Anarchisme met de ramen open

Hoe komt het anarchisme uit zijn isolement? Hoe breken revolutionaire, anarchistische ideeën uit hun marginale positie en krijgen we met deze opvattingen een breder gehoor, een groter bereik? Hoe krijgen we een sterkere en omvangrijker beweging van anarchistisch doordacht activisme? Die vragen staan centraal in een belangwekkend discussiestuk dat Tommy Ryan schreef en dat de Anarchistische Groep Nijmegen op haar website publiceerde.

Het stuk combineert twee, voor revolutionaren wezenlijke, aspecten. Er is het vertrouwen in de revolutionaire ideeën zelf, de drang om die zo goed mogelijk te verspreiden en voor het vcetlicht te brengen. Er is tegelijk ook een zelfkritische houding naar de anarchistische beweging toe, het inzicht dat  er heel veel is dat beter kan en moet, dat mogelijkheden niet of volstrekt onvoldoende benut worden, de bereidheid om deze zwakte onder ogen te zien en voor verbeteringen te pleiten. Dit maakt het stuk waardevol. Wat volgt zijn een aantal aanvullende, deels kritische, observaties, bedoeld om samen verder te komen. Maar laat ik eerst iets van de lijn van het artikel kort schetsen.

Het stuk begint met een handvol waarnemingen. Teveel blijft de actiebeweging hangen in afzonderlijke stukken strijd rond losse thema’s, er is teveel sprake van slechts “symptoombestrijding”, waarbij “het grotere geheel” onvoldoende aandacht krijgt. De actiebeweging is ook kleiner geworden, “zowel  in het aantal actieve mensen als in de actiebereidheid”. Ook is er “slechts sprake van een kleine aanwas van radicaal politieke activisten”, waarbij nieuwe mensen ook vaak na verloop van tijd weer afhaken, hetgeen de soms slopende druk op de rest verhoogt.

Dan noemt de schrijver enkele maatschappelijke factoren die hierin meespelen. Er is de grote druk die op mensen staat, in werk en studie. Er is het gevoel dat je wordt overvoerd met informatie over problemen, terwijl het gevoel dat je dara ook iets aan kunt doen, ontbreekt. Mensen zijn intussen verregaand teruggeworpen op hun eigen eenzame zelf in een goed geolied en oppermachtig kapitalisme. De schrijver roept dan uit: “Tijd om te laten zien dat men niet alleen is en dat je samen veel macht kunt hebben!” Om er meteen op te laten volgen: “Dit is iets waar de afgelopen jaren ernstige steken zijn laten vallen.”

Tommy Ryan ziet wel bescheiden tekenen van verbetering: beter ogende actieposters, levendige websites en dergelijke. Ik zie die tekenen zelf ook. Al enkele jaren valt me op dat activiteiten vanuit het anarchistische en autonome milieu een deel van hun grimmige, naar binnen gekeerde uitstraling, kwijt zijn. Al in de zomer van 2007 nam ik daar bijvoorbeeld tekenen van waar bij een AFA-demonstratie in Den Haag tegen de NVU. Afgelopen jaar, met de diverse protesten tegen het kraakverbod, vooral op de demonstratie daartenen in Utrecht in oktober, was iets soortgelijks merkbaar, maar dan nog veel sterker. En de opkomst van expliciet anarchistische groepen in een reeks steden, met vaak websites waar je niet gillend wegklikt maar graag even blijft hangen, is ook een teken dat dat er iets ten goede aan het veranderen is. Juist dit soort tekenen, gecombineerd met een verregaand gebrek aan bereidheid in de trotskistische kringen waar ik als lid van de Internationale Socialisten lang in verkeerde om deze vooruitgang naar waarde te schatten, hebben bijvoorbeeld voor mijzelf een overstap richting anarchisme makkelijker gemaakt. De drempel is een stuk lager dan die eerst was.

Maar – en daar geef ik de schrijver alweer gelijk – “(t)toch zijn we er nog zeker niet.” Veel resultaat is er nog niet bereikt, veel aandacht krijgt het revolutionaire anarchistische verhaal nog steeds niet, van veel groei is geen sprake. Wat nodig is, komt onder meer neer op effectievere propaganda, waarbij ‘propaganda’ duidt op het gericht aanzetten tot emancipatie, tot ontwikkeling van individuen, tot ‘empowerment’. Dat kan door informatie op een toegankelijke manier beschikbaar te maken (passieve propaganda), maar vooral ook door actieve propaganda: “het uitdelen van materiaal, posters, flyers, pamfletten etc., zodat de ontvanger niet enkel een poster heeft gezien maar ook de mens erachter.” Dit laat zien dat je ook daadwerkelijk ergens aan mee kunt doen, en doorbreekt tegelijk de stereoty ypische mediabeelden van de anarchist als “bommen/stenengooier”. Daadwerkelijk persoonlijk contact verlaagt de drempel tussen georganiseerd anarchisme en de mensen die we proberen te laten zien hoe dat anarchisme ook relevant voor hén kan zijn. Ik heb daar weinig aan toe te voegen.

Dan gaat de schrijver over tot het bespreken van de media waar anarchisten zich van bedienen. Die moeten beter, maar ze moeten vooral ook beter benut worden door actieve mensen zélf.  Hier komen enkele punten waar  de gedachtengang wringt, of minstens aanvulling behoeft. Dat we onze eigen media, met een groter bereik dan tot nu toe, nodig hebben, illustreert Tommy Ryan aan de hand van de volgende redenering: “We proberen vaak via de media persberichten de wereld in te  sturen maar hoe vaak komt het niet voor dat je een mooie actie doet en er enkel over de actiemiddelen gesproken wordt enniet over je intenties, of erger…” Tsja, denk ik dan droogjes, met gevéstigde media valt niets anders te verwachten. Maar er is wel iets aan te doen.

Een deel van de oplossing zit in de actie zelf – en ja, daar spelen actievormen een rol. Een werkelijk goede actie is een actie die nauwelijks uitleg behoeft, omdat de actie zichzelf uitlegt. Een actie die, ook als de grote media het doen niet of vervormd weergeven, tóch bij flink wat mensen overkomt zoals bedoeld. Dat maakt heldere leuzen, mooie spandoeken en dergelijke op demonstraties zo belangrijk. Maar het geldt ook voor steviger acties.

Een bezetting bijvoorbeeld van het kantoor van een bedrijf is des te effectiever als het bedrijf al vóór de bezetting door flink wat mensen als fout wordt ervaren. Blokkades in je jaren tachtig van de toegang tot luchtmachtbasis Woensdrecht behoefden nauwelijks toelichting: het was algemeen bekend dat daar atioomwaopens, de beruchte kruisrasketten, geplaatst gingen worden. Sabotage-actie bij Shell, brandstichting bij de Macro, pakweg in diezelfde tijd, had ook nauwelijks uitleg nodig: beide bedrijven stonden bekend wegens hun investeringen in het door apartheid geterroriseerde Zuid-Afrika.

Maar wie kent – om maar eens iets te noemen –  Strukton, het bedrijf waar een paar weken geleden brand is gesticht door mensen die zich de Anarchist Arsonists noemen? De reden is dat dit bedrijf een detentiecentrum, voor vluchtelingen op Schiphol helpt bouwen, inderdaad een verwerrpelijk project dat verzet vereist. Maar wie  wéét dat het bedrijf bij dit project betrokken is? Ik wist het voor deze actie, zelf niet. Door deze onbekendheid kan zo’n actie weinig weerklank krijgen, en hangt het bereik van de uitleg erg af van het veel te beperkte bereik van alternatieve media. Hopen dat De Telegraaf, maar evengoed De Volkskrant en het NOS Journaal, de informatie uit het persbericht voor het voetlicht gaan brengen… het lijkt me ijdele hoop.

Als je actie wilt voeren tegen een doelwit waarvan niet breed bekend is wat er mis is met dat doelwit, dan dien je dus extra aandacht te geven aan het bekend maken van juist die informatie. Dat maakte bijvoorbeeld de poging om bij de 1-mei-demonstratie in Nijmegen een spandoek bij ADECCO op te hangen en een toelichtend praatrje erover te houden, tot een slimme aanpak. Dat de politie ook dát onmogelijk maakte, is weer een ander verhaal. In ieder geval moeten we erg goed nadenken, niet alleen over het doelwit van een actie, maar ook over een vorm die het mogelijk maakt om, ongeacht de opstelling van gevestigde media, ons verhaal toch verder te laten klinken dan via enkel de radicale websites.

Dat neemt niet weg dat het bereik van eigen media sterk verbeterd en vergroot zou kunnen en moeten worden. Ook is het helemaal waar dat we moeten leren de instrumenten die we al hebben beter te benutten. Daarmee kom ik aan de observaties die de schrijver doet over het blad Klasse, dat wel in actiekringen word verbreid maar dan kennelijk veelal op stapels blijft liggen en niet verder wordt rondgedeeld. Tommy Ryan vraagt waarom dat is. “Schamen we ons? Zijn we bang dat men ziet waar we mee bezig zijn? Willen we werkelijk wel dat mensen geïnteresseerd zijn in onze boodschap? Hebben we er gewoon geen zin in om die paar uur vrije tijd die we nog hebben te besteden aan onze revolutionaire idealen?”

Ik denk dat vooral dat laatste niet de kern raakt. Mensen stoppen allerlei tijd – en vaak heel veel tijd ook! – aan hun idealen. Ze voeren actie, komen naar bijeenkomsten, weet ik wat. Als ze de Klasse niet uitdelen komt dit niet omdat ze geen motivatie hebben voor revol;utionaire tijdsbesteding, maar omdat ze motivatie te kort komen voor deze vorm van revolutionaire inzet. De vraag is dan waarom. En ik zie daarop twee antwoorden. De eerste wordt zijdelings geraakt met de vraag: “schamen we ons?” Ik denk niet dat het precies schaamte is voor de idealen zelf. Maar mensen die ongevraagd iets uit lopen te delen, voelen zich daar vaak zelf wèl onprettig bij.

We kennen zelf dat gevoel van irritatie als een ander ons in het winkelcentrum staande houdt om iets aan te bieden of te verkopen. Wie zelf iets uitdeelt, voelt zichzelf in die rol belanden waarin je wweerstand en weerzin oproept. Dat voelt niet fijn. Als je het spul verkoopt, of mensen abonnementen aan probeert te smeren, wordt dat gevoel erger: ik heb altijd een zekere weerzin gevoeld in deze zin bij het verkopen van De Socialist, en dat ging, zo vermoed ik, deels precies om dit psychologische mechanisme. Maar ook bij uitdelen van materiaal, zeker aan onbekenden, ongevraagd, speelt hetzelfde mechanisme, zij  het in mindere mate. En dat staat los van de inhoud van wat er uitgedeeld wordt. Het is deze drempel die call-center-werk tot zoiets vervreemdends weerzinwekkends maakt.  Deze drempel is menselijk, zelfs gezond.

Tegelijk is het uitdelen van een revolutionaire krant wel degelijk iets heel anders dan call-center-werk of het verkopen van willekeurige spullen. De drempel, hoe menselijk en gezond ook, is het soms waard om te worden overwonnen! Mijn tegenzin in het verkopen van De Socialist was bijvoorbeeld méér dan gecompenseerd in de maanden in de aanloop naar de Irak-oorlog, toen we via die verkoop niet alleen argumenten tegen die oorlog verspreidden, maar ook mensen wisten te vinden die daar samen met ons actie tegen wilden voeren. Het gaat me hier niet om specifiek dát blad en de inhoud ervan, maar om het soort van proces dat motiverend werkt.

En dáár zit dan ook een deel van het antwoord wat Klasse en het uitdelen ervan betreft: zien mensen het als een ding vol info, dat al dan niet uitgedeeld kan worden, met flinke tegenzin, want zoiets is niet leuk? Of zien mensen het tegelijk als een middel om met mensen in gesprek te raken, als brug richting gezamenlijke activiteit? Dat laatste aspect is wezenlijk: werkelijk revolutionaire publicaties en media zijn tweerichtingsverkeer.  Dat maakt het werken ermee motiverend, extra nuttig en soms zelfs cool.

Voor Klasse denk ik dan aan twee dingen. Nu wordt het blad samengesteld, en ter beschikking van actievoerders gesteld. Maar in hoeverre voelen actievoerders dat het ook werkelijk hun eigen blad is? Hoevelen van ons schrijven voor Klasse? Hoeveel greep heeft de actiebeweging, of een deel ervan, op de koers van de krant, de inhoud, de toonzetting? Mensen zullen des te enthousiaster aan het uitdelen van Klasse slaan als ze echt weten dat het hun eigen blad is. Ik ken de huidige gang van zaken volstrekt onvoldoende, maar ik denk dat er precies op dit vlak verbeteringen denkbaar zijn.

Eén manier om de betrokkenheid van mensen in de actiebeweging met Klasse te vergroten kan plaatselijk gebeuren. We zouden er een gewoonte van kunnen maken om plaatselijk met een handvol mensen bijeen te komen kort nadat het nieuwe exemplaar ervan verschenen is, om over de inhoud ervan te discussiëren. Leeskringen rond een revolutionaire krant, zoiets is eerder gedaan, en kan een goede manier zijn om 1. onze ideeën te verdiepen en te verscherpen en 2. om met des te meer zelfvertrouwen de Klasse wat actiever te gaan verspreiden.

Bestaande anarchistische groepen zouden dit nu en dan kunnen doen. Maar het kan misschien ook wel een prima manier zijn om mensen in steden waar nog geen anarchistische of aanverwante groep bestaat, bijeen te brengen en van een soort inhoudelijk richtinggevoel te helpen voorzien. Wie weet wat daar dan uit voor kan komen, nietwaar? Feedback vanuit zulke leeskringen kan dan weer terug naar de makers van Klasse zelf, die daardoor een relevanter en beter blad kunnen produceren. Zo werken we tegelijk aan versteviging van ons inhoudelijke fundament én aan onze motivatie om onze eigen media beter te benutten. Zo bouwen we aan een doordacht anarchisme met de deuren en ramen wagenwijd open.

(Het artikel van Tommy Ryan vraagt om nog meer gedachten. Hopelijk komt het binnenkort dan ook tot een tweede reactie. Maar ik beloof niks…)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: