Arabische revoluties?

13 juni, 2011

Maandag 13 juni

Onderstaand stuk is geschreven voor de website van Doorbraak, waar je de geïllustreerde versie ook kunt vinden. Ik dank de Doorbraak-redacteur voor enkele verbeteringen die ik heb overgenomen.

De talrijke demonstraties, stakingen, opstanden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, en intussen ook elders, zijn inmiddels voorzien van allerhande overkoepelende etiketten. ‘Arabische Lente’ hoor je intussen veel. Maar ook het begrip ‘Arabische revolutie’ duikt her en der op. Met vooral dat laatste woordenpaar worden minstens twee, soms drie dingen uitgedrukt. er wordt mee verwezen naar eerdere gebeurtenissen, uit de jaren vijftig en zestig, die onder dat begrip bekend stonden. Er wordt een nationale typering gegeven aan de gebeurtenissen; die zijn specifiek ‘Arabisch’ van signatuur. En er wordt een kwalificatie gegeven van de draagwijdte en betekenis van de gebeurtenissen: het zijn niet zomaar opstanden en protesten, het zijn ‘revoluties’, of ze vormen gezamenlijk een revolutie. Is dit allemaal adequaat? Vormen de gebeurtenissen een soort van tweede ronde van een al tientallen jaren geleden begonnen Arabische revolutie (1)? Zijn de gebeurtenissen wel specifiek Arabisch? En zijn het wel revoluties?

Lees de rest van dit artikel »


Enkele gedachten over de opstanden in Noord–Afrika en het Midden-Oosten

31 maart, 2011

Hieronder volgen enkele beschouwingen over de opstanden in Noord-Afrika en Het Midden-Oosten, op basis van een inleiding die ik afgelopen zaterdag 26 maart gaf op een informatiebijeenkomst van de Anarchistische Groep Amsterdam (AGA). Het is geen letterlijke tekstweergave, en het is ook flink ingekort. De vier ‘case studies’, Egypte, Tunesië, Bahrein en Libië, heb ik in onderstaand verhaal bijvoorbeeld niet zo uitgewerkt als ik dat in de inleiding wel deed. Een tot artikel omgewerkte, en stevig ingekorte, versie van mijn inleiding is wat hier volgt. Het artikel is, geïllustreerd en wel, ook te vinden op de website van Doorbraak.

Er zijn een tweetal houdingen jegens de opstanden in het Midden-Oosten en Noord-Afrika die begrip van wat er gebeurt in de weg staan. De eerste bestaat uit het bouwen van een muur tussen de mensen hier, en de mensen daarginds. Het idee is als volgt: de mensen in die regio zijn zo anders, van cultuur, religie, mentaliteit, traditie, dat de opstanden daar zo ongeveer een exotisch verschijnsel zijn dat je kunt bewonderen of kunt afwijzen, maar waar geen gemeenschappelijkheid mee kan zijn. De Arabische ziel, de islamitische context, de cultuur van woestijnvolkeren, wat het ook is: het is daar helemaal ánders dan hier. Begrip is nauwelijks mogelijk, verbondenheid al helemaal niet. Dit heeft vriendelijke vormen: respect van wat daar gebeurt in al zijn eigenaardigheid. Het heeft onvriendelijke vormen: het zijn moslims, ook na vervanging van dictators blijven het daar gevaarlijke moslims. Maar zowel de vriendelijke als de afwijzende varianten gaan uit van een ondoordringbare muur. Wat daar gebeurt kun je bewonderen of afwijzen. Ermee communiceren is al bijna zinloos, er gemeenschappelijkheid in ervaren al helemaal niet.

Deze houding is ongefundeerd. Mensen die daar in opstand komen, doen dat voor heel herkenbare dingen. Ze willen meer vrijheid, minder corruptie, banen die past bij hun opleidingen, een behoorlijk bestaan. Tamelijk universele dingen, soms geuit in retoriek waarin plaatselijke religieuze en culturele tradities doorklinken, maar dat betreft niet te kern. En inmiddels is de opstandigheid allang niet meer beperkt tot de Arabische wereld, of tot landen waar de meeste mensen moslims zijn. Er is opstand is Swaziland, in zuidelijk Afrika, in een land waar mensen christelijk zijn of plaatselijke religies aanhangen. Er is opstand in Armenië, waar bijna iedereen christelijk is. Er is opstand in het overwegend katholieke Kroatië. De revoltes gaan niet over cultuur en religie, maar over politieke en economische grieven. Er is geen muur tussen hen en ons.

De tweede houding is andersom. Het is een houding van zodanige bewondering dat mensen er hun eigen idealen en opvattingen in herkennen, en de bewegingen daar vrijwel inlijven in hun eigen ideologieën en theorieën. We zien demonstraties, rellen, aanvallen op politiebureaus, gevechten met de politie, revolte… en we denken: dit zijn de plaatselijke versies van kraakrellen of andersglobaliseringsprotesten hier, het betreft hier links verzet, autonome revoltes, anarchistische revoluties of zoiets. Daarmee doen we echter de bewegingen daar onrecht. We claimen dan dingen tot de onze, eigenen ons de opstanden ideologisch min of meer toe, en respecteren daarmee niet de werkelijke strevingen van de opstandigen daarginds. Het is juist nodig om de opstandsbewegingen te proberen te verstaan vanuit wat mensen zélf willen, nastreven en bedoelen en als verlangens naar voren brengen. Evengoed kunnen we dan kijken of daar raakvlakken zijn met wat we bijvoorbeeld als anarchisten nastreven, en de hoop uitspreken dat die raakvlakken sterker worden, dat er libertaire dynamieken zich versterken, en kijken hoe we dat kunnen bevorderen. Maar doen alsof een anarchistisch streven nu al de hoofdstroom van de opstanden uitmaakt, is onjuist.

We kunnen de opstanden analyseren op drie niveau’s, in een soort gelaagdheid. Er is de vraag wat mensen drijft, wat de motivaties zijn voor grote aantallen mensen om in verzet te komen. Er is de vraag wat mensen bewust nastreven, wat hun eisen zijn, hoe ze de maatschappijen veranderd willen zien. En er is de vraag wat mensen allemaal dóén vanuit hun nmotivaties, en in hun pogingen om hun doelen te bereiken. Motivatie, politiek programma en wijze van optreden: het zijn drie lagen in de analyses. En we zullen zien dat er tussen die lagen soms spanningen bestaan, die voor een analyse vanuit anarchistische insteek van belang zijn.

Eerst de diepere drijfveren. Die betreffen allereerst een lang onderdrukte vrijheidsdrang. Men protesteert tegen dictatuur, tegen eeuwig aanblijvende presidenten, tegen noodtoestanden en uitzonderingswetten, tegen politiewillekeur en overal aanwezige geheime diensten. Men protesteert tegen de repressie, de onvrijheid, die in een veelheid van vormen de mensen neerhoudt en knevelt. Het is een woede over onvrijheid die in vrijwel alle delen van de bevolkingen van die landen opspeelt, van de allerarmsten die elk protest neergeslagen zien worden door politie, tot en met de bovenlagen die aanlopen tegen censuur, wanbestuur en incompetentie van topfunctionarissen die geen enkele kritiek dulden, ten guste van de dictator en zijn kliek. Het is een zeer breed levende motivatie.

Iets anders ligt dat met de andere grote drijfveer in de opstanden: protest tegen uitsluiting en armoede. Het gaat dasn om de hoge werkloosheid, vooral onder jongeren. Het gaat om het feity dat tientallen procenten van de bevolking leeft van een dollar per dag, en nog eens tientallen procent van misschien anderhalve of twee dollar. Dit alles tegenover een steenrijke toplaag. Een diep gevoel van sociaal onrecht, sociale uitsluiting, drijft met name mensen uit de volksklassen, arbeiders, krottenbewoners, arme boeren, tot protest. Klassenstrijd is binnen de opstandsbewegingen duidelijk als aanjager aanwezig. Een opvallende rol speelt hier het feuit dat in deze maatschappijen wel grote aantallen jongeren hogere opleidingen en diploma’s krijgen, maar geen banen die ook maar een beetje bij die opleidingen passen. Er ontstaan een enorme spanning tussen de hoop , verwachtingen en ambities van hoogopgeleide jongeren enerzijds, en een tamelijk uitzichtloos bestaan, een toekomst zonder toekomst als het ware, anderzijds. Dat is een grote aanjager van de opstandigheid, gesymboliseerd in de jonge academicus in Tunesië die zich in brand stak omdat de politie hem dwarsboomde toen hij in leven probeerde te blijven met de ver koop van groenten en fruit. De protesten daartegen groeiden uit tot de Tunesische revolutie.

De politieke en de sociaal-economische motivaties komen dan samen in de afkeer van de corruptie. Die corruptie drukt zowel iets economisch als iets politieks uit. Het gaat dan over de verstrengeling tussen bedrijven en politici, vette contracten voor de vriendjes van de president en dergelijke. Maar het gaat ook over alledaagse afpersing: mensen die moeten betalen om kans te maken op ene overheidsbaantje of een opleidingsplek; mensen die aangehouden door politie, mogen kiezen: mee naar de cel voor een dubieuze aanklacht, mogelijk om mishandeld te worden bovendien; of anders de ‘boete’ maar betalen. Dit type corruptie raakt vrijwel iedereen. Het is een vorm waarin juist ook mensen met weinig geld nog eens éxtra worden uitgeknepen. Woede wegens de corruptie is daarmee een onderliggend thema dat de diverse drijfveren, politiek en economisch, verbindt.

In welke richting vertalen mensen deze motivaties in bewuste verlangens, eisen, een soort van programma? Heel veel wijst erop dat mensen ‘gewoon’ democratie willen, i de liberale, westerse zin van het woord. Politieke vrijheid, meningsvrijheid, pers- en mediavrijheid. Het opheffen of minstens inperken van de geheime dienst en het opheffen van noodtoestandswetgeving en dergelijke past daarin. Maar ook verkiezingen die niet bij voorbaat gefrauduleerd worden, waaraan meerdere partijen vrij kunnen meedoen. Politici die via zulke verkiezingen in vrijheid worden gekozen. Een onafhankelijke rechtspraak. Een parlementaire democratie, in de brede zin van het woord, dat is het bewuste strevenn van ten minste de hoofdstroom van de opstanden.

Maar het gaat toch om ietsje méér dan dat. Ik noem het streven daarom democratie-plús. En dat zit in twee dingen. Enerzijds is er de grote bereidheid om stappen naar democratie keer op keer te ondersteunen met nogal radicale actie. In Tunesië bléven mensen demonstreren na de val van Ben Ali. Daarmee maakten ze de handhaving van figuren van het oude bewind in de regering zeer moeilijk en dwongen ze steeds nieuwe concessies af. In het streven naar democratie blijven mensen zélf actief. Het gaat om méér dan het uit handen geven van de eigen macht aan gekozen politici. Het is democratie-plús. En dat geldt ook voor de strevingen, de programmatische kant. De gangmakers van de actiedag op 25 januari in Egypte hadden nadrukkelijk een hoger minimumloon als één van de eisen opgenomen. Eisen voor hogere lonen, voor meer banen en dergelijke, zijn wel degelijk deel , niet alleen van de m motivaties maar ook van veel van de bewuste doelstellingen, van de protesten. De nagestreefde democratie is een democratie met een stevige component van sociale rechtvaardigheid. Ook in deze zin is het democratie-plús, sociaal-democratie, maar dan in een vrij letterlijke betekenis..

We zien dus dat betrekkelijk radicale, diepliggende motivaties – afkeer van onvrijheid op alle niveaus, woede over grootschalige armoede en sociale uitsluiting – vertaald zijn in een betrekkelijk gematigd programma van liberaal-democratische signatuur. Daar zit al een spanning tussen. Die spanning wordt nog veel voelbaarder als we de derde laag in de niveaus van analyse erbij halen. Hoe traden mensen vanuit hun motivaties daadwerkelijk op? Wat déden mensen zoal, en hoe organiseerden ze zich? Dán valt onmiddellijk op dat er van betrekkelijke gematigdheid weinig meer overblijft. We zagen om te beginnen reeksen van verboden demonstraties, feitelijk van burgerlijke ongehoorzaamheid om gigantische schaal. We zagen allerhande vormen van directe actie, stakingen en sit-ins, die na de val van dictaturen ook nog eens door gingen, tegen de kleine dictators in de fabrieken in instellingen in de hele maatschappij. Dat valt vooral op in landen waar de dictator al is verdreven, in Tunesië en vooral in Egypte. Daar was stakingsstrijd al jaren vrij stevig aanwezig, iets dat achteraf als aanloop naar de revolutionaire ontknoping van januari en februari gezien kan worden.

In Bahrein en Libië was specifieke arbeidersstrijd veel minder manifest, al was die in Bahrein bepaald niet afwezig: daar was een staking, waarin vooral leraren van zich deden spreken. Maar een zo zelfstandige rol als in Tunesië en Egypte spelen arbeiders in Libië en Bahrein niet. Dat hangt samen met de verschillende structuren van die landen. In Bahrein is een groot deel van de arbeidersklasse geen Bahreins staatsburger, maar migrant-arbeider uit Zuidaziatische landen. Deze mensen zijn uiterst kwetsbaar vanwege de angst voor uitzetting. Tot nu toe staan ze in de opstandsbeweging buitenspel. Het is zaak dat dit alsnog verandert, ook a in andere staten van het Arabische schiereiland waar een soortgelijk verschijnsel – een flink deel van de arbeidersklasse dat uit vrijwel rechteloze migranten bestaat – plaats vindt. Dit speelt ook in Libië, waar honderdduizenden Afrikaanse en Aziatische migranten werkzaam zijn, of beter gezegd wáren. Bij het uitbreken van de opstand, en de onderdrukking daarvan, reageerden deze mensen, zeer begrijpelijk, met: wegwezen hier! Er was onder Kadhafi al racisme gegroeid tegen deze migranten. Nu uitte dit racisme zich ook in de opstandsgebieden, waar Afrikaanse migranten maar al te makkelijk werden aangezien voor huurlingen van Kadhafi, en soms geweld te verduren kregen van opstandelingen. Het is een aspect van een, op zichzelf rechtmatige, opstand dat bepaald onfris is. Maar het wortelt in de sociale structuur van Libië waarin een groot deel van de arbeidersklasse van dat land een soortgelijke onderklasse-positie had als in Bahrein. Samen met Libische opstandigen strijden tegen Kadhafi’s bewind was voor deze migranten helaas geen voor de hand liggende reactie, en de opstelling van opstandelingen maakte dit samen strijden nog moeilijker. Door dit alles ontbreekt de dimensie van arbeidersstrijd die in Tunesië en Egypte zo sterk is, in Libië vrijwel geheel.

Er was niet alleen een veelheid van zélf-doen, zélf in beweging komen, van directe actie; mensen begonnen zich ook op allerlei manieren zelf te organiseren. Op het Tahrir-plein in Cairo begonnen mensen zelf taken te verdelen, voedselvoorziening, schoonmaak, cultuur en entertainment, maar ook bewaking van de toegangen, zelf te organiseren. Op de Pearl Rotonde in Bahrein gebeurde zoiets ook; een krant uit het naburige naburige Verenigde Arabische Emiraten sprak zelfs van een “werkende anarchie, niet in de zin van chaos, maar in de betekenis van afwezigheid van centrale autoriteit”. En in Benghazi, in Libië, begon de plaatselijke gemeenschap het dagelijkse leven te organiseren via de vorming van comités, nadat mensen er het Kadhafi-bewind daar verdreven hadden. Anderen regelen de dingen niet meer voor ons? Dan zullen we het zelf moeten doen. Mensen begonnen hier min of meer via directe democratie zichzelf te besturen. Ze gingen daarmee veel verder dan de vertegenwoordigende democratie die ze op ideologisch niveau nastreefden. Mensen praatten als linkse liberalen. Maar mensen handelden zo ongeveer als anarchisten… om de links-liberale droom dichterbij te brengen. Er was dus wel degelijk een libertaire dynamiek in de gebeurtenissen herkenbaar.

Maar het was een dynamiek die zich vrijwel nergens van zichzelf bewust was. Mensen zagen de zelfbestuursstructuren in Benghazi, de zelforganisatie op het Tahrir-plein, niet vanzelf als het begin van ene nieuw soort maatschappij. Mensen zagen deze zelforganisatie als tijdelijk iets, om de strijd zelf te organiseren, en het gat te vullen zolang er nog geen democratisch gekozen nieuw bestuur was. Toen Mubarak verdwenen was, verdwenen ook de comités om de protesten op het plein zo goed mogelijk gaande te houden. En nu de tijdelijke comités ondergeschikt worden aan een Nationale Overgangs Raad die zich inmiddels als interim-regering profileert, horen we ook steeds minder van die comités. De naamgeving geeft het al aan: Nationale Overgangs Raad. Overgang naar wat? Naar ‘normale’ democratische bestuursverhoudingen. Zelfbestuur is geen doel van de protestbewegingen. Zelfbestuur is ene middel om de democratische doelen van die bewegingen dichterbij te brengen. Maar het zelfbestuur wijst tegelijk impliciet op de mógelijkheid om veel méér vrijheid en rechtvaardigheid te brengen dan binnen een liberaal-democratisch kader, met al haar indirectheid en beperktheid, mogelijk is. Liberale democratie opent ruimte, na jaren van dictatuur. Maar uiteindelijk doet ook liberale democratie gene recht aan het fundamentele verlangen naar vrijheid en rechtvaardigheid dat de opstanden aanjaagt.

Dat impliciete potentieel tot veel diepere bevrijding helpen tot werkelijkheid te maken is iets waar anarchisten kunnen bijdragen. Erop wijzen dat je die comités ook permanent kunt maken, er de kiem in aanwijzen van een nieuwe vrije maatschappij, dat is iets wat anarchisten kunnen doen – hier maar vooral ook daar. Zoals een Syrische anarchist het formuleert: “De Lybische volkscomités zouden de basis van een nieuw leven moeten zijn, en niet slechts een interim-maatregel.”  Als dat idee, en de bijbehorende praktijk, voet aan de grond krijgt binnen de opstandsbewegingen, dan kunnen ze uitgroeien tot revoltes, ja revoluties, die waarlijk als anarchistisch getypeerd kunnen worden.

Wat kunnen revolutionairen, anarchisten onder hen, in bijvoorbeeld Nederland doen om te helpen? Niet heel erg veel, gezien de geringe aantallen. maar er zijn enkele punten. Ons inzetten tegen wapenhanden vanuit Nederland met de regimes in Noord-Afrika en het Midden-Oosten is er één van. dat klan de vorm aannemen van een petitie, niet omdat daar grote druk van uitgaat maar omdat daarmee tenminste de kritiek een beetje aan het gonzen komt. Steviger en verdergaande acties tegen medeplichtige bedrijven zijn denkbaar, waarbij een onderscheid tussen profiterende directies enerzijds, en het personeel dat er werkt en dat we als potentiële bondgenoot dienen te benaderen, belangrijk is. Een tweede punt is: opkomen voor migranten en vluchtelingen, juist nu. Europa en Libië wekten goed samen in het tegenhouden van Afrikanen die naar Europa proberen te komen. dat was deel van het bondgenootschap tussen Kadhafi en onder meer Berlusconi. Opkomen tegen deze brute vorm van grensbewaking is deel van een politiek die terecht sowieso alle grenzen en migratiebeperkingen aanvecht. Er is nog een punt: wie westerse interventie volstrekt afwijst – en ik denk dat we dit moeten doen – moet onder ogen zien dat Kadhafi alsnog een slachting in opstandsgebieden aanricht. het minste dat we, in combinatie met het stoppen van luchtaanvallen, moeten eisen is dan óók: iedereen die op de vlucht slaat, wordt een veilig heenkomen en fatsoenlijke opvang geboden, ook al verhuist de complete bevolking van Benghazi dan naar Europa.

Andere bijdragen die we kunnen leveren zijn het bieden van morele steun, hoe beperkt ook, aan opstandigen en specifiek aan geestverwanten onder de opstandigen. Als een groepering in Cairo een solidariteitsverklaring vanuit een groepering in Amsterdam of zo krijgt, dat motiveert dat mensen, het steekt ze hopelijk een hart onder de riem. Daarnaast, en in veel bredere zin, is het werken aan een breed verspreid bewustzijn dat de revoltes in Noord-Afrika en het Midden-Oosten onze sympathie en steun verdienen, van belang. Als er een publieke opinie zou zijn die het nadrukkelijk voor de opstanden opneemt, dan zal vanuit opstandige kringen de neiging om dáár – en niet bij regeringen met hun legers, kruisraketten, NAVO en VN – steun te zoeken. Niet de hypocriete en van belangenpolitiek doordrenkte operaties die Westerse staten nu uitvoeren boven Libië, maar authentieke steun, geworteld in solidariteit.


Internationale revolutionaire golf

17 februari, 2011

Mohamed Bouazizi was academicus, had geen baan, , hield zich in leven door op straat fruit en groente te verkopen. Toen autoriteiten hem daarin grof dwarsboomden – ze hadden eerder zijn kar met koopwaar in beslaggenomen en hem geslagen – stak hij zichzelf in brand. Het gebeurde in Sidi Bouzid, in Tunesië, op 17 december. Met zijn desperate daad gaf hij in feite het startschot voor wat uitgroeide tot de Tunesische revolutie, vrij snel daarop gevolgd door de nog veel dramatischer revolutie in Egypte. Inmiddels kunnen we vaststellen dat we in de beginfase zitten van een grote internationale revolutionaire golf.

Lees de rest van dit artikel »


Regime change? Nee. Revolutie!

15 februari, 2011

 Berichtgeving over de revoltes die momenteel door het Midden-Oosten denderen, biedt opwindend leesvoer. Straatprotesten, dappere verdediging tegen brute politiemacht, stakingen en arbeidersacties op de meest onvoorspelbare plaatsen en in ogenschijnlijk de minst voor de hand liggende bedrijven en instellingen, leuzen tijdens betogingen van aanstekelijke vindingrijkheid en humor… daar kennis van nemen is iets moois, prikkelt tot nieuwsgierigheid. Ik ben op een verloren moment terwijl de gebeurtenissen in Egypte tussen twee hoogtepunten in zaten, een tijdje on-line bezig geweest met erachter komen hoe Arabisch schrift werkt en dergelijke, en dit soort nieuwsgierigheid speelde als motivatie daarin mee, denk ik zo.

Natuurlijk is de berichtgeving zoals die tot ons komt, allesbehalve perfect. Er is de neiging om de zaken mooier voor te stellen dan ze werkelijk zijn, er is een tendens om te doen alsof de revolutie in bijvoorbeeld Egypte een vrijwel vreedzame gebeurtenis was, wellicht op de knokploegen van 2 en 3 februari na. Die neiging was er al voor Mubarak was verjaagd. Trouw schreef op 2 februari bijvoorbeeld: “Voor en tegenstanders van de Egyptische president Mubarak gaan elkaar te lijf op het Tahrirplein. Er is een einde gekomen aan de vreedzame betogingen van de afgelopen zeven dagen.” Toen al was duidelijk dat de mensen die door Trouw als aanhangers van Mubarak worden aangeduid, voor een zeer flink deel politieagenten waren, en voor een ander deel door het bewind geronselde personeelsleden van staatsbedrijven en dergelijke, en niet zomaar ‘voorstanders’ van Mubarak. Maar dat nu terzijde. Mij gaat het nu om iets anders. Die “vreedzame betogingen van de afgelopen zeven dagen” zijn een misleidend sprookje.

Op 25 januari begonnen de demonstraties. Binnen enkele uren viel oproeprpolitie demonstranten aan. De twee dagen erop gingen betogingen door, en leidden tot heftige botsingen met de oproerpolitien. Op 28 januari groeiden de demonstraties uit tot langdurige straatgevechten, wwaarin betogers politieagenten wisten terug te dringen, politiebusjes de vernieling gingen en dergelijke. In meedere steden gingen politiebureaus en kantoren van de staatspartij NDP in de fik, in Suez en Alexandrië wisten opstandige menigten de politie te verslaan en te verdrijven, en hielden een tijdlang het stadscentrum in handen. Dit waren geen vreedzame betogingen meer. Dit was een volksopstand die gepast en gericht geweld wist te gebruiken, tegen instellingen van de staat die de opstand met geweld trachtte te onderdrukken. In die dagen deden, volgens een blogger, groepen voetbalsupporters met de opmerkelijk aardige naam ultras, zich trouwens goed gelden. Deze mensen hadden ervaring in het vechten met de Egyptische politie. Dat kwam goed uit. Paul Woodward komt met deze informatie, in een aardig artikel met verwijzingen: “Inside the Egyptian revolution”, al op 29 januari verschenen.

Hadden boze mensen zich níét zo effectief verdedigd, waren ze niet tot de tegenaanval overgegaan… dan is het zeer goed denkbaar dat de oproerpolitie de macht over de straten had weten te behouden of heroveren. Nu lukte dat niet. De keus voor geweld kwam van de kant van machthebbers en staatsinstellingen. Maar de keus om daar uiteindelijk met tegengeweld op te antwoorden kwam van de kant van opstandigen. En die keus was terécht. Een puur-geweldloos protest had dit brute regime er nooit toe bewogen om Mubarak overboord te gooien. Revoluties zijn iets glorieus, maar laten we niet voorbijgaan aan de grimmige kant diie van een succesvolle volksopstand nogal eens een onmisbaar element is.

Laten we ook onze eigen taal hanteren voor wat zich hier voltrekt. Niks ‘regime change’ dus, dat ón-woord dat de regering van Bush ons heeft nagelaten; wat we zien zijn geen gewone geen wisselingen van de wacht. Wat we zien is ‘regime destruction’ aan het werk, oftewel revolutie. Tunesië en Egypte beleefden een volksopstand tegen een bewind, maar het is méér dan dat. Niet voor niets hanteer ik het woord ‘revolutie’. Het gaat in beide landen om omwentelingen die niet alleen een president en enkele kopstukken eromheen verdrijven, maar diepgaande maatschappelijke verandering trachten door te drukken. Ook als het nog helemaal niet vast staat wat die veranderingen precies zijn, hoe diep het proces gaat, en of ook de beoogde veranderingen wel gaan lukken… dan nóg gaat het om een veelomvattend maatschappelijk proces, aangejaagd door explosieve en brede volkswoede, en niet enkel gericht tegen specifieke machthebbers, maar tegen de structuur van de macht. Dat maakt het woord ‘revolutie’ bepaald niet misplaatst.

Voorbeelden van de veranderingen die worden doorgedrukt zien we in beide landen. Na de val van Ben Ali in Tunesië gingen betogers verder met betogen. Ze eisten dat medewerkers van de dictator verdwenen uit de regering. Dat gebeurde vervolgens gedeeltelijk. Intussen wordt de staatspartij RCD op non-actief gezet. Daarmee wordt een pijler van het oude bewind daadwerkelijk onklaar gemaakt. Dit is verandering in staatsstructuur, niet enkel van het personeel aan de top. In Egypte namen demonstranten na de val van Mubarak geen genoegen met een militair bestuur dat voor onbepaalde tijd aanbleef. Daarom bleven flinke groepen dagenlang op het Tahrirplein. Intussen heeft de militaire leiding verkiezingen aangekondigd, het parlement van Mubarak-verlengstukken naar huis gestuurd, en een snel proces naar een nieuwe grondwet op de rails gezet. Dat zijn allemaal bewegingen aan de top, manieren van de machthebbers om een veranderingsproces te sturen, van kaders te voorzien die haar macht niet fundamenteel bedreigen. In die zin zijn ze gericht tegen de werkelijke revolutionaire dynamiek die zich bijvoorbeeld met doorgaande arbeidersprotesten zich laat gelden. Tegelijk zijn de staatshervormingen ook een erkenning dat er daadwerkelijk flink iets moet veránderen om enige ‘stabiliteit’- dat heilige begrip van generaals, diplomaten en zakenlieden – terug te krijgen.

Het zijn tekenen dat Egypte daadwerkelijk een revolutie beleeft, en dat machthebbers dus hun best moeten doen om zaken aan te passen. Nieuwe staatsinstellingen, verkiezingen, een andere grondwet – het zijn symptomen van revolutie, het zijn zaken die in deze vorm zonder de revolutie die gaande is er niet zouden zijn gekomen. Machthebbers geven de bevolking met dit soort veranderingen als het ware een ruimer zittende jas, zodat de onderdrukking minder pijn doet en men beter kan bewegen. Maar ook iets minder pijnlijke onderdrukking is onderdrukking. De revolutionaire bevolking zal echter hopelijk met deze, wel belangrijke maar beperkte, veranderingen geen genoegen nemen. Het allerminste om voor dóór te vechten is: opheffing van de noodtoestand; vrijlating van alle politieke gevangenen; vrijheid van organisatioe, zowel voor politieke groeperingen als voor vakbonden en dergelijke; flinke verbeteringen in levenspeil en arbeidsvoorwaarden. Vooral op dat laatste front – de sterke sociale dimensie die de oorpronkelijk voornamelijk op politiek terrein bewegende revolutie inmiddels heeft – gebeurt een heleboel, en dat is veelbelovend.

We hebben dus werkelijk te maken met revoluties. Het woord ‘regime change’dat helaas ook linkse mensen nog wel eens gebruiken in dit verband, kunnen we dus maar beter over laten aan Westerse politici en bijbehorende denktanks die er in eerste instantie de verdrijving van Saddam Hussein door middel van bombardementen en een invasie mee aanduidden. In Tunisië en Egypte wordt geen regime ge-‘changed’ om voor een ander regime plaats te maken. In deze landen worden regimes omvergeworpen zónder ze door een nieuw bewind te vervangen (tenzij we de radicale democratie die revolutionairen beogen ook een ‘regime’ noemen, maar dat lijkt me woordgegoochel); althans dát is de richting van het proces. Politieke revoluties zijn het vooral, omwentelingen die een forse verandering van de bestuursvorm afdwingt, met véél meer politieke en persoonlijke vrijheid, met een regering die gevormd wordt via verkiezingen met meerdere partijen waarvan de uitslag nu eens niet van te voren vast staat, met de mogelijkheid om voor je belangen op te komen zónder door veiligheidsdienst te worden opgepakt en gemarteld, zonder gegarandeerd uit elkaar te worden geslagen en erger door oproerpolitie of leger. Democratische revoluties, zo zou je het kunnen noemen. Tegelijk zijn het, in ieder geval in aanzet en dynamiek, niet enkel politieke maar ook sociale revoluties. De talloze arbeidersacties, in de vorm van stakingen en demonstraties in allerhande bedrijven en instanties, laten dat zien.

In Tunesië gebeurt op dit front nog steeds van alles en nog wat. De eerste zinnetjes van een artikel uit de New York Times op 14 februari geven al een indruk: “Bakkers hebben gedreigd te stoppen met het maken van baguettes als hun salarissen niet verhoogd worden. Advocaten die juridische onafhankelijkheid eisen protesteerden voor het ministerie van justitie. Werkloze mijnwerkers sliepen in het hoofdkwartier van een fosfaatmijn en eisten meer banen.”  De Volkskrant komt op 15 februari met andere voorbeelden: “Kamermeisjes weigeren kamers schoon te maken totdat ze meer betaald krijgen, telecommunicatiemedewerkers willen staken omdat hun bedrijf geprivatiseerd dreigt te worden en misnoegde vlioegveldmedewerkers houden internationale vluchten tegen.” Mensen hebben met demonstraties de angst doorbroken, de dictator helpen verjagen, en een flink stuk vrijheid veroverd. Nu gebruiken ze die vrijheid om een beter bestaan op te eisen. Dat streven ondervindt weerstand. “Dit is geen democratie, dit is wanorde. We wachten allemaal op het herstel van de orde”, zo klaagt een verkoopmedewerkster, volgens het New York Times-artikel. En een politicus, nog wel van een partij die als linksgeorienteerd wordt aangeduid, vindt al die verdergaande acties ook maar matig en zegt bezorgd: “de revolutionaire dynamiek kan steeds maar doorgaan.” En uit het Volkskrant-stuk: “Scholieren zijn in opstand gekomen tegen hun leraren, waarop die op hun beurt naar het ministerie trokken om te klagen dat de scholieren niet woren aangepakt.” Autoritair orde houden, beste docenten, is contrarevolutionair, zeker als het zich richt tegten scholieren die revolutie de klaslokalen in brengen… Een zakenman klaagt: “Mensen hebben kennelijk verkeerd begrepen wat vrijheid inhoudt.” Dat zie ik toch echt anders. Mensen geven vrijheid een inhoud die ingaat tegen de belangen van zakenlieden. Dat zakenlieden nerveus worden van deze vrijheid verbaast me niet: hun zakelijke belangen worden erdoor bedreigd. Een werkelijke revolutie vindt daarom in ondernemerskringen vijanden; hoe werkelijker de revolutie, hoe dieper die vijandschap.Niet iedereen is blij met het voortduren van de revolutie. Maar zónder dit soort voortgaande strijd winnen mensen niet de diepganade vrijheid die ze nodig hebben.

Hetzelfde proces vindt volop plaats in Egypte. Al voor Mubarak ten val was gebracht, hadden arbeiders een stakingsgolf in gang gezet. Het is aannemelijk dat juist die stakingsacties de val van Mubarak hebben versneld: militaire machthebbers zullen zich zijn gaan realiseren dat, zolang Mubarak aanbleef, het risico (voor hun) op een sociale explosie die veel verder ging dan een wisseling aan de top van het bewind groeide. Nu ís Mubaraqk weg – maar de angst van mensen om voor hun belangen op te komen heeft door hun succes tegen de dictator verregaand doorbroken. Daarmee zijn de deuren voor steeds nieuwe arbeiders opengegaan. Actie na actie vindt dan ook plaats.Honderdvijftig arbeiders in de toeristensector betoogden bij de pyramiden voor hoger loon. Personeelsleden in de opera van Cairo  eisten maatregelen tegen corruptie in het management daar. Enkele tientallen mensen bij een ontroerend-goed-bedrijf voeren actie, tegen corruptie, tegen de directie. http:// Arbeiders blokkeren doorgang in een tunnel in Cairo. Ze eisen dat hun ‘tijdelijke’ contracten nu eens omgezet worden in een vaste baan. Met die ‘tijdelijke’ contracten zijn ze al elf jaar opgescheept, zeggen ze. Arbeiders in de stad Assiut houden intussen sit-ins bij drie verschillende bedrijven. Het gaat daar in totaal om maar liefst 6.000 mensen in actie. Betere arbeidsvoorwaarden, vaste contracten, protest tegen een privatiserening, dat zijn thema’s die daar aan de orde zijn. Intussen hebben arbeiders, samen met sympathisanten, in totaal vijfhonderd actievoerders, voor het hoofdkantoor van de officiële vakbondsfederatie – feitelijk deel van het Mubarak-bewind – geëist dat dit orgaan ontbonden zou worden. Dit zijn  op één na allemaal berichten van 14 februari; het bericht over actie bij de opera van Cairo is van dinsdag 15 februari.

Intussen riepen de militaire machthebbers al op tot het einde aan de stakingen. Precies dit is zo’n teken dat de revolutie met een beperkte machtswisseling aan de top maar beter geen genoegen kan nemen. Méér vrijheid is nodig, méér speelruimte, zodat mensen juist ook een materieel veel beter bestaan kunnen veroveren met demonstraties, directe actie, blokkade, stakingen, sit-ins. Dáár ligt overduidelijk hjet zwaartepunt van de revolutie die, zowel in Tunesië als in Egypte, volop gaande is. En waar zowel kamermeisjes als voetbalsupporters, zowel operapersoneel als scholieren, de maatschappij zo doen gonzen, daar kan aan het revolutionaire karakter van de gang van zaken toch niet veel twijfel meer bestaan…


Egypte: opstand!

25 januari, 2011

Onwaarschijnlijke, bijna ongelofelijke gebeurtenissen in Egypte! De eerste berichten over de aangekondigde straatprotesten tegen de dictatuur van Mubarak wijzen op deelname van grote aantallen mensen. Demonstranten staan tegenover de oproerpolitie – en verweren zich. Komende uren zullen we meer te zien en te horen krijgen. Nu al kunnen we vaststellen dat de golf van revolutie, ontketend in Tunesië, daadwerkelijk overslaat naar andere Arabische staten, waaronder dus het nogal belangrijke Egypte. Wat volgt, zijn indrukken en gedachten, ongetwijfeld chaotisch. De gebeurtenissen vinden immers nu plaats, voor afgewogen afwegingen is het veel te vroeg.

Wat we intussen weten is dit. Er zijn “duizenden mensen” actie aan het voeren in Caïro, vertelt de Volkskrant, “de grootste demonstratie tegen de president sinds zijn aantreden”. Moebarak regeert sins 1981. De NRC schrijft dat ook in Alexandrié mensen betogen. In Caïro deed de politie al haar gewelddadige ding, maar dat liep anders dan hogehand ongetwijfeld bedoelde. “Zo zette de politietraangas en een waterkanion in om de betogers uit elkaar te drijven. De betogers dwongen op hun beurt de chauffeur van het waterkanon uit zijn voertuiog te stappen. De politie reageerde door verschillende demonstranten met de wapenstok te slaan.” Dat klinkt niet als bange demonstranten! En het klinkt evenmin als een erg succesvol politie-ingrijpen…

De BBC meldt dat er in meer plaatsen protest is, ook in Ismaliya bijvoorbeeld. Demonstranten in Caïro riepen “Weg met Mubarak”, hielden bij het gebouw van het Hooggerechtshof de leus “Tunesië is de oplossing in de lucht, en schreeuwden ook, “Gamal, vertel je vader dat Egyptenaren je haten”. Gamal verwijst naar de zoon van de president; veel mensen gaan ervan uit dat hij het presidentschap van zijn vader gaat overnemen. Eebn demonstrant zegt: “Ik kwam hier vandaag, bereid om te sterven, ik heb niets te vrezen.” Het tekent de volslagen onverschrokkenheid onder de opstandige bevolking die vandaag tot uitbarsting komt.

Aljazeera heeft meer, de verslaggever van dat station zegt: “Dit zijn niet de 50 tot 60 activisten die we hebben zien protesteren de laatste vijf tot zes jaar. Dit waren gewone Egyptenaren, oudere vrouwen, jongere mannen, zelfs kinderen.” Dit is geen gewone woede vanuit oppositiegroepe meer. Dit is volkswoede. “Organisatoren hebben opgeroepen tot ‘een dag  van revolutie tegen marterling, armoede, corruptie en werkloosheid’“, oftewel tegen het soort dingen waartegen ook de Tunesische revolutie zich richtte en nog steeds richt.

Nogmaals, komende uren weten we meer. De Guardian heeft, zoals vaker bij dit soort gebeurtenissen, heet-van-de-naald-updates van de gebeurtenissen, jammer genoeg wel onoverzichtelijk gecombineerd met gebeurtenissen in Tunesië en Libanon. Het blog Lenin’s Tomb heeft een kort stuk met enkele filmpjes erbij, waar je flinke groepen demonstranten ziet, af en toe ook flinke linies oproerpolitie. Die laatsten stralen echter weinig zelfvertrouwen uit, en trekken zich zo te zien soms zelfs terug voor oprukkende betogers. Het stukje meldt echter ook dat er intussen sprake zou zijn van geweervuur.

De acties van vandaag zijn des te opvallender omdat ze openlijk zijn aangekondigd. Toch waren de autoriteiten niet in staat – of vonden het niet tactisch – om het protest in de kiem te smoren. Er was een oproep via, natuurlijk, Facebook, en er is flink getTwitterd ook. Er waren al 80.000 aanmeldingen om mee te doen via dit soort kanalen. Maar volgens een organisator van het protest zijn er ook 150.000 flyers verspreid, zo vertelt een stuk van Al Arabiya. Verspreiding van oproepen buiten internet is van belang, juist ook in een land als Egypte, waar het internetgebruik aanzienlijk minder wijd verbreid is als in Tunesië.

Opvallend is de rol van verschillden oppositiekrachten. Al Baradei, bekend geworden als chef van VN-kerninspecties en dergelijke rond Iran, tegenwoordig gematigd oppositieleider, waarschuwde al eerder voor een “explosie in Tunesische stijl” .Maar hij riep in eerste instantie niet tot deelname aan straatprotest op, maar later wel. Ook erg terughoudend was de omvangrijkste opositiegroepering, de Moslim Broederschap. “Waar (…)Baradei Egyptenaren wel oproep aan deze protesten mee te doen, was de Moslim Broederschap meer ambivalent”, aldus het eerder aangehaalde BBC-bericht. De New York Times schreef zelfs dat deze groepering niet mee wilde doen “om een curieuze reden:  de protesten vallen samen met een nationale feestdag om de politie te eren”  (gevonden via War In Context)!

Het lijkt erop dat de Moslim Broederschap risico’s wil vermijden, geen doelwit van nog méér onderdrukking wil worden, en daarom aanvankelijk haar gezagsgetrouwheid wilde laten zien dioor zich van het protest afwijzig te houden. Toen duidelijk werd dat het protest toch wel eens aan zou kunnen slaan, draaide de club kennelijk  bij, om enig oppositioneel krediet te behouden of herwinnen. Het is een gedraai waarmee deze groep weinig eer zal inleggen, hetgeen overigens voor het potentieel revolutionaire karakter van de protestbeweging gunstig is. Een revolutie is wat nodig is, maar dan een echte, en daarop is onder leiding van de vrij conservatieve Broederschap tamelijk wenig kans.

Met islamisten en een keurige liberaal die hun afzijdigheid en terughoudendheid maar traag overwonnen, is alvast duidelijk uit welke hoek het protest géén doortastende steun vindt. Het laat zien hoezeer zélfvertrouwen van mensen van het grootste gewicht is – en hoe de rol kan zijn van krachten die het aanmoedigen van dat zélfvertrouwen absoluut centraal zetten in hun activiteiten. Als de moed, de onverschrokkenheid en het initiatief van al die duizenden boze mensen in Egyptische steden symptomatisch zijn, dan zien we vandaag wellicht daadwerkelijk het uitbreken van een Egyptische revolutie die qua impact haar Tunesische voorganger nog kan overtreffen.


Ben Ali, Hosni Mubarak en Job Cohen

19 januari, 2011

Er valt heel veel te schrijven over de Tunesische revolutie. Hoe het oude bewind zich een facelift probeerde te geven door de president te laten gaan maar snel een nieuwe regering te vormen met een premier, een minister van binnenlandse zaken, van defensie en van financiën , allemaal lid van de RCD, de partij van de macht, van Ben Ali. Hoe veel mensen hier – terecht – boos van werden en opnieuw de straat op gingenm, en hoe zij hardhandig door de oproerpolitie werden aangevallen – waarmee het beeld dat het oude systeem niet weg was nog eens extra werd onderstreept. Hoe vervolgens de premier en de president snel uit die gehate partij stapten. Hoe enkele kabinetsleden – lid van de vakbond die na jarenlange gezagsgetrouwe opstelling de laatste weken een forse rol in de protestbeweging speelde – snel de regering verlieten toen ze zagen hoe sterk de oude machthebbers op regeringsniveau bleven. Ajazeera vat het keurig samen. Nee, deze revolutie is niet voorbij, niet ingekapseld. Deze revolutie heeft toekomst, al valt nog helemaal niet te zeggen wat voor toekomst precies.

Maar dat is voor een andere keer. Nu kort iets over de rol van Westerse staten – en partijen. Opvallend was hoe president Obama vriendelijke woorden voor de demonstranten vond en opriep tot vrije verkiezingen – vrijdagmiddag, toen de dictator al wankelde en zelf al allerlei democraatische beloften deed.. Op het weblog The Angy Arab worden hoogts amusante en leerzame gegevens en citaten boven water gev haald over de eerdere Amerikaanse opstelling. Daar vind je dus hoe vriendelijk Condoleezza Rice in 1998 was;  daar lees je ook een fors citaat van vriendelijkheden van het State Department voor Tunesië, compleet met cijfers over economische steun. Het citaat komt uit een document van oktober 2010.

De revolutie in Tunisië was dus gericht tegen een dictatuur die van het Westen – de VS en Frankrijk voorop – actieve steun kreeg. Maar de dictatuur kreeg steun van veel dichterbij, uit toch wel merkwaardige kring. De staatspartij RCD, de partij van dictatior Ben Ali, was namelijk tot eergisteren lid van … de Socialistische Internationale! Dat kom ik tegen via een commentaar/ aanvulling bij een artikel op Libcom over de Tunesische gebeurtenissen, een artikel waarvan die commentaarrubriek weer eens  een goudmijn van informatie is. En daar kwam ik het bericht tegen dat de President en de Secretaris Generaal van dit nobele proletarische gezelschap besloten hebben om het lidmaatschap van die CDR  te doen vervallen. Het stukje verwijst naar de “waarden en principes die onze beweging definiëren”, en naar “bijzondere omstandigheden”. Blijkbaar is staatsterreur niet in strijd met die “waarden en principes” van de Socialistische Internationale, behalve als die staatsterreur niet meer effectief genoeg blijkt te zijn. Want het berichtje dateert van 17 januari, drie dagen na de val van Ben Ali.

Voor wie het niet weet of even kwijt is: de Socialistische Internationale bundelt sociaaldemocratische partijen, of wat daar voor door moet gaan, wereldwijd. De lijst van leden pronkt op hun website. Er is een Nederlandse partij lid van: de PvdA van Job Cohen. Er is ook een Griekse partij lid van tropuwens: PASOK, de regeringspartij die verantwoordelijk is voor brute bezuiniogiongen en grof politiegeweld om protest daartegen neer te slaan. Het zullen je vrienden maar zijn.

Oh, trouwens, er is ook een Egyptische partij lid van: de Nationaal Democratische Partij NDP. Inderdaad, dat is de club van de Egyptische president Mubarak. Mijnheer Cohen en mijnheer Mubarak zijn dus politiek bevriend. Het zijn, om in stijl te blijven, kameraden, zoals Cohen en Ben Ali tot 17 januari dus ook kameraden waren. Zou iemand in de PvdA die nog wél enig fatsoen en enige echte afkeer van dictatuur heeft, bij zijn partij even aan de bel kun trekken hierover? Of zijn zulke mensen er niet meer?


Tunesische revolutie: enkele observaties

15 januari, 2011

Op 17 december 2010 stak een werkloze afgestudeerde zichzelf in brand. Op 14 januari verliet president Ben Ali het land. Zo snel kan het gaan: vier weken tussen het begin van een volksopstand tot de val van de dictator. Zo snel ging het in Tunesië, in wat nu al  de Jasmijn Revolutie wordt genoemd. Wat is de betekenis van de gebeurtenissen? En wat nu? Aanleiding genoeg voor een terugblik en een blik vooruit.

De revolutie in Tunesië heeft zich tot nu toe in hoog tempo voltrokken. Alleen al de gebeurtenissen van gisteren! Demonstratie van vele duizenden in de hoofdstad Tunis, aangevallen met minstens traangas; toespraak van de president, met beloften; geruchten en geweld in de straten; president vertrokken, premier meneemt macht over; president op weg, in Malta? Naar Parijs? Uiteindelijk geland in Saoedi-Arabië. In 24 uur tijd van hardhandige verdediging van de dictatuur, via concessies naar een aftocht en machtsoverdracht – die de essentie van het bewind overigens in groten lijnen intact heeft gelaten. De gang van zaken is na te lezen op verslagen van uur tot uur in The Guardian en bij de BBC.

De gebeurtenissen van de afgelopen weken vormden in hun totaliteit een revolutie – althans het eerste bedrijf ervan. Juan Cole haalt wat hoofdpunten naar voren. Hij spreekt van “allereerst een revolutie van de geblokkeerde, opgeleide middenklasse”, waarbij hij wijst op de enorm hoge werkloosheid onder mensen die van de universiteiten komen. Of je werkloze academici – zéker als ze geen welvarende ouders hebben – tot de middenklasse moet rekenen, mag je je afvragen. Maar dat de frustratie en woede van mensen die een hoge opleiding volgden om vervolgens geen bijpassende baan te kunnen vinden, drijvende kracht achter de protesten is geweest, dat is absoluut onmiskenbaar. Het was intussen ook een revolutie tegen de corrupte presidentIéle familie, waarvoor met name de vrouw van de president model stond.

Maar het was beslist niet enkel een ‘beweging van de ‘middenklasse’ (in de zin die Cole eraan geeft). “Je krijgt geen enorme mensenmenigten zoals we in Tunis zagen zonder dat veel arbeiders zich aansloten”, merkt hij droogjes op. En hij wijst op de rol die vakbonden speelden in de opstand. Die rol blijkt ook uit een verslag op Marxist.com, verschenen vlák voor de val van Ben Ali. Daar lezen we hoe de vakbond TGTT door het protest onder druk gezet wordt om stakingen uit te roepen. Die vakbond heeft op zich een tamme gezagsgetrouwe leiding, maar wordt desondanks als het ware op sleeptouw genomen; op 9 januari was er al een regionale algemene staking uitgeroepen door de UGGT-afdeling in Sfax, met vrijwel totale deelname. Uit dit artikel blijkt ook de omvang van de protesten in provinciesteden: 12.000 betogers in Jenduba, 30.000 in Sfax. Er gebeurde bepaald méér dan alleen rellen van honderden jongeren in meerdere steden. Cole wijst ook op het belang van het platteland, de arbeiders daar. “De plattelandswerkers is duidelijk vanm belang, waarschijnlijk belangrijker dan Facebook”, zo merkt hij op. Klassenstrijd, zo blijkt uit zowel Cole als uit het Marxist.com-artikel – met al hun verschillen en ook temkortkomingen -, was motor van de omwenteling in Tunesië.

Over de rol van internet-media is het laatste woord nog niet gezegd. Ja, kameraad Twitter, kameraad YouTube en kameraad Facebook speelden een grote rol bij de snelle uitbreiding van het protest, en bij de informatievoorziening over de grenzen heen, juist toen gevestigde media nog maar weinig aandacht aan Tunisië schonken. Toch is Cole’s relativerende opmerking niet onterecht. Eerdere revoluties konden ook bliksemsnel om zich heen grijpen, ook zonder internet. Van de staking van Russische textielarbeidsters in februari 1917 tot de val van de Tsaar kostte ruim één week, zonder zelfs maar één Twitterbericht. Van een demonstratie in Timisuara, Roemenië, tot de vlucht van Ceausescu, december 1989, nam zes dagen in beslag, en er kwam geen Facebook-oproep of sms-bericht aan te pas. Van de bestorming van de Bastille in 1789 is niet eens een YouTube-filmpje! In het tempo van revoluties is de afgelopen eeuwen opmerkelijk weinig veranderd. De rol van sociale media ligt eerder in de verbreiding van het nieuws naar andere landen, en dus in de mogelijkheid om niet alleen op de hoogte te blijven maar ook solidariteit te betuigen. Internet is belangrijk. Maar de politiekogels die getrotseerd moeten worden, de stenen die worden gegooid door het traangas heen, de betogingen die gehouden worden,  de revolutie zelf – dat alles heeft bepaald geen voornamelijk virtueel karakter.

Terug naar Cole. Hij wijst op de geringe rol die politieke partijen speelden in de gebeurtenissen, en op de rol van het leger. Dat een generaal ontslagen werd omdat hij weigerde op betogers te laten schieten, wijst op een breuk in dat leger, iets dat we in revoluties ook vaker zien. Cole wijst bovendien op het internationale belang van de revolutie in Tunesië, wellicht belangrijker dan de Iraanse revolutie van 1979. Die sprak – omdat die in een land waarvoopral Sjiiten woonden, en een religieus karakter had – mensen in andere delen van het Midden-Oosten woonden maar in beperkte m,ate aan: de meerderheid in de Arabische wereld is Soennietisch. Revolutie in Tunesië, een Arabisch land, overwegend Soennietisch, is een ander verhaal, met mogelijk wel degelijk een voorbeeldwerking op landen als Egypte en Jordanië, aldus Cole.

Een andere analyse van de revolutie waar iets van te leren valt geeft Rahul Mahajan op zijn onlangs gelukkig gereanimeerde weblog Empire Notes. Eerst schetst hij de gebeurtenissen zelf, van de zelfverbranding die de aanleiding tot het protest was tot aan de val van de president. Daarna gaat hij in op de aard van het regime, en waarom die aard de kans op revolutie in de hand werkte. Volgens hem is Tunesië, met een duur woord,  een neopatrimoniale staat. Dat betekent: een staat die enerzijds alles heeft wat een moderne staat geacht wordt te hebben: moderne ambtenarij geselecteerd op basis van verdienste en dergelijke, maar anderzijds vooral het persoonlijk eigendom is van een familie van de machthebber, of enkel van die machthebber zelf. Dat geeft zo’n bewind een smalle basis. Met repressie kan zo’n regime zich lang staande houden. Maar als de bal van verzet eenmaal rolt, kan snel blijken hoe ge: ïsoleerd en zwak de machthebbers staan. Dit zag je bijvoorbeeld in Nicaragua onde Somoza, die in 1979 ten val kwam, en ook enigszins onder Roemenië onder Ceasescu, voorbeelden dieMajahan niet noemt, maar waar je dit wel ziet. En nu zie je het in Tunesië.

Dit karakter van de staat verklaart dan mede – nog steeds volgens Mahajan – waarom  in Tunesië lukte wat in Iran in 2009 en Birma in 2007 niet lukte. Het bewind in Iran heeft een veel bredere, niet door een enkele familie maar door een reeks instituties gedragen, machtsbasis. Daarom had de opstand daar minder kans van slagen. Hij overdrijft overigens als hij zegt dat de “Groene Revolutie mislukte, zonder zelfs maar een kans te hebben.” Ja, de revolutie in Iran slaagde niet. Maar dat ze sowieso geen kans had, was niet de indruk die je kreeg uit de felle repressie die de staat op de vele honderdduizenden betogers meende te moeten loslaten om haar orde te handhaven. Het was kantjeboord, die mislukking. De machthebbers waren op het moment zelf kennelijk aanzienlijk minder zeker van hun zaak dan Mahajan achteraf…

Iets dergelijks gold voor Birma in 2007, de Saffraan Revolutie, genoemd naar de kleur van de dracht van demonstrerende Boeddhistische monniken. Ja, het Birmese regime wordt niet gedragen door een enkele familie, maar door het leger als instituut, met de generaals als machthebbers. Dat maakt de staat steviger dan een familiedomein als het Tunesië van de familie Ben Ali. Het is misschien waar dat zo’n militair regime als Birma  meer geweld kan loslaten dan het Tunesische regime kon, zoalas Mahajan stelt. Maar er spelen andere fasctoren in de mislukking van de opstand in Birma. Het actief óntmoedigen door monniken van bredere deelname vanuit de bevolking aan de protesten was een factor. De nadruk op geweldloosheid vanuit het protest hielp niet mee. Het ondersneeuwen van sociale kwesties – arm tegen rijk – zodat de beweging zich versmalde tot een grootschalig mensenrechtenprotest, speelde een rol.

Dit neemt allemaal niet weg dat Mahajan een punt heeft. Een ander soort staat brengt een ander soort kwetsbaarheid voor revolutie met zich mee, en Tunesië hoorde klaarblijkelijk tot een wat kwetsbaarder soort van  staat. Maar laten we niet in de val trappen dat we denken dat er soorten van staat zijn die onkwetsbaar zijn voor revolutie. Daarmee zouden we immers de hoop op grondige verbetering voor grote delen van de mensheid bij het oud schroot zetten. Mahajan maakt die fout niet, maar het gevaar ligt wel een beetje in zijn redenering besloten.

Volgens hem brengt dit staatskarakter ook een grotere kans op serieuze positieve veranderingen mee. Een breder gewortelde elite kan, na ene volksopstand, zich een beetje herschikken, wat gehate kopstukken dumpen en in enigszins aangepaste versie weer doorgaan. “In een voldoende geconcentreerd neopatrimoniaal regime zijn er echter geen plausibvele alternatieve elites, dus zijn de kansen  dat de beweging werkelijk dingen verandert in plaats van enkel de zaak een beetje door elkaar schudt is veel groter. Laten we hopen dat dit hier het geval is.” Ik zie wat hier wordt bedoeld, en onzin lijkt het me niet. Maar van veel groter belang bij een vervolg lijkt mij de kracht en de aard van de volksbewegingen van onderop zélf, de echte gangmakers van een echt revolutionair proces. Is die niet sterk genoeg, dan duiken er ook in een zojuist door revolutie beschadigde ‘familiestaat’ toch wel nieuwe leiders en structuren op, ook als die niet uit  de rechstreekse omgeving van de machthebbers komen. In Tunesië lijkt me het gewicht van het leger, als beslissende machtsfactor in de huidige staat, bijvoorbeeld nogal groot.

In Tunesië zien we intussen het proces  van schadebeperking van hogerhandaan het werk. Het bewind heeft een dreun moeten incasseren, in de vorm van het verlies van de president. Aanvankelijk kwam de premier naar voren: hij werd heel even president. Vandaag bleek dat alweer voorbij, en inmiddels is de parlementsvoorzitter tot president ingehuldigd. Beiden zijn figuren uit het oude bewind, hoge staatsfunctionarissen, mee verantwoordelijk voor een beleid dat de hoge werkloosheid op zijn minst in tact hield, mee verantwoordelijk voor de corruptie – ook als ze zelf wellicht relatief ‘schoon’ zijn – en vooral ook mee verantwoordelijk voor de grote aantallen doden en gewonden  die de poging om de volksopstand neer te slaan heeft gekost.

Nieuwe verkiezingen – nu binnen 60 dagen aan de orde, volgens de grondwettelijke regels althans – zullen waarschijnlijk een wedstrijd worden tussen figuren uit de gevestigde orde die tegen elkaar zullen opbieden in volksvriendelijkheid. Misschien dat het facelift-vermogen in een familiestaat als de Tunesische toch groter is dan in de analyse van Majahan aannemelijk lijkt. Beslissend wordt dan ook niet wat er in officiële politieke kringen wordt uitgebroed. Beslissend is wat de afgelopen vier weken steeds bepalend was: de kracht van het volksverzet zelf.


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 35 andere volgers