Marxisme Festival: impressies van enkele meetings

Zo, even terugblikken op een dagje Marxisme Festival, het jaarlijkse lezingen- en discussiegebeuren van de Internationale Socialisten (IS). Het duurt vandaag nog voort, maar ik vind een dagje wel voldoende. Dat dagje was echter de moeite waard. Natuurlijk vanwege het weerzien en bijkletsen met leuke mensen die ik vaak al lang, vaak te lang, niet had gesproken. En ook vanwege de bijeenkomsten waar ik aan deelnam. Wat impressies.

De eerste meeting die ik volgde ging over het  Trotskisme zoals zich dat na de dood van Troktsky had ontwikkeld, met name over de bijdrage van Tony Cliff aan dat Trotskisme. Na Trotsky’s door hielden veel van zijn aanhangers vast aan een drietal voorspellingen die Trotsky had gedaan: 1. de Sovjetunie zou de Tweede Wereldoorlog niet overleven maar ten val komen; 2. de speelruimte in het Westen voor sociaal-democratische hervormingen bestond niet: permanente crisis stond dat niet toe;  3. in de landen van wat de Derde Wereld ging heten – de koloniën en voormalie koloniën – was landhervorming en nationale onafhankelijkheid onmogelijk zonder arbeidersrevolutie. Alle die voorspellingen bleken ongegrond: de Sovjetnunie kwam als grote mogendheid de oorlog uit; het Wese ging een periode van lange economiche bloei in; en er kwamen in China en Cuba staten op die wel degelijk landhervorming en zelfstandige economische ontwikkeling op gang brachten. Cliff probeerde in de jaren veertig en vijftig van de vorigeeeuw een samenhangende reeks analyses naar voren te brengen om dit teverklaren. Hij onderkende dat Rusland een vorm van kapitalisme was: staatskapitalisme sinds 1928, volgens hem. Hij probeerde te laten zien dat wapenuitgaven de neiging tot crisis tegenwerkten en langdurig uistelde; de theorie van de permanente bewapeningseconomie ; en hij analyseerde het soort revoluties dat de regimes Mao en Castro  voortbracht: de theorie van de afgektste permanent revolutie. Het bevatte voor mij niet hele veel nieuws, maar dat had ik ook niet echt verwacht. De uiteenzetting leek erg op die van Cliff zelf, in uitvoeriger vorm bijvoorbeeld te vinden in zijn “Trotskyism after Trotsky”.

In de discussie ging het over die theorie van staatskapitalisme. Was daarvan, zonder concurrentie binnen Rusland zelf, wel sprake? Een ander punt – iets dat ik naar voren bracht: voor het verschil tussen productiewijzen (feodalisme, kapitalisme) is vooral ook de vorm waarop het meerproduct, het surplus, uit de directe producenten wordt geperst, bepalend. Heb je slavernij (werkers die eigendom zijn van bezitter)? Heb je – maatgevend in het feodalisme – grondgebonden arbeid (werkers die als het ware aan het land vast zitten en een deel van opbrengst of tijd aan de bezitter moeten afstaan)? Of heb je loonarbeid (werkers die hun arbeiderskracht voor bepaalde periodes verkopen aan de bezitters)?  Ook in Rusland was er van loonarbeid sprake, en juist dat laat het kapitalistische karakter van die maatschappij al zien. Ik stelde er alleen wel een vraag achteraan: vóór 1928 was er óók al loonarbeid in Rusland. Waarom was er toen, volgens de spreker, dan niet van kapitalisme sprake?

De antwoorden, van diverse leden van de IS, waren standaard en onbevredigend. De één wees erop dat je de loonarbeid niet in één klap kon afschaffen en het socialisme niet in één ruk na de revolutie kon invoeren – alsof ik dat had beweerd.  De ander wees erop dat er onder Stalin vanaf 1928 een volledig einde aan alle restanten van rbeidersinvloed werd gemaakt, en dat de Bolsjevistische partij zelf zodanig werd gezuiverd dat iedereen die in de Oktoberrevolutie van1917  iets betekende, wed omgebracht en dergelijke. Dat was mij echter al bekend, en het laat zien dat er in de late jaren twintig inderdaad iets drastish, contrarevlutionairs, gebeurde. Maar het is geen antwoord op de vraag of er ook vóór 1928, niet toch sprake was van een vorm van kapitalisme, een mengsel tussen staats- en marktkapitalisme met inderdaad nog sterke restanten van arbeidersinvloed. Volgens mij is het antwoord op die vraag: ja, Rusland was allang kapitalistisch voorat Stalin  de laatste resten revolutie opruimde. Zoals je binnen het kapitalisme wel vaker een drastische switch hebt tussen meer democratische en volslagen autoritaire bestuursvormen, met bijbehorende afbraak van arbeidersrechten. Duitsland, 1933, bijvoorbeeld. Niemand zal echter uit de machtsgreep van Hitler, het verbieden van linkse partijen en vakbonden en het instellen van een volslagen dictatuur afleiden dat er vóór die tijd níét van een vorm van kapitalisme sprake was…

Maar aan deze tegenwerpingen kwam in in de discussie niet toe, er waren meer mensen die het woord wilden, en dat hoort dan voorrang te krijgen. Alles bij elkaar was het wel een levendige bijeenkomst, met echte discussie, redelijk druk bezocht ook. En ik heb nu Martin Smith, kopstuk van de SWP, de zusterorganisatie van de IS, nu eens zien spreken. Zo blijft men leren en ervaringen opdoen 😉

Vervolgings ging ik naar een bijeenkomst met de titel “Waar blijft het antwoord op Wilders?” Dat bevatte veel leerzaams. Er waren drie sprekers: Anne-Ruth Wertheim ging in op de soort van racisme waar Wilders zich sterk voor maakt. Ze onderscheidde uitbuitingsracisme, gericht tegen groepen die het zware werk moeten doen en op wie neergekekn wordt; en concurrentieracisme, gericht tegen groepen die als bedreiging, indringers, rivalen werden gezien. Antisemitisme is bijvoorbeeld zulk concurrentie-/ cultureel racisme.

Wertheim betoogde dat er veel parallellen zijn tussen Wilders’ racsme tegen moslims en dat antisemitisme. Volgens haar is Widers’ racisme een mengvorm van het uitbuitingsracisme en hetcncurrentieracisme. Ze was niet optimistisch, en voorzag uiteindelijk grootschalig geweld tegen moslims. Van de huidige dip in Wilders’ aanhang was ze niet onder de indruk.

Mohammed Rabbae, voormalig fractieleider van GroenLinks, had een opvallend bijdrage. Hij ging, zoals we van hem gewend zijn, fel tekeer tegen Wilders, en zette hem neer als harde racist. Maar hij deed meer. Hij legde een verband tussen Wilders’ oproep dat moslims het land uit moesten, en zijn extreme pro-Israël-politiek. Volgens hem  is Wilders zo ongeveer de spreekbuis in Nederland van de uiterste rechterzijde in Israël. Die staat krijgt groeiende PR-problemen, veel mensen keren zich tegen het Israëlische beleid tegen Palestijnen. Dat heeft te mken met de grotere aanwezigheid van mensen uit het Midden-Oosten in landen als Nederland, en hun groeiende deelname aan de hoofdstroom van de maatschappij. Om het debat weer ten gunste  van Israël te keren, moeten Europese landen dus van hun moslims af, en wie in Nederland predikt precies dat? Inderdaad: Wilders! Hiermee is volgens Rabbae de warme pro-Israël-houding van Wilders én zijn islamofobie, in samenhang verklaard.

De derde spreker was Karwan Fatah-Black, van de IS.  Hij had – arme jongen! – zijn vrijdagavond doorgebracht met het lezen van het verkiezingsprogramma van de PVV. Hij liet met citaten zien hóé rechts het programma was, niet alleen wat betreft moslims en dergelijke, maar juist ook op sociaal-economische thema’s. Mij viel, toen ik dit beluisterde, erg op hoezeer de media dan nog een overdreven aandacht voor de paar sociale punten – handen af van WW en studiefinanciering en van de AOW-leeftijd – hadden. Alle veel rechtsere, ultra-VVD-ideeën, bleven in de media-aandacht onder- of helemaal onbelicht. Het was erg goed dat Karwan juist deze zaken met nadruk naar voren haalde. Ik ga er binnenkort ook nog op in, op de PVV, haar programma, haar vooruitzichten en dergelijke.

Ik heb de meeting luisterend doorgebracht en niets ingebracht in de discussie. Bedenkingen had ik wel, vooral bij Rabbae’s betoog. Parallellen zien tussen rechts in Israël en de PVV hier is zinnig. Maar de suggestie dat dit verklaard zou worden door geheime Israëlische geldelijke steun – een suggestie die Rabbae indirect deed – is hachelijk. In de eerste  plaats is het een onderschatting van Wilders’ zelfstandigheid. De PVV keert zich om eigen machtspolitieke redenen tegen moslims, speelt de racistische kaart gewoon om macht te vergaren. Wilders is veel méér dan een pion van Israëlisch rechts of van wie dan ook. In de tweede plaats bekruipt mij, bij verwijzingen naar geheim Israëlisch geld in welke richtig dan ook, toch een lichte huivering. Van Israelisch geld als bron van kwaad naar joods geld en invloed als bron van alle kwaad – klassieke antisemitiche drogreden –  is niet zo’n hele grote stap, en van dit type van complotdenken dient links verre te blijven.

In de derde meeting gaf Pepijn Brandon, van de IS ook, een weergave van debatten door de jaren heen over de Russische revolutie en de ontwikkelingen daarna. Zoals vaste lezers van dit blog wel weten, hebben hij en ik hier inmiddels een flink verschillende mening over, hetgeen een extra reden was om juist deze bijeenkomst bij te wonen. En ik heb geen spijt, we werden onthaald op een zeer  heldere presentatie over de diverse richtingen en stromingen die het debat onder historici kent.

Pepijn wees eerst op de standaard-Koude-Oorlogsversie: de Oktoberrevolutie was een staatsgreep. Lenin leidde rechtstreeks tot Stalin, en Lenin had het allemaal al in “Wat te Doen” aangekondigd, in 1902.  Daar tegenover stond wat hij de ‘kritische traditie’ noemde, van mensen die vooral door Trotsky beïnvloed waren en zijn. Elementen daaruit: Oktober was een echte brede revolutie, economische ineenstorting en burgeroorlog deden het post-revolutionaire bewind ontaarden tot een bureaucratische dictatuur, het uitblijven van revolutie elders – met name in Duitsland – wordt de Russische revolutie dan noodlottig, en Stalins regime bekrachtigt eind jaren twintig dat noodlot. Van een continuïteit tusen Lenin en Stalin was echter geen spreke, en het bewind bleef aanvankelijk open voor druk van haar eigen basis. Een derde richting, de revisionistische, die opkwam nadat er steeds meer bronnen in Rusland beschikkbaar wamen, gaf de kritische richting op veel punten gelijk. Maar intussen heeft het debat weer een rechtsere wending gekregen, met een postmoderne nadruk op cultuur en retoriek – waarbij Pepijn erop wees dat voor dubbele bodems en kwalijke bijbedoelingen van Bolsjevieken wel oog was, terwijl de uitspraken van opponenten van die Bolsjevieken niet op dezelfde kritische manier als dubbelzinnig werden ingeschat.

Al met al haalt Pepijn uit de geschiedschrijving over deze periode een beeld van een post-revolutionair Rusland waarin een bewind functioneerde dat open stond voor druk vanuit haar basis, dat zeker geen totale dictatuur is, maar waarin bureaucratisering een steeds groter gewicht kreeg, en gewicht waaraan de revolutie uiteindelijk bezweek. Keuzes van het bewindspeelden overigens wel een rol in het verloop van dit  proces, en de kansen die er nog waren voor verzet en dergelijke. Het isolement van de revolutie werd de revolutie echter fataal, en opende de weg naar de consolidatie van het Stalinisme waarmee aan elke arbeidersdruk van onderaf, elk restant van revolutionaire dynamiek, een einde komt.

In de discussie werd stevig de degens gekruist. Twee mensen, waaronder ik, brachten de breuk naar voren die er ook al in de begintijd tussen regime en arbeiders ontstond. Het tot iedere prijs vasthouden aan de staatsmacht, deels  door omstandigheden maar deels ook door de ideologische vooronderstellingen van bijvoorbeeld Lenin ingegeven, droegen hieraan bij. Dat de revolutie in isolement niet kon winnen, klopte. Maar nu kreeg de nederlaag ook nog eens vorm in een bewind dat uit naam van de verdediging van de revolutionaire idealen tegenover de klasse van waaruit dat bewind was opgekomen, kwam te staan. De macht opgeven en verder vechten voor een comeback sámen met de onderliggende klassen, als deel van die klassen,  was beter geweest. 

Vooral tegen dat laatste idee werd scherp ingegaan, ook door Pepijn in zijn afronding. “Als de Bolsjevieken de burgeroorlog hadden verloren, was fascisme een Russisch en geen Italiaans woord geweest”, zo hield hij, Trotsky citerend, zijn gehoor voor.  Misschien – zo denk ik, terugblikkend op de meeting – maar vasthouden aan de macht tot iedere prijs dient niet de revolutie maar uiteindelijk enkel die macht zelf. De uitkomst van dat proces was uiteindelijk wel degelijk Stalin. Ik blijf erbij dat revolutionairen, gesteld voor de keus tussen onze klasse en de staatsmacht, onder alle omstandigheden voor onze klasse moeten kiezen. De discussie was best stevig, maar verviel niet tot het goedkope puntenscoren waar ik van tevoren een beetje bang voor was. Nuttige mooie meeting.

Misschien dat ik nog wat over de andere twee bijeenkomsten schrijf, vandaag of morgen. Misschien ook niet. Voor nu vind ik het even genoeg. Zon en muziek wenken.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: