Anarchisme en Karl Marx (2): het anarchistische gelijk

De kracht van het anarchisme – een kracht waarin anarchistische theorie en praktijk met kop en schouders boven in ieder geval de gangbare vormen van marxisme, en zeker het leninisme – uitsteekt, zit in de bewuste poging om met het doel consistente actie- en organisatievormen te zoeken. Je kunt geen maatschappij zonder opgelegde autoriteit en hiërarchie dichterbij brengen met organisaties die stijf staan van hiërarchie en opgelegde autoriteit. Dat is de kern hier.

Het kan heel wel waar wezen dat hiermee een flink stuk slagvaardigheid en zogeheten  efficiency wordt prijsgegeven. Waar een centraal commitee snel voor een hele organisatie besluiten kan nemen, daar gebeuren dingen misschien een heel stuk sneller dan als alle betrokkenen, rechtstreeks of via gekozen gedelegeerden waar ze mee in verbinding staan, zeggenschap hebben. Maar zo’n leiding in de hoofdrol zal ook ná succesvolle activiteit die hoofdrol hebben. Specifieke doelen worden wellicht bereikt, maar in dat proces wordt de macht van onderop, de rechtstreekse zeggenschap van betrokkenen, niet werkelijk dichterbij gebracht. Na honderd jaar loonstrijd onder bestuur van bureaucratisch bestuurde vakbonden zijn de lonen hoger – en dat is waardevol! – maar de arbeiders niet wezenlijk machtiger tegenover de bazen. Zo worden we niet vrij.

Als je dit proces op de spits drijft in een revolutie, als je uit naam van effectiviteit en slagvaardigheid een revolutie via een gecentraliseerd bestuurde partij naar de overwinning wilt voeren, dan zie je iets soortgelijks. Na zo’n revolutie staat de partij aan het hoofd, en binnen die partij haar leiding. Dat zag je deels na de Oktoberrevolutie in Rusland 1917 (ja, daar issie weer lieve mensen, bewijsstuk 12 t/m 27 in deze langlopende zaak…): een gecentraliseerde partij op weg naar de macht leidt tot gecentraliseerd partijbestuur óver de bevolking na de revolutie.

Dan moeten we niet verbaasd zijn als Lenin in 1919, toen Trotski veel kritiek te verduren kreeg als aanvoerder van het Rode Leger,  een order uitschrijft en aan Trotski overhandigt met de volgende tekst: “Kameraden! Gezien het strikte karakter van de instructies uitgevaardigd door Kameraad Trotski, ben ik ervan overtuigd, zo overweldigend overtuigd dat de instructie van  k kameraad Trotski is correct, to the point en wezenlijk voor de goede zaak, dat ik deze instructie geheel en al ondersteun. V. Ulyanov )Lenin”.  Tony Cliff, waaraan ik dit citaat ontleen – en ga daar zelf maar kijken voor de context – voegt eraan toe: “Deze carte blanche getuigde van het uitzonderlijke vertrouwen dat Lenin in Trotski had.”

Dat is natuurlijk aardig om in te brengen tegen degenen die de Trotski uit deze periode af willen schilderen als een soort van anti-Leninist of iets dergelijks. Tegenover stalinisten die een wig tussen lenin en Trotski willen drijven is het best een leuk polemisch ingrediënt. Maar het laat vooral ook iets anders zien: in het land waarin na een revolutie de arbeidersklasse geacht werd, samen met de boeren, het heft in handen te hebben, is één man in de positie om één andere man carte blanche – een “onderschrijving van elke order die Trotski zou kunnen uitvaardigen”, in Cliff’s formulering – te geven in zaken van leven en dood. Dit was geen revolutionair zelfbestuur. Dit was despotisme, vast wel met uitstekende bedoelingen, maar dat maakt het niet minder verkeerd. En daar gaat het me om: tot het uiterste gecentraliseerde machtsvorming in de aanloop naar een revolutie leidt tot gecentraliseerde machtsvorming in en na die revolutie, niet tot zelfbevrijding. Je kunt, na centralisatie van de macht in handen van het tweetal Lenin en Trotski, logischerwijs nog maar één stap verder in die centralisatie gaan.

Ja, de revolutie was veel meer dan een machtsgreep van Lenin, Trotski en hun Bolsjevistische partij. Arbeiders, buiten die partij maar ook binnen die partij die een handvol maanden libertair op sleeptouw werd genomen door de beste, meest strijdbare elementen daarbinnen en daarbuiten, deden hun eigen dingen, en maakten er een tijdlang een echte revolutie van. Dat Lenin Trotski een volmacht gaf, wil nog helemaal niet zeggen dat mensen klakkeloos in de houding sprongen voor alles wat deze twee leiders aan besluiten en orders uitvaardigden. En ja, omstandigheden – isolement, economische ontreddering, interventie en contrarevolutie – oefenden een grote druk uit en werkten centralistische autoritaire bestuursvormen verder in de hand, als noodmaatregelen die maar al te gauw een eigen leven gingen leiden en waarvoor Communistische leiders als lenin dan weer theoretische rechtvaardigingen naar voren brachten. Maar er zit in de aanpak van de Bolsjevistische partij, in de centralistische organisatievormen die Lenin bepleitte en beklemtoonde, zèlf iets wezenlijks tegengestelds aan de bevrijdende dynamiek van de revolutie. Je kunt geen vrijheid en emancipatie bereiken met autoritaire, on-emancipatorische middelen; onvrijheid brengt onvrijheid voort. Dát was het anarchistische punt dat ik hier naar voren wilde halen, en dat punt stáát.

Het punt verdient verdere uitbreiding. Niet alleen gecentraliseerde organisatievormen – die fameuze voorhoedepartij en de aanzetten in die richting die allerhande trotskisten en andere leninisten daartoe zo vlijtig aan het opbouwen zijn – staan haaks op de dynamiek van een bevrijdende revolutie. De staat zelf dient, als organisatievorm na een succesvolle revolutie, volledig te worden afgewezen, ontworteld, tegengewerkt. Hier gaat het om een afwijzing van een tweetal marxistische concepten: de dictatuur van het proletariaat, en het afsterven van de staat. Beiden zijn gevaarlijke onzin.

Eerst die dictatuur van het proletariaat. Laat ik allereerst opmerken dat Marx het nadrukkelijk niet heeft over dictatuur in de gangbare zin van het woord. Hij doelt niet op een éénpartijstaat, op een kleine kliek of een generaal of volkscommissaris of weet ik wat die hardhandig de maatschappij besturen namens het proletariaat. Hij doelt op een staat die rechtstreeks gedragen wordt door arbeiders en die er voor zorgt dat de zojuist omvergeworpen heersers geen hernieuwde greep naar de macht kunnen doen. Het gaat hem om de sociale kern van de macht, om de vraag bij welke klassse die komt te liggen. Vóór de revolutie was er een dictatuur van de bourgeoisie, volgens Marx, ongeacht hoe het bestuur precies was georganiseerd. Via een parlementair-democratische republiek, via een keizerrijk of militaire dictatuur, in al die ghevallen heerste de kapitalistenklasse. Na de revolutie heerste, zo was het idee, de arbeidersklasse, en had je daarom een “dictatuur van het proletariaat”.

Voor Marx was die staat nog nodig, maar hij zag die staat als verregaand democratisch. Zijn maat Friedrich Engels zei het kort en bondig: ” (W)ilt u weten hoe deze dictatuur eruitziet? Kijk dan naar de Parijse Commune. Dat is de  dictatuur van het proletariaat.” Die Parijse  Commune was de bestuursvorm die arbeiders en middenstanders na een opstand in 1871 op poten hadden gezet, die 2 maanden standhield en toen in een gewelddadige contrarevolutie werd neergeslagen, ten koste van 30.000 doden. Het was een bestuursvorm waarin radicale democratie, met rechstreeks gekozen bestuurders die tussentijds teruggeroepen en afgezet konden worden, een grote rol speelde. Dat dit soort revolutionair zelfbestuur door Marx en Engels naar voren werd gehaald als inspirerend voorbeeld, laat precies die libertaire dimensie in hun gedachtengoed zien waar Guérin op wees.

Wat is dan het probleem? Dat ligt in de legitimatie die het woord verschaft aan restanten van hierarchie en bestuur van bovenaf die er na een revolutie helaas nog wel zullen zijn. Revolutionair zelfbestuur zal er zijn, directe democratie á la de Parijse Commune. Maar er zullen ook mensen, echte en vermeende contrarevolutionairen, worden opgesloten en misschien erger, afhankelijk van het verzet van die kant. Er zal dwang worden gebruikt tegen de voormalige onderdrukkers, om te voorkomen dat ze terugkeren aan de macht. Het is dan zaak om die dwang 1. zo minimaal mogelijk te houden, zodat repressie geen eigen leven gaat leiden en zich tegen de revolutie zelf gaat richten (dus geen Tsjeka, alstublieft); 2. zo snel mogelijk af te bouwen. Spreken van een soort van staat na de revolutie, van een ‘dictatuur van het proletariaat’, legitiméért echter die dwangstructuren, die restanten-van-staat die er helaas nog wel zullen zijn, maar die haaks staan op het revolutionaire zelfbestuur dat er óók is. De taak van revolutionairen is het om dat zelfbestuur op te bouwen en uit te breiden over elk aspect van het leven, en de restanten van staatsstructuren zoveel mogelijk af te remmen, tegen te werken en te ontmantelen. Een resolute afwijzing van de staat als organisatievorm is daarom wezenlijk; een erkenning dat er zoiets moet zijn als een ‘dictatuur van het proletariaat’ versluiert die wezenlijke staatsvijandige taak die ons dan wacht, en miskent de spanning, de staat-van-oorlog, tussen het zelfbestuur als fundament en dynamiek, en de autoritaire brokstukken-van-staat die er wellicht nog zijn.

Dan is er dat andere verschijnsel, nog veel gevaarlijker als concept: “het afsterven van de staat”. Het idee is als volgt. Een staat is er om klassdenheerschappij te garanderen en te verdedigen, om ervoor te zorgen dat de ene klasse kan heersen, en de andere klasse gehoorzaam blijft, aan het werk of anderszins. Als een revolutie de weg baant naar een klassenloze maatschappij, dan is er geen noodzaak meer voor een orgaan dat de ene klasse aan de macht houdt over de andere klasse.

Tot zover geen wezenlijk probleem, theoretisch gezien. Maar dan… Eerst is er na een revolutie nog wat onderdrukking van voormalige heersers nodig; vandaar de noodzaak van die ‘dictatuur van het proletariaat’, in deze redenering. Maar als voormalige heersers zioch neerleggen bij de nieuwue situatie, en zichzelf oplossen in de nieuwe maatschappij, van valt er voor die overgangsstaat niets meer te onderdrukken; de rol van de staat is uitgespeeld, de staatsinstanties hebben niets meer te doen, kwijnen weg, “de staat wordt niet ‘afgeschaft’, hij staat sterft af”, in de woorden van Friedrich Engels.

Het is een gedachtengang die blijk geeft van een blinde vlek, een onvoldoende inzicht in hoe instanties en instituties leven en overleven, ongeacht het bredere maatschappelijke nut dat ze hebben. Instanties zijn geen abstracties. Er zitten mensen in, die posities hebben, veelal hiërarchisch gerangschikt, met bijbehorende belangen. Die belangen en posities worden voor de dragers ervan heel gemakkelijk een doel op zichzelf, ongeacht of de instantie waar ze in functioneren nog enig nut heeft. Dit soort instituties sterven niet zomaar af; de functionarissen aan het hoofd ervan laten dat niet zonder slag of stoot gebeuren. En staten zijn nu precies samenstellingen van dit soort instituties. Door dit soort instanties, via dat idee van de ‘dictatuur van het proletariaat’ ook nog een legitieme plek na de revolutie toe te kennen, versterk je ook nog eens het zelfbewustzijn van de belanghebbende functionarissen, en daarmee hun verzet tegen alles wat op ‘afsterven’ lijkt.

Laten we eens een voorbeeld nemen van een institutie die ooit een rol speelde, haar rol kwijtraakte, en dus volgens de logica van het ‘afsterven van de staat’ allang had moeten verdwijnen: de NAVO. Die is in het leven geroepen als militair bondgenootschap van het Westerse kapitalisme tegen het Oostblok-kapitalisme onder leiding van het Russische imperium. In 1989-1991 zakte dat Oostblok in elkaar, het imperium verzwakte, haar invloedssfeer schrompelde inéén. Dat betekende dat de NAVO haar bestaansrecht kwijt was. Aan de orde was, zou je dan ook denken, het ‘afsterven van de NAVO’.

In werkelijkheid gebeurde er iets heel anders. Politici, generaals, veiligheidsdenktanks begonnen druk na te denken over een nieuwe taak voor de NAVO. Met ‘succes’. Intussen vechten er NAVO-soldaten in Afghanistan, en ik geloof niet dat dit gebeurt als tegenwicht tegen het Oostblok en het Russische rijk. De NAVO heeft zich gewoon een nieuwe rol toegeëigend. Goed voor al die generaals en de Hoop Scheffers van de wereld, maar een beetje jammer voor de Afghanen én voor degenen die naar Afghanistan gestuurd worden om dat land in WEsterse pas te doen lopen. De NAVO, zo bleek maar eens, was niet enkel een institutie met een rol en een taak. Ze bleek vooral ook een reeks instellingen die machtige generaals en gesjeesde ex-politici van goedbetaalde en invloedrijke functies voorzag. Zoiets verdwijnt niet zomaar, zoiets ‘sterft niet af’. Zoiets moet worden ontmanteld, van fondsen en wapens beroofd en afgeschaft, als welbewust beleid.

Welnu, zoiets geldt voor de staat ook. Die sterft niet af, die moet als instantie de nek worden omgedraaid, en pogingen om haar te doen herleven moeten systematisch bestreden worden. Leerstellingen als een noodzakelijke ‘dictatuur van het proletariaat’, gevolgd door  het ‘afsterven van de staat’, maken het zicht op wat er daadwerkelijk moet gebeuren onhelder, en dienen daarom overboord gezet. Revolutionaire theorie en praktijk dient consistent staatsvijandig te zijn, niet alleen wat betreft het doel van communisme/ anarchie, maar ook op de weg erheen, op weg naar de revolutie, in de revolutie en direct erna. Ook hier heeft het anarchisme een doorslaggevend gelijk.

(wordt vervolgd)

Advertenties

2 Responses to Anarchisme en Karl Marx (2): het anarchistische gelijk

  1. Hans schreef:

    Helemaal mee eens.
    In antwoord op dit in vorig stuk is het goed om te zeggen dat anarchisten meestal niet graag samenwerken met communisten en dat komt doordat de communisten, de leiders althans, de anarchisten en de trotskisten keer op keer hebben verraden, gevangengezet en vermoord. In 1921, Kronstadt, in de showprocessen van Stalin, in Spanje in 1937 en in Parijs in 1968. Het erge is dat de gewone communisten net zo ok zijn als de anarchisten maar de leiders vertelden hen leugens.
    Lees hiervoor bijvoorbeeld ‘De korte zomer van de anarchie, Spanje 1936’ van Enzensberger en van Orwell zijn ‘Saluut aan Catalonië’. Of werk van de Nederlander Lehning bv ‘Marxisme en Anarchisme in de Russische Revolutie’. Ook de Nederlander Anton Constandse heeft veel werk in de antiquariaten liggen. Toch denk ik dat in DIT tijdsgewricht en de HUIDIGE krachtsverhoudingen je reeël moet zijn en ook de SP moet steunen.

  2. Buchan schreef:

    @ Hans
    Ik heb er zeer veel moeite mee de SP te steunen in dit tijdsgewricht. Je moet weten dat ik bij de IS gezeten heb, ten tijden van het intreden van de IS in de SP. Ik heb toen met drie kameraden hier tegen oppositie gevoerd met argumenten die naderhand allemaal uit bleken te komen. Niettemin heb ik in die periode mogen proeven van partijpolitiek en heb gemerkt dat lokale groepen stevig onder de plak zaten van de landelijke top.

    Ook bij verschillende demonstraties en acties mochten lokale groepen niet aanwezig zijn, omdat dit hen verboden werd door de landelijk top. De manifestatie tegen Wilders bijvoorbeeld, werd geboycot omdat er een collega werd aangevallen en dat Wilders in de kamer aangepakt moest worden. SP heeft dit afgelopen paar jaar zeer laten liggen.

    Daarom wil ik de SP niet steunen, hetgeen niet wilt zeggen dat ik de SP-ers zelf niet steun. Hun ideeën vind ik prima, de manier waarop ze het willen verwezenlijken en de macht van de landelijke top liggen mij daarentegen gewoon niet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: