Lenin and all that

25 november, 2009

Pakweg twee weken geleden verscheen op dit weblog mijn artikel “Vertraagde verantwoording van vertrek uit IS”. Dat heeft aanleiding gegeven tot reacties, en een aantal vragen opgeworpen. De reacties verdienen een reactie, de vragen een poging tot beantwoording. Bij deze een poging. Althans, een gedeelte ervan.

Eerst maar eventjes Lenin and all that. Emil wijst op de studie van Lars Lih, die volgens hem “laat zien dat het sectaire gebeuren waarmee we nu bezig zijn, weinig te maken heeft met de Marxistische traditie waartoe Lenin zich rekende en waar Kautsky (jawel, de *renegaat* Kautsky!) tot aan 1914 een leidende figuur van was.” Lenin en Kautsky worden hier tegenover hun politieke nazaten in diverse Leninistische clubs neergezet. Ook ziet Emil, in navolging van Lih, deze twee Marxisten vooral als geestverwant. Beide inzichten lijken me maar zeer gedeeltelijk juist.

Ja, er is een groot verschil tussen hoe Lenin tussen 1899 en 1917 een revolutionaire organisatie probeerde op te bouwen, en hoe bijvoorbeeld de IS, Offensief en vierhonderdnegenenvijftig andere Trotskistische organisaties dat momenteel doen. Hal Draper wijst daar ook op, net als op zijn manier kennelijk ook Lars Lih. Ik ken zijn boek niet maar heb wel een artikel in die zin van zijn hand onder ogen gehad. Dat wil naar mijn idee echter niet zeggen dat we er komen met een ‘terugkeer naar Lenin’. Want er zat toen óók al iets goed scheef, en juist de verwantschap tussen Lenin en Kautsky is hier deel van het probléém.

Kautsky, theoretisch aanvoerder van de SPD, de Duitse sociaaldemocratie met een als Marxisme geformuleerd program, had een nogal schematische kijk op de weg naar het socialisme. De partij kreeg de hoofdrol. Die moest op allerlei manieren steun verwerven, in de strijd in fabriek en op straat – maar vooral in de stembus. Zo zou zij vroeg of laat een meerderheid bereiken. Als rechtse krachten haar de weg naar de meerderheidsvorming zouden beletten, dan was confrontatie onontkoombaar. Het woord ‘revolutie’ was nog geen taboe. Maar de kern van de strategie was electoraal.

Minstens zo problematisch: de kern van de strategie stelde de partij centraal – niet de arbeidersklasse met haar eigen machtsvorming van onderop. Socialisme kreeg je als de partij een meerderheid had, een regering kon vormen en met steun van haar aanhang de kapitalistenklasse onteigende en de productie in gemeenschapshanden bracht. Voor gemeenschapshanden mag je hier trouwens ook ’staatshanden’ lezen. Het hele concept stelde de partij in het middeplunt, en wilde de bestaande staatsinstellingen gebruiken, niet – zoals Marx herhaaldelijk wél bepleitte – slopen en vervangen door iets wezenlijk anders. Het héétte niet alleen sociaal-democratie. Het wás het in essentie ook, hoeveel linkser dan de PvdA Kautsky verder ook was.

Welnu, tot 1914 opereerde ook Lenin binnen dit politieke kader. De partij moest een meerderheid winnen, en op basis van die meerderheid gaan regeren. Alleen: Rusland was een dictatuur. Om zelfs maar aan de Kautskyaanse strategie te kunnen beginnen, moest die dictatuur weg. Daarom pleitte Lenin voor revolutie tegen de Tsaar, de landheren en de bureaucratische staat waarmee boeren en arbeiders eronder gehouden werden. Daarom lijkt de aanpak van Lenins Bolsjevieken heel anders dan die van Kautsky’s sociaaldemocraten. Het verschil zit echter vooral in de context: in Duitsland was er, op een beperkte manier, een democratie met verkiezingen die wat voorstelden. In Rusland moest die democratie nog bereikt worden, en daar was een revolutie voor nodig. Maar zowel bij de stembusstrijd van Kautsky als bij de revolutie van Lenin stond de partij centraal. Na de overwinning zou die partij gaan regeren.

Tussen 1914 en 1918 breekt Lenin met Kautsky – voor een flink deel althans. Hij zag dat de Duitse SPD in grote meerderheid in 1914 de heersende machten van het land steunde in de Eerste  Wereldoorlog. Hij zag dat de partij kennelijk een heel verkeerde kijk over de staat had ontwikkeld – eentje waarin de staatsmacht gezien werd als bruikbaar voor socialistische doelen.  In 1917, tijdens de revolutie, zag Lenin nog iets anders: arbeiders en andere onderdrukten vormden zelf organen, gekozen raden in fabrieken, dorpen, regimenten, met gedelegeerden die elk moment teruggefloten en vervangen konden worden door kiezers. Die raden – sovjets, in het Russisch – praatten niet alleen, ze namen ook maatregelen en zorgden dat die werden uitgevoerd.

Lenin concludeerde: die raden kunnen de kern zijn van een werkelijk revolutionaire macht, een nieuwe revolutionaire bestuursvorm. De gevestigde staat dient niet te worden overgenomen in een revolutie. Nee, de revolutie moest die hele staat opzijschuiven, en vervangen door een netwerk van sovjets: een heel ander soort staat, eentje die samenviel met de georganiseerde kracht van arbeiders en boeren, eentje die niet meer boven de maatschappij uittorende maar van die maatschappij de gebundelde uitdrukking was. Feitelijk een staat die eigenlijk al geen staat meer was, naar Lenins idee. Hij liet in zijn boekje Staat en Revolutie (1) - geen probleemloos werk, maar wel een eye-opener voor de nauwkeurige lezer-  zien dat dit in de lijn lag van wat Marx ook vond, en dat Kautsky’s kijk op de staat een breuk was met Marx’ opvatting.

De Bolsjevistische partij maakte zich in 1917 tot spreekbuis van het snelgroeiende verlangen  onder vooral arbeiders om die sovjets aan de macht te helpen. In september 1917 steunde een meerderheid van arbeiders in de belangrijkste sovjets dit idee, en stuurde een meerderheid van Bolsjevistische gedelegeerden die sovjets in. Lenin pleitte ervoor dat de Bolsjevieken op deze basis de na de val van de Tsaar opgekomen Voorlopige Regering – die tegen sovjetmacht was, en verder ook zo min mogelijk wilde veranderen – omver te werpen en er sovjetmacht voor in de plaatst te stellen. Dat gebeurde, in de Oktoberrevolutie.

Maar waar waar het voor heel veel arbeiders ging om die sovjetmacht zélf, ging het voor de Bolsjevistische partijleiding vooral om de vorming van een regering op básis van die sovjetmacht. En in die regering domineerde de partij al snel volledig, vooral ook trouwens omdat andere zich socialistisch noemende partijen – Mensjevieken en rechtse Sociaal-Revolutionairen – de sovjetmacht niet wensten te erkennen en er soms zelfs gewapenderhand tegen vochten.

Sovjetmacht en regeringsvorming op básis van Sovjetmacht zijn echter niet helemaal hetzelfde. Toen in de jaren daarop de regerings- en partijmacht herhaaldelijk ging botsen met wat er in de sovjets gebeurde, koos Lenin vrij consequent voor de oppermacht van die regering – en van de partij die daarin de drijvende kracht was: de Bolsjevistische – vanaf 1919 Communistische – partij.

Waar was intussen Lenins inzicht – dat je een totaal ander sóórt macht nodig had, en dat sovjets de uitdrukking ervan vormden – gebleven? Gezegd moet worden dat omstandigheden – economische ineenstorting, contrarevolutionaire burgeroorlog,  gesteund door buitenlandse interventie – het in leven houden van wat voor sovjet-bestuur buitengewoon moeilijk maakten. Als arbeiders na 10 uur werk op zoek gaan naar eten dat er niet is, hebben ze daarna nog tijd en puf om bijeen te komen, te beraadslagen en besluiten te nemen? Veel arbeiders waren ook geabsorbeerd in het geïmproviseerde bestuursapparaat, in dienst gegaan van het Rode leger om de revolutie te verdedigen, etcetera. Sovjetmacht kwijnde weg, bij gebrek aan arbeiders die de sovjetmacht van inhoud en leven hadden kunnen voorzien.

Maar er gebeurde meer. Ja, de arbeidersklasse werd zwaar aangetast door oorlog en economische chaos. Maar de arbeidersklasse verdween niet. Al vanaf het voorjaar van 1918 staakten groepen arbeiders. In 1919 gebeurde dat ook, net als in de jaren erop (2). En keer op keer greep het door de Bolsjevistische partij gedomineerde bestuuur naar dezelfde wapens: arrestatie van stakingsleiders, onderdrukking van stakingen, soms het schieten op demonstrerende arbeiders, met soms dodelijk gevolg.

Zo stond, al vanaf het voorjaar van 1918, de nieuwe revolutionaire macht tegenover de klasse uit wiens naam die macht werd uitgeoefend. In een aantal Russische steden verloren Bolsjevieken hun meerderheid bij sovjet-verkiezingen. Soms, in Kostroma bijvoorbeeld, accepteerden de Bolsjevbieken hun nederlaag. Maar te vaak ontbond het Bolsjevistische bestuur zo’n sovjet nadat ze er de meerderheid in waren kwijt geraakt, om er revolutionaire comités waarin Bolsjevieken de leiding hadden voor in de plaats te zetten. Zoiets gebeurde bijvoorbeeld in de voorzomer van 1918 in Tula, nadat Mensjevieken daar sovjet- verkiezingen hadden gewonnen. (3)

Lenin accepteerde de onderdrukking van arbeidersstrijd en arbeidersrechten, als onvermijdelijk en nodig. Hij koos in dit conflict voor de macht, niet voor de arbeiders. Hij deed dat ongetwijfeld niet uit persoonlijke machtswellust of zoiets. Hij deed dat, omdat hij van mening was dat slechts een sterke staat, een desnods hardhandig bestuur, kon voorkomen dat Rusland onder de voet gelopen werd door contrarevolutionaire legers en zou bezwijken aan economische chaos. 

Hij zag autoritaire staats- en partijmacht echter ook als als onmisbaar omdat in zijn hoofd tijdelijk wel het inzicht dat sovjetmacht nodig is was doorgedrongen, maar tegelijk het oude, Kautskyaanse idee - van de partij in de hoofdrol en de staat als hefboom van verandering - in datzelfde hoofd van Lenin nog leefde. De rest van de partijtop – die zich in 1917 helemaal niet direct voor het idee van directe sovjetmacht wilde inzetten  – was in grote lijnen nog mínder losgekomen van deze, in essentie sociaaldemocratische, concepten van socialisme als iets dat van staatswege, van bovenaf, wordt doorgevoerd. Met het verminderen van de druk vanuit de zeer verzwakte arbeiderklasse kregen traditionele, top-down-reflexen bij veel Bolsjevistische bestuurders steeds meer ruimte.

Het feit dat Lenin te weinig breekt met het Kautskyaanse Marxisme dat tot aan 1914 ook zijn soort Marxisme was geweest, verklaart mede waarom Lenin zich uiteindelijk  meer identificeert met de, volgens hem voor de opbouw van het socialisme onmisbare, partij- en regeringsmacht, dan met de macht van arbeiders en andere onderdrukten zelf. Vervolgens gaan hij en Trotsky ook nog eens marxistisch-klinkende verklaringen en rechtvaardigingen ontwikkelen voor de steeds bureaucratischer en autoritairdere verhoudingen in een Sovjet-Rusland waarin sovjets al in 1919 vrij weinig meer voorstelden. En vervolgens doen hedendaagse Leninisten te vaak alsof veel van deze praktijken en rechtvaardigingen een soort van onvermijdelijkheid zijn in moeilijke tijden, iets wat we maar moeten accepteren. Mag ik bedanken?

Daarmee  heb ik indirect ook al gereageerd op een andere opmerking van Emil. “Wel is het me niet geheel duidelijk waarom je jezelf niet mer als Leninist (sowieso een verwarrende term) beschouwd.” Inderdaad, Leninisme is niet bepaald een helder begrip. Ik voel me geestverwant van de Lenin die in 1917 en 1918 probeert werkelijke arbeidersmacht te stimuleren, de centrale rol van de sovjets onderkent, en al met al een marxisme voorstaat dat werkelijke revolutionaire verandering van onderop beoogt, bepleit  en ervoor vecht. Maar helaas is dat niet de enige Lenin. Ik voel me geen geestverwant van de Lenin die vanaf voorjaar 1918 steeds meer als bestuurder námens de arbeidersklasse, maar ook steeds openlijker tegenover die klasse, opstelt, en daar nog en theoretische onderbouwing voor weet te vinden ook – hoezeer ik ook de druk van moeilijke omstandigheden begrijp waaraan Lenin onderhevig was, en waarvoor hij feitelijk bezweek.

En ik herken me niet langer in het Leninisme van Trotskistische organisaties die Lenins identificatie uit de jaren vanaf 1918  met revolutionair bestuur-van-bovenaf delen, en daarbij de grote lijnen van het beleid van Lenin en Trotski in de jaren 1918-1921 onderschrijven, ook waar dat beleid over arbeidersrechten heenwalst. Als er een ánder Leninisme is, een Leninisme dat wél consequent de strijd van arbeiders zelf voor hun bevrijding centraal stelt, dan hou ik me van harte aanbevolen.

Noten:


Homo-demonstratie onderdrukt, plus de houding van Gordon

17 mei, 2009

Net als eerdere jaren deden homo-activisten in de Russische hoofdstad Moskou gisteren een poging om een demonstratie tegen homohaat en gelijke rechtente houden. En net als in andere jaren tolereerden de autoriteiten dat niet: de politie begon vrijwel meteen na het begin demonstranten op te pakken. In totaal werden volgens de politie veertig mensen gearresteerd, waaronder een redacteur van de GayKrant en ook Peter Tatchell, een Brits politicus die zich al jaren voor homo-rechten inzet. Ook de organisator van het protest zelf, Nicolai Aleksejev, is aangehouden.

Het protest was noodzakelijk, in een land waar homoseksualiteit tot 1993 nog strafbaar was, en waar homoseksualiteit nog tot 1999 officieel als geestesziekte werd beschouwd. De onderdrukking van het protest laat zien dat homofobie nog steeds  officiëel beleid is. Een tegenbetoging van mensen die homoseksualiteit verachteijk vinden en homo’s in strafkampen wilden opbergen kreeg wél officeel toestemming. Het laat zien waar de autoriteiten staan.

Er is een tweede reden waarom het staatsingrijpen tegen de homo-protestactie verwerpelijk is. Een politiewoordvoerder motiveert de arrestaties aldus: “Ze zijn niet aangehouden omdat ze de wet hebben overtreden, maar als waarschuwing dat het onaanvaardbaar is evenementen te houden zonder toestemming van de autoriteiten.” Dat is een waarschuwing aan iederéén die het in haar of zijn hoofd zou halen de straat op te gaan, tegen de regering, maar ook tegen ontslagen in een, net als andere landen, door economische crisis geteisterd Rusland. Het is een aanval op democratische rechten van iedereen.

En het zou wel goed zijn als democraten in Rusland dát punt oppikten en solidariteit met de actie voor homorechten organiseerden. Het zou eveneens slim zijn van homo-activisten zelf om dit bredere punt te maken naar andere groeperingen in de knel. In de geest van: “Vandaag pakt de politie ons aan, morgen zijn jullie aan de beurt. Zou solidariteit niet slim zijn?” Of, in het welluidende Frans op veel vakbonds- en andersglobalistische demonstraties: “Oui! Oui! Toes ensemble, tous ensemble!”

Het hele gebeuren vond plaats in de schaduw (en in de publiciteitsgolf) van het Songfestival dat dezelfde dag in Moskou werd gehouden. Dat is van een wrange ironie, want juist dsit festival is juist bijr heel veel homoseksuelen erg populair. Ik snap daar, zelf homo zijnde, weliswaar weinig tot niets van, maar feiten zijn koppige dingen. De hoop dat de autoriteiten, met dit feit in het achterhoofd, zouden afzien van een harde aanpak van de homo-demonstratie bleek echter misplaatst. De strijd voor gelijke rechten van homo’s vergt machtsvorming, stevige druk, op straat en erbuiten. Enkel bouwen op een meelevend wereldpubliek en hopen dat de angst voor slechte PR de autoriteiten tot inkeer zal brengen bleek, zoals wel vaker, een illusie.

Opvallend, en nogal twijfelachtig, vond ik het optreden van de zanger Gordon, die zich eventjes breed leek te maken voor de homo-demonstratie maar al vrij snel terugkrabbelde. Vóórdat hij met zijn twee andere Toppers de halve finale van het festival niet doorkwam, kondigde hij aan dat hij mee zou lopen met de demonstratie. Ook zei hij dat hij in geval van politiegeweld tegen de betoging het festival zou boycotten. “Ik wil dan namens een vrij Nederland een statement maken, ook al moet ik daarvoor mijn persoonlijke droom opgeven.” 

Het statement was welkom geweest, maar alstublieft niet “namens een vrij Nederland”. Ik heb dat vrije Nederland in de atlas nooit kunnen vinden, en ik spreek nét iets te vaak mannen die uit een zeer reeëéle angst hun seksuele interesse voor andere mannen verzwijgen om aan het mythische beeld van een vrij Nederland tegenover een onvrij Rusland ook maar drie seconden geloof te hechten. Homo-vrijheden presenteren als een nationale, in dit geval Nederlandse, deugd is ook nog eens contraproductief: het maakt het Russische nationalisten alleen maar makkelijker om homo-rechten af te wijzen als iets buitenlands, westerse import, ón-Russich.

Het boycotten van het songfestival bleek echter niet meer nodig, want het festival boycotte Gordon dus al door de Toppers geen finaleplaats te gunnen. Je zou nu zeggen dat Gordon zonder problemen aan de demonstratie mee zou doen: hij had die avond toch vrij, en een avondje in de cel overleef je doorgaans wel. Maar nee,  “Gordon loopt zaterdag toch niet mee in de homoparade in Moskou. De organisatie van de tocht heeft laten weten dat ze de veiligheid van de zanger niet kon garanderen.” Ha ha ha. Ik vraag me af hoeveel demonstraties ik had bijgewoond als ik het ervan had laten afhangen of de organisatie mijn veiligheid op betogingen had kunnen garanderen. In Genua bijvoorbeeld, in 2001, tegenover knuppelende en schoppende Carabinieri. Of in Straatsburg, dit voorjaar, tussen de traangasgranaten die maar bleven komen.

Demonstreren zonder risico’s nemen bestaat niet, en vragen om garanties aan de organisatie dat jou niets overkomt is absurd. Om die redenen wegblijven is capituleren voor de angst. En speciále garanties vragen voor jóúw veiligheid, omdat je een Ster bent, is érger dan absurd. Over de kwaliteiten van Gordon als artiest kun je van mening verschillen. Maar als persoon die zich in probeerde te zetten voor homo-rechten heeft hij stevig gefaald.


Dat lastige Leninisme (2)

6 februari, 2009

In april en mei van vorig jaar schreef ik over het Leninisme, de waarde en geldigheid ervan, en de vraag in hoeverre ik mijzelf nog altijd in de Leninistische traditie plaatste. Destijds deed ik dat, en dat doe ik nog steeds. Wel gaf ik aan dat ik problemen zag met de vorm van Leninisme waarin ik een kleine 20 jaar had geopereerd – de vorm die de Internationale Socialisten beoefen(d)en, net als veel kleine revolutionaire groeperingen met een Leninistische politiek. Lang, te lang heeft het geduurd voor ik op deze vragen terug kom. Maar nu waag ik een poging.

Ik schreef in het tweede stuk al wat Leninisme níét was. Het Leninisme is níét de top-down versie van het Stalinisme, waarin de hele Russische revolutie zo ongeveer van bovenaf, door lenin en zijn groiep vastberaden medestanders, werd doorgedrukt, tot heil en zegen van de arbeiders maar in wezen over hun hoofden heen. Het Leninisme is evenmin de diabolische fantasie van rechtse liberalen, conservatieven, veel sociaal-democraten en zelfs anarchisten die beter zouden horen te weten – een fantasie waarin een machtswellustige Lenin, achter een cvamouflage van radicale leuzen, via een samenzwering een totalitaire staat vestigt. Stalinisme en Koude-Oorlogs-theorie zijn elkaars spiegelbeeld. Maar wát er ook weerspiegeld wordt, met de realiteit heeft het weinig te maken.

Wat behelst het Leninisme dan wel? In essentie gaat het om de politieke praktijk en theorie die de Russsische  Oktoberrevolutie mogelijk maakte, evenals de vestiging van een arbeidersstaat als product van die revolutie.  Maar het Leninisme was bovendien de politiek die beoogde om dit type revolutie wereldwijd te helpen overwinnen. Ontwikkeld als theorie in de Russische revolutionaire beweging was het Leninisme pas echt zichzelf als theorie van de internationale arbeidersrevolutie als hefboom naar arbeidersmacht wereldwijd, als voorbode van een klassenloze maatschappij op wereldschaal.

Dat zijn grote woorden, ik weet het. We zullen iets dichterbij de historische realiteit moeten komen om de boel wat aan te kleden. We gaan eens naar Rusland tegen het einde van de negentiende eeuw kijken, het land waar de jonge Lenin politiek actief werd. We zien dan een land van straatarme boeren, onderdrukt en leeggeplukt door een klasse van grootgrondbezitters. We zien een absolute monarchie met een keizer, een Tsaar, aan het hoofd. We zien intellectuelen die kritiek leveren en actie voeren voor meer vrijheid en rechtvaardigheid – en keer op keer in de gevangenis en/ of in Siberische ballingschap belandden, als de dictatuur ze tennminste niet ter dood bracht. We zien een, door  de staat gesteunde maar in hoge mate door buitenlandse leningen gefinancierde, industrialisering die hypermoderne fabrieken tot stand brengt waarin een kleine klasse van ondernemers tegenover een snelgroeiende arbeidersklasse staat. De Tsaristische onderdrukking zorgde ervoor dat ondernemers zich de woede van die vertrapte arbeiders van het lijf wisten te houden. Rusland was feitelijk een combinatie van feodale (grootgrondbezit, absolute monarchie) en kapitalistische (industriële ondernemingen, maar ook de groeiende markteconomie op het platteland)  elementen.

In dat Rusland waren allerlei vormen van revolutionaire politiek te vinden. De meesten gingen ervan uit dat de boeren het belangrijkste waren. Volgens sommigen moesten zij zichzelf bevrijden met grote opstanden, daarbij geholpen door de intelligentsia. Volgens anderen moest die intelligentsia bevrijding afdwingen door een samenzwering tegen de Tsaar, waarna de rest van de maatschappij de bevrijding als het ware opgelegd kreeg. De diverse vormen van radicalisme waarin de boeren centraal stonden, maar de intellectuelen feitelijk een hoofdrol speelden, stonden bekend als Populisme, en de aanhangers werden Narodniki (Narod = volk) genoemd. Het hele idee was om van het feodale Tsarisme in één keer over te springen naar een socialisme dat zich op de boerenbevolking baseerde. Het kapitalisme werd als het ware overgeslagen.

Marrxistisch was dit alles bepaald niet. Immers, voor Marx stond het idee centraal dat arbeiders, door zichzelf gezamenlijk te bevrijden, de weg baanden naar een socialistische maatschappij. Arbeidersstrijd kwam echter in het verhaal van de Narodniki amper voor, hetgeen niet zo vreemd was. Toen het Populisme opkwam, waren er immers amper arbeiders in Rusland te vinden, en ook tegen het einde van de negentiende eeuw was de overgrote meerderheid van de bevolkihng nog steeds arme boer. De boeken van Marx werden door Narodniki wel gewaardeerd: de scherpe kritiek die Marx  op het industriële kapitalisme was immers een schitterend argument om aan te tonen dat de verschrikkingen van dat kapitalisme als het maar enigszins kon verméden moesten worden. En precies dáár kwam het boerensocialisme van de Narodniki op neer. Toen er her en der arbeidersstrijd, in de vorm van- stakingen, demonstraties, uitbrak, zagen Narodniki daar vooral een aanvulling op hun eigen strijd in, een extra drukmiddel, een gelegenheid om steun te vinden. Een centrale rol kreeg het bij deze revolutionaire traditie niet.

Welnu, de kleine groepjes Marxisten die laat in de negentiende eeuw óók in Rusland actief werden, voerden een scherpe polemiek met de Narodniki – terwijl ze tegelijk leerden van de praktijk van Populistische revolutionairen. Lenin was één van die marxisten, en verdiende in dit soort polemische strijd zijn sporen. Hij vocht voor het idee dat óók in Rusland het kapitalisme de dominante economische vorm aan het worden was. Met dat doorbrekende kapitalisme zou de klasse die tegenover de kapitalistenklasse stond de sleutel van de revolutie in handen krijgen. Die klasse was de arbeidersklasse. Het Leninisme begon boven alles met het inzicht dat óók in Rusland de arbeidersrevolutie op de agenda stond, en dat daartoe geschikte politieke praktijken en organisatievormen moesten worden ontwikkeld. Het Leninisme begon dus boven alles als Marxisme.

Maar Marxistische revolutiionaire politiek had een hefboom nodig om effectief te zijn tegenover de ogenschijnlijke almacht van de Tsaristische staat en de kapitaluistische macht. Her en der werkten groepjes Marxisten- in studiekringen om de theorie aan  (andere) arbeiders uit te leggen, in strijdgroepen om stakingen en demonstraties van de grond te krijgen. De meeste initiatieven duurden niet lang: na enkele maanden rolde de geheime politie de zaak op en verdwenen de ‘raddraaiers’ naar Siberië of de galg.

Lenin zag op dat moment de versnippering van de Marxistische revolutionaire beweging als wezenlijk obstakel. Hij reageerde met een reeks initiatieven en geschriften. Het fameuze “Wat te Doen” was er één van. Hij zei kortweg het volgende: om maximaal effect hebben op de hele arbeidersklasse en op álle onderdrukte lagen van de bevolking, dienen revolutionaire Marxisten zich te bundelen, hun initiatieven te coördineren, en zich van een gezamenlijke stem te voorzien in de vorm van een orgaan, een krant. Om de arbeidersbeweging als geheel naar een zo hoog mogelijk niveau te trekken, was het nodig dat revolutionairen – arbeiders samen met intellectuelen – zich zelfstandig organiseerden, hun geluid zo luid en helder mogelijk lieten klinken, en initiatieven in de klassenstrijd te nemen waarin andere groepen arbeiders in de praktijk stappen vooruit konder zetten, hun kracht konden ontdekken en leerden dat hun afzonderlijke gevecht deel uitmaakt van een grotere strijd om bevrijding.

Arbeiders worden nu eenmaal niet allemaal in hetzelfde tempo strijdbaar en radicaal. Door de meest strijdbare en radicale arbeiders  – de voorhoede, daar is-ie, jawel – te verenigen in een organisatie, konden die revolutionaire arbeiders het proces van radicalisering bevorderen, en de hele arbeidersklasse en alle onderdrukten stappen vooruit helpen in de strijd. Dát was wat Lenin beoogde met het opbouwen van een revolutionaire organisatie, en dat ging hij samen met medestanders dóén ook. Het concept van een voorhoede in de arbeidersklasse, en een partij die probeert die voorhoede effectiever te maken door haar te verenigen – dát is een wezenlijke pijler van het Leninisme.

Maar het is verkeerd om het Leninisme te zien als vooral Marxisme-plus-voorhoedepartij, of zoiets schematisch. De partij waar Lenin voor stond kreeg bij hem rond 1900 zo enorm veel nadruk, omdat zoiets in Rusland zo pijnlijk ontbrák – met funeste gevolgen voor de effectiviteit van het verzet. Dus gingen zijn medestanders onvermoeibaar op pad om bestaande revolutionaire groepen te winnen voor het idee van een gecentraliseerd werkende partij met een partij-orgaan.

Uiteindelijk kwam er zo’n partij, die echter op haar congres in 1903 – in ballingschap in Londen – vrijwel onmiddelijk splitste. Degenen die, met Lenin, vonden dat een partij een tamelijk strak gebundelde organisatie van activisten moest zijn, van mensen die verantwoordelijkheid namen naar elkaar en naar de partij als geheel, en voor wie die partij ook verantwoordelijkheid nam, stonden tegenover degenen die een lossere aanpak beoogden, nauwelijks onderscheid maakten tussen leden en sympathisanten. Omdat de aanhang van Lenin op een bepaald moment  in de debatten op het partijcongres van 1903 een meerderheid achter zich hadden, en zijn tegenstanders een minderheid, kwam de eerste groep bekend te staan als mensen van de meerderheid oftewel Bolsjevieken, zijn tegenstanders als mensen-van-de-minderheid ofwel Mensjevieken.

De splitsing was aanvankelijk helemaal niet definitief; maar omdat de lossere structuren van de Mensjevieken al snel samengingen met een steeds softere, minder revolutionaire en in toenemende mate op hervormingen gerichte politiek, werd de afstand met de revolutionairen rond Lenin steeds groter. Wat aanvankelijk nog fracties waren binnen één partij, werden vanaf 1912 twee partijen, een Bolsjevistische en een Mensjevistische. Lenin wasde centrale figuur in de Bolsjevistische vleugel, later partij, in de revolutionaire beweging van Rusland.

Maar ver voor de splitsing definitief was, waren er grote dingen gebeurd in Rusland – zaken die duidelijk maakten dat Lenin veel was, maar géén blinde partij-fetisjist. In 1905 gingen arbeiders van een grote metaalfabriek in staking. Vervolgens gingen arbeiders een petitie aanbieden aan de Tsaar, om nederig om hun rechten te vragen. Revolutionairen – Bolsjevieken en Mensjevieken – waren in dit gebeuren volstrekt marginaal, de arbeiders zochten hun heil in een door Gapon, een priester, geleide vakbond die aanvankelijk vanuit de staat  was opgezet maar een eigen leven begon te leiden.  Tweehonderdduizend arbeiders gingen in optocht naar het paleis van de Tsaar om hun smeekschrift aan te bieden. De troepen van de tsaar openden het vuur en schoten honderden arbeiders dood. De woede van arbeiders en andere onderdrukten zette zich om in een reeks stakingen, opstanden, een muiterij op het slagschip Potemkin. Dit groeide uit tot de, uiteindelijk neergeslagen, revolutie van 1905.

Op het hoogtepunt van de beweging vormden arbeiders overkoepelende stakingscomités die het hele openbare leven begonnen over te nemen, tegen de gevestigde orde in. Dit waren de fameuze arbeidersraden oftewel sovjets. En het is hoogst interessant hoe Lenin, maar ook andere Bolsjevieken, daarop reageerde. De Bolsjevieken in Sint Petersburg, de Russische hoofdstad, vonden die Sovjets maar niets. Het initiatief kwam van buiten de partij, en kon dan ook alleen maar haaks staan op pogingen van de partij om maximale invloed op de revolutie te hebben. Je bent Voorhoede of je bent het niet, nietwaar? Dus eisten de Bolsjevieken dat de Sovjets zich aan de instructies van de Bolsjevieken onderwiepr en het programma van de partij overnam – of anders… De waarde van het initiatief van arbeiders om hun eigen strijd in eigen hand te nemen, tot samenwerking over partijgeschillen heen te komen en een tegenmacht tegen de macht van staat en ondernemers te vormen – dat alles werd niet onderkend. Deze Bolsjevieken hadden het kesje van Lenin wat ál te goed geleerd, het waren wat al te goede ‘Leninisten’ geworden.

Lenin zelf reageerde echter heel anders. Op de vraag die gesteld werd: wat hebben we nodig, de partij of de sovjets van afgevaardigden antwoordde hij: allebei! “Ik denk dat het verkeerd is om de vraag zo te stellen, en ik denk dat de beslissing zeker moet zijn: zowél de Sovjet van Arbeidersafgevaardigden als de  partij. De enige vraag – en een hoogst belangrijke  is hoe de taken van de Sovjet en van de (…)Partij te verdelen en te combineren.” Geen sprake van voorrang van de één boven de ander, ze hadden allebei een onmisbare rol. En hij voegt er aan toe: “Ik denk dat het niet aan te raden is voor de Sovjet om zich te verbinden aan één enkele partij.” De Sovjet bundelt juist arbeiders van allerlei stromingen, ook partijloze arbeiders, in een gezamenlijke strijd voor gezamenlijke belangen. En hij geeft de Sovjet groot gewicht, beschouwt de Sovjet - twaalf jaar voor de leus “Alle macht aan de Sovjets” de  aanloop tot de Oktoberrevolutie verwoordde – als “het embryo van de voorlopige revolutionaire regering”. (Zie Lenin’s “Our Tasks and And the Soviet of Workers Deputies” )

Lenin is totaal niet geobsedeerd door De Partij en haar Hoofdrol. Lenin is maar door één ding geobsedeerd: het vooruit helpen van de strijd, de revolutie. Hij kijkt naar organisaties, naar élke organisatie, of het nu vakbonden, sovjets, andere comités of de partij betreft, met dat ene criterium in het achterhoofd: hoe dient of hindert dit te revolutie, de bevrijdingsstrijd van de arbeiders? Waar voor sommige Leninisten – en niet alleen voor de pseudo-Leninisten uit de tuchtschool van Stalin! – de hoofdleus luidt “Bouw De Partij Op!” kun je de geest van het Leninisme van Lenin zelf veel beter verwoorden met “Organiseer Je Voor Revolutie!” Het is dát Leninisme wat destijds nodig was, en waarvan de noodzaak alleen groter is geworden.

Voor het bovenstaande heb ik uit mijn geheugen geput; ik ga hier geen uitgebreide literatuurlijst erbij geven. Twee boeken zijn echter enorm waardevol, als bron van gegevens en analyse. Het eerste is Paul LeBlanc’s “Lenin and the Revolutionary Party”; het tweede is Lenin: “Building the Party“, Tony Cliff’s eerste deel van ‘zijn driedelige boekenreeks over Lenin. Dat tweede geeft in de eerste hoofdstukken ook veel context over de revolutionaire beweging in de tijd waarin Lenin actief begion te worden; veel van wat ik schrijf  heb ik daaraan ontleend. En ja, het staat online, dus ik kan leuk doorlinken.

Dat wil niet zeggen dat ik met de hele teneur van Cliff’s boek altijd even blij ben: het boek van  LeBlanc is mooier en subtieler. En juist Cliff is zo’n Leninist voor wie “Bouw De Partij Op” al het andere steeds meer ging domineren – soms tot schade van het Leninisme waar hij bij betrokken was zelf .  Maar ik loop op dingen vooruit. Wordt vervolgd…


Rusland: repressie en protest

22 december, 2008

Rusland is een autoritair geleide staat, verpakt als ‘democratie’. Verkiezingen kun je er niet echt ‘vrij’ noemen, oppositie krijgt systematische tegenwerking van staatswege, demonstraties door oppositiepartijen kunnen rekenen op verstoring door politie, gevestigde media steunen de zittende macht.

Zo kon Putin zich laten ‘kiezen’ na door zijn voorganger Jeltsin te zijn aangewezen, zo kon hij zelf zijn opvolging regisseren waarna Medvedev zich kon laten ‘kiezen’ tot president. Inmiddels wordt er een grondwetswijziging doorgevoerd die de ambtstermijn van de president van vier naar zes jaar verlengt. Maar die geldt nog niet voor de huidige president. Pas zijn opvolger mag zes jaar blijven – en heel veel mensen gaan ervan uit dat die opvolger Putin gaat heten.

Tegenkrachten tegen deze machtsvertoning zijn schaars, zwak en versplinterd. Regelmatig komen er TV-beelden langs waarin we mensen als Kasparov tenmidden van tientallen, soms een paar honderd medestanders, zien betogen. Even later voert de opoerpolitie tientallen van de demonstranten hardhandig af. Zo houden Putin en Medvedev d de oppositie kort en is de speelruimte voor protest beperkt. Wetgeving beperkt die speelruimte herhaaldelijk nog verder. Zo ligt er nu een wetsartikel op goedkeuring van het parlement te wachten. Daarin w0rdt de definitie van ‘verraad’ uitgebreid: contacten van kritici van de regering met mensen  of groepen uit het buitenland kan daar al onder vallen. “Daardoor wordt het voor politieke tegenstanders en maatschappelijke organisaties nog gevaarlijker kritiek te uiten op het Kremlin”, schrijft Trouw

Maar repressie is niet de enige reden waarom de staatsmacht zo stevig en onbedreigd lijkt te zijn geworden. Veel Russen zijn blij met de regering, omdat die na vijftien jaar toenemende chaos tijdens de omvorming van ‘communistische’ staatseconomie naar gedeeltelijke markteconomie een soort van orde heeft gebracht Maar die orde is pas echt aanvaardbaar geworden voor veel mensen omdat tegelijk de economie als kool ging groeien. Aan de eindeloze daling van de levensstandaard is de laatste jaren een eind gekomen, en zoiets tempert de onvrede. De machthebbers profiteren daar van.

Maar dit effect is kwetsbaar – en tijdelijk. De economische bloei is in hoge mate het gevolg van de grondstoffenprijzen die afgelopen jaren omhoog zijn gevlogen. Ruslands economie draait vooral op export van gas en olie: hoge olie- en gasprijzen deden de economie van Rusland dan ook opveren, en dat betekende dat straatprotest vooral een kwestie was van groepen intellectuelen en ondernemers die buitenspel stonden in de staat van Putin en Medvedev.

Dat zulke protesten zich ook als liberaal aandienden en Westerse steun kregen en daar ook zo ongeveer naar solliciteerden, maakte het voor Putin en dergelijke makkelijk om dit type bewegingen af te schilderen als halve landverraders en pionnen van het Westen. Bovendien heeft ‘liberalisme’, met haar voorkeur voor de vrije markt, in Rusland terecht een slechte naam: het is de drastische doorvoering van ee vrijemarkt-economie die tientallen miljoenen mensen in Rusland tussen 1989 en 1998 in diep armoede heeft gestort. Ook Rusland heeft een línkse, en geen louter liberale, oppositie nodig.

Maar er verandert iets, op twee fronten. De liberale oppositie lijkt iets te hebben geleerd, en aalsuiting te zoek bij problemen die juist arbeiders ondervinden. Maar vooral: de economie stagneert. Ook Rusland wordt door recesieverschijnselen getroffen. Zo plezierig als hoge grondstoffenprijzen eerst waren, zo funest is de daling ervan sinds afgelopen zomer.

Eerst de liberale oppositie. Op 13 december berichtte  De Volkskrant dat Garri Kasparov, ooit schaakkampioen, nu aanvoerder binnen de liberale oppositie, dat er een nieuwe beweging was opgericht. De naam ervan wordt Solidariteit, “net zoals de vakbond die in de jaren ‘80  zorgde voor de ontmanteling van de communistische dictatuur van Polen.” In een toespraak tot honderd aanhangers zei Kasparov: “het is onmogelijk dit regime te hervormen”. Hij pleitte dan ook voor “ontmanteling” ervan.

Da liberale activisten als Kasparov de naam van een vakbond kiest voor zijn beweging is al tekenend. En Solidariteit was niet zomaar een vakbond. Op haar hpogtepunt in 1980-1981 verenigde Solidariteit bijna 10 miljoen arbeiders die via vakbondsstrijd het land op de rand van een arbeidersrevolutie brachten. Dat Kasparov zich met de naamkeuze laat associéren ,met deze traditie kan onbewust zijn, of enkel te maken hebben met het idee om het kremlin als opgeleukt communisme af te schilderen waartegen de klassieke Kouide-Oorlogsstrijd gevoerd  dient te worden. Maar het kan ook een stap zijn richting het op gang proberen te krijgen van een bredere massabeweging, waarbinnen belangen en aspiraties van arbeiders een groter gewicht krijgen. Met een economische crisis die doorwerkt, kunnen zo grotere groepen mensen in beweging komen.Mocht Kapsparov al deze dingen zelf niet wien, dan zijn er misschien mensen die hem eraan kunnen helpen herinneren…

Mensen in Rusland wachten intussen niet tot Kasparov het licht ziet. Hier en daar beginnen mensen al te protesteren tegen de effecten van de crisis. In Vladivostok bijvoorbeeld. Daar “heeft de oproerpolitie gisteren tientallen Russen opgepakt die demonstreerden tegen de verhoging van de importheffing op buitenlandse auto’s. In nog zeker tien andere steden vonden vergelijkbare protesten plaats”, aldus de NRC. Die importheffing is bedoeld om de Russische auto-industrie tegen concurrentie te bieden, en heeft verband met de grote crisis die juist deze bedrijfstak internationaal treft.

Radio Free Europe, in een artikel op haar website, geeft meer over onvrede en protest.  “In Ishevsk, in Centraal-Rusland, gingen op 15 december zo’n 2000 mensen de straat op om te protesteren tegen stijgende kosten voor huisvesting en andere voorzieningen”, zo staat daar te lezen. “Stijgende inflatie, en plannen om de tarieven voor thuisverbruik van aardgas en de treintarieven te verhogen, kunnen eveneens het publiek doen ontvlammen.”

Ook opiniecijfers, genoemd in hetzelfde artikel, wijzen in de richting van wijd verbreide onvrede:  “Een opiniepeiling (…) geeft aan dat 39 procent van de Russen ntevreden is met de regering, terwijl dat in in sommige industriestreken zelfs  oploopt tot 54 procent.  Hetzelfde onderzoek vond dat 20 procent bereid is deel te nemen aan stekingen of demonstraties, terwijl 2 procent zegt dat ze dat al hebben gedaan.”

Protest heeft in Rusland dus weinig speelruimte vanwege de machthebbers, maar veel draagvlak en steun onder grote aantallen mensen. Dat is een explosieve combinatie die de relatieve rust in Rusland wel eens snel tot een eind kan doen komen. Ongetwijfeld zijn er onder de boze arme Russen ook mensen die de gebeurtenissen in griekenland met grote, hoopvolle aandacht volgen.