Politieke crisis in Nederland, deel 1: bezuinigingsdruk

Nederland bevindt zich in een diepe politieke crisis. Sinds 2002 – het jaar van de opkomst en ondergang van Fortuyn en alles daaromheen – zijn de politieke verhoudingen niet meer zo onrustig geweest. Het is zaak om wat achter de snel wisselende actualiteit te kijken, om patronen, oorzaken en dergelijke te vinden – en antwoorden waar we wat aan hebben.

Symptomen van politieke crisis zijn er ruim voldoende. Er was de maandenlange Haagse spanning rond het nakaarten rond steun aan de Irak-oorlog en de besluitvorming rond de militaire inzet in Afghanistan, een spanning die uitliep op de val van het kabinet. Er zijn de snel op en neer gaande scores van partijen in de opiniepeilingen, met een PvdA die van vrije val opeens tot grote stijger is gepromoveerd. Er is de tamelijk massale uittocht van politici die het na de verkiezingen voor gezien willen houden. Er is de plotselinge leiderschapswissel, eerst in de SP en snel daarna in de PvdA. Er is het aanhoudende gerommel rond het inmiddels openlijk omstreden leiderschap van kabinetsbrekebeen Balkenende in het CDA. En er is de doordenderende druk die Wilders en zijn PVV uitoefenen, een druk die dreigt de leiden tot een doorbraak van fascistische poltiek tot in het hart van het politieke bestel. Kopstukken van dat bestel reageren met een mengsel van onbegrip, paniek, meegaandheid en machteloosheid, waarmee  ze Wilders voornamelijk verder in de kaart spelen ondanks soms de schijn van het tegendeel. De hele Haagse politiek is veranderd in een heksenketel, waarin dagen zonder opmerkelijk nieuws al wekenlang tot de uitzonderingen behoren.

Wat zijn de patronen, wat is het diepere krachtenspel dat in het huidige spektakel vervormd wordt uitgedrukt? Een aanknopingspunt biedt de kabinetscrisis – maar ook slechts tot op zekere hoogte.  De crisis ging om de vraag of de missie in Uruzgan wel of niet verlengd moest worden. Voor de PvdA was verlenging niet bespreekbaar, al had ze nu en dan signalen gegeven dat haar ‘nee’ niet totaal onwrikbaar was. CDA en in mindere mate CU wilden wel verder, of wilden op zijn minst die weg nadrukkelijk openhouden.

Dit was geen conflict tussen voor- en tegenstanders van dit type oorlogspolitiek. Het ging om de manier waarop, en de mate waarin. Voor de PvdA was het, na steun voor de missie tot nu toe, even genoeg geweest. Het militaire apparaat moest niet overvraagd worden. De optie om later of elders iets soortgelijks te doen was voor de PvdA echter geen probleem. Voor het CDA woog het verlangen om ook nu de VS bij te staan zwaarder dan de behoefte aan een adempauze. De PvdA zette zich schrap en kon verwijzen naar eerdere afspraken dat de Uruzgan-missie in 2010 zu aflopen. De partij voelde zich ongetwijfeld gesterkt door de wetenschap dat de oorlogsdeelname in Afghanistan bepaald niet populair was, en dat een nee ertegen de PvdA  dus electoraal wel eens in de kaart kon spelen. Zo benutte de PvdA de brede weerzin tegen de oorlog voor het doorzetten van hun eigen beleid dat met anti-oorlogssentiment verder weinig te maken had.

Het meningsverschil over vorm en wijze van oorlogsdeelname deed het kabinet uiteindelijk struikelen. Afghanistan en Irak waren echter niet de dieper liggende oorzaak voor de breuk, maar voornamelijk aanleidingen. Dat bleek in de weken erop. De eerste tien dagen na de kabinetscrisis ging het nog over Afghanistan, en vooral over het komische ongenoegen in NAVO-kring over het naderende Nederlandse vertrek uit Uruzgan. Maar al snel verdween de hele kwestie van de voorpagina’s en  uit de journaals. In de op gang komende verkiezingsstrijd wordt over de zaak niet nagekaart, de hele kwestie is gewoon wèg. Als Afghanistan, NAVO en interventiebeleid de belangrijkste breuklijn tussen PvdA en CDA zouden vormen, dan zouden we CDA-politici voortdurend horen klagen over de onbetrouwbaarheid van de PvdA in NAVO-zaken, en dan zouden we PvdA-ers hoog horen opgeven over hun succesvolle inzet tegen verlenging van de missie. Maar geen van beiden vindt het blijkbaar een interessante zaak.

Veel en veel belangrijker als wrijvingspunt in de politiek is de economische crisis, en het beleid om de kosten van de recessie te verdelen en te betalen. Toen het kabinet er nog zat, zagen we al voortdurend spanningen, over versoepeling van het ontslagrecht, over timing van het immense bezuinigingspakket dat door ambtelijke werkgroepen werd voorbereid. Er tekende zich een botsing af tussen twee  richtingen van crisisbeleid.

Enerzijds was er de politieke vleugel die vond dat de, mede door de recessie snel oplopende staatschuld en het begrotingstekort, snel moesten worden aangepakt. Er waren niet alleen enorme bezuinigingen noodzakelijk; die bezuinigingen moesten ook snel worden ingezet, getreuzel was onverantwoordelijk. Deze houding domineerde binnen de regering bij het CDA. Buiten de regering maakte vooral de VVD zich hier hard voor.

Anderzijds was er de vleugel die de noodzaak van bezuinigingen accepteerde, maar niet te snel wilde gaan. Met een recessie die hard huishield en maar net op de terugtocht was, zouden te snelle bezuinigingen de koopkracht en daarmee consumptie-uitgaven schaden. Minder van zulke uitgaven betekende minder afzet voor hele bedrijfstakken, waarmee het economische herstel ernstie schade dreigde op te lopen.  Het was met name de PvdA die pleitte voor deze voorzichtige aanpak van uitgesteld bezuinigingsbeleid. Maar de SP hanteert nu ook een soortgelijke redenering. “Te snel en te drastisch bezuinigen kan de samenleving structureel uit balans brengen”, lezen we op de SP-website in een stukje over het nieuwe verkiezingsprogramma.

We hebben het hier dus niet over een strijd tussen voor- en tegenstanders van bezuinigingen op zich. De botsing gaat tussen bezuinigingen nu meteen aan de ene kant, en bezuinigen, ja, maar niet overhaast, aan de andere kant. Dat de PvdA als boegbeeld van de tweede koers dit makkelijk kan verbinden met retoriek over bescherming van de zwakkeren, is waar. Dat ze hiermee een linksig imago  kan opvijzelen, eveneens. Maar uitgestelde bezuinigingen doen óók pijn en zijn óók een aantasting van onze rechten en ons levenspeil.

De bezuinigingen, meteen of later, worden gebracht als antwoord op de recessie die tot afnemende belastingopbrengst en gestegen kosten had geleid. Maar de recessie dient voor een flink deel vooral als voorwendsel voor bezuinigingen die sowieso nodig worden bevonden – door ondernemers en door álle gevestigde partijen. Dat blijkt uit meerdere feiten.

Zo begon de discussie over de hogere pensioenleeftijd ruim voordat de kredietcrisis een heuse recessie was geworden. Het argument was toen niet zozeer bezuinigen als vorm van crisisbeleid, maar verhogen van arbeidsparticipatie. Er dreigden personleelstekorten, dáárom moesten mensen tot hun 67ste de arbeidsmarkt op getreiterd worden. Inmidddels zijn die personeelstekorten spoorloos, en loopt de werkloosheid maand na maand op. Dezelfde verhoging van de AOW-leeftijd wordt inmidels beargumenteerd als middel om een slordige vier miljard op te hoesten. Andere smoes, zelfde afbraakmaatregel. Het laat zien dat er een diepere logica aan het werk is dan korte-termijn-crisisbeleid.

Dat blijkt ook uit de toelichting bij de bekendmaking van het uiteindelijk volgens het centraal planbureau (CBS) noodzakelijke bezuinigingsbedrag van 29 miljard. Ja, daarin werden de kosten van de recessie vermeld – als één van de factoren. Maar opvallende nadruk kregen twee andere elementen: de stijging van de kosten van de zorg, en de kosten van de vergrijzing. Welnu, recessie stemt zorgelijk maar het is niet vanwege de recessie dat zorgkosten oplopen. En inderdaad, van bezorgdheid of je morgen je baan nog heb kun je grijze haren krijgen, maar dat mensen ouder worden is toch bepaald geen gevolg van de economische crisis. Ook dat gaat om een lange-termijn-proces, om iets structureels, iets dat ook speelt als deze recessie helemaal weg is.

Daarmee raken we de kern van wat de bezuinigingen drijft. Het draait erom dat de staat allerlei kosten maakt voor allerlei sociale uitgaven: zorg, uitkeringen en dergelijke. Die kosten worden uit premies en belastingen betaald – en die premies en belastingen drukken op de winst en op de inkomens, ook die van de rijken. Om de B.V. Nederland concurrerend, winstgevend genoeg, te houden, moeten belastingen en premies omlaag. Dat betekent: bezuinigen en hard ook. De belangen van de kapitalistenklasse vereisen dit. Sommige ondernemers zien dit het liefst drastisch en snel gebeuren. Anderen – die bedrijven leiden die het van winkelende mensen moeten hebben – zijn voorzichtiger: te veel inkomensdaling voor armere mensen betekent legere winkelwagentjes in de supermarkt. Ziedaar de economische kern van het meningsverschil tussen nu hard bezuinigen, of later dan wel iets meer gespreid het mes erin.

Er is ook nog een politieke dimensie die tot verschillende afwegingen en dus tot verdeeldheid in de gevestigde politiek leidt. Bezuinigingen roepen weerstand op. Dat hebben de eerste kabinetten-Balkenende, vooral het tweede, gemerkt. Het grootstschalige arbeidersprotest in 2004 tegen uitholling van het recht om vervroegd met pensioen te gaan, was daarvan het sterkste voorbeeld. Elke nieuwe grote aanval op onze rechten riskeerde nieuwe uitbarstingen van arbeiderswoede, en garanties dat het protest beheersbaar en relatief ongevaarlijk zou blijven waren er, ondanks de immense inzet van de vakbondstop in die richtig, niet. Harde bezuinigingen, economisch wenzelijk, waren politiek riskant. Een lager tempo ervan had, ook voor ondernemers en verbonden politici, voordelen.

Omdat de economie, na een inzinking eerder in het decennium, weer redelijk draaide, was het voor ondernemers ook aanvaardbaar om de scherpe kantjes van het bezuinigingsbeleid weg te vijlen. De PvdA, de vleesgeworden afwezigheid van welke scherpe kantjes dan ook, mocht in 2007 weer meeregeren. Het kabinet-Balkenende-4 was een uitdrukking van de noodzaak om een minder frontaal aanvallend rechts beleid te voeren, gecombineerd met een iets grotere speelruimte voor die voorzichtigheid vanwege de gunstiger economische situatie. Maar de drang om op termijn de aanval op sociale zekerheid en collectieve voorzeningen door te zetten – nogmaals, niet ingegeven door de recessie maar door de structurele behoeften van het kapitaal in Nederland om de winst- en concurrentiepositie te verbeteren – was niet weg. Met de terugkeer van de recessie vanaf 2007 hadden kapitalistische hardliners weer een mooi handvat om de noodzaak van bezuinigingen weer hardhandig te onderstrepen.  De echte reden ligt echter dieper.

Dit alles werkt indirect sterk door in de kabietscrisis. Op het eerste gezicht leken die succes voor de PvdA – en daarmee voor de vlegel in ecoomische en politieke top die voor rustig-aan-bezuinigen is – te betekenen. Het was die partij die voet bij stuk hield, en die sindsdien electrale vleugels heeft gekregen. Maar het is aannemelijk dat binnen het CDA het geluid dat al een tijdje genoeg had van de PvdA aan kracht had gewonnen. De val van het kabinet opende de weg naar een kabinet van rechts, zonder de PvdA. In plaats van nog een jaar touwtrekken over bezuinigingstempo kon de aanval al veel eerder geopend worden. Of rechts binnen het kabinet – de vleugel-Verhagen-Donner, zogezegd – stiekem aanstuurden op de breuk in het kabinet valt moelijk te zeggen. Dat het de hardliners in poltiek én ondernemerswereld helemaal niet slecht uitkwam, en dat hun ambities mede de spanning binnen het kabinet tot fatale hoogten hebben helpen opvoeren, lijkt me echter zeer aannemelijk.

(wordt vervolgd)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: