Politieke crisis in Nederland, deel 2: rechts, links, rechts…

Zoeken naar kostenverlaging om meer ruimte te krijgen voor winst en de concurrentiepositie van ondernemers te verbeteren – dat is waarom de kapitalistenklasse in Nederland belang heeft bij bezuinigingen. Minder staatsuitgaven betekenen lagere belastingen, en die maken het mogelijk om meer geld in de ondernemerskas te houden, voor dividend, investeringen,  topsalarissen en bonussen. Bezuinigen maakt dat  terugdringen van staatsuitgaven makkelijker –  al is een bij gebrek aan bezuinigingen oplopende staatsschuld beslist niet het grote probleem dat rechtse politici er zo graag van maken.

In deze drang tot meer winst en een sterkere positie tegenover concurrenten wortelt de aandrang tot bezuinigen die de politiek momenteel in een ijzeren greep houdt. Alle partijen voelen die aandrang, alle partijen hebben zich deze logica in meerdere of mindere mate eigen gemaakt. De politieke spanningen hangen voor een aanzienlijk dele met deze bezuinigingslogica samen. Overeenstemming is er over de noodzaak ervan. Maar over timing, tempo en omvang bestaan grote meningsverschillen.

Elke partij heeft een andere mix tussen de bezuinigingen als noodzaak enerzijds, en de gezochte steun van kiezers  anderzijds. De ideologie van partijen speelt vervolgens een rol om die mix tot stand te brengen en in effectieve PR om te zetten. Bij een partij als de SP die voornamelijk geldelijke en kiezerssteun  van lager betaalde arbeiders en mensen met een uitkering zoekt, met een sociaaldemocratische ideologie, pakt de mix heel anders uit dan bij partijen als VVD en CDA die haar fondsen van rijke mensen haalt, haar kiezers veelal bij middenstanders en beter betaalde arbeiders en haar ideologie uit een mengsel van liberalisme en conservatisme. Bij de eerste is de neiging om bezuinigingen beperkt te houden om de achterban te ontzien groter. Bij de tweede zal de neiging om de bezuinigingen snel en fors door te zetten – die voornamelijk kiezers van andere partijen raken, en de geldschieters en steungevers van de eigen partij juist helpen – veel groter zijn. Dit soort mechanismes verklaart zowel de algemene richting van komend beleid als ook de talloze meningsverschillen.

Dit is één van de factoren die het politieke bestel onder druk zet. Maar als dit de enige motor van de  politieke crisis was, zag het landschap er bepaald anders uit. Dan zou de strijd veel meer gepolariseerd zijn langs sociaal-economische lijnen, dan zouden juist partijen die bezuinigingen erg beperkt willen houden, er veel beter vor staan in de peilingen. Als de tegenstelling  tussen hard, snel en niets ontziend bezuinigen enerzijds en traag, weinig bezuinigen, rekening houdend met laagbetaalden en collectieve voorzieningen anderzijds, centraal zou staan, dan zou de SP niet, zoals nu, op 9 zetels staan in een peiling, maar er veel beter in slagen om haar kiezers vast te houden. Dan zou rechts in de peilingen veel en veel zwakker staan. Want bezuinigingen gaan heel veel mensen treffen, en de partijen die het hardst willen bezuinigen, zouden hun kiezers zien weglopen als dit thema het overheersende thema was. Dat gebeurt momenteel niet. Er speelt kennelijk dus nog veel meer.

De tweede factor die de politieke crisis aanwakkert zouden we kunnen omschrijven als: misvormd gebundelde, verkeerd gerichte, extreem-rechts gekanaliseerde onvrede. Die onvrede zélf werd en wordt gevoed door het marktgerichte beleid van inmiddels de afgelopen tientallen jaren. Bezuinigen was daar deel van, privatisering en de blootstelling van collectieve voorzieningen aan marktwerking waren twee andere peilers van wat als neoliberalisme bekend is komen te staan.

Het beleid leidde tot verslechteringen in onderwijs, zorg en openbaar vervoer. Het heeft het levenspeil de betaanszekerheid van mensen die afhankelijk zijn van sociale voorzieningen aangetast. Terwijl regeringen dit neoloberale beield doordrukten, gebruikten ondernemers de ruimte die hen geboden werden om hun winsten en de inkomsten van zichzelf  op te krikken. Miljoenen mensen voelden hoe hun levens moeilijker werden hoe zwaar het werd om rond te komen, hoe onzeker het bestaan was. Tegelijk zagen ze dat een beperkte groep zich ongestaard verrijkte. Dat alles leidde tot onbehagen onvrede, en soms tot uitbarstingen van protest.

Tussen 2002 en 2006 had deze onvrede vooral een hoopgevende, naar links gerichte dynamiek. Er was het in deel één van deze serie genoemde vakbondsprotest van 2004. Er waren demonstraties tegen de Irak-oorlog in 2003, er waren acties voor een generaal pardon voor mensen die al te lang op erkenning as vluchteling hadden moeten wachten. Die laatste twee thema’s hadden niet rechtstreeks betrekking op het neoliberale beleid. Maar dat beleid voedde wel de onvrede die ook tegen andere stukken beleid – oorlogsdeelname, deportatiebeleid tegen vluchtelingen – tot uiting kwam.

Als klap op de vuurpijl kwam het referendum tegen de neoliberale EU-grondwet, dat tot een dramatische, voor een flink deel door de SP aangejaagde, nee-stem leidde. In 2006 zagen we vervolgens een grote verkiezingsoverwinning van die SP, die voor een flink deel het anti-neoliberale, anti-regeringssetntiment had weten te bundelen en in zetels wist om te zetten. Zo werd de terechte woede van een jaar na jaar getergde arbeidersklasse omgezet in  een referendum-uitslag, in parlementaire posities en in vakbondsacties.

Maar de vakbondsacties hadden slechts beperkt resultaat, de EU-grondwet kwam er in iets gewijzigde vorm toch, en de parlementaire SP-macht leidde niet tot regeringsdeelname, en ook niet tot veel positief resultaat. Slechts beperkte bijstellingen van beleid werden binnengehaald, zoals het uiteindelijk acepteren vn een generaal prdon voor lang wachtende vluchtelingen. Dat was de fooi die de PvdA als progressief pronkstuk mocht binnenhalen om deelname aan een kabinet met CD en CU wat meer verteerbaar te maken – en waarmee de PvdA aan SP-kiezers kon laten zien dat er ook via de PvdA heus nog wel iets progressiefs te behalen viel. Voor jarenlang maatchappelijk verzet en linkse overwinningen in de stembus was dit alles toch wel een vrij magere oogst.

De onvrede had linkse beddingen gevonden – en vrij weinig bereikt. Dat opende nieuwe ruimte voor pogingen om de woede en getergdheid een rechtse draai en uitlaatklep te geven, de woede  een ander, misplaatst, doelwit te geven. Dit is wat Fortuyn al met groot succes deed in 2002. Maar pogingen om dit, na de moord op Fortuyn, verder door te zetten, liepen stuk. Dat lag niet zozeer aan het op zichzelf zeer aanzienlijke geklungel van Fortuyns politieke nazaten. Veel belangrijker was dat, met een economische inzinking in die jaren, sociaal-economsche kwesties die arbeiders tegenover ondernemers plaatsen, naar de voorgrond kwamen. Antikapitalistische sentimenten, ook sterk vanwege de uitstraling van de andersglobaliseringsbeweging van die jaren, speelden een rol. De rechtse storm van 2001-2002 ging tijdelijk liggen, en er kwam enkele jaren en vrij stevige linkse bries te staan.

Maar in de luwte wachtten uiterst-rechtse politici, en ze werkten aan een comeback voor hun aanpak. Hoe minder de linkse bries tot resultaten leidde, hoe meer rechts er opnieuw in begon te slagen om onvrede op háár manier te benutten, te misbruiken. Geert Wilders werd van deze ontwikkeling het kopstuk en het symbool. Eerst opereerde hij nog op de rechterflank van de VVD, waar hij zich profileerde door zich fel tegen toelating van Turkije als EU-lid te keren. Een land vol met moslims, dat paste volgens hem niet in de Europese cultuur. Daarmee  was de islamofobe toon gezet.

In 2004 brak hij met  de VVD. Nadat in november van dat jaar filmmaker Theo van Gogh – zelf niet vies van islamofobe uithalen -werd vermoord, kreeg de uiterst-rechtse cocktail die  Wilders serveerde, een griezelig groeiende populariteit. In de campagne tegen de EU-grondwet, voorjaar 2005, speelde hij al een  rol. Als één van de eersten en hardsten riep hij, na de uitslag, de  regering – die zich breed had gemaakt voor een ja-stem – op om af te treden. Zulke stelligheid bleef van linkse zijde – de kant die de nee-campagne nota bena had gedomneerd – vrijwel uit. Het is één van de manieren waarop “links dit potentieel op tragische wijze verspeeld (heeft)”, zoals Pepijn Brandon de verschuiving van linkse kracht naar rechtse overmacht verklaart in een mooi stuk op de website van de Internationle Socialisten. Zo zag je toen al dat Wilders niet alleen een islamofoob racisme predikte, maar tegelijk ook een keiharde anti-regeringstoon aansloeg. Juist in de periode dat links van succes naar succes snelde, had uiterst rechts zich al van een flinke rol verzekerd. De 9 zetels voor Wilders’  PVV bij de verkiezingen van november 2006 waren daarvan het bewijs.

(wordt vervolgd)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: