Dat lastige Leninisme (2)

In april en mei van vorig jaar schreef ik over het Leninisme, de waarde en geldigheid ervan, en de vraag in hoeverre ik mijzelf nog altijd in de Leninistische traditie plaatste. Destijds deed ik dat, en dat doe ik nog steeds. Wel gaf ik aan dat ik problemen zag met de vorm van Leninisme waarin ik een kleine 20 jaar had geopereerd – de vorm die de Internationale Socialisten beoefen(d)en, net als veel kleine revolutionaire groeperingen met een Leninistische politiek. Lang, te lang heeft het geduurd voor ik op deze vragen terug kom. Maar nu waag ik een poging.

Ik schreef in het tweede stuk al wat Leninisme níét was. Het Leninisme is níét de top-down versie van het Stalinisme, waarin de hele Russische revolutie zo ongeveer van bovenaf, door lenin en zijn groiep vastberaden medestanders, werd doorgedrukt, tot heil en zegen van de arbeiders maar in wezen over hun hoofden heen. Het Leninisme is evenmin de diabolische fantasie van rechtse liberalen, conservatieven, veel sociaal-democraten en zelfs anarchisten die beter zouden horen te weten – een fantasie waarin een machtswellustige Lenin, achter een cvamouflage van radicale leuzen, via een samenzwering een totalitaire staat vestigt. Stalinisme en Koude-Oorlogs-theorie zijn elkaars spiegelbeeld. Maar wát er ook weerspiegeld wordt, met de realiteit heeft het weinig te maken.

Wat behelst het Leninisme dan wel? In essentie gaat het om de politieke praktijk en theorie die de Russsische  Oktoberrevolutie mogelijk maakte, evenals de vestiging van een arbeidersstaat als product van die revolutie.  Maar het Leninisme was bovendien de politiek die beoogde om dit type revolutie wereldwijd te helpen overwinnen. Ontwikkeld als theorie in de Russische revolutionaire beweging was het Leninisme pas echt zichzelf als theorie van de internationale arbeidersrevolutie als hefboom naar arbeidersmacht wereldwijd, als voorbode van een klassenloze maatschappij op wereldschaal.

Dat zijn grote woorden, ik weet het. We zullen iets dichterbij de historische realiteit moeten komen om de boel wat aan te kleden. We gaan eens naar Rusland tegen het einde van de negentiende eeuw kijken, het land waar de jonge Lenin politiek actief werd. We zien dan een land van straatarme boeren, onderdrukt en leeggeplukt door een klasse van grootgrondbezitters. We zien een absolute monarchie met een keizer, een Tsaar, aan het hoofd. We zien intellectuelen die kritiek leveren en actie voeren voor meer vrijheid en rechtvaardigheid – en keer op keer in de gevangenis en/ of in Siberische ballingschap belandden, als de dictatuur ze tennminste niet ter dood bracht. We zien een, door  de staat gesteunde maar in hoge mate door buitenlandse leningen gefinancierde, industrialisering die hypermoderne fabrieken tot stand brengt waarin een kleine klasse van ondernemers tegenover een snelgroeiende arbeidersklasse staat. De Tsaristische onderdrukking zorgde ervoor dat ondernemers zich de woede van die vertrapte arbeiders van het lijf wisten te houden. Rusland was feitelijk een combinatie van feodale (grootgrondbezit, absolute monarchie) en kapitalistische (industriële ondernemingen, maar ook de groeiende markteconomie op het platteland)  elementen.

In dat Rusland waren allerlei vormen van revolutionaire politiek te vinden. De meesten gingen ervan uit dat de boeren het belangrijkste waren. Volgens sommigen moesten zij zichzelf bevrijden met grote opstanden, daarbij geholpen door de intelligentsia. Volgens anderen moest die intelligentsia bevrijding afdwingen door een samenzwering tegen de Tsaar, waarna de rest van de maatschappij de bevrijding als het ware opgelegd kreeg. De diverse vormen van radicalisme waarin de boeren centraal stonden, maar de intellectuelen feitelijk een hoofdrol speelden, stonden bekend als Populisme, en de aanhangers werden Narodniki (Narod = volk) genoemd. Het hele idee was om van het feodale Tsarisme in één keer over te springen naar een socialisme dat zich op de boerenbevolking baseerde. Het kapitalisme werd als het ware overgeslagen.

Marrxistisch was dit alles bepaald niet. Immers, voor Marx stond het idee centraal dat arbeiders, door zichzelf gezamenlijk te bevrijden, de weg baanden naar een socialistische maatschappij. Arbeidersstrijd kwam echter in het verhaal van de Narodniki amper voor, hetgeen niet zo vreemd was. Toen het Populisme opkwam, waren er immers amper arbeiders in Rusland te vinden, en ook tegen het einde van de negentiende eeuw was de overgrote meerderheid van de bevolkihng nog steeds arme boer. De boeken van Marx werden door Narodniki wel gewaardeerd: de scherpe kritiek die Marx  op het industriële kapitalisme was immers een schitterend argument om aan te tonen dat de verschrikkingen van dat kapitalisme als het maar enigszins kon verméden moesten worden. En precies dáár kwam het boerensocialisme van de Narodniki op neer. Toen er her en der arbeidersstrijd, in de vorm van- stakingen, demonstraties, uitbrak, zagen Narodniki daar vooral een aanvulling op hun eigen strijd in, een extra drukmiddel, een gelegenheid om steun te vinden. Een centrale rol kreeg het bij deze revolutionaire traditie niet.

Welnu, de kleine groepjes Marxisten die laat in de negentiende eeuw óók in Rusland actief werden, voerden een scherpe polemiek met de Narodniki – terwijl ze tegelijk leerden van de praktijk van Populistische revolutionairen. Lenin was één van die marxisten, en verdiende in dit soort polemische strijd zijn sporen. Hij vocht voor het idee dat óók in Rusland het kapitalisme de dominante economische vorm aan het worden was. Met dat doorbrekende kapitalisme zou de klasse die tegenover de kapitalistenklasse stond de sleutel van de revolutie in handen krijgen. Die klasse was de arbeidersklasse. Het Leninisme begon boven alles met het inzicht dat óók in Rusland de arbeidersrevolutie op de agenda stond, en dat daartoe geschikte politieke praktijken en organisatievormen moesten worden ontwikkeld. Het Leninisme begon dus boven alles als Marxisme.

Maar Marxistische revolutiionaire politiek had een hefboom nodig om effectief te zijn tegenover de ogenschijnlijke almacht van de Tsaristische staat en de kapitaluistische macht. Her en der werkten groepjes Marxisten- in studiekringen om de theorie aan  (andere) arbeiders uit te leggen, in strijdgroepen om stakingen en demonstraties van de grond te krijgen. De meeste initiatieven duurden niet lang: na enkele maanden rolde de geheime politie de zaak op en verdwenen de ‘raddraaiers’ naar Siberië of de galg.

Lenin zag op dat moment de versnippering van de Marxistische revolutionaire beweging als wezenlijk obstakel. Hij reageerde met een reeks initiatieven en geschriften. Het fameuze “Wat te Doen” was er één van. Hij zei kortweg het volgende: om maximaal effect hebben op de hele arbeidersklasse en op álle onderdrukte lagen van de bevolking, dienen revolutionaire Marxisten zich te bundelen, hun initiatieven te coördineren, en zich van een gezamenlijke stem te voorzien in de vorm van een orgaan, een krant. Om de arbeidersbeweging als geheel naar een zo hoog mogelijk niveau te trekken, was het nodig dat revolutionairen – arbeiders samen met intellectuelen – zich zelfstandig organiseerden, hun geluid zo luid en helder mogelijk lieten klinken, en initiatieven in de klassenstrijd te nemen waarin andere groepen arbeiders in de praktijk stappen vooruit konder zetten, hun kracht konden ontdekken en leerden dat hun afzonderlijke gevecht deel uitmaakt van een grotere strijd om bevrijding.

Arbeiders worden nu eenmaal niet allemaal in hetzelfde tempo strijdbaar en radicaal. Door de meest strijdbare en radicale arbeiders  – de voorhoede, daar is-ie, jawel – te verenigen in een organisatie, konden die revolutionaire arbeiders het proces van radicalisering bevorderen, en de hele arbeidersklasse en alle onderdrukten stappen vooruit helpen in de strijd. Dát was wat Lenin beoogde met het opbouwen van een revolutionaire organisatie, en dat ging hij samen met medestanders dóén ook. Het concept van een voorhoede in de arbeidersklasse, en een partij die probeert die voorhoede effectiever te maken door haar te verenigen – dát is een wezenlijke pijler van het Leninisme.

Maar het is verkeerd om het Leninisme te zien als vooral Marxisme-plus-voorhoedepartij, of zoiets schematisch. De partij waar Lenin voor stond kreeg bij hem rond 1900 zo enorm veel nadruk, omdat zoiets in Rusland zo pijnlijk ontbrák – met funeste gevolgen voor de effectiviteit van het verzet. Dus gingen zijn medestanders onvermoeibaar op pad om bestaande revolutionaire groepen te winnen voor het idee van een gecentraliseerd werkende partij met een partij-orgaan.

Uiteindelijk kwam er zo’n partij, die echter op haar congres in 1903 – in ballingschap in Londen – vrijwel onmiddelijk splitste. Degenen die, met Lenin, vonden dat een partij een tamelijk strak gebundelde organisatie van activisten moest zijn, van mensen die verantwoordelijkheid namen naar elkaar en naar de partij als geheel, en voor wie die partij ook verantwoordelijkheid nam, stonden tegenover degenen die een lossere aanpak beoogden, nauwelijks onderscheid maakten tussen leden en sympathisanten. Omdat de aanhang van Lenin op een bepaald moment  in de debatten op het partijcongres van 1903 een meerderheid achter zich hadden, en zijn tegenstanders een minderheid, kwam de eerste groep bekend te staan als mensen van de meerderheid oftewel Bolsjevieken, zijn tegenstanders als mensen-van-de-minderheid ofwel Mensjevieken.

De splitsing was aanvankelijk helemaal niet definitief; maar omdat de lossere structuren van de Mensjevieken al snel samengingen met een steeds softere, minder revolutionaire en in toenemende mate op hervormingen gerichte politiek, werd de afstand met de revolutionairen rond Lenin steeds groter. Wat aanvankelijk nog fracties waren binnen één partij, werden vanaf 1912 twee partijen, een Bolsjevistische en een Mensjevistische. Lenin wasde centrale figuur in de Bolsjevistische vleugel, later partij, in de revolutionaire beweging van Rusland.

Maar ver voor de splitsing definitief was, waren er grote dingen gebeurd in Rusland – zaken die duidelijk maakten dat Lenin veel was, maar géén blinde partij-fetisjist. In 1905 gingen arbeiders van een grote metaalfabriek in staking. Vervolgens gingen arbeiders een petitie aanbieden aan de Tsaar, om nederig om hun rechten te vragen. Revolutionairen – Bolsjevieken en Mensjevieken – waren in dit gebeuren volstrekt marginaal, de arbeiders zochten hun heil in een door Gapon, een priester, geleide vakbond die aanvankelijk vanuit de staat  was opgezet maar een eigen leven begon te leiden.  Tweehonderdduizend arbeiders gingen in optocht naar het paleis van de Tsaar om hun smeekschrift aan te bieden. De troepen van de tsaar openden het vuur en schoten honderden arbeiders dood. De woede van arbeiders en andere onderdrukten zette zich om in een reeks stakingen, opstanden, een muiterij op het slagschip Potemkin. Dit groeide uit tot de, uiteindelijk neergeslagen, revolutie van 1905.

Op het hoogtepunt van de beweging vormden arbeiders overkoepelende stakingscomités die het hele openbare leven begonnen over te nemen, tegen de gevestigde orde in. Dit waren de fameuze arbeidersraden oftewel sovjets. En het is hoogst interessant hoe Lenin, maar ook andere Bolsjevieken, daarop reageerde. De Bolsjevieken in Sint Petersburg, de Russische hoofdstad, vonden die Sovjets maar niets. Het initiatief kwam van buiten de partij, en kon dan ook alleen maar haaks staan op pogingen van de partij om maximale invloed op de revolutie te hebben. Je bent Voorhoede of je bent het niet, nietwaar? Dus eisten de Bolsjevieken dat de Sovjets zich aan de instructies van de Bolsjevieken onderwiepr en het programma van de partij overnam – of anders… De waarde van het initiatief van arbeiders om hun eigen strijd in eigen hand te nemen, tot samenwerking over partijgeschillen heen te komen en een tegenmacht tegen de macht van staat en ondernemers te vormen – dat alles werd niet onderkend. Deze Bolsjevieken hadden het kesje van Lenin wat ál te goed geleerd, het waren wat al te goede ‘Leninisten’ geworden.

Lenin zelf reageerde echter heel anders. Op de vraag die gesteld werd: wat hebben we nodig, de partij of de sovjets van afgevaardigden antwoordde hij: allebei! “Ik denk dat het verkeerd is om de vraag zo te stellen, en ik denk dat de beslissing zeker moet zijn: zowél de Sovjet van Arbeidersafgevaardigden als de  partij. De enige vraag – en een hoogst belangrijke  is hoe de taken van de Sovjet en van de (…)Partij te verdelen en te combineren.” Geen sprake van voorrang van de één boven de ander, ze hadden allebei een onmisbare rol. En hij voegt er aan toe: “Ik denk dat het niet aan te raden is voor de Sovjet om zich te verbinden aan één enkele partij.” De Sovjet bundelt juist arbeiders van allerlei stromingen, ook partijloze arbeiders, in een gezamenlijke strijd voor gezamenlijke belangen. En hij geeft de Sovjet groot gewicht, beschouwt de Sovjet – twaalf jaar voor de leus “Alle macht aan de Sovjets” de  aanloop tot de Oktoberrevolutie verwoordde – als “het embryo van de voorlopige revolutionaire regering”. (Zie Lenin’s “Our Tasks and And the Soviet of Workers Deputies” )

Lenin is totaal niet geobsedeerd door De Partij en haar Hoofdrol. Lenin is maar door één ding geobsedeerd: het vooruit helpen van de strijd, de revolutie. Hij kijkt naar organisaties, naar élke organisatie, of het nu vakbonden, sovjets, andere comités of de partij betreft, met dat ene criterium in het achterhoofd: hoe dient of hindert dit te revolutie, de bevrijdingsstrijd van de arbeiders? Waar voor sommige Leninisten – en niet alleen voor de pseudo-Leninisten uit de tuchtschool van Stalin! – de hoofdleus luidt “Bouw De Partij Op!” kun je de geest van het Leninisme van Lenin zelf veel beter verwoorden met “Organiseer Je Voor Revolutie!” Het is dát Leninisme wat destijds nodig was, en waarvan de noodzaak alleen groter is geworden.

Voor het bovenstaande heb ik uit mijn geheugen geput; ik ga hier geen uitgebreide literatuurlijst erbij geven. Twee boeken zijn echter enorm waardevol, als bron van gegevens en analyse. Het eerste is Paul LeBlanc’s “Lenin and the Revolutionary Party”; het tweede is Lenin: “Building the Party“, Tony Cliff’s eerste deel van ‘zijn driedelige boekenreeks over Lenin. Dat tweede geeft in de eerste hoofdstukken ook veel context over de revolutionaire beweging in de tijd waarin Lenin actief begion te worden; veel van wat ik schrijf  heb ik daaraan ontleend. En ja, het staat online, dus ik kan leuk doorlinken.

Dat wil niet zeggen dat ik met de hele teneur van Cliff’s boek altijd even blij ben: het boek van  LeBlanc is mooier en subtieler. En juist Cliff is zo’n Leninist voor wie “Bouw De Partij Op” al het andere steeds meer ging domineren – soms tot schade van het Leninisme waar hij bij betrokken was zelf .  Maar ik loop op dingen vooruit. Wordt vervolgd…

Advertenties

2 Responses to Dat lastige Leninisme (2)

  1. Jorein Versteege schreef:

    Heel mooi en aardig, maar hoe zit dat met partijen die tegen het socialisme zijn ? Moeten die dan verboden worden zoals Lenin dat deed ? Ik weet dat er een burgeroorlog was, maar ik vindt het gewoon fout om partijen te verbieden alleen op het punt dat ze de revolutie niet ondersteunen. Ik ben zelf antistalinistische communist, maar ik ben er van overtuigd dat een socialistische staat ook de vrijheid van andersdenkende moet garanderen, vrijheid is altijd de vrijheid van de andersdenkende.

  2. […] ik,  in mei 2008, mijn serie “Dat lastige Leninisme” begon, met in februari 2009 een tweede deel, was dat deels om eens op een rijtje te zetten waarom ik de Internationale Socialisten (IS) – […]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: