Anarchisme en Karl Marx: 1. anarchie = communisme

Eén van de eerste boeken die ik las toen ik serieuze interesse in linkse ideeën kreeg, was “Het anarchisme”, van Daniel Guérin, tegenwoordig op internet te vinden in het Engels, maar dus ook in het Nederlands in boekvorm. Deze tekst maakte voor mij enkele dingen duidelijk. Allereerst: er was een doordachte vorm van revolutionaire politiek die zónder staat, hiërarchie en wat daar zo mee gepaard gaat een maatschappij van vrijheid en solidariteit beoogde op te bouwen. In de tweede plaats: deze politiek, het anarchisme, kon  beschouwd worden als vorm van socialisme: libertair socialisme. Het idee dat socialisme persé iets was dat draaide rond een oppermachtige staat, klopte niet. Wist ik toen nog veel! Ik kende het ‘socialisme’ van de PvdA, en van de toen nog krachtige éénpartijstaten onder leiding van een Communistische partij. Maar er bestond dus een ánder soort socialisme, en Guérin zette dat uiteen. Het was een eye-opener voor me. Dat was in het late voorjaar van 1981.

Iets later, de winter daarop, las ik een tweede boek van dezelfde schrijver. “Voor een libertair  Marxisme”. Dat bestaat uit een aantal artikelen waarin hij uiteenzet dat er forse raakvlakken zijn tussen het anarchisme van anarchisten als Bakoenin, en aspecten van het socialisme van Marx en hier en daar ook van Lenin. Het marxisme had een libertaire dimensie, het platweg tegenover mekaar zetten van libertair socialisme (anarchisme) enerzijds, en autoritair socialisme (waaronder het marxisme) anderzijds, was ontoereikend.

De jaren erop heb ik zowel uit de diverse marxistische als uit de vele anarchistische tradities het één en ander gelezen, terwijl ik geleidelijk aan ook politiek actief werd. Tussen 1986 en 1988 koos ik steeds nadrukkelijker voor vormen van leninistische politiek, Daar vond ik een coherentie, zowel in theoretische analyse als in strategische en organisatorische aanpak, die ik miste bij de vormen van anarchisme waar ik bekend mee was. Vroeg of laat zou de klassenstrijd tot een beslissende revolutionaire ontknoping leiden, waarin de tot dan toe onderliggende arbeidersklasse de knoopppunten van de macht moest veroveren, de oude staat moest slopen en er een tijdelijke nieuwe staat onder haar eigen greep voor in de plaats moest stellen, op basis van arbeidersraden. Wilden we dat bereiken, dan ontkwamen we tegenover de gecentraliseerde staats- en kapitaalsmacht niet aan de inzet van gecentraliseerde tegenmacht, aangevoerd door een revolutionaire voorhoedepartij, geworteld in de arbeidersklasse. Dat werk, dus. Zo groeide ik toe naar deelname aan leninistische politiek, en in 1988 sloot ik me aan bij de Internationale Socialisten (IS), toen nog de Groep Internationale Socialisten trouwens. Ik was leninist geworden, in een trotskistische vorm. Maar een zekere sympathie voor anarchistische opvattingen en acties dook herhaaldelijk, vooral mijn laatste IS-jaren, weer op.

De IS ben ik intussen al weer sinds februari 2008 uit, en ik ging allerlei zaken opnieuw overwegen, aanvankelijk nog met het idee dat er een breder, opener soort van leninisme nodig was, een leninisme waar ruimte was voor anarchistische elementen en dimensies. Maar in de tweede helft van 2009 werd het me steeds duidelijker dat het leninisme dit niet aankan: de autoritaire componenten erin ‘springen’, bezwijken, als er ruimte moet komen voor teveel libertair leven  in de brouwerij. Tegen het eind van 2009 was ik geen leninist meer, en in de loop van dit jaar ben ik me anarchist gaan noemen.

Maar daarmee was er nog steeds de probleemstelling die Guérin aanpakte – de verhouding tussen de anarchistische en de marxistische traditie, de zoektocht naar mogelijkheden voor een soort combinatie, iets wat hij als libertair marxisme aanduidt. Ik denk dat een soort synthese mogelijk, zelfs wenselijk is. Maar de theoretische basis voor zoiets kan niet het marxisme zijn. Daarvoor bevat dat marxisme – feitelijk een politiek-theoretische constructie die vooral na de dood van Marx is opgebouwd uit de opvattingen van Karl Marx – teveel tegenstrijdige elementen, teveel onderdelen ook die haaks staan op de diepgaande menselijke bevrijding die voor Marx zelf tegelijk wel degelijk de kern vormde. In een werkelijk bevrijdend soort van revolutionaire theorie en partij kan geen plek zijn voor staten, ook niet voor overgangsstaten en dictaturen van het proletariaat. In zo’n politiek moeten organisatievormen in het verzet niet haaks staan op het soort maatschappij waar we voor strijden. Dat maakt top-down-organisatievormen, het beruchte democratisch-centralisme, de voorhoedepartij die de strijd aan moet voeren en de leiding in en ook na de revolutie in handen heeft, dus tot vormen die we moeten afwijzen. Zo niet, dan komen we er in de revolutie achter dat wij niet samen de macht hebben, maar een partij namens ons boven ons. Hierachter ligt een dubbelzinnige houding die Marx, zelfs op zijn beste momenten, tegenover staat en staatsmacht inneemt. Het marxisme is hier géén leidraad, maar – voorzover het zich als een afgerond systeem, inclusief de vervelende elementen ervan, voordoet – een blok aan ons revolutionaire been.

Maar het zou méér dan jammer zijn als we de vruchtbare kernen van Marx’ theorie daarmee ook overboord  zouden gooien. Marx, en veel revolutionairen die zich in de marxistische traditie plaatsen, hebben zeer veel waardevols bijgedragen aan inzichten. Dan gaat het over vervreemding in de kapitalistische maatschappij, over de rol van klassenstrijd als motor tot sociale verandering, over de rol van de arbeidersklasse in de strijd voor algehele menselijke bevrijding. Verstandige anarchisten hebben zich voor de bijdragen uit deze richting dan ook terecht opengesteld. Bakoenin, de grote tegenspeler van Marx in de negentiende eeuw, was tegelijk over de theoretische bijdragen van dezelfde Marx vol lof. Die traditie van een open, doordacht, zich op klassenstrijd oriënterend anarchisme, een anarchisme dat een openheid voor bijdrage uit Marxiaanse richting heeft die teveel marxisten omgekeerd jegens het anarchisme maar zelden weten op te brengen – dat is een traditie die we hard nodig hebben en die verder ontwikkeld, maar intussen ook uitgedragen, dient te worden.

Bij dit alles is er een wezenlijke kern die Marx en zijn politieke geestverwanten en nazaten enerzijds, en veel anarchisten, gemeen hebben: de soort maatschappij die wordt nagestreefd. Anarchisten spreken veelal van  anarchie als positief doel. Anarchie is dan een maatschappij zonder overheersing, zonder heerschappij, zonder hiërarchie. Mensen zijn daarin vrije, en vrijwillig samenwerkende, individuen. De verschillende taken die gedaan moeten worden, gebeuren in overleg, zonder orders en zonder dwang. Er is geen machtsstructuur die boven de bevolking uittorent, geen staat. Mensen oefenen samen het bestuur uit: zelfbestuur, zelfbeheer. Mensen hebben over de gang van zaken rechtstreekse zeggenschap: directe democratie, in bedrijf, buurt, school, noem maar op. Coördinatie vindt niet plaats door een opgelegd staatsbestuur, ook niet door vertegenwoordigers die namens ons gaan besturen en politiek gaan bedrijven. Er is geen representatie, maar hooguit delegatie van taken, in handen van mensen die gekozen worden maar slechts uitvoeren en doorgeven wat degenen die ze gekozen hebben, willen. Ze hebben een bindend mandaat, ze kunnen tussentijds teruggefloten en desnoods ook vervangen worden. Het is een visie van een in vrijheid verenigde en samenwerkende mensheid. Het is een door mensen zelf in vrijheid gereguleerde orde, deze anarchie.

Nu Marx! Hij brengt naar voren dat de historische ontwikkeling, via klassenstrijd en revolutie, in de richting gaat van wat hij communisme noemt. Onvermijdelijk is dat weliswaar niet: het kan ook misgaan, als de klassenstrijd leidt tot “de ondergang van de strijdende klassen” – iets dat, met heersende klassen die zich met kernwapens hebben bewapend en wiens winstsstreven de hele planeet naar de bliksem aan het jagen is, helaas niet ondenkbaar is. Maar het alternatief, als de arbeidersklasse wereldwijd haar bevrijdingsstrijd wint, is dus: communisme.

Dat communisme is allereerst gedefinieerd als een klassenloze maatschappij. Geen klasse meer die een andere klasse aan het werk zet en een flink deel van de oprengst van dat werk naar zich toetrekt. Geen uitbuiting meer. De maatschappij wordts een “associatie, waarin de vrije ontwikkeling van ieder de voorwaarde voor de vrije ontwikkeling van allen is”,  aldus bijvoorbeeld het Communistisch Manifest. Mensen werken niet meer voor een baas, maar voor elkaar en zichzelf. Mensen dragen bij aan de maatschappij, en nemen van de maatschappij wat ze nodig hebben: “van ieder naar zijn vermogen, aan ieder naar zijn behoefte!” , al zal dit niet meteen na de revolutie het geval zijn. Dit lijkt nogal op het anarchistische idee van een in vrijheid samenwerkende mensheid, nietwaar?

De overeenkomst gaat nog verder. Waar  mensen in vrije samenwerking over de rijkdommen beschikken is geen noodzaak en ruimte meer voor een machtsstructuur die mensen van hogerhand bestuurt. Het communisme zoals Marx dat ziet is per definitie staatloos. Waar nog een staat bestaat, is van communisme geen sprake. De proletarische revolutie waar Marx naar streeft, dient niet alleen het kapitalisme, maar ook de staat, te doen verdwijnen, helemaal.

Het is duidelijk dat de kernvisie van Marx en van anarchisten in hier in wezen dezelfde is. Nee, lang niet alle anarchisten duiden hun doel aan met communisme. En vooral in de eerste jaren van de anarchistische beweging, tot achter in de negentiende eeuw, was het idee sterk dat er toch een vorm van loon-naar-werken, met een soort van arbeidswaardebonnen, nodig was. Dat anarchisme sprak van collectivisme: gemeenschapsbezit, direct-democratisch bestuurd, zonder staat, maar wel met een soort loonstelsel. Veel latere anarchisten gingen echter verder, en wilden toe naar de vrije beschikbaarheid van wat gezamenlijk vervaardigd wordt, op basis van maatschappelijke hulpbronnen en ten gunste van de hele maatschappij. Zij pleitten openlijk voor een vrij, libertair, communisme. Dat eerdere collectivisme kunnen we, denk ik, het beste zien als een soort vroege theoretische vorm waarin we een gedeeltelijke vorm zien van wat later consequenter als communisme werd doordacht.

In essentie durf ik de generalisatie aan: wat voor Marx en zijn geestverwanten communisme heet, dat is in de anarchistische traditie dus anarchie – en in wezen hebben we het in wezen over hetzelfde, ook waar er flink wat anarchisten zijn die van het wóórd communisme weinig tot niets moeten hebben. Ook voor hun is immers een vrij, staatsloos gemeenschapsleven op basis van opheffing van privé-bezit van maatschappelijke rijkdommen de kern en het doel. Anarchie = communisme, communisme = anarchie. Dat is de tendens, de richting van de ontwikkeling die revolutionairen beogen en dichterbij hopen te brengen.

(wordt vervolgd)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: