Meer over Lenin, partij, Russische revolutie…

Het artikel “De partij voorbij”,  twee dagen terug gemaakt en op dit weblog verschenen, heeft tot een enkele kritische reactie geleid. Omdat daarin zaken aan de orde komen van enig gewicht, leek het me zinnig om mijn antwoord daarop de vorm te geven van een nieuw artikel over de zaak. Die is er belangrijk genoeg voor.

Het eerdere artikel had als strekking kortweg: Lenin’ s idee van partijvorming – een gecentraliseerde voorhoedepartij die via een gewapende opstand de macht dient te grijpen om de revolutie vooruit te helpen en de weg naar een socialistische maatschappij te helpen banen – is vanuit revolutionair oogpunt geen goed idee. Zo’n partij – met minstens een sterk element van top-down-structuur en -bestuur – zal namens de arbeiders spreken, maar is voor het rechtstreekse initiatief van arbeiders zélf niet nodig, en voor de machtsuitoefening door arbeiders zelfs schadelijk. Eén en ander illustreerde ik met enkele observaties uit de Russische revolutie en de maanden die erop volgden.

Ik liet zien dat de partij als organisatie feitelijk afwezig was toen arbeiders de Tsaar omver wierpen. Ik liet zien dat die partij in de herfst de macht greep, gelegitimeerd door een meerderheid in gekozen arbeidersraden, sovjets. Die partij gebruikte vervolgens die macht en die legitimatie gebruikte om een door haarzelf gedomineerde regering, boven de sovjets, te vormen. Op het moment dat de Bolsjevistische partij via verkiezingen in sovjets haar meerderheid in een aantal steden verloor, ontbonden Bolsjevistische bestuurders liever die sovjets enbleven, liever zelf bestuurders, dan dat ze de arbeidersdemocratie respecteerden en het verloren gegane vertrouwen van arbeiders trachten te herwinnen vanuit een democratisch tot stand gekomen oppositierol als minderheid. Partijmacht kreeg voor de Bolsjevieken de voorkeur boven rechtstreekse arbeidersmacht. Dat opende de weg naar een bewind dat boven de arbeidersklasse, en in wezenlijke aspecten zelfs tegenover die klasse, stond. Dat voltrok zich al in 1918.

Bram kwam met een tweetal reacties. Op de eerste heb ik onderaan het stuk al gereageerd, ik ga nu in op zijn tweede, dieper gravende reactie. Hij zegt onder meer: “(J)e verhaal komt heel erg deterministisch over. Het idee dat een strak geleide organisatie onvermijdelijk tot stalin-rusland heeft geleid. Dat is gewoonweg te simpel.” Het is niet alleen te simpel. Het is ook niet wat ik beweer.

Eerst dat determinisme. Ik schrijf, al tamelijk aan het begin: “de nadruk op partijvorming, partijopbouw en machtsverovering door zo’n partij vormen vroeg of laat een blokkade voor een wekelijk bevrijdende arbeidersrevolutie.” Een blokkade – niet dé  blokkade. En nergens staat dat deze blokkade altijd en overal beslissend is. Tegen het eind van het artikel zeg ik dat de gecentraliseerde partijstructuur “herleefde zodra de strijd wat geluwd was, deels als gevolg van uitputting na zo’n hectisch revolutiejaar en tegen de achtergrond van economische ineenstorting en oorlog.” Nee, de partij en haar organisatievorm waren niet het enige element in het ontstaan van een autoritair bewind dat boven, en uiteindelijk tegenover, de arbeiderklasse kwam te staan. Het is één van de elementen in een groter plaatje waarin economie en interventieoorlog van groot gewicht zijn.

Dat ik daar in dit stuk niet de nadruk op legde, klopt. Maar wie uit mijn stuk de conclusie trekt dat ik de partij en haar rol op zichzelf al alles bepalend acht voor de slechte afloop, leest niet nauwkeurig. De verbouwing van de partij door druk vanuit de revolutionaire massa’s had onder iets gunstiger omstandigheden blijvender en diepgaander kunnen zijn. Dan was de blokkade die dit soort partij vormt, doorbroken geweest. Van determinisme is in mijn redenering geen sprak.

Maar er is iets ernstigers: dat niet-bestaande determinisme van mij zou mij gevoerd hebben tot “het idee dat een strak eide organisatie onvermijdelijk tot stalin-rusland heeft geleid.” Ik heb het in het hele stuk nérgens over Stalin-Rusland! Ik zeg dat de partij van Lenin in 1917, haar vorm en haar rol, onder de gegeven omstandigheden mede (niet onvermijdelijk!) tot het autoritaire bewind van die partij van Lenin in 1918 heeft geleid. Over het verband tussen dat bewind en de latere dictatuur van Stalin zwijg ik volledig.  Dat is domweg helemaal niet het argument dat ik hier maak. Kennelijk roept mijn stuk die associatie op. Maar polemiseren met associaties die mijn tekst oproept, en dan doen alsof die associaties mijn alhier opgeschreven mening zijn, dat is een vreemde methode. Lenin uit 1917 leidde – in een complex, hier erg vereenvoudigd weergegeven, proces –  tot Lenin uit 1918. Dát heb ik hier willen laten zien. En in dat proces speelde het soort partij dat Lenin had helpen opbouwen een rol die de neiging tot autoritaire staatsvorming wel degelijk versterkte.

Over dat autoritair bewind nog iets meer. Ik noemde het ontbinden van sovjets waarvan herverkiezing in 1918 de Bolsjevistische partij in een minderheidspositie bracht. De botsing tussen bewind en flinke delen van de arbeidersklasse ging echter verder. Al in het voorjaar van 1918 waren er reeksen van arbeidersprotesten, vanwege de snel om zich hen grijpende honger en werkloosheid. Sommige protesten hadden een linkse toonzetting, in sommige protesten kwamen echter ook reactionaire geluiden naar voren, hetgeen niet raar is als de onvrede zich richt tegen een bewind dat  zich op revolutionaire principes beroept.

Maar belangrijker in dit verband is de houding van de Bolsjevistische autoriteiten. Die werd al snel doorgaans repressief: stakers waren bijna per definitie contrarevolutionairen of door rechts misleide elementen, stakers werden opgepakt, demonstraties soms beschoten met dodelijk gevolg. Dat werd dan weer aanleiding tot nieuw protest en nieuwe onderdrukking.  Ook dit was onderdeel van de breuk tussen bewind en arbeidersklasse. En ook dit gebeurde al in het voorjaar en de zomer van 1918. William Rosenberg geeft gebeurtenissen en context in “Russian labour and Bolshevik Power after October”;  Vladimr Brovkin geeft in “The Mensheviks’Politcal Comeback” een schets van de veelal grimmig een chaotische gebeurtenissen waarin arbeidersprotesten herhaaldelijk tegenover Bolsjevistische onderdrukking kwam te staan. Beide artikelen vond ik via de in deze materie vrijwel onmisbare libertair-linkse website Libcom.org.

Noch over de ontbinding van niet-Bolsjevistische sovjets, noch over de onderdrukking van arbeidersprotsten in deze periode, lees je trouwens erg veel in Trotskistisch-Leninistische literatuur, en zeker niet in de soort trotskisme waar de Internationale Socialisten (IS) onderdeel van is.. Tony Cliff, in zijn boek “The Revoluton Besieged”, zwijgt erover, net als Chris Harman in “How the Revolution Was Lost”. Harman noemt we  het procces waarn de Bolsjevieken zich genoodzaak zagen de arbeidersemocratie buitn spel te zetten om de revolutie te redden. Maar de speifieke gebeurtenissen van 1918 waar het hierover over ging noemt ok hij niet. Het zo vaak  weglaten van zowel de onderdrukking van arbeidersprotest als het ontbinden van niet-Bolsjevistische sovjets in 1918 heeft mijn vertrouwen in de Leninistische weergave van de Russische revolutie en haar nasleep bepaald geen goed gedaan. In een serieuze analyse van de neergang van de Russische revolutie horen dit soort episodes immers gemeld en geanalyseerd te worden – juist ook door Leninisten, die immers de Bolsjevistische politiek in grote lijnen uit revolutionair oogpunt gerechtvaardigd vinden – en niet verzwegen.

Bram komt – om de niet door mij bedachte ‘onvermijdelijkheid’ verder te ontkrachten, met een vrij bekend citaat van Victor Serge aan: het Bolsjevisme bevat meerdere kiemen, niet alleen die centralistische die in een dictatuur uitmondde. Ik zou daarop willen antwoorden: 1. maar die centralistische, dictatuur in de hand werkende kiem wás er dus wel! 2. wat is er van al die andere kiemen geworden?

Al in de jaren 1918-1921 waren er oppositiestromingen binnen de Bolsjevistische partij. De linkse communisten, met onder meer Bukharin als kopstuk, in 1918, de Democratisch Centralisten, met Sapronov  als prominent figuur. de arbeidersoppositie, met Alexandra Kollontai en Alexander Shliapnikov  Heel vaak speelde daarbij kritiek op inperkingen van democratie een rol in die kritiek. En met al die opposities liep het niet erg goed af, deels omdat ze de interne partijdiscussies – die had je toen nog vrij openlijk! en ja, dat is een wezenlijk verschil met hoe dit in Stalins tijd toeging – gewoon verloren, maar in toenemende mate ook duur bureaucratische trucjes op critici van de partijleiding op een dood spoor te zetten. Het verbod op fractievorming dat op aandrang van Lenin in 1921 werd doorgevoerd, was met name gericht tegen de Arbeidersoppositie – een stroming die het beheer over de economie in handen van de directe producenten wilde leggen.

Al die  oppositiestromingen zou je kunnen zien als evenzovele kiemen van een beter, meer libertair Bolsjevisme. Allemaal legden ze het af. Het waren keuzes van partijleiders én een top-down-partijstructuur die het wonnen. Dat zegt iets – niet alles, maar wel iets – over het gewicht van de diverse “kiemen”. Libertair, meer democratisch Bolsjevisme moest binnen de partij tegen de stroom oproeien. Die stroom zelf kwam van bovenaf naar beneden, en stond een werkelijke ontplooiing van de revolutie daarmee in de weg.

Bram komt met het argument dat een revolutie in bijvoorbeeld Duitsland de bureaucratisering van de Russische revolutie had kunnen tegengaan, omdat dan het isolement wvan die revolutie was doorbroken. En hij vraagt in dat verband: “je kent het argument toch?” Ja, ik ken het argument. Maar het kennen van een argument is niet hetzelfde als het ermee instemmen. Enkele punten.

1. Het gewicht van een Duitse revolutie, als die succesvol zou zijn geweest, doet niets af aan de verkeerde impact op revolutionaire dynamiek die het Leninistisch soort van partijoptreden meebracht. Als een Duitse revolutie de Russische had gered, dan was dat ondanks, niet dankzij dat type van partijoptreden geweest. En om die partij ging het me hier. De rol van de Communistische partij in Duitsland in die jaren was overigens tamelijk treurig, maar dat  is weer een ander onderwerp.

2. De manier waarop Bram het argument brengt is weinig geruststellend. “Stel je voor dat er in Duitsland een machtige arbeidersstaat was verrezen??” Een machtige arbeidersstaat? Ik zit er niet op te wachten. Hoe machtiger die staat, hoe minder machtig de arbeiders die er wonen. Arbeidersrevoluties zijn er om arbeidersmacht te vestigen – maar hoe minder staats-achtig die macht is georganiseerd, hoe beter het vanuit revolutionair oogpunt is.

3. Voor het doorbreken van het isolement van Leninistisch Rusland was een revolutie in Duitsland helemaal niet nodig. Dat isolement wás immers  al doorbroken, al voor de Duitse revolutie in 1923 de mist in ging (mede dankzij een partij die langs Bolsjevistische lijnen was opgebouwd, ook dat nog). Rusland deed  in die jaren namelijk goede zaken met burgerlijk Duitsland: Duitse soldaten mochten bijvoorbeeld oefenen in Rusland, en Rusland leverde wapens aan Duitsland. Misschien – zo oppert een enkeling – dat sommige revolutionaire arbeiders bij het neerslaan van revolutiepogingen in Duitsland wel met wapens zijn doodgeschoten die door ‘revolutionair’ Rusland werden geleverd. Lenin leefde nog in deze tijd, en Trotski was nog een vooraanstaand leider van dit Rusland. Ook dit is een episode waar Leninistische geschiedschrijving tamelijk discreet mee omgaat, om het maar eens voorzichtig uit te drukken.  Gelukkig stelt, alweer, Libcom hierover een uittreksel van een relevant stuk werk van E.H. Carr, befaamd historicus over de Russische revolutie  online beschikbaar. De Russische staat heeft van dit soort deals ongetwijfeld profijt getrokken. De Russische revolutie werd er echter niet gezonder van.

Terug naar 1917, terug naar Rusland. Bram zegt: “daarbij stel je dat de revolutie de bolsjevieken overkwam. Dat is wat mij betreft niet waar.” O nee? “Voor februari gaat dit wellicht nog wel op…”Ah, toch misschien wel dus. En die Februarirevolutie – waarin de dictatuur van de Tsaar omver werd geworpen, ten koste van 1400 doden in Petrograd – is toch een tamelijk belangrijke gebeurtenis in dit revolutiejaar, zou ik zeggen. Als uitgerekend op zulke momenten een revolutionaire partij geen glansrol weet te spelen, wat heb je er dan aan?

Maar ook daarna was de partij keer op keer niet in tune met de arbeidersmassa’s. Bram noemt de Julidagen. Onder die naam staan twee dagen van gewapende arbeiders- en soldatendemonstraties bekend.   Die werden gedragen door anarchisten, maar ook door een flink deel van de Bolsjevistische partijleden, en door haar Militaire Organisatie.  De dynamiek ging richting opstand, omverwerping van de Voorlopige Regering, vestiging van sovjetmacht. De Bolsjevistische partijleiding, waaronder Lenin, vond dit voorbarig en wist met grote moeite hun aanhang te overreden om zich te beperken tot demonstreren, en daarna rustig naar huis te gaan. Trotski geeft een mooi beeld  en een nuttige analyse van de gebeurtenissen in hoofdstuk 24, 25 en 26 van zijn “Geschiedenis van de Russische revolutie”. Hij is het met de koers van Lenin daar klaarblijkelijk in grote lijnen eens.

Nu kun je twisten over de wijsheid van een opstand dan en daar. Het argument tegen zo’n opstand – dat het zou tdraaien op een plaatselijk succes dat echter door contrarevolutiie omsingeld en verslagen zou worden, zoals in 1871 de Parijse Commune verslagen werd – overtuigt  me niet echt meer. Zelfs die Parijse Commune hield het een slordige twee maanden uit. Een Petrograd-commune die het enkele maanden zou hebben volgehouden terwijl in de rest van het land tijdelijk de contrarevolutie zegevierde terwijl onderhuids de revolutie bleef broeien richting volgende uitbraak – was dat werkelijk zo’n uitzichtloos scenario? In Rusland waren ook in andere steden wel degelijk bewegingen richting revolutie, en ook on op het platteland begon het al te gonzen van rebellie. Het is waar dat de Bolsjevistische partij nog geen meerderheid in de belangrijke sovjets had. Gaat het echter bij dit soort afwegingen om een partijmeerderheid, of om de dynamiek van de strijd zelf?

Maar zelfs wie Lenin in zijn keus tegen directe omverwerping van de regering wèl gelijk geeft, kan niet om het feit heen dat grote aantallen van juist de meest vastberaden en strijdbare arbeiders  – waaronder veel partijleden – op een andere koers zaten dan de partij als zodanig en vooral haar leiding. De partij liep hier bepaald niet voorop, en was ook maar zeer ten dele  onderdeel van de voorhoede van de klasse. Ze stond er op sommige punten naast,  soms boven, en in sommige aspecten zelfs tegenover. Het hoofdstuk “The Role of the Bolshevik party in the Russian revolution”, uit “Obsolete Communism: the Left-Wing Alternative”, van Daniel en Gabriel Cohn-Bendit – een min of meer klassiek libertair boek, alweer via Libcom te lezen – , is hierover soms erg kort door de bocht, maar tegelijkertijd verfrissend en terzake.

Bram komt ten slotte met een korte verhandeling over het verschijnsel ‘macht’ na een revolutie. Hij zegt onder meer: “het in handen hebben van de  macht betekent niet meer dan dat we als arbeiders de beschikking hebben over alle machtsmiddelen van de burgerlijke staat.” Over welk “machtsmiddelen van de burgerlijke staat” hadden arbeiders in 1918 in Rusland nog de beschikking? Het waren de Bolsjevistische autoriteiten die deze machtsmiddelen inzetten, te vaak tegen arbeiders die hun eigen plan probeerden te trekken. Daar wringt nu juist die Leninistische schoen.

Bram gaat nog even verder: “macht is onderdrukking, ook in de periode na de revolutie, we zullen de voormalige heersers moeten onderdrukken.” Ja, gewapende contrarevolutie dient te worden neergeslagen, en ook dat gaat met wapengeweld gepaard. Tegen dát aspect van Bolsjevistisch beleid richt mijn artikel zich helemaal niet. Ik heb het over het onderdrukken, niet van grootgrondbezitters, ondernemers en generaals, maar van arbeiders. Opvallend is trouwens dat Lenin aanvankelijk de ondernemers poeslief wenste te behandelen, een soort overeenkomst met ze zocht waarin arbeiders toezicht mochten houden op het bedrijfsbeleid, maar ondernemers hun fabrieken konden houden. Van het “onderdrukken” van “de voormalige heersers” was bepaald niet systematisch sprake – eerder van het afremmen van arbeiderpogingen om die heersers ook in de bedrijven uit het zadel te lichten.

Om twee redenen werd dit compromisbleid losgelaten. Ondernemers wensten geen inbreuk om hun recht om baas te zijn te tolereren. Ze sloten liever hun bedrijf dan enige vorm van arbeiderscontrole toe te laten. Arbeiders zelf namen vaak geen genoegen met beperkte arbeiderscontrole, maar wilden de complete zeggenschap in bedrijven aan zich trekken, en radicalisme van arbeiders en de sabotage van kapitalisten – kortom: meedogenloze klassenstrijd! – maakten ieder compromis tussen kapitaal en arbeid onmogelijk.

De bolsjevistische autoriteiten zagen dit met lede ogen aan. Van een directe machtsuitoefening door arbeiders in de fabriekejn was de partijleiding bepaald geen voorstander. Uiteindelijk koos de Bolsjevistische leiding voor nationalisering van vrijwel de complete industrie. Tegelijk werd arbeiderszelfbestuur ingedamd, ingekapseld en soms rechtstreeks afgeschaft. Uiterste centralisatie, eenhoofdig management, productiviteit boven alles! Maurice Brinton schetst het proces in “De Bolsjevieken en het arbeiderszelfbestuur” – geen boekje zonder zwakke plekken, maar wel een tekst waarin veel te vinden is wat in de gangbare Leninistische geschiedschrijving meestal zeer summier wordt behandeld , of zelfs helemaal niet.

Het is steeds weer die breuk tussen partijbestuur en arbeidersklasse die de fatale tekortkoming van het Leninisme-aan-de-macht  laat zien. Ik blijf erbij dat dit autoritaire Leninisme-aan-de-macht wel degelijk deels wortelt in de Leninistische keus om in een revolutie een hoofdrol aan een gecentraliseerde partij als instrument voor machtsverovering toe te kennen.

Advertenties

7 Responses to Meer over Lenin, partij, Russische revolutie…

  1. johnvd schreef:

    ai, ik merk dat ik me in dit onderwerp toch nog een stuk je meer moet gaan verdiepen.
    Het onderdrukken van arbeiders klinkt inderdaad niet als iets revolutionairs.
    Ik weet echter niet op welke schaal dit plaats vond en wat de slogans/ideeen op dat moment van de stakende arbeiders waren.
    Ik ga in ieder geval lezen.

    Kan ik er vanuit gaan dat er nog een vervolg komt op dit stuk peter?

  2. peterstorm schreef:

    De schaal va onderdrukking van arbeidersprotest was aanzienlijk. Dat is uit de teksten die ik doorlinkte duidelijk op te maken. En in de jaren 1919-1921 ging dat, op forse schaal,door.
    En nee, er is geen reden om de standpunten, leuzen etc,. van de protesterende arbeiders te idealiseren. Soms gingen de eisen richting versterking van sovjetdemocratie. Nar links dus. Vak ging het om materiële eisen, protesten tegen honger en zo. Soms keerden eisen zich ook tegen Sovjetmacht, en riepen mensen om ede Grondwetgevende vergadering – een stap weg van revolutionaire politiek. En nu en dan waren er nare, antisemitische leuzen te horen in de vaak chaotische protesten.

    Maar ook waar het niet op principiëel linkse geluiden ging, blijft overeind: er was een botsing gaande tussen Bolsjevistisch bewind en brede lagen van de arbeidersklasse. En de keus om die botsing via repressie te forceren was geen revolutionaire keus, maar een inbreuk op de revolutie.

    Ja, een vervolg, waarschijnlijk zelfs meerdere stukken, over deze en aanverwante kwesties, liggen wel in de bedoeling. mar bij mij eet h je het maar nooit… 🙂

  3. Pepijn schreef:

    Beste Peter,

    Begin november hadden we een uitgebreide discussie over de Oktoberrevolutie en vooral de nasleep daarvan. De vragen die je daarin opwierp vond ik interessant en stimulerend. Een serieuze benadering van dit onderwerp kan niet zonder te worstelen met deze thema’s: waarom viel de sovjet-democratie in de loop van 1918 uiteen, wat verklaart de verschuivende verhouding tussen de bolsjewistische partij en de arbeidersklasse in de beginperiode van de burgeroorlog (voor juli 1918), hoe veranderde de bolsjewistische partij zelf onder druk van deze gebeurtenissen, hoeveel van de oorspronkelijke revolutie was er nog over aan het eind van de burgeroorlog en het begin van de NEP, en wat is de relatie tussen de degeneratie van de revolutie en Stalins contra-revolutie. Stuk voor stuk complexe historische vraagstukken waar complexe politieke consequenties aan vast zitten. Kernvragen overigens die volgens mij ook in de trotskistische literatuur over deze materie in meerdere of mindere mate centraal staan. De antwoorden die daarin naar voren komen verwerp je nu. Maar zowel je presentatie van je vroegere standpunten als de nieuwe standpunten die je ervoor in de plaats stelt zijn in mijn ogen een stap achteruit, niet vooruit, qua diepgang en begrip van deze materie.

    Met verbazing heb ik de snelheid gezien waarmee je verschillende, schuivende analyses presenteert. Sommige mensen zouden graag hun eigen conclusies over zo’n groot en geladen onderwerp eerst gedegen doorredeneren, voordat ze de resultaten ervan publiek maken. Jij kiest ervoor anderen te laten meelezen met je gedachtenproces. Dat is natuurlijk je goed recht, en sommige posters hebben je eerlijkheid hierom dan ook geprezen. Ik denk echter niet dat het terecht is om vervolgens verontwaardigd te zijn als je ‘tegenstanders’ in het debat afwachten tot ze kunnen reageren op een min of meer afgerond verhaal. Maar eerlijk is eerlijk, de richting waarin de verschuiving gaat is al een tijdje duidelijk, en maak je inmiddels ook expliciet. Voor zover ik kan zien omarm je nu vrijwel alle essentiële ingrediënten uit de anarchistische geschiedsschrijving over deze materie: de bolsjewieken leidden de oktoberrevolutie zo ongeveer ondanks zichzelf door de spontane druk van de massa’s, maar hun ‘statisme’ / autoritaire voorkeuren brachten hen er (niet als enige, maar wel als zeer prominente factor) toe om zich vrijwel direct na de revolutie tegen die massa’s te keren. Vervolgens krijg je de canon van momenten die dit ‘bewijzen’: de botsingen tussen de staat en de klasse over arbeiderscontrole in de fabrieken, Makhno (is ons in het vooruitzicht gesteld), en Kronstadt.

    Over al die punten valt inhoudelijk veel te zeggen, en dit lijkt me niet de plaats om dat in detail te doen. Hoewel ik zelf een aantal zaken anders zou opschrijven of interpreteren, deel ik ook na toetsing van je commentaar aan de hand van de literatuur (inclusief de literatuur die jij voorschrijft) de grote lijnen van de argumentatie in Rees’ In defense of October. Ik hoop er aan toe te komen om in de komende tijd hierover in een andere context zelf nog het één en ander op papier te zetten. Maar in de tussentijd wil ik twee wat uitgebreidere opmerkingen plaatsen over de methode waarmee je tot je conclusies bent gekomen (en daarmee onvermijdelijk ook de inhoud van je argumentatie).

    * Weergave van de trotskistische traditie
    Het is merkwaardig te zien dat je de trotskistische traditie nu presenteert op een manier die je mag ik hopen (en naar ik meen te weten) ook toen je lid was van de IS zeker niet zo plat verdedigde. In die karikatuur worden de omvorming van de Russische staat in de loop van 1918, de rode terreur, het neerslaan van de opstand in Kronstadt, en de andere nare aspecten van de Burgeroorlog allemaal tamelijk vrolijk en probleemloos geaccepteerd als noodzakelijk bijproduct van de omstandigheden (of nog erger: verzwegen). Een terechte post van Willem Bos die aangaf dat dit toch allemaal wel een beetje kort door de bocht is en dat over zaken als Kronstadt binnen de trotskistische traditie een hele reeks aan nuances in standpunt te vinden zijn, bleef voor zover ik kon zien onbeantwoord.

    Terwijl ‘selectief citeren’ één van je grote kritiekpunten is op de trotskistische teksten die je behandelt, kies je er in je eigen stukken consequent voor de argumenten die niet in je betoog passen te negeren. Sowieso is het een zwaktebod dat je je vrijwel beperkt tot twee kleine propagandistische werkjes (Harmans How the revolution was lost en Rees’ In defense of October). Zelfs die zet je wel heel simplistisch neer. Over Kronstadt bijvoorbeeld valt inderdaad veel meer te zeggen dan Harman doet (niet meer dan 700 woorden in een dunne brochure uit 1967), en op zijn opmerkingen hierover valt ook wel wat kritiek te leveren. Maar zijn argumenten presenteren als een simpele apologie voor het optreden van de bolsjewieken is zelfs op basis van deze korte tekst ontoelaatbaar. Dat blijkt alleen al uit de conclusie van het door jou aangehaalde gedeelte van de tekst, waarin hij stelt:

    ‘the fact that Kronstadt could occur was an omen. For it questioned the whole leading role of the working class in the revolution. This was being maintained not by the superior economic mode that the working class represented, not by its higher labour productivity, but by physical force. And this force was not being wielded directly by the armed workers, but by a party tied to the working class only indirectly, by its ideas, not directly as in the days of 1917. Such a policy was necessary. But there was little in it that socialists could have supported in any other situation. Instead of being “the self-conscious, independent movement of the immense majority in the interest of the immense majority,” the revolution in Russia had reached the stage where it involved the exploitation of the country by the towns, maintained through naked physical force.’

    Geen simpele omarming van de staat die het product was van de burgeroorlog hier. Ook voor de verschillen tussen de over het geheel genomen nogal kort-door-de-bocht argumentatie van Harman (zoals je kunt verwachten in een korte brochure) en de uitgebreidere en op sommige punten aanzienlijk andere argumentatie van Rees (onder andere gebaseerd op de veel grotere hoeveelheid beschikbare historische literatuur, zodat hij precies de kwestie over de klassenbasis van de opstand genuanceerder behandelt) heb je nauwelijks plaats. En dan heb ik het nog niet eens over de verschillen tussen de lijn die Trotski aan het eind van de jaren dertig over Kronstadt verdedigde en die van Victor Serge (bijvoorbeeld in een brief die te vinden is in dezelfde Pathfinder publicatie waarin ook Trotski’s stuk is afgedrukt).

    Je volledige omissie van Serge, waar Bram in een eerdere post terecht op wees, is overigens op meerdere manieren tekenend. Ten eerste omdat deze anarchist die kritische bolsjewiek werd waarschijnlijk na Cliff de populairste auteur over Rusland is binnen ‘de stroming in het trotskisme waar de IS toe behoort’. Ten tweede omdat zijn kritische benadering van de bolsjewistische bestuurders zelf in deze periode samengaat met een minstens zo kritisch fileren van hun anarchistische tegenhangers, en hun totale onvermogen om hun abstracties over ‘macht’, ‘staat’ en ‘autoriteit’ in de praktijk te vertalen in een levensvatbare alternatieve strategie voor het verdedigen van de revolutie. En ten derde omdat hij zich waar het gaat om Kronstadt daarbij voornamelijk richt op dat ene, cruciale argument dat jij achterwege laat: zelfs als de opstand zelf gemaakt werd door een qua sociale samenstelling ongewijzigde groep matrozen (daarvoor zijn in mijn ogen ook na lezing van Getzler wel wat redenen van twijfel), en zelfs als de hoofdmotieven zuiver en revolutionair waren (iets wat ik voor de deelnemers zelf zonder meer geloof), dan nog blijft de cruciale vraag of er een reële mogelijkheid bestond dat Kronstadt de aanstoot zou geven voor een ‘derde revolutie’ en een terugkeer naar sovjetdemocratie. Als dat niet het geval was, versterkt dit het argument dat Kronstadt (ondanks zichzelf) het bruggenhoofd voor een heropening van de burgeroorlog van de kant van de Witten had kunnen worden, iets wat het ingrijpen van de regering niet prettiger maar wel veel begrijpelijker maakt.

    Hoewel hij in zijn memoires uitgebreid aandacht besteedt aan de stakingen in Petrograd en de onderdrukking daarvan die jij ook (alsof het een nieuwe ontdekking is) behandelt, is Serge vernietigend over de overtrokken verwachtingen onder anarchisten over de potentie van de opstand: “‘The Third Revolution!” it was called by certain anarchists whose heads were stuffed with infantile illusions’, schrijft hij in zijn memoires. Belangrijker nog is dat ook de anarchistische historicus Avrich in de in mijn ogen beste en grondigste studie over dit onderwerp deze beoordeling van de politieke krachtsverhoudingen in Rusland in wezen ondersteunt (niet de inschatting over de inhoud van de anarchistische hoofden, uiteraard). Het is helaas kenmerkend voor je aanpak van dit soort vraagstukken dat je de moeilijkste argumenten voor de standpunten waartegen je polemiseert laat liggen, om veel aandacht te besteden aan in jouw ogen onjuiste voetnoten – onjuistheid die je zoals je zelf toegeeft ook nog eens veronderstelt op basis van een tekst op een anarchistisch weblog, en niet omdat je die zelf in de relevante literatuur hebt gecontroleerd.

    Wat geldt voor Kronstadt geldt ook voor de andere onderwerpen die je aansnijdt, zoals de conflicten over arbeiderscontrole, de beginstadia van de rode terreur en de ontwikkeling van de éénpartijstaat. Eén van de kenmerken van vrijwel alle literatuur over de Oktoberrevolutie is dat de gruweldaden en tekortkomingen van de tegenstanders veel zwaarder worden aangezet dan die van de eigen kant. Maar waar in de conservatieve literatuur de ‘Witte Terreur’ vaak niet eens de index haalt (bijvoorbeeld bij Pipes), en in de anarchistische literatuur autoritair optreden en politieke terreur van bijvoorbeeld Makhno’s boerenleger nauwelijks besproken en zeker niet getheoretiseerd wordt (of, bijvoorbeeld in een zeldzame passage die Arshinov eraan wijdt, wordt behandeld in termen die praktisch volledig overeenkomen met de door jou inmiddels verworpen argumentatie over tragische noodzakelijkheid van dit soort optreden in moeilijke omstandigheden) vind je in de trotskistische literatuur een expliciete worsteling met de vraag naar de oorzaken van terreur en degeneratie. Met de verklaringen die gevonden worden kun je het wel of niet eens zijn, maar doen alsof deze aspecten van de revolutie onder het tapijt worden geschoven betekent op zijn minst dat je in de haast om je nieuwe inzichten te formuleren, je oude inzichten geweld aandoet. En dat is des te pijnlijker van iemand die de argumenten hierover niet alleen kent uit korte introductieteksten van Harman en Rees, maar ook uit het werk van Trotski, Serge, Cliff, Deutscher, Liebman (extra interessant omdat hij in Leninism under Lenin uitgebreid Lenins omslag op het punt van arbeiderscontrole bespreekt), en ga zo maar door.

    * Gebrek aan kritiek ten opzichte van je nieuwe bronnen
    Tegenover je in mijn ogen uiterst zwakke presentatie van de standpunten waar je mee wilt afrekenen, staat een tamelijk kritiekloze aanpassing aan de argumenten die je vindt op de ‘in deze materie onmisbare’ site Libcom. Die kritiekloosheid blijkt uit niets zo sterk als je plotselinge enthousiasme voor het werk van de Amerikaans-Russische historicus Vladimir Brovkin. Je gebrek aan voorbehoud suggereert dat je voor deze bron geen antecedentenonderzoek hebt gedaan. Mogelijk was het feit dat zijn stukken zonder toelichting geplaatst werden op een anarchistische website genoeg bewijs voor zijn goede reputatie. Maar in de Amerikaanse historische wereld – toch niet bekend om het sterke pro-communistische teneur – is deze leerling van Reagan-adviseur Pipes een buitenbeentje wegens zijn extreme Koude-Oorlogstandpunten (zoals onder andere is te lezen in dit artikel in The Nation: http://www.thenation.com/doc/19990215/alterman).

    In het werk van Brovkin hoef je voor de doorwerking van deze standpunten niet zo ver te zoeken. Neem zijn beschrijving in de introductie van Behind the Front Lines of the Civil War (1994) van de situatie direct na de Oktoberrevolutie, waarvan ook jij nog altijd het in grote lijnen positieve, populaire, en grotendeels vreedzame karakter onderschrijft:

    ‘The first few months were indeed a carnival of revolution. The workers celebrated the victory of labor over capital. In practical terms this amounted to freedom from work. Now nobody had the power to force anybody to work. (…) Most of the time was spent rallying and passing resolutions. Directors and owners were rolled out of the plants to the jubilation of workers. Entire regiments of revolutionary soldiers were drunk. Gangs of robbers helped themselves to the property of others. Hundreds of officers were brutally murdered by their soldiers. In southern cities violent progroms took place against Jews. In many cities law and order collapsed. It was a drunkard orgy, free-for-all violence, and anarchy.’

    De hele alinea overigens zonder voetnoten, en qua toon kenmerkend voor de rest van Brovkins werk. Wat zo begint, kan natuurlijk onmogelijk goed aflopen. En met grote vasthoudendheid kwijt Brovkin zich dan ook van de taak om dit te bewijzen.

    Deze politieke vooringenomenheid op zichzelf is nog geen weerlegging van zijn argumenten. Brovkins artikelen lijken, zeker voor wie niet de moeite neemt ze te vergelijken met andere delen van de ruime beschikbare literatuur op dit punt, grondig onderbouwd. En in zijn verdediging kan gezegd worden dat hij van de conservatieve historici één van de weinigen is die probeert elementen van de benadering van de nieuwe sociale historici van de Russische Revolutie uit de jaren zeventig en tachtig te integreren in de klassiek-rechtse visie, waarin Lenin nog altijd de bron is van alle kwaad. Hij geeft inderdaad bewijs voor de groeiende populariteit van de rechtse Sociaal-Revolutionairen en Mensjewieken in het voorjaar van 1918 en gewapende botsingen tussen delen van de arbeidersklasse en het revolutionaire regime (voor en na de val van de coalitie tussen Bolsjewieken en Linkse Sociaal-Revolutionairen). Maar dat bewijs is nog niet voldoende om zijn conclusie te staven dat zowel de oppositie als de onderdrukking daarvan vooral werden gedreven door politiek-ideologische motieven.

    Maar precies daar zit de crux. William Rosenberg bijvoorbeeld, door jou als ondersteuning van Brovkin aangehaald, voerde een uitgebreide discussie met deze auteur waarin hij betoogde dat de groeiende oppositie tegen de regering in eerste instantie werd gedreven door de totale ineenstorting van de economie in de winter van 1917-1918. Dat doet er nogal toe. In een situatie waarin het beschikbare rantsoen per arbeider in de grote steden regelmatig daalde tot eenderde tot de helft van het noodzakelijke aantal calorieën per dag dat nodig is om überhaupt te overleven, waren botsingen over deelbelangen tussen groepen arbeiders onderling en de arbeidersklasse en de regering onvermijdelijk. In een politiek zwaar geladen atmosfeer vertaalde dit zich natuurlijk in allerlei verschillende richtingen, van een roep tot het harder inzetten van rode terreur tegen de voormalige heersende klasse onder sommige arbeiders en (nog meer) roodgardisten en soldaten, tot politieke oppositie, tot totale demoralisatie, oproepen om de wapens neer te leggen, antisemitische sentimenten, enzovoort. Dat soort botsingen reduceren tot een simpel schema over de revolutie ‘van onderaf’ en het afremmen van de revolutie ‘van bovenaf’, zoals in anarchistische kringen gangbaar is, is simpelweg niet serieus.

    De burgeroorlog (die door Brovkin ten onrechte gebagatelliseerd wordt tot aan juli 1918), de voor het moraal verwoestende vernederende vrede van Brest Litovsk, de acute hongersnood en de om zich heen grijpende epidemieën, versterkten deze problemen aanzienlijk. Daarmee vormden ze zowel de basis voor de breuk met de in eerste instantie ook door Lenin enthousiast omarmde politiek van arbeiderszelfcontrole (controle over de eigen fabriek werd een manier om concessies af te dwingen ten koste van arbeiders in andere fabrieken, en versterkte zo de totale economische ineenstorting), als voor de door alle partijen in praktijk ervaren onmogelijkheid om te regeren zonder te leunen op van bovenaf afgedwongen discipline, repressie en geweld.

    Over praktisch elke stap die in deze omstandigheden door het revolutionaire bewind werd gezet, werd in deze periode ook binnen de bolsjewistische partij nog openlijk en fel gediscussieerd. Sommige maatregelen, zoals de manier waarop de gedwongen graanrequisities werden georganiseerd om een heel fundamentele te noemen, bleken fouten die de revolutie op langere termijn verzwakten. Ook in de sociaal-historische literatuur, zowel uit trotskistische als uit niet-trotskistische hoek, komen deze meningsverschillen uitgebreid aan bod. Maar hoe ze verder ook aankijken tegen de bolsjewistische regering, de meeste historici van de Russische arbeidersklasse kiezen daarin een andere positie dan Brovkin. Neem bijvoorbeeld David Mandels The Petrograd workers and the soviet seizure of power (1984). Hij behandelt hetzelfde terrein als Brovkin, maar haalt (anders dan Brovkin) ook de vele resoluties uit fabrieken aan waarin een meerderheid van de arbeiders de regering aanspoorde door te gaan op de ingeslagen koers, en de oppositie in de felst mogelijke bewoordingen veroordeelde. Bovendien laat hij in veel detail zien dat in de chaotische situatie van dat moment formele partijverhoudingen lang niet alles zeiden over de politieke loyaliteit onder de arbeidersklasse. Arbeiders konden op hetzelfde moment Sociaal-Revolutionaire resoluties over de voedseldistributie aannemen, en oproepen om met de scherpst denkbare maatregelen de sovjet-revolutie te beschermen waartegen diezelfde Sociaal-Revolutionairen op dat moment al gewapenderhand vochten. Literatuur over het verloop van de burgeroorlog in de ‘buitenprovincies’ op dat moment laat zien hoe zowel mensjewieken en rechtse sociaal-revolutionairen aan de ene kant, als bolsjewieken en linkse sociaal-revolutionairen aan de andere, met alle mogelijke middelen vochten om de controle over de sovjets, en hoe snel de stemming in afzonderlijke fabrieken of hele regio’s omsloeg tussen de verschillende partijen (bijvoorbeeld Ronald Grigor Suny, The Baku Commune 1917-1918 (1972), en recent Peter Holquist, Making War, Forging Revolution. Russia’s Continuum of Crisis, 1914-1918 (2002) over het Don-gebied). Ook het inzetten van gewapende eenheden om sovjets en vergaderingen te ontbinden die in de ogen van degenen die op dat moment de bovenhand hadden in de strijd niet ‘representatief waren’ (wat soms klopte, en soms niet), kwam aan beide zijden voor in deze chaotische periode, waarin de arbeidersklasse tegelijk in de ene stad de revolutie begon, terwijl de revolutie in de eerstvolgende stad een crisis doormaakte of gewapenderhand werd onderdrukt, en elke claim op legitimiteit hevig werd bevochten.

    Dat gemengde en vloeibare beeld van de houding onder de Russische arbeidersklasse komt in alle serieuze literatuur over dit onderwerp naar voren (zie bijvoorbeeld S.A. Smith, Red Petrograd. Revolution in the factories 1917-1918 (1983), William Chase, Workers, Society, and the Soviet State. Labor and life in Moscow, 1918-1929 (1990), Alexander Rabinowitch, The Bolsheviks in Power. The first year of soviet rule in Petrograd (2007), of bijvoorbeeld het werk van Diane Koenker en Sheila Fitzpatrick). Ook al uit de veel oudere literatuur overigens, zoals de eerste delen van het standaardwerk van E.H.Carr en Radkey’s werk over de Sociaal-Revolutionairen en de Constitutionele Vergadering (beide uit de jaren vijftig en zestig). Onafhankelijk van hun (onderling zeer verschillende) beoordeling van de Bolshewieken en Lenin, zien deze historici over het algemeen de ‘autoritaire draai’ van Lenins regering in 1918 niet als de terugkeer naar de kwaadaardige dictatoriale wortels van het bolsjewisme, maar als uiting van een complexe serie interne conflicten die gedreven werden door de extreem ongunstige toestand waarin het regime zich in 1918 en 1919 bevond. Bovendien laten ze zien dat dit proces geen éénrichtingsverkeer was, en dat periodes van extreme nood en repressie gevolgd werden door periodes van opvallende politieke openheid en bereidheid tot het sluiten van compromissen, precies zoals onder andere Rees beargumenteert.

    Opvallende afwezige in je argumentatie is in dat verband nog de Amerikaanse historicus uit de IS-traditie, Kevin Murphy, die recent een belangrijke bijdrage aan deze historische studies ‘van onderaf’ heeft geleverd, Revolution and Counterrevolution. Class Struggle in a Moscow Metal Factory (2005). In dit boek laat hij aan de hand van een grote hoeveelheid relevant archiefonderzoek zien dat het mogelijk is de veranderende, ideologisch vloeibare houding van de regering, de bolsjewistische partij en de arbeidersklasse terug te zien in de eb en vloed van de revolutie in een grote fabriek. Daarnaast toont hij – aan de hand van cijfers over stakingen, uitslagen van arbeidsconflicten, en de sterk afnemende repressie – aan hoe de verhouding tussen de regering en de arbeidersklasse wezenlijk veranderde na afloop van de burgeroorlog, en hoe de terugkeer van strijdbaarheid van de klasse de groei van oppositie tegen het opkomende stalinisme voedde. Daarmee levert hij belangrijk bewijs voor de stelling dat de mogelijkheid van een relatief vreedzame herleving van de sovjet-democratie onder druk van internationale revolutie nog niet definitief gesloten was. Het regime zelf was, ondanks de voortschrijdende bureaucratische degeneratie, in 1922-23 en mogelijk zelfs in 1925-1926 veel vatbaarder voor druk van onderaf dan in 1918-1919, toen de opmars van de Witte Legers de revolutie op de rand van de afgrond bracht en zowel de tegenstanders als de aanhangers van de revolutie vochten op leven en dood. Ook Arno Mayers indrukwekkende The Furies. Violence and Terror in the French and Russian Revolutions (2000) laat zien dat het ontstaan van de terreur in de allereerste plaats verklaard moet worden uit de bijzondere omstandigheden van de Burgeroorlog (een kritische recensie in Historical Materialism Journal door de trotskist Enzo Traverso geeft goed de hoofdlijnen van het boek weer). De extreme maatregelen waartoe het regime in de loop van die burgeroorlog zijn toevlucht zocht werden in belangrijke mate genomen ondanks, niet dankzij de ideologische voorkeuren van Lenin en de bolsjewieken. Ook al is het waar dat ze vaak de neiging hadden om hun optreden van dat moment ideologisch recht te praten (essentieel in de hele retoriek rond het ‘Oorlogscommunisme’), een ernstige fout die bijvoorbeeld door Cliff uitgebreid wordt behandeld.

    Brovkins ‘Koude-oorlogstudie van onderaf’ voegt als beschrijving van de gebeurtenissen een aantal elementen toe aan onze kennis van de immense tragedie die zich voltrok tijdens de eerste fase van de burgeroorlog, maar zijn deterministische interpretatie van deze gebeurtenissen (ze lagen voor een aanzienlijk deel al besloten in Wat te doen, of misschien wel in karakter van het fenomeen revolutie als zodanig) houdt tegenover de sociaal-historische literatuur vele malen slechter stand dan, bijvoorbeeld, Victor Serges Year one of the Russian Revolution. Je overenthousiaste omarming van zijn werk en je gebrek aan aandacht voor de zwakke punten vormen opnieuw geen aanbeveling voor de conclusies die je presenteert.

    Concluderend
    Discussie over dit soort zaken gaat zelden alleen over het verloop van de gebeurtenissen zelf. Door jouw stukken zo expliciet te koppelen aan je politieke afscheid van de IS onderstreep je dat nog eens. Zowel in die politieke conclusie, als in je benadering van de Russische Revolutie, hebben onze wegen zich al een tijdje geleden fundamenteel gescheiden. Ik wens je bij je verdere zoektocht op het anarchistische spoor het beste, maar ik hoop dat je in het vervolg van die tocht ook je bereidheid zult hervinden om de argumenten die je ooit vurig verdedigde te herbeschouwen met aandacht, openheid en eerlijkheid die ze verdienen. Wie weet zullen we uiteindelijk dan toch dichter bij elkaar uitkomen dan nu het geval is.

    Kritische (her)lezing van onder andere de hierboven aangehaalde literatuur had voor mij in ieder geval het tegenovergestelde resultaat als voor jou: een herbevestiging van de conclusie van Rosa Luxemburg, in haar door anarchisten zo vaak geciteerde en zo slecht begrepen kritische omarming van de revolutie. Hoewel ze de bolsjewieken op een groot aantal essentiёle terreinen niet spaart (op de twee belangrijkste punten – nationale bevrijding en het boerenvraagstuk – overigens omdat ze pleitte voor een ‘hardere lijn’ dan Lenin), verlaat ze nooit de marxistische grond van analyse, waarin menselijk handelen en de materiёle omstandigheden waarin ze dat doen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn:

    ‘De bolsjeviki hebben getoond dat zij alles kunnen wat een waarachtig revolutionaire partij binnen de grenzen der historische mogelijkheden kan presteren. Zij moeten geen wonderen willen verrichten. Een voorbeeldige en volmaakte proletarische revolutie in een geïsoleerd land dat door de wereldoorlog is geteisterd, door het imperialisme gewurgd en door het internationale proletariaat is verraden, zou een wonder zijn. Het gaat erom dat men in de politiek van de bolsjeviki het wezenlijke van het onwezenlijke onderscheidt, de kern van het toeval. (…) Lenin en Trotski [zijn] met hun vrienden de eersten geweest die het wereldproletariaat zijn voorgegaan met hun voorbeeld, zij zijn tot nu toe nog steeds de enigen die zoals Hutten kunnen zeggen: Ik heb het gewaagd! Dat is het wezenlijke en blijvende van de politiek der bolsjeviki. In dit opzicht hebben zij zich de onsterfelijke historische verdienste verworven dat zij door de verovering van de politieke macht en de praktische probleemstelling van de verwerkelijking van het socialisme het internationale proletariaat zijn voorgegaan en de confrontatie tussen kapitaal en arbeid in de gehele wereld ten zeerste hebben bespoedigd. In Rusland heeft men dat probleem slechts kunnen stellen. Men heeft het in Rusland niet kunnen oplossen, het kan alleen internationaal worden opgelost. En in die zin behoort de toekomst overal toe aan het “bolsjevisme”.’

    Dat is dezelfde opvatting waarmee je me inmiddels alweer een flinke poos geleden tot tweemaal toe voor de IS recruteerde (ik was wat hardnekkig) – ironisch genoeg nadat je me uiteindelijk overtuigd had van ‘onze’ interpretatie van de Russische revolutie en het stalinisme. Je huidige poging om de plussen en minnen tussen het ‘wezenlijke’ en het ‘onwezenlijke’ om te draaien overtuigt me niet dat ik toen verkeerd heb gekozen.

    Kameraadschappelijke groet, Pepijn

  4. Kritisch Links schreef:

    […] Storm heeft op zijn weblog een tweetal artikelen geschreven over zijn afscheid van van ‘het leninisme’ (waarom ik daar aanhalingstekens […]

  5. peterstorm schreef:

    Harelijk dank, beste Pepijn! Overtuigd heb je me niet. Aanleiding tot verder en dieper nadenken, tot verdere studie,en tot een volgend stuk over de zaak, heb je me echter wel degelijk gegeven. Wordt dus opgewekt vervolgd…
    Met vriendelijke en kameraadschappelijke rood-zwarte groet;-)
    peter

  6. […] na slechtste  boekwerk (1) afsluit, moest ik meteen denken toen ik Pepijns reactie bij mijn stuk “Meer over  Lenin, partij, Russische revolutie…” had gelezen. Ja, ik ben inmiddels een ‘Kronstadter’ in de door Trotski bedoelde zin. […]

  7. Emil Bakkum schreef:

    Beste mensen,
    De bovenstaande bijdragen roepen bij mij vooral hallucinaties op van een toekomstige rode revolutie in Nederland. Even broeit er nog een reaktionair soldatenverzet in legerplaats Ede, maar dat wordt snel neergeslagen door de revolutionaire JSF’s van de rode garde. Het nieuwe regiem roept de volksrechtbanken op om Peter Storm onverwijld te fusilleren, indien hij niet onmiddellijk ophoudt met zijn linkse teksten.

    Wat ik zeggen wil: vanuit een historisch perspektief is de Oktober-Revolutie wellicht belangwekkend (hoewel, in de loop van de wereldgeschiedenis is het weinig meer dan een voetnoot). Maar wie een sociaaldemokratische samenleving hoopt te realiseren, wordt weinig wijzer van die chaotische boeren-en-arbeiders machtsgreep.
    Kameraadschappelijke groet,
    Emil Bakkum

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: