Tunesische revolutie: enkele observaties

Op 17 december 2010 stak een werkloze afgestudeerde zichzelf in brand. Op 14 januari verliet president Ben Ali het land. Zo snel kan het gaan: vier weken tussen het begin van een volksopstand tot de val van de dictator. Zo snel ging het in Tunesië, in wat nu al  de Jasmijn Revolutie wordt genoemd. Wat is de betekenis van de gebeurtenissen? En wat nu? Aanleiding genoeg voor een terugblik en een blik vooruit.

De revolutie in Tunesië heeft zich tot nu toe in hoog tempo voltrokken. Alleen al de gebeurtenissen van gisteren! Demonstratie van vele duizenden in de hoofdstad Tunis, aangevallen met minstens traangas; toespraak van de president, met beloften; geruchten en geweld in de straten; president vertrokken, premier meneemt macht over; president op weg, in Malta? Naar Parijs? Uiteindelijk geland in Saoedi-Arabië. In 24 uur tijd van hardhandige verdediging van de dictatuur, via concessies naar een aftocht en machtsoverdracht – die de essentie van het bewind overigens in groten lijnen intact heeft gelaten. De gang van zaken is na te lezen op verslagen van uur tot uur in The Guardian en bij de BBC.

De gebeurtenissen van de afgelopen weken vormden in hun totaliteit een revolutie – althans het eerste bedrijf ervan. Juan Cole haalt wat hoofdpunten naar voren. Hij spreekt van “allereerst een revolutie van de geblokkeerde, opgeleide middenklasse”, waarbij hij wijst op de enorm hoge werkloosheid onder mensen die van de universiteiten komen. Of je werkloze academici – zéker als ze geen welvarende ouders hebben – tot de middenklasse moet rekenen, mag je je afvragen. Maar dat de frustratie en woede van mensen die een hoge opleiding volgden om vervolgens geen bijpassende baan te kunnen vinden, drijvende kracht achter de protesten is geweest, dat is absoluut onmiskenbaar. Het was intussen ook een revolutie tegen de corrupte presidentIéle familie, waarvoor met name de vrouw van de president model stond.

Maar het was beslist niet enkel een ‘beweging van de ‘middenklasse’ (in de zin die Cole eraan geeft). “Je krijgt geen enorme mensenmenigten zoals we in Tunis zagen zonder dat veel arbeiders zich aansloten”, merkt hij droogjes op. En hij wijst op de rol die vakbonden speelden in de opstand. Die rol blijkt ook uit een verslag op Marxist.com, verschenen vlák voor de val van Ben Ali. Daar lezen we hoe de vakbond TGTT door het protest onder druk gezet wordt om stakingen uit te roepen. Die vakbond heeft op zich een tamme gezagsgetrouwe leiding, maar wordt desondanks als het ware op sleeptouw genomen; op 9 januari was er al een regionale algemene staking uitgeroepen door de UGGT-afdeling in Sfax, met vrijwel totale deelname. Uit dit artikel blijkt ook de omvang van de protesten in provinciesteden: 12.000 betogers in Jenduba, 30.000 in Sfax. Er gebeurde bepaald méér dan alleen rellen van honderden jongeren in meerdere steden. Cole wijst ook op het belang van het platteland, de arbeiders daar. “De plattelandswerkers is duidelijk vanm belang, waarschijnlijk belangrijker dan Facebook”, zo merkt hij op. Klassenstrijd, zo blijkt uit zowel Cole als uit het Marxist.com-artikel – met al hun verschillen en ook temkortkomingen -, was motor van de omwenteling in Tunesië.

Over de rol van internet-media is het laatste woord nog niet gezegd. Ja, kameraad Twitter, kameraad YouTube en kameraad Facebook speelden een grote rol bij de snelle uitbreiding van het protest, en bij de informatievoorziening over de grenzen heen, juist toen gevestigde media nog maar weinig aandacht aan Tunisië schonken. Toch is Cole’s relativerende opmerking niet onterecht. Eerdere revoluties konden ook bliksemsnel om zich heen grijpen, ook zonder internet. Van de staking van Russische textielarbeidsters in februari 1917 tot de val van de Tsaar kostte ruim één week, zonder zelfs maar één Twitterbericht. Van een demonstratie in Timisuara, Roemenië, tot de vlucht van Ceausescu, december 1989, nam zes dagen in beslag, en er kwam geen Facebook-oproep of sms-bericht aan te pas. Van de bestorming van de Bastille in 1789 is niet eens een YouTube-filmpje! In het tempo van revoluties is de afgelopen eeuwen opmerkelijk weinig veranderd. De rol van sociale media ligt eerder in de verbreiding van het nieuws naar andere landen, en dus in de mogelijkheid om niet alleen op de hoogte te blijven maar ook solidariteit te betuigen. Internet is belangrijk. Maar de politiekogels die getrotseerd moeten worden, de stenen die worden gegooid door het traangas heen, de betogingen die gehouden worden,  de revolutie zelf – dat alles heeft bepaald geen voornamelijk virtueel karakter.

Terug naar Cole. Hij wijst op de geringe rol die politieke partijen speelden in de gebeurtenissen, en op de rol van het leger. Dat een generaal ontslagen werd omdat hij weigerde op betogers te laten schieten, wijst op een breuk in dat leger, iets dat we in revoluties ook vaker zien. Cole wijst bovendien op het internationale belang van de revolutie in Tunesië, wellicht belangrijker dan de Iraanse revolutie van 1979. Die sprak – omdat die in een land waarvoopral Sjiiten woonden, en een religieus karakter had – mensen in andere delen van het Midden-Oosten woonden maar in beperkte m,ate aan: de meerderheid in de Arabische wereld is Soennietisch. Revolutie in Tunesië, een Arabisch land, overwegend Soennietisch, is een ander verhaal, met mogelijk wel degelijk een voorbeeldwerking op landen als Egypte en Jordanië, aldus Cole.

Een andere analyse van de revolutie waar iets van te leren valt geeft Rahul Mahajan op zijn onlangs gelukkig gereanimeerde weblog Empire Notes. Eerst schetst hij de gebeurtenissen zelf, van de zelfverbranding die de aanleiding tot het protest was tot aan de val van de president. Daarna gaat hij in op de aard van het regime, en waarom die aard de kans op revolutie in de hand werkte. Volgens hem is Tunesië, met een duur woord,  een neopatrimoniale staat. Dat betekent: een staat die enerzijds alles heeft wat een moderne staat geacht wordt te hebben: moderne ambtenarij geselecteerd op basis van verdienste en dergelijke, maar anderzijds vooral het persoonlijk eigendom is van een familie van de machthebber, of enkel van die machthebber zelf. Dat geeft zo’n bewind een smalle basis. Met repressie kan zo’n regime zich lang staande houden. Maar als de bal van verzet eenmaal rolt, kan snel blijken hoe ge: ïsoleerd en zwak de machthebbers staan. Dit zag je bijvoorbeeld in Nicaragua onde Somoza, die in 1979 ten val kwam, en ook enigszins onder Roemenië onder Ceasescu, voorbeelden dieMajahan niet noemt, maar waar je dit wel ziet. En nu zie je het in Tunesië.

Dit karakter van de staat verklaart dan mede – nog steeds volgens Mahajan – waarom  in Tunesië lukte wat in Iran in 2009 en Birma in 2007 niet lukte. Het bewind in Iran heeft een veel bredere, niet door een enkele familie maar door een reeks instituties gedragen, machtsbasis. Daarom had de opstand daar minder kans van slagen. Hij overdrijft overigens als hij zegt dat de “Groene Revolutie mislukte, zonder zelfs maar een kans te hebben.” Ja, de revolutie in Iran slaagde niet. Maar dat ze sowieso geen kans had, was niet de indruk die je kreeg uit de felle repressie die de staat op de vele honderdduizenden betogers meende te moeten loslaten om haar orde te handhaven. Het was kantjeboord, die mislukking. De machthebbers waren op het moment zelf kennelijk aanzienlijk minder zeker van hun zaak dan Mahajan achteraf…

Iets dergelijks gold voor Birma in 2007, de Saffraan Revolutie, genoemd naar de kleur van de dracht van demonstrerende Boeddhistische monniken. Ja, het Birmese regime wordt niet gedragen door een enkele familie, maar door het leger als instituut, met de generaals als machthebbers. Dat maakt de staat steviger dan een familiedomein als het Tunesië van de familie Ben Ali. Het is misschien waar dat zo’n militair regime als Birma  meer geweld kan loslaten dan het Tunesische regime kon, zoalas Mahajan stelt. Maar er spelen andere fasctoren in de mislukking van de opstand in Birma. Het actief óntmoedigen door monniken van bredere deelname vanuit de bevolking aan de protesten was een factor. De nadruk op geweldloosheid vanuit het protest hielp niet mee. Het ondersneeuwen van sociale kwesties – arm tegen rijk – zodat de beweging zich versmalde tot een grootschalig mensenrechtenprotest, speelde een rol.

Dit neemt allemaal niet weg dat Mahajan een punt heeft. Een ander soort staat brengt een ander soort kwetsbaarheid voor revolutie met zich mee, en Tunesië hoorde klaarblijkelijk tot een wat kwetsbaarder soort van  staat. Maar laten we niet in de val trappen dat we denken dat er soorten van staat zijn die onkwetsbaar zijn voor revolutie. Daarmee zouden we immers de hoop op grondige verbetering voor grote delen van de mensheid bij het oud schroot zetten. Mahajan maakt die fout niet, maar het gevaar ligt wel een beetje in zijn redenering besloten.

Volgens hem brengt dit staatskarakter ook een grotere kans op serieuze positieve veranderingen mee. Een breder gewortelde elite kan, na ene volksopstand, zich een beetje herschikken, wat gehate kopstukken dumpen en in enigszins aangepaste versie weer doorgaan. “In een voldoende geconcentreerd neopatrimoniaal regime zijn er echter geen plausibvele alternatieve elites, dus zijn de kansen  dat de beweging werkelijk dingen verandert in plaats van enkel de zaak een beetje door elkaar schudt is veel groter. Laten we hopen dat dit hier het geval is.” Ik zie wat hier wordt bedoeld, en onzin lijkt het me niet. Maar van veel groter belang bij een vervolg lijkt mij de kracht en de aard van de volksbewegingen van onderop zélf, de echte gangmakers van een echt revolutionair proces. Is die niet sterk genoeg, dan duiken er ook in een zojuist door revolutie beschadigde ‘familiestaat’ toch wel nieuwe leiders en structuren op, ook als die niet uit  de rechstreekse omgeving van de machthebbers komen. In Tunesië lijkt me het gewicht van het leger, als beslissende machtsfactor in de huidige staat, bijvoorbeeld nogal groot.

In Tunesië zien we intussen het proces  van schadebeperking van hogerhandaan het werk. Het bewind heeft een dreun moeten incasseren, in de vorm van het verlies van de president. Aanvankelijk kwam de premier naar voren: hij werd heel even president. Vandaag bleek dat alweer voorbij, en inmiddels is de parlementsvoorzitter tot president ingehuldigd. Beiden zijn figuren uit het oude bewind, hoge staatsfunctionarissen, mee verantwoordelijk voor een beleid dat de hoge werkloosheid op zijn minst in tact hield, mee verantwoordelijk voor de corruptie – ook als ze zelf wellicht relatief ‘schoon’ zijn – en vooral ook mee verantwoordelijk voor de grote aantallen doden en gewonden  die de poging om de volksopstand neer te slaan heeft gekost.

Nieuwe verkiezingen – nu binnen 60 dagen aan de orde, volgens de grondwettelijke regels althans – zullen waarschijnlijk een wedstrijd worden tussen figuren uit de gevestigde orde die tegen elkaar zullen opbieden in volksvriendelijkheid. Misschien dat het facelift-vermogen in een familiestaat als de Tunesische toch groter is dan in de analyse van Majahan aannemelijk lijkt. Beslissend wordt dan ook niet wat er in officiële politieke kringen wordt uitgebroed. Beslissend is wat de afgelopen vier weken steeds bepalend was: de kracht van het volksverzet zelf.

Advertisements

Een reactie op Tunesische revolutie: enkele observaties

  1. […] En hier ligt de kracht van de sociale netwerken. Het heeft op zich niet de revoltie versneld (vroeger zonder internet ging dat ook in een razend tempo), maar het heeft het wel sneller internationaal op de kaart gezet, mensen konden hun solidariteit […]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: