten er geloof aan. Ze typeren als leugenpraat om de aandacht af te leiden is juist, maar we moeten ook wel even áántonen dat het leugenpraat is.

De BBC komt met een aardig voorbeeld. Die neemt een YouTube-film onder de loep waarin met allerlei cijfers over aantallen moslims wordt gestrooid. De aantallen worden gecheckt, uitspraken geverifieerd, en dan blijkt er weinig van te kloppen. Dee bewering dat moslims in Frankrijk zoveel kinderen krijgen dat  het land binne 38 jaar een islamitische  republiek zou zijn bijvoorbeeld. Volgens het fimlpje zou hetgeboortecijfer van Franse moslims 8,1 procent zijn. Maar dat kan gewoon niet kloppen: in Marokko en Algerije,  de landen waar demeeste Franse moslims of hun voorouders vandaan kwamen, is dat cijfer slechts 2,38. Nérgens is er een geboortecijfer van 8,1.

Over Nederland wordt in het filmpje beweerd dat over 15 jaar de helft van de m bevolking uit moslims bestaat. Dat zou echter betekenen dat moslims 14 keer zo veel kinderen krijgen als niet-moslims. Niet erg geloofwaardig. De vice-president van het Duitse bureau voor statistiek zou gezegd hebben dat Duitsland tegen het jaar 2050 een moslim-staat is, vanwege de groei van het aantal moslims. Nader onderzoek leert dat de man wel  heeft gesproken over de groei van dat aantal, maar dat de uitspraak over Duitsland als moslimstaat er gewoon bij is verzonnen: de man heeft zoiets niet gezegd.

Dit soort onderzoek en weerlegging is zinnig, keer op keer op keer, hoe vermoeiend het ook is. Maar er moeten twee dingen aan worden toegevoegd. Allereerst gaat het niet alleen om aantallen moslims als zodanig. Het hele idee dateen toenemend aantal moslims een proces van ‘islamisering’ zou betekenen, is kwaadaardig verkeerd, en wel op twee manieren.

Allereerst is er naast immigratie en bevolkingsgroei door meer  geboorten dan sterfte nog een ander proces gaande: secularisatie. Het CBS kwam onlangs met gegevens die laten zien dat het aantal moslims dat een moskee bezoekt in Nederland  afneemt. “Het aantal gelovigen dat minimaal een keer per maand naar een moskee gaat is in 1o jaar tijd  met 12 procent punt afgenomen: van 47 naar 35 procent”. En ook: “Vorig jaar ging de helft van de moslimbevolking bijna nooit of nooit naar de moskee. Een kwart  van de moslims gaat wekelijks of vaker.” Het CBS zegt ook dat het percentage moslims al vier jaar lang gelijk is gebleven. Hoe op deze manier over 15 jaar de helft van de bevolking uit Moslims kan gaan bestaan – zoals het eerder door de BBC ontlede filmpje beweert – is wel erg onduidelijk… 

Het beeld van de snel toenemende aantallen moslims klopt niet – en het idee dat bijna al die moslims hele fanatiekje gelovigen zijn klopt evenmin. We zien geen Islamisering van de Nederlandse maatschappij; we zien secularisering van (onder meer)  de moslimgemeenschappen. Er is gewoon een aanzienlijke bevolkingsgroep ontstaan van mensen met een moslim-achtergrond.

En wat is het probleem – zelfs al zóú die de meerderheid krijgen?! Ik woon al 12 jaar blijmoedig en ontstpannen in een provincie met een forse Katholieke meerderheid, deels ongetwijfeld zeer gelovig, deels verregaand geseculariseerd, deels daartussen in. Doodnormale situatie. Waarom zou het minder normaal zijn als ern een sooortgelijke meerderheid zou zijn, maar dan van moslims? Die meerderheid zit er niet bepaald aan te komen – maar zelfs al zou zoiets gebeuren – wat is daar erg aan?! 

Alleen voor wie bezwaar heeft tegen de huidskleur die moslims veelal hebben is er een probleem. Maar daarmee wordt de onderliggende houding van het anti-moslim sentiment dat Wilders aanwakkert blootgelegd: doodgewoon racisme.


Griezelige wetgeving tegen immigranten in Italië

5 juli, 2009

De Italiaanse regering – een coalitie van ‘gewone’ rechte politici met halve en hele fascisten – heeft een wet door het parlement gekregen waarmee immigranten nog harder kunnen worden onderdrukt dan eerder. Er is gelukkig protest tegen de wet. Maar dat protest is vooralsnog tam – veel te tam.

De wet zelf maakt verblijf zonder verblijfsvergunning strafbaar’. ‘Illegale’ migranten kunnen boetens van ettelijke duizenden euro’s krijgen. De regering mag  ‘illegale’ migranten ook langer opl sluiten: tot zes maanden (dat was tot nu toe twee maanden). Mensen die migranten zonder de vereiste papieren helpen, onderdak bieden en dergelijke, worden ook strafbaar. De maximale straf op het verhuren aan iemand waarvan je weet dat die  ‘illegaal’ is wordt drie jaar cel.

Griezelig is ook de bepaling dat er burgerwachten mogen komen die de politie gaan helpen tegen de misdaad. Dat is korenm op de molen van regelrechte fascisten. En inderdaad werd er snel een groepering opgericht onder de naam  ‘Italiaanse Nationale Garde’.  Die wilde met uniform en fascistische symbolen gaan patrouilleren. Zelfs minister Roberto Maroni van Binnenlandse Zaken van de Noordelijke Liga, de regeringspartij die gangmaker is achter  deracistische anti- immigratie-wetgeving, vond dit te bar. De groep krijgt geen toestemming, eerst worden de bepalingen  uitgewerkt waaraan burgerwachten moeten voldoen.

De wetgeving tegen immigranten wordt gepresenteerd als misdaadbestrijding. De parallel met het gestook van een zekere Wilders tegen ‘Marokkaanse straatterroristen’ (lees: hangjongeren van marokkaanse herkomst) is nogal helder. Wie wil weten hoe Nederland er uit dreigt te gaan zien als Wilders ooit gaat regeren, doet er sowieso goed aan om naar Italië te kijken. Misschien dat het mensen motiveert om eens onder ogen te zien wat er op het spel staat.

Hoerzeer de atmosfeer in Italië vergiftigd is met racisme, blijkt ook uit een eerder incident.  Een parlementslid van de Noordelijke Liga stelde in mei voor om aparte wagens in de metro van Milaan te reserveren voor geregistreerde inwonders van Milan, en voor vrouwen. gewoon een uitbreiding van de aparte voorzieningen die er al zijn voor bijvoorbeeld invaliden, zo zei hij. Tegelijk moest hiermee de misdaad bestreden worden en het gevoel tegengegaan dat Milanezen ‘tweedeklasburgers’ in hun stad waren. Uit dat laatste blijkf het diepere motief: angst en afkeer van vreemdelingen, omgezet in een stukje apartheid in het  openbaar vervoer. Hoe het met het voorstel is afgelopen weet ik niet. Er was nogal wat kritiek, zelf Fini – eerder aanvoerder van  ‘post-fascistische’partij en minister van binnenlandse zaken onder een eerdere Berlusconi-regering – maakte bezwaar.

Maar het tekent het klimaat in het land, dat dit soort voorstellen sowieso geopperd worden. En in andere streken is dit soort scheiding al doorgevoerd. In Foggia zijn aparte busroutes, voor bewoners en voor immigranten! En in Treviso bepaalde de gemeente dat alleen Italiaanse burgers en mensen die er minstens vijf jaar legaal verbleven steun vanwege de economische crisis konden krijgen.

De nieuwe wetgeving tegen immigranten ontmoet gelukkig wel protest. “Amnesty International zegt dat de wet kwetsbare mensen in het land treft en afbreuk doet aan de rechten van migranten.” Zelfs het Vaticaan sprak bezorgdheid uit. Er is bovendien een hoopgevende oproep van schrijvers tegen de wetgeving. “De regering van Berlusconi heeft, met veiligheid als voorwendsel, wetten doorgedrukt… zoals we die niet meer gezien hebben sinds het doorvoeren van de fascistische rassenwet.” Onder meer Dario Fo, toneelschrijver en Nobelprijs-winnaar, ondersteunt deze verklaring.

Het is íéts, en het verdient grote waardering. Hopelijk wordt het een aanzet om tot meer, en steviger, activiteiten te komen om de racistische regeringspolitiek te verslaan.


Lichtpuntjes

11 juni, 2009

Tussen het overwegend treurige verkiezingsnieuws van de afgelopen week kom ik ook wat actuele lichtpuntjes tegen, van die vrolijkmakende en soms werkelijk bemoedigende berichten. Bijvoorbeeld:

Bij de Euroverkiezingen won de British National Party (BNP) twee zetels. De BNP is een nazi-partij, waar alleen ‘echte’  Britten lid van mogen zijn. Dat bracht bij veel linkse mensen een schokeffect teweeg, het was een dieptepunt van een verkiezingsuitslag die toch al bol stond van narigheid.

Maar de triomf die de nazi’sscoorden werd verstoord door antifascisten. De baas van het nazi-spul, Nick Griffin, wilde zijn overwinning kracht bijzetten met een persconferentie. Antifascisten sloegen alarm en gingen erheen. Ze jouwden hem uit, sommige gooiden eieren zijn kant op. 

Griffin moest vluchten, verdreven door mensen die juist nu blijk gaven één ding heel goed te snappen. Nazi’s van het BNP-type verdienen geen énkele ruimte om in georganiseerd verband hun vergif wereldkundig te maken en om daarmee de weg te banen voor intimidatie, terreur en uiteindelijk een nieuwe dictatuur.

Lenin’s Tomb, waar ik ook het mooie nieuws vond, heeft een overzicht van misdaden waar BNP-ers bij betrokken zijn geweest. Het gaat van oproepen tot rassenhaat tot en met groepsverkrachting. Ja, ik accepteer de noodzaak, in dit soort situaties, van hardhandig, niet per definitie geweldloos, actievoeren tegen nazi’s. Ik vond dit daarom goed nieuws.

Beter nieuws nog kwam uit het bedrijf Veolia. Deze onderneming doet in vervoer en dergelijke. De standsbussen in Tilburg zijn bijvoorbeeld van Veolia. Het bedrijf heeft haar hoofdkwartier in Frankrijk maar zit in tal van landen. Eén van de projecten waarin het bedrijf aan meedeed, was het Jerusalem Light Rail project. Met dee light rail worden Joodse nederzettingen op gestolen Palestijns land met elkaar verbonden.

Actievoerders zetten zich al een flinke tijd in voor een BDS-camb\pagne: Boycot, desinvestering en sancties. Eéén van de bedrijven waar ze zich op richtten was veolia, vanwege dit project waarmee het bedrijf meewerkt aan de bewettingspolitiek van Israël.

Eergister kwam het geweldige nieuws: Veolia trekt zich uit het project terug. Het feit dat het bedrijf andere contracten misloopt, kennelijk deels vanwege de boycot-campagne, speelde hierbij volgens berichtgeving een rol. Anders gezegd: acties tegen collaboratie met Israëls bezetting en onderdrukking boekte resultaat. Nogmaals: geweldig nieuws, dat een vervolg dient te krijgen in een verder aanscherpen en uitbreiden van de wereldwijde BDS-campagne, waartoe al in 2005 door tal van Palestijnse organisaties is opgeroepen (gevonden via een toelichting over BDS  op de website van het Nederlands Palestina Komitee.

(Voordat iedereen reageert: ja, het is Griffin, niet Griffith. Inmiddels verbeterd).


Resultaten Europese verkiezingen: nachtmerrie met lichtpunten

11 juni, 2009

Even doorbijten nog, er is nog meer verkiezingsmisère die ons aangrijnst vanuit de stembus na de Europese verkiezingen. Het patroon dat we in Nederland zagen – afkalving van links, versterking van vooral hard en radicaal rechts – zien we, met variaties, in land na land na land.

Een schokkende variatie zien we in Groot-Brittannië. het regerende Nieuw Labour stort daar in. Niet vreemd, met alle schandalen over declaraties van parlementsleden, en na 12 jaar beleid waar marktwerking een binnenlandse afbraakpolitiek vertegenwoordigde, en oorlogsdeelname (Irak vooral) een buitenlands afbraakbeleid. Labour-kiezers zijn in groten getale thuisgebleven – terwijl rechtsere kiezers wél op kwamen dagen. Zo werden de Conservatieven de grootste, de rechtse Eurosceptici van UNIP wonnen veel en werden tweede. Als macabere klap op de vuurpijl: twee zetels in het Euro-parlement voor de fascisten van de BNP.

Van andere landen word je niet veel vrolijker. Oostenrijk: nederlaag voor de sociaal-democraten, verdubbeling van het stemmental van de Vrijheidspartij, de uiterst rechtse partij van de onlangs in een ongeluk omgekomen Jörg Haider. Ze stonden er vorig jaar in peilingen nog beter voor volgens de BBC, maar dat is een schrale troost. Finland: groei van de zeer rechtse partij Ware Finnen tot bijna 10 procent. Hongarije: Jobbik, hard rechts en racistisch: van niets op drie zetels. Denemarken: 14,5 procent van de stemmen en een zetel erbij voor de Deense Volkspartij, geestverwanten van Wilders.

Niet al het nieuws is zo treurig,  en daarin liggen lessen verborgen. Redelijk nieuws uit België, op het eerste gezicht althans. Daar  voor het eerst het Vlaams Belang (voorheen Vlaams Blok) flink teruggevallen. Maar de winnaar is daar de rest van hard rechts: de Lijst Dedecker – “een populistische partij die lijkt op de Nederlandse PVV”, aldus de NRC – wint 7.6 procent in Vlaanderen. Flip de Winter zegt dat de nederlaag van zijn Vlaams belang te wijten is aan “de versnippering op rechts”. Dat ziet hij waarschijnlijk goed. En dat versnipperde de rechts sámen rukt nog steeds op. Voor links is hier weinig troost uit te halen.

Frankrijk biedt wél positief nieuws. Ook daar doet sociaaldemocratisch links het slecht: de Socialistische Partij ging van 28,9 naar 16,8 procent. De rechtse regeringspartij rond president Sarkozy boekte met 28 procent een overwinning. Maar andere delen van rechts verloren. Opvallend was de tamelijk schamele 6 procent die het fascistische Front National wist te vergaren. Dat is anders geweest: nog in 2002 haalde de aanvoerder ervan, Le Pen, de tweede ronde van de presidentsverkiezingen.

Hoe verklaren we dit? Ik denk dat enkele zaken een rol spelen. Frankrijk is een land waar arbeiders keer op keer in actie zijn geweest: tegen bezuinigingen, tegen een arbeidswet die jonge mensen dreigde te veroordelen tot een zeer onzekere rechtspositie, tegen ontslagen. Frankrijk is het land waar arbeiders al een handvol keren een manager opsloten om te zorgen dat er rekening mnet hun eisen gehouden  werd. Er is  al een naam voor dit actiemiddel: het Engelse woord ‘bossnapping‘! Dit soort gebeurtenissen schept een sfeer waarin links – stevig en radicaal links -  kan gedijen, en waar fascistisch rechts – dat nationale eenheid van arm en rijk predikt, en dus huivert als arm haar kracht mobiliseert tegen rijk – weinig mee kan.

En, in tegenstelling tot veel andere landen heeft radicaal links met deze situatie haar voordeel gedaan. De Nieuwe Antikapitalistische Partij NPA - voortgekomen uit de trotskistische LCR maar breder van opzet – is hiervan een goed voorbeeld. Deze partij, die nog maar kort bestaat, won 4,9 procent. De restanten van de ooit sterke Communistische Partij hadden zich gebundeld met een aantal socialisten en haalden 6,7 procent. Zelfs met deze verdeeldheid wist stevig links dus nog meer dan 10 procent van de stemmen te vergaren.

Als het nu eens zou lukken een volgende keer tenminste veer verkiezingen de krachtente bundelen en met één radicaal-linkse lijst te komen. En als het nu voorál eens zou lukken om de beweging van arbeiders in de bedrijven zelf en op straat te verstevigen, en daar stevig in te wortelen… want daar ligt de kracht van een links dat er toe doet. We hebben een links van de stráát nodig, geen links van de stáát, hoe belangrijk verkiezingen als krachtmeting ook kunnen zijn.

Opvallend, en deels afwijkend van de trend in andere landen, is de uitslag uit Griekenland. Daar wónnen de sociaal-democraten, PASOK, terwijl Nieuwe Democratie -  een conservatieve formatie – verliest. Hier lijkt de landelijke context zeer bepalend. Nieuwe Democratie regéért, en is juist daardoor impopulair. Het land kent de ene grote staking na de andere, er heerst een stevige anti-regeringsstemming, en PASOK, als belangrijkste oppositiepartie, profiteert daarvan. Daarbovenop komt de inmpact van de golf van opstandigheid in december vorig jaar. Die brak los toen een politieagent een jongen doodschoot. Tienduizenden jongeren reageerden met demonstraties, belegeringen van politiebureaus, grote rellen. Veel oudere mensen in Griekenand hadden op zijn minst begrip voor de boze jeugd. Intussen zet de crisis ook in dat land door, met de bekende gevolgen voor mensen toch al niet rijk zijn.

De PASOK deed er veel aan om de woede onder mensen beschaafd en gezagsgetrouw te houden. maar ze  riep wel de regering tot aftreden op. Het is niet vreemd dat veel mensen de rechtse regering voor haar bezuinigingen en haar autoritaire beleid wilden afstraffen door op PASOK te stemmen.

De nederlaag van rechts was trouwens kleiner dan verwacht. Maar dat gold ook voor de opkomst: iets boven de 50 procent. Stemmen in Griekenland is verplicht, betrokkenheid bij verkiezingen doorgaans groot, zegt een BBC-verslaggever, dus deze lage opkomst zegt wel iets.

Hoopvol daarbij is dat ook radicaler links stemmen trok: de KKE (Communistische Partij) kwam op 8,35 procent en 2 zetels: Syriza, een radicaal-linkse bundeling kwam op 4,1 procent en één zetel. Dit hangt ongetwijfeld ook samen met de talrijke arbeidersacties en de opstand van eind vorig jaar waarin beide stromingen een rol speelden en spelen. Beangstigend is tegelijk dat LAOS – alweer een radicaal-rechtse groepering – 7,15 rocent en 2 zetels wist te scoren.

Er is nog wel meer positief nieuws. Zo valt de uitslag van Groenen en daarmee verwante partijen op. In Frankrijk was er bijvoorbeeld een bundeling van Groenen en andere progressieven waaronder de befaamde andersglobalistische actievoerder Jose Bove, onder aanvoering van Daniel Cohn Bendit (in 1968 boegbeeld van opstandige studenten in Parijs) veel stemmen. In Nederland deed GroenLinks het goed. Op Europese schaal wisten de gezamenlijke Groene partijen hun zeteltal uit te breiden van 43 in 2004 naar 52 nu; het stemmenpercentage ging van 5,5 naar 7,1.

Er is op de politiek van de Groenen flink wat aan te merken: niet echt anti-neoliberaal, vrij meegaand met de vrije markt, sterk pro-Europees, feitelijk een milde sociaal-democratische politiek met extra aandacht voor het milieu. Je ziet dat bij GrienLinks ook. Maar mensen die de verrotte gevestige  sociaaldemocratische partijen de rug toe keren en naar Groene partijen gaan, zoeken kennelijk een soort van progressief alternatief tegenover labour, de PvdA en noem maar op. Zij bewegen, hoe voorzichtig ook, naar links, en dat is positief. Een radicaler links al veel van deze mensen om zich heen weten te bundelen – als dat radicale links kracht, stevigheid en geloofwaardigheid uit weet te stralen.

Genoeg even voor nu, qua verkiezingen. Er staan trouwens twee hele nuttige artikelen over de verkiezingen op Lenin’s Tomb: “Elections: good, bad, and ugly” en “Poring through the wreckage”. Vooral ook de commentaren erbij zijn, tussen het onvermijdelijke gezeur in, ook goudmijntjes van informatie en inzichten. Nuttig, verontrustend vaak, maar soms vermakelijk ook. Niet verkeerd, in deze dagen van post-electorale depressie en een epidemie van post-verkiezings-stress-syndroom.


Verkiezingen 4 juni: gevaarlijke nederlaag van links deels door eigen toedoen

7 juni, 2009

De laatste dagen heb ik de verschrikking van verkiezingsdag op me in laten werken, rondgekeken nar reacties en analyses. Met tegenzin en huiver zet ik me nu toch maar aan enig schrijfwerk erover. Er is niet zo heel veel tijd meer te verliezen voordat via parlementsverkiezingen het Eerste Kabinet Wilders op het bordes van Huis den Bosch zijn opwachting maakt, beschermd door geüniformeerde Gardisten van Geert. Die tijd kunnen we maar beter goed benutten, dan is er een kans dat het niet zover komt.

Wat is er gebeurd, afgelopen donderdag? Voordat ik nader inga op de doorbraak van Wilders en zijn PVV zijn er algemener punten te maken over deze verkiezingen. Het zijn vragen die bij elke verkiezingen centraal horen te staan, en het zijn er in essentie twee.

De eerste vraag ziet verkiezingen als een krachtmeting tussen links en rechts. De vraag is dan: wie won? ‘Links’ staat daarbij voor de partijen die ee parlementaire uitdrukking vormen (hoe vervormd ook) van stromingen binnen de arbeidersbeweging en daaraan verbonden sociale bewegingen (milieubeweging bijvoorbeeld). Het gaat hier om SP, GroenLinks en, jawel, ook nog altijd de PvdA. ‘Rechts’ zijn de partijen die een parlementaire uitdrukking van stromingen en groepen binnen de ondernemersklasse en daarmee verbonden sociale lagen (management, hoge ambtelijke en militaire top) vormen. Het gaat hier om CDA, VVD, PVV, CU, SGP en, jawel, D66 (al Pechtolds progressieve taal op sommige punten ten spijt). Vraag hier is: wie won? Links, of rechts? Ook verkiezingen weerspiegelen uiteindelijk de klassenstrijd. om het maar eens lekker ouwerwets te zeggen.

Maar er woedt niet alleen strijd tussen links en rechts, tussen arbeidersklasse en bazenklasse. Er woedt tegelijk ook een strijd bínnen beide kampen. Er is de strijd tussen aanpassingsbereid sociaal-liberaal links (PvdA) en radicaler, min of meer anti-neoliberaal links (SP), met GL in een tussenpositie. Er is een strijd tussen mainstream rechts (CDA, VVD en CU), en hard, radicaal rechts (PVV, maar op een andere manier ook SGP), met D66 in een bijzondere tegenstrijdige positie. De vraag is hier: wie won en verloor bínnen de beide kampen: de harde rechter- en linkservleugel, of de mainstream-velugels van rechts en links?

En dan zijn er altijd nog de specifieke issues. In dit geval was  dat vooral de houding tegenover Europa, haar rol en bevoegdheden en haar eventuele uitbreiding. Het is de aandacht híervoor die in de beeldvorming centraal kwam te staan, waardoor het lijkt alsof niet de klassentegenstellingen, maar de strijd tussen Eurofielen en Eurosceptici de hoofdzaak vormde. In verband hiermee ziet politiek analist Mark Bovens zelfs een nieuw soort tegenstelling de politieke arena beheersen: die tussen kosmopolieten en nationalisten (beiden te vinden in rechtse en linkse edities), tussen voorstanders van een internationaal georiënteerde open maatschapij en een nationaal en naar binnen gekeerd Nederland. En dan is er natuurlijk nog de race tussen regeringspartijen en oppositie. Ook die staat haaks op het wezenlijke links-rechts-gevecht, met een regering waar één linkse partij meedoet met twee rechtse, een een oppositie waar stevig links en vooral hárd rechts de boventoon voeren.

Terug eerst naar de hoofdvragen! Enig rekenwerk laat zien dat links als geheel een  zware nederlaag heeft geleden. PvdA (van 7 in 2004 naar 3 zetels nu), GL (van 2 naar 3), SP (was 2, blijft 2): dat si samen een daling van 11 naar 8 zetels. Aan de rechterkant van de barricade: CDA (van 7 naar 5), CU/SGP (was en blijft 2), D66 (van 1 naar 3), VVD (van 4 naar 3), en PVV ( van niets naar 4): samen een stijging van 14 naar 17 zetels. rechts heeft nu meer dan twee keer zoveel zetels als links in het Europese parlement.

Vergeleken bij de Tweede Kamerverkiezingen ziet de zaak er nog akeliger uit. CDA (Van 41 naar 31), CU/SGP (van 8 naar 10), D66 (van 3 naar 17), VVD (van 22 naar 18), PVV( van 9 naar 26): samen gaat rechts van 83 naar 102. PvdA (van 33 naar 19), GL (van 7 naar 13), SP (van 25 naar 11): samen gaat links van 65 naar 43 zetels. Slimme rekenaars zien al dat bij het optellen van rechts en links in totaal de 150 (het aantal kamerzetels) niet wordt gehaald. Dat komt omdat ik de Partij voor de Dieren niet heb meegeteld: die haalde in 2006 twee zetels en zou nu omgerekend 5 zetels halen (in het Europarlement haalden ze er geen trouwens). Zal ik ze maar bij links optellen? Dan haalt links nu 47 zetels tegenover 67 in 2006. Niet echt een aanvulling die de pijn erg verzacht.

In 2005  hadden mensen het nog over een linkse meerderheid die in zicht zou komen, nu wint links minder dan een derde van de zetels. Het linkse stemmentotaal (de Dierenvrienden meegerekend) bedraagt nu 31,6 procent, tegen 66,5 procent voor rechts (de opvullingnaar de 100 procent zit in percentages voor kleine partijen die geen zetels haalden). Er zijn tijden geweest dat alleen al de PvdA net zoveel stemmen haalden als heel links gezamenlijk nu. Zo ernstig is de situatie.

Laten we nu eens kijken wat er bínnen de beide kampen is gebeurd. Ter rechterzijde zijn de grote verliezers het CDA en in mindere mate de VVD. Opvallende winnaars zijn D66 en de PVV, terwijl CU (samen met SGP ) gelijk bleef. Het verlies van het CDA is simpel te verklaren: een impopulaire regering, geleid door een CDA-premier, wordt gestraft door de leidende partij ervan de rug toe te keren. De VVD – rechtse oppositiepartij – zou daar garen bij spinnen, maar omdat er een nog veel réchtsere oppositiepartij nog veel meer lawaai tegen het kabinet maakt dat Rutte’s Roofridders, belandt de VVD een beetje tussen wal en schip. Omdat ze echter niet meeregeert, wist ze de schade nog enigszins te beperken. De overwinning van de PVV is in dit licht vooral een overwinning van een keiharde rechtse oppositie, in politiek maar vooral ook in retoriek. Het verschuift de verhoudingen tussen rechts en links, in het voordeel van rechts als geheel. Maar ook binnen rechts schuift de zaak verder naar rechts.

De groei van D66 lijkt hiermee in strijd, maar dat is goeddeels schijn. Pechtolds partij profiteert van het feit dat ze in de oppositie zit, en dat stevig laat horen ook. De partij, vooral de aanvoerder, nam keer op keer ook venijnig stelling tegenover Wilders, en trekt daarmee mensen die uit morele overwegingen de PVV volstrekt verafschuwen. Een flink deel van de D66-kiezers komen dan ook bij links vandaan, bij PvdA en GL. Zou het kunnen zijn dat die mensen de linkse partijen te soft vinden tegenover Wilders? En zou hier misschien een les voor links in kunnen zitten? Het lijkt erop dat D66 met linksige retoriek mensen van het linkse naar het rechtse kamp heeft helpen oversteken.  Een helder principieel geluid van linkse partijen tegen Wilders had veel van deze mensen wellicht aan de linkerkant kunnen houden.

En laten we ons niet vergissen: op sociaal-economisch vlak is D66 niet zomaar rechts maar hárd rechts, onverzettelijk in haar neoliberalisme. SP-kamerlid Ronald van Raak laat dat in een column zien, en verwijst bijvoorbeeld naar D66-Euro-aanvoerster Sophie in’t Veld. Die reageerde op de sociale ramp die postbodes wacht vanwege liberalisering met een kil: “Tja, je hebt winnaars en verliezers.” En D66 was een paar maanden geleden ook ontevreden over de voorzichtigheid waarmee het kabinet met de verhoging van de pensioensleeftijd omsprong. D66 is hier hárder dan het kabinet, réchtser. Op dit punt – daarin heeft Van Raak gelijk – vertoont de partij raakvlakken met die van Wilders. Oh, trieste ironie: anti-Wilders-sentimenten die een partij helpen die er op economisch punt zulke verwante en asociale ideeën op na houdt.

Wenden we de blik even naar het gehavende linkse kamp. De nederlaag van de PvdA is verklaarbaar, en op zichzelf zelfs zeer verdiend. De partij zit in een regering die zich bezighoudt met het redden van bankiers en het slopen van pensioenen, een regering die een rechts beleid hooguit wat opleukt met progressieve randversiering, genoeg om Wilders boos te maken, maar volstrekt onvoldoende om mensen werkelijk uitzicht op een beter en meer solidair bestaan te bieden. Voor rechtse mensen is het kabinet niet rechts genoeg, en linkse mensen herkenen hun doelen er niet in terug . Dus laat links de PvdA in de steek, zoals rechts het CDA de rug toe keert.

Je zou verwachten  linkse mensen dan in groten getale hun hei zoeken bij hárder, stevig links. Je zou verwachten dat de afbrokkeling van de PvdA vertaald zou worden in de groei van de SP. Zo ging dat in 2006 wel, en eigenlijk al veel langer. Maar nu gaat het anders: terwijl de PvdA in vrije val geraakt is, maakt de SP pas op de plaats. Ze houdt haar zetels, wint er vergeleken bij de Europese verkiezingen van 2004 wat stemen bij, maar de groei is eruit. Sterker: vergeleken met de piek van 2006 valt de SP zeer sterk terug: van 25 kamerzetels toen naar omgerekend 11 nu. Dat zijn er maar drie meer dan in 1998 en 2002. De triomfantelijke taal van Agnes Kant op verkiezingsavond“We hebben opnieuw gewonnen” – is dan ook zeer misplaatst. De SP heeft, net als links als geheel, verlóren, en dat kan ze maar beter onder ogen zien ook.

De reden voor het verlies zouden wel eens deels kunnen liggen de hele toon van de campagne, deels in de steeds verder oprukkende gematigdheid in stellingname van de partij. In de toon domineerde het “minder Brussel”-geluid. Ons knusse Nederland tegen dat enge Europa dat ons de wet voor wil schrijven, dat was de sfeer. Ja, kritiek op de ínhoud van dat Europa, op de via Europa opgelegde vrije-markt-politiek, ontbrak niet. Maar teveel domineerde het geluid dat de herkomst van het beleid – Brussel in plaats van Den Haag – het probleem was.

De SP voerde hier feitelijk een door nationalisme doortrokken campagne. Dat maakte haar tot rechtstreekse concurrent van de PVV die dit ook deed, maar dan zónder de anti-neoliberale invulling. Zo kreeg je een wedstrijd tussen soft nationalisme (SP ) en keihárd nationalisme (PVV). In die wedstrijd was de PVV in het voordeel, omdat die op dit punt géén aarzeling en terughoudendheid vertoonde. En tussen vaagheid en duidelijkheid wint duidelijkheid het doorgaans. Dus profiteerde de PVV en niet de SP op dit thema, een thema dat sowieso bij réchts thuishoort en niet bij links dat immers ínternationalistisch en niet nationalistisch hoort te zijn.

Intussen opereerde de SP de laatste jaren ook steeds meer als een gewone sociaal-democratische partij. Haar opstelling is, zowel inhoudelijk als qua stijl, steeds meer die van een constructieve oppositie. De website van de SP staat vol met trotse berichten hoe SP-voorstellen in de Kamer  tot bijstellingen van beleid hebben geleid. Het is bijna mééregeren-zonder-minister wat de partij doet.

Daarmee verwaarloost ze een kerntaak van het hárde links dat nu nodig is: oppositievoeren – op straat en vooral ook erbuiten! Ja, de SP ís bij acties en betuigt steun. Maar de SP is al veel langer geen partij waarin die acties centraal staan; het werk van de fractie is het middelpunt, acties zijn ondersteunend daarvoor bedoeld. De laatste jaren echter is ook het parlementswerk steeds braver, steeds keuriger geworden. Daarmee bewijst ze niet alleen de noodzakelijke strijd tegen rechts een slechte dienst; ze schaadt hiermee ook steeds duidelijker haar eigen verdere kansen op groei.

Juist nu broeit er immers onder zeer brede lagen van de bevolking een grote woede. Die gaat over van alles door elkaar. Het gaat over achterblijvende lonen en uitkeringen, terwijl topmanagers zich topbeloningen en topbonussen toeëigenen. Het gaat over buurten die verloederen, woningen die verkrotten, over overlast van jongeren die zich vervelen, over criminaliteit in die buurten. Het gaat over een onbetaalbare zorgpremie, over prijsstijgingen in het OV. Het gaat de laatste maanden ook steeds meer om baanverlies en de angst om baanverlies. Het is een cocktail van frustraties en woede, en in de kern van teréchte woede. En terwijl deze mensen nauwelijks het hoofd boven water weten te houden, stopt minister Bos miljardenom banken en verzekeringsfirma’s overeind te houden. Maar werkelijk iets doen voor de gewone mensen? Ho maar.

Het is déze woede waar links geen uitdrukking aan weet te geven. En dát betekent dat rechts – vooral maar niet uitsluitend de PVV - er, vrijwel ongehinderd, haar éígen uitdrukking en invulling aan weet te geven. Dat komt neer op  racisme, moslims-de-schuld-geven, en dus de aandacht wegtrekken van de achterliggende oorzaken van de narigheid: bezuiniging, baanverlies, mensen en hun voorzieningen die worden afgedankt omdat het winstmotief dat vereist. En terwijl hard rechts de moslims de schuld geeft, mompelt links dat het niet aardig en niet netjes is om dat te doen.

Maar keihard zeggen: de woede is terécht, laten  we – wat voor kleur, levensbeschouwing of achtergrond we ook hebben - de echte oorzaken aanpakken, dat is er nauwelijks nog bij. Niet bij de PvdA, die als meeregeerder mee verantwoordelijk is voor de groei van de woede. Niet bij GroenLinks die op sociaal-economisch terrein maar weinig van de PvdA verschilt en geeneens moeite doet om wat voor volkswoede dan ook te verwoorden. Maar ook niet sterk meer bij de SP die daar ooit nog wel aardig bedreven in was.

Zelfs de tóón van woede op dit kabinet is bij de SP-politici vrijwel gaan ontbreken. Wie wil horen hoe het klinkt als een politicus de regering tot aftreden oproept, kan tegenwoordig alleen nog bij Wilders terecht. Mede dáárdoor krijgt die man nodeloos veel ruimte om zich als rebel, als aanvoerder van boze volksmassa´s te profileren. Links laat het wat betreft het bundelen en richting geven van deze woede vrijwel volledig afweten. Dáárom profiteert links niet van de afkeer die veel mensen van dit kabinet voelen. Daarom verliest binnen links juist ook de SP, van wie je zoiets het meest zou verwachten en waarbij je de afwezigheid ervan het scherpste mist.

Opvallend binnen links is dat GroenLinks vooruitgaat, en vrij fors ook. De partij profiteerd van het simpele feit dat ze niet meeregeert. Verder profileert ze zich als een iets linksere PvdA. Wie die partij dus de rug toe keert, om bovengenoemde of andere reden geen verttrouwen in de SP heeft en D66 toch wat te yuppig vindt, kan bij GroenLinks terecht. Vrijwel dezelfde soort politiek, maar zonder  de  ongeloofwaardigheid die meeregeren de PvdA momenteel weer eens bezorgt. Tegelijk denk ik dat de soms relatief stevige uitspraken van bijvoorbeeld Femke Halsema  tegen Wilders enige aantrekkingskracht hebben op mensen die zich juist op dat punt zorgen maken. Juist op ook op dit punt stelt de SP ook zo teleur. Maar op andere punten is GroenLinks nog veel meegaander met de hoofdstroom dan de SP. Een geloofwaardig alternatief voor wie echt stevig links wil stemmen is GroenLinks niet. Zo’n alternatief ís er nu niet.

Hoe gaat links uit het diepe dal komen waar het zichzelf met haar eigen slappe opstelling (variërend van beleefde oppositie zonder diepe indruk te maken tot zelfs meeregeren met rechts) in heeft laten werken? Het zal moeilijk worden, het zal denkwerk vergen, pijnlijke vragen oproepen en mogelijk nog pijnlijker antwoorden  – voor alle delen en stromingen van links, niet alleen voor de parlementaire vleugels ervan wiens falen we hierboven hebben geschetst. Ongetwijfeld meer hierover op dit weblog.

Een leestip tenslotte: Pepijn Brandon heeft een goed scherp artikel over de verkiezingsuitslag geschreven op het weblog van de Internationale Socialisten. Lezen, die handel. Maar wel terugkomen hier ook, want ik ben bepaald nog niet klaar.


Overwegingen rond verkiezingsdag

4 juni, 2009

Ja, ik ben vandaag wezen stemmen. Als bewoner van Tilburg mocht ik zelfs twee stembiljetten invullen en (zoals een medewerkster van het stembureau mij kordaat doch vriendelijk instrueerde) in twee verschillende stembureau’s deponeren. Het eerste papier was voor het Europese parlement. Het tweede was voor een plaatselijk referendum.

Waarom stemmen? Níét omdat daar de macht ligt om wezenlijk dingen te veranderen Een anarchistische leus luidt (ongeveer): als stemmen wat uithaalde, zouden ze het afschaffen. Helemaal onzin is dat bepaald niet. Toch is stemmen zinnig, onder de huidige omstandigheden zelfs bittere noodzaak.

Vertegenwoordigende organen – gemeenteraden, parlementen van landen en van Europa – hebben niet de wezenlijke macht. Maar het zijn wel plekken waar om invloed wordt gestreden – een invloed die uitstraalt op de hele maatschappij. Als rechts en uiterst rechts hun mensen naar de stembus krijgen, en links blijft thuis, dan versterkt rechts zijn positie, onnodig onbelemmerd door  zelfs minimaal tegenwicht. Wie Wilders en de PVV de mars naar de staatsmacht wil versperren, moet óók in het Europees parlement de stem uitbrengen op krachten die tegen het fascistische gif uit die hoek links tegenwicht bieden. Thuisblijven betekent: Wilders helpen, rechts helpen. No f*cking way, wat mij betreft.

Ik heb gestemd op de SP. Dat deed ik óndanks hun verkiezingspraat over “minder Brussel”, want  het gaat me niet om de nationale zelfstandigheid tegenover een Europese superstaat-in-wording. Mij maakt het niet uit of kwalijke politiek nu via landelijke politieke instellingen wordt geregisseerd of via ‘Europa’.

Wat mij tegenstaat is de ínhoud van dít Brussel, déze EU. Die inhoud is neoliberaal, met de grote bedrijven als motoren en voornaamse belanghebbenden. Die inhoud is militaristisch met stappen naar een zelfstandige legermacht om de belangen van die bedrijven desnoods tegenover concurrenten door te drukken (om over lastig volksverzet maar te zwijgen). Die inhoud is racistisch, met de opbouw van een Fort Europa dat gericht is op het deels uitsluiten, deels onderwerpen van vluchtelingen en arbeidsmigranten, door  hun de toegang maximaal te blokkeren, ze te intimideren en uiteindelijk indien mogelijk te deporteren.

Met dit Europa heb ik níéts. Met een Europa waarin de meerderheid een breuk met het neoliberalisme, het militarisme en het racisme doordrukt, heb ik véél. Ik kan me redelijk vinden in een uitspraak in een pleidooi van Egbert Schellenberg, afgedrukt op het weblog van de Internationale  Socialisten. Hij is bestuurder van FNV-bondgenoten en sloot zijn betoog af met: “Het is mij niet gevraagd maar ik had de SP geadviseerd campagne te voeren met de leus ‘Een ander Brussel, een socialistisch Brussel’.”

De SP is  – en dat is een reden voor mijn keus – een politieke uitdrukking van strijd in de goeie richting. De partij maakt zich sinds jaar en dag hard tegenover de neoliberale agenda die de Nederlandse en vooral ook de Europese politiek beheerst. Haar kreet “Minder Brussel” neem ik niet over; maar veel van de kritiek die ik heb op dít Brussel zie ik wel degelijk verwoord door de SP. Dat geldt overigens helaas veel minder waar het de twee andere pijnlijke zaken betreft: militarisme en racisme.

Ik heb even getwijfeld over Solidara, een nieuwe linkse politieke partij die ook meedeed. In haar beginselprogramma  is die veelal goed links, met een scherpe afwijzing van het neoliberalisme, een pleidooi voor nutsinstellingen weer in gemeenschapshanden en dergelijke. Ook komt ze sterk op tegen discriminatie en racisme. Dat krijgt in de partij meer aandacht dan in de SP, en dat is een pluspunt in deze Wildersiaanse barre tijden.

Waarom heb ik toch niet op deze groepering gestemd? Mijn bezwaar is drieledig. De partij is, meer dan de SP, vrijwel losgekoppeld van activisme buiten parlementaire instellingen. Het is een pure parlementaire partij. De SP ondersteunt haar parlementaire werk nog steeds veelvuldig met allerlei acties op straat. En hoewel die acties ondergeschikt zijn aan het werk van de politici, zorgen ze toch voor een iets strijdbaarder dynamiek in en rond die partij – met altijd de mogelijkheid dat acties een eigen leven gaan leiden, aan de greep van gevestigde SP-politici ontglippen. De SP is reformistisch, parlementair, niet revolutionair, net zo min als Solidara; maar het is in de SP een veel activistischer, strijdbaarder, reformisme, waarmee revolutionairen toch raakvlakken hebben. Versterking van de SP helpt héél links, juist ook búíten de gevestigde politieke arena. Bij Solidara is het zelf-doen wel heel erg ver naar de achtergrond verdwenen. Verandering is daar toch wel heel erg een kwestie van  meedenken met en stemmen op de goeie politic die het dan wel zullen regelen. Mooie ideeën, maar geen strijdbare praktijk, veel minder althans bij de – op zich bepaald al niet glorieuze – praktijk van de SP.

Daarnaast zijn en kleinere bezwaren. Solidara accepteert, tussen al haar radicalisme door, het koningshuis als bindmiddel in de maatschappij. Ik vind dat onzin. Deze maatschappij verdient óntbinding, en  van daaruit verragaande omvorming. Eenheid als leus tegen discriminatie die verdeeldheid zaait is best. Maar eenheid van heel deze – door klassentegenstellingen gepolariseeerde – maatschappij is een illusie die de onderliggende klasse zich niet kan permitteren.

Hetzelfde geldt trouwens voor de illusie – ook door Solidara gepredikt – dat de NAVO zich om moet vormen tot VN-vredesmacht. De VN is geen vredesclub, maar een verzameling kleine en grote roofmogendheden. Maar deze bezwaren zijn niet fundamenteel: ook in het SP-programma staan zat dingen waar ik me niet echt in kan vinden.  Op zijn minst geldt echter wel dat de Solidara-opstelling rond koningshuis en NAVO mijn aanvechting om de SP de rug toe te keren als stembuskeus niet bepaald vergroot heeft.

Een derde bezwaar ligt in de wortels van Solidara. Die liggen in de SP, en wel op haar réchterflank. De groepering is ontstaan nadat de huidige aanvoerder Yilderin niet accepteerde dat de SP – volgens afspraak – bepaalde dat hij niet in de Eerste Kamer mocht komen, ook al had hij voorkeursstemmen van enkele Statenleden. De SP zei – terecht naar mijn idee – dat afspraken over zetelbemensing een partijzaak zijn, waar de SP via haar kanalen (in dit geval partijbestuur en partijraad) over te beslissen had. Het gaat niet aan dat afzonderlijke vertegenwoordigers daar op eigen houtje doorheen fietsen, dan neem je een loopje met de partijdemocratie, hoe problematisch die soms ook functioneert.

Een soortgelijk punt geldt rond de afdrachtregeling die de SP hanteert (inkomsten van volksvertegenwoordigers gaan naar de partij; die geeft de volksvertegenwoordigers dan een, lagere, vergoeding). Ook dat was een bron van onvrede her en der. Maar dit zijn gewoon afspraken binnen de SP; wie dat niet wil moet zich inzetten voor verandering van die afspraken, of anders een andere partij zoeken.

Rond dit soort kwesties groeide binnen de SP wat ongenoegen, em mede daar is Solidara uit geboren. Nogmaals: in deze zaken had de SP gelijk, en critici als Yilderin ongelijk. Dat de SP haart gelijk soms op botte manier doordrukte -  de redacteur van het partijblad Tribune moest daardoor het veld ruimen – is waar, maar doet aan de kern van het conflict niet wezenlijk af. Solidara is in dit soort zaken mínder solidair als organisatie, meer individualistisch, met meer ruimte voor individuele kopstukken om hun eigen gang te gaan, dan de SP. Ik vind dat een zwakte. Want sympathiek vind ik veel van wat ik lees op de Solidara-website  verder wel degelijk. Het is een club om in de gaten te houden, hoe deze nog jonge organisatie zich verder gaat ontwikkelen ligt open. Maar voor deze verkiezingen vond ik het geen goede optie.

Andere partijen kwamen niet in aanmerking. Rechts sowieso niet, of het nu het rabiate racistische rechts van de PVV was, of pro-Europees neoliberaal rechts van D66, of alles ertussenin, van VVD, CU en CDA. Links was er ook weinig. Niet de PvdA, met haar nauwelijks nog herkenbare sociaal-democratische wortels en haar politiek die een wat bijgeschaafd neoliberalisme predikt. Niet GroenLinks, dat weinig meer biedt dan een iets linksere uitvoering van de PvdA. Niet de Partij voor de Dieren ook. Eerst een Partij voor de Mensen, zoals een goede vriend van me onlangs droogjes opmerkte (als ik het me goed herinner).

Goed. Dat was de  menukaart voor het Euro-parlement. Weinig smakelijk, maar ik heb dus een draaglijk gerecht weten te vinden. Maar er was ook nog een plaatselijk referendum in Tilburg. Dat ging over een mall, een groot modern winkelcentrum dat aan de noordrand van de stad zou moeten komen. Een prachtig idee van projectontwikkelaars, in samenspraak met gemeentebestuurders. We verzinnen wat grote winkels, leggen parkeerterreinen aan, plus wat horeca. Laat de mensen maar komen, en laat het geld maar weer rollen.

Natuurlijk heb ik tegen deze flauwekul gestemd. Niewt vanwege de middenstand in Tilburg die bang is klanten kwijt te raken aan de nieuwe winkelboulevard: ik kies niet tussen oude middenstand en de nieuwe snelle rijken achter dit soort projecten. Ze zijn allebei op mijn klandizie en mijn geld uit, mijn bondgenoten zijn het geen van allen.

Nee, ik heb nee gestemd, omdat het wéér een uitbreiding is van stadsgebied ten koste van een toch al steeds afnemende groene omgeving. Zo’n mall brengt weer meer verkeersstromen, meer lawaai, en meer vervuiling mee, in een provincie die al pijlsnel verstedelijkt en dagelijks minder leefbaar en ook nog eens minder mooi wordt.

En ik heb nee gestemd om het klassieke argument van voorstanders  af te straffen: ‘als  de mall niet in Tilburg komt, dan komt-ie wel ergens anders.’ Precies dit soort arrogante chantage is eigen aan een economie waar concurrentie en winstbejag domineert. Precies dit soort chantage verdient net zo’n hard nee als dat winstbejag en die concurrentie zelf. Nee dus, nee, en nogmaals nee. En als dat betekent dat het onding in Breda voorbereid gaat worden, of in Den Bosch, dan hoop ik dat de bevolking daar in meerderheid ook een effectief nee laat klinken.

Dat waren mijn overwegingen eventjes rond deze verkiezingsdag. Over de uitslag ben ik nog maar even kort: zij winnen groot, wij winnen klein. Dramatisch is de doorbraak van de PVV, tot tweede partij met 4 Euro-zetels. Allen het CDA is met 5 zetels nog groter. Dat is een grote, gevaarlijke overwinning voor rechts.

Het kabinet verliest via nederlagen van PvdA en CDA (CU/SGP bleven gelijk), maar links profiteert niet. Dat de SP gelijk blijft in zeteltal, en iets gegroeid is qua stemmen, is niet verkeerd maar heft de kwaadaardige ruk naar rechts niet op.

Een schale troost bij dit alles: de voorstanders van de Tilburgse Mall-ligheid lijken hun zin niet te krijgen. Het nee heeft gewonnen: 53,1 procent tegen, 46,5 procent vóór, bij een opkomst van 35,8 procent. Het is íets, nietwaar?

(iets bijgeschaafd, 5 juni, vroeg in de avond)


Kabinet onder vuur – maar vooral van rechts

26 maart, 2009

De drukte in politiek Den Haag rond de gisteren ontvouwde kabinetsplannnen werpt een verhelderend licht op de maatschappelijke krachtsverhoudingen. Een rechtse oppositie valt het kabinet hard aan wegens gebrek aan doortastendheid in het nemen van harde maatregelen. Een nog rechtsere oppositie bespeelt dat zelfde thema, maar gebruikt de situatie om het weer eens op te nemen voor de ‘gewone mensen’ tegen de ‘elite’. Links opereert terughoudend, zegt deels goede dingen (SP), maar is voor een ander deel (GroenLinks) meegaand met rechts. Het kabinet graaft zich intussen in en straalt uit dat er aan de voorstellen niets wezenlijks meer te veranderen is.

Eerst de aanval van ‘gewoon’ rechts: de VVD en D66. Die partijen beklagen zich over het uitblijven of op de baan schuiven van ingrijpende hervormingen. De VVD pleitte al voor een heel fors bezuinigingsprogramma, voor ‘ombuigingen’ van 31,5 miljard, en voor een nullijn voor lonen en uitkeringen. Wachten met bezuinigingen schildert Rutte af als het doorschuiven van de rekening naar de toekomst. Als het aan de VVD ligt, worden onze rechten dus nog veel scherper aangetast dan de regering het, via loonstop en hogere pensioenleeftijd, toch al aan het doen is.

VVD en D66 zijn vooral boos dat die hogere pensioenleeftijd niet glashelder door het kabinet is doorgedrukt, maar eerst een half jaar in de week wordt gelegd om de FNV te paaien. Ze wijzen hier op de rol van FNV-voorzitter Jongerius, die gedaan heeft gekregen dat de Sociaal Econimsche Raad – met daarin de vakbeweging – nog tot oktober de tijd krijgt om  met alternatieven voor die verhoging te komen als die net zoveel geld opleveren.

De FNV laat zich hiermee weliswaar gebruiken: de regering krijgt nu een sociaal akkoord, vakbondsacties tegen de verhoging van de pensioenleeftijd zijn even van de baan. Bovendien maakt de FNV zich hier mee verantwoordelijk voor de begrotingsproblemen van het kabinet – en straks dus mogelijkerwijs vor bezuinigingen die dan in de plaats van een later pensioen zouden moeten komen. Dit is een positie waar een arbeidersorganisatie zich niet in moet laten manipuleren. Het is niet onze staat om wiens huishoudboekje het gaat, het is niet onze regering, het is dus ook niet onze begroting en al evenmin onze staatsschuld.

Maar het pure feit dat het kabinet zo leunt op Jongerius, laat zien wat voor mácht zij symboliseert. Ze staat dan ook aan het hoofd van de grootste vakbondsfederatie in Nederland, en binnen de aangesloten vakbonden is er woede over die hogere pensioenleeftijd, en bereidheid om daartegen actie te voeren. Een indicatie van die wil zagen we op 13 maart al bij een FNV-actie in Den Haag.

De beeldvorming van Rutte en Pechtold, alsof Donner vervangen zou zijn door Jongerius (aldus Pechtold), alsof Nederland een schaduwpremier Jongerius heeft (Rutte), wijst erop dat rechts weet wat het werkelijke obstakel is voor verslechteringen van de sociale zekerheid en dergelijke: de georganiseerde arbeidersbeweging. Door het kabinet aan te vallen vanwege de ruimte die Jongerius kreeg, valt rechts indirect de FNV,  en daarmee een spil van de georganiseerde arbeidersklasse, aan.

En wát er ook allemaal mis is aan dit kabinet, en aan de houding van de vakbondstop als ’sociale partner’ , het pure feit dat ministers ontzag hebben voor de vakbonden is symptomatisch. Het laat zien hoeveel kracht die arbeidersbeweging wel degelijk heeft. VVD en D 66 vallen het kabinet niet aan omdat het zich asociaal opstelt, maar omdat het zich niet asociaal genóég opstelt, omdat het kabinet te lief is voor  de vakbonden.

Achter de woede van deze oppositie gaat trouwens een fundamentele overeenkomst met het kabinetsbeleid schuil. Tekenend is het ene voorstel van een oppositie partij dat door het kabinet omarmd werd: een VVD-plan om het mogelijk maken voor bedrijven ok jonge mensen na een halfjaarcontract nóg een halfjaarcontract te bieden (en dus niet verplicht te zijn om een vast contract aan te bieden). Dit  zou het aantrekkelijker moeten maken voor ondernemers om jongeren aan te nemen; maar het maakt het vinden van vást werk nog moeilijker. Het is een stap op weg naar het soort flexibele arbeidscontracten waartegen jongeren in Frankrijk in 2006 een sussesvolle opstand hielden. En ook hier zien we VVD en kabinet aan dezelfde kant staan – de verkeerde.

Tekenend is ook de reactie op de ándere oppositie, die van links, van de SP. Die komt met een klassiek en verstandig links geluid. Agnes Kant, fractievoorzitter van de SP, noemt het “niet solidait om de nullijn van alle werknemers te eisen. En daarmee ook alle uitkeringen op de nul te zetten terwijl aan de top toch echt nog volop uitgedeeld wordt.” Zo is het. Maar had iemand van een kabinet als dit veel anders verwacht? En mag het wat minder klaaglijk en wat minder bedaard?

Kant hekelt ook de verhoging van de pensioenleeftijd: die is  “onnodig en asociaal.” Alweer: inderdaad! En precies daar krijgt ze de wind van voren van andere oppositiepartijen, van VVD en D 66 maar triest genoeg ook van GroenLinks. Al die partijen vinden verhoging van die pensioenleeftijd wenselijk of minstens bespreekbaar. GroenLinks komt op andere punten wel met progressieve kritiek. Maar op dit fundamentele punt staat de partij van Femke Halsema aan de verkeerde kant van de barricades die hopelijk alsnog zullen verrijzen als arbeiders hun pensioenrechten gaan verdedigen.

De sleutel ligt de komende maanden in de vakbeweging. Die vertegenwoordigt een macht die de kabinetsplannen kan blokkeren en het kabinet zelf kan breken. Dat kabinet heeft nu Jongerius aan boord weten te houden met een uitstel-compriomis. Maar de geluiden dat het hoe dan ook richting 67 jaar gaat met die pensioenleeftijd, wat Jongerius ook mag zeggen, zijn hardnekkig.  De confrontatie rond de pensioenleeftijd lijkt ingekapseld, maar is  waarschijnlijk slechts uitgesteld.

De vakbeweging kan zich maar beter schrap zetten. Hoe eerder Jongerius en haar medebestuurders zich losmaken uit de polder-omhelzing van Balkenende, hoe eerder ze weer zonder voorbehoud opkomen voor de huidige pensioenleeftijd, en tegen de nullijn vor lonen en uitkeringen, hoe eerder ze breken met het idee dat de als sociale partner mee verantwoordelijkheid voor het beleid moeten nemen – hoe beter het is. maar vanzélf zal de vakbondstop die noodzakelijke draai naar links waarschijnlijk niet maken. Daartoe heeft ze, laten we zeggen, een zetje nodig. maar daarover wellicht snel meer. Net als trouwens over het stuntwerk van de andere rechtse oppositie: Wilders en zijn PVV.