Internationale revolutionaire golf

Mohamed Bouazizi was academicus, had geen baan, , hield zich in leven door op straat fruit en groente te verkopen. Toen autoriteiten hem daarin grof dwarsboomden – ze hadden eerder zijn kar met koopwaar in beslaggenomen en hem geslagen – stak hij zichzelf in brand. Het gebeurde in Sidi Bouzid, in Tunesië, op 17 december. Met zijn desperate daad gaf hij in feite het startschot voor wat uitgroeide tot de Tunesische revolutie, vrij snel daarop gevolgd door de nog veel dramatischer revolutie in Egypte. Inmiddels kunnen we vaststellen dat we in de beginfase zitten van een grote internationale revolutionaire golf.

Het gaat bij de om zich heen grijpende opstandigheid om sociale en politieke spanningen die zich langdurig hebben opgehoopt, en die nu tot uitbarsting komen. De spanningen betreffen tegenstellingen tussen arm en rijk, tussen onderworpen bevolkingen en harde regimes van corrute topfunctionarissen in autoritaire staten. De tegenstellingen tussen arm en rijk hebben een specifieke vorm. In landen als Tunisië is de werkloosheid sowieso hoog. Maar echt opvallend is de hoge werkloopsheid onder jongeren, in het bijzonder onder hoogopgeleide jongeren. Staten die grote aantallen jonge mensen naar universiteiten en hogescholen laten gaan, om arts, advocaat, ingenieuw of journalist te worden, en die vervolgens geen kans zien om deze mensen na hun afstuderen van bijbehorende banen en perspectieven te voorzien – zulke staten krijgen te maken met grote aantallen jonge, zeer ontevreden en tegelijk hoogopgeleide mensen. Toegang tot internet maakt contact tussen deze rechtmatig ontevreden mensen makkelijker dan het was. Daar zien we een dimensie van de huidige opstandigheid.

Maar alle hoogopgeleide werklozen samen waren bij lange na niet genoeg om voor de omvang te zorgen die de volksopstand in Tunisië kreeg. En in de miljoenenmassa’s die Mubaraks val uiteindelijk teweeg hielpen brengen vormden werklozen, zeker van het geschetste hoogopgeleide soort, een kleine minderheid. Wat die massa’s in beweging bracht, was deels de wijdverbreide armoede, die werklozen én werkende mensen raakte. De snel stijgende voedselprijzen maakte het leven nog ondraaglijker dan het al was. Dit type van onvrede brengt vooral erme mensen, werklozen, fabrieksarbeiders met een laag loon en dergelijke, in beweging. Dit geeft protesten een diepte, een radicalisme en een grote kracht. Dit komt nog verder los nádat een dictator is gevallen, de angst is doorbroken en mensen opkomen voor verbetering in hun materiéle bestaan. De stakingsgolf in Egypte na de val van Mubarak laat dit proces zien.

Wat bij deze sociaal-economische motieven kwam, was de diepe ergernis en woede vanwege de onvrijheid, de dagelijkse ngst voor politie en veiligheidsdienst, de censuur, de afpersing door corrupte overheidsfunctionarissen. Van deze beklemmende onderdrukking had vrijwel iedereen buiten het bewind zelf last. Erover klagen kon in de privesfeer. Ertegen protesteren draaide al snel uit op arrestatie, mishandeling, met een stevige kans op ernstige marteling en soms de dood. Dit bracht niet alleen de onderkant van de maatschappij tot opstandigheid, maar mensen uit alle lagen van de bevolking, behalve het regime, haar rechtstreekse functionarissen en huurlingen. Keer op keer waren beschrijvingen van demonstraties in Egypte te lezen waaruit dat bleek. “Van lange baarden tot mensen met Gucci portemonnees, de protesten in Egypte omvatten alle lagen van de bevolking”, aldus de Christian Science Monitor op 1 februari.

Een leven van armoede, deels van mensen die vanwege opleiding en ambitie geleerd hadden méér te verwachten van het leven, dat voedde de klassenstrijd van armen, van arbeiders en dergelijke; een leven van angst en onderdrukking; en dat jaar na jaar na jaar, dat voedde de algehele, veel bredere uitbarsting van ontevredenheid. Dat was de werkelijkheid voor grote meerderheden, in Tunesië, in Ergypte, in een reeks andere staten in het Midden-Oosten – en daarbuiten. De opstanden en revoluties die bezig zijn, kunnen we allereerst zien als uitbarstingen van woede tegen deze misère.

De aanleidingen voor mensen om daadwerkelijk in actie te komen, lopen uitéén, net als de specifieke omstandigheden van land tot land verschillen. In Tunesië bleek de zelfverbranding van Bouazizi als lont in het kruitvat te dienen. In Egypte was er de dood van Khaled Said, in de zomer van 2010 door politieagenten “door agenten doodgeschopt voor een internetcafé”, aldus de NRC  op 1 februari. Dat was aanleiding voor internet-activisme van mensen die vaak al langer actief waren als opponent tegen het bewind. Hun activisme gonsde, maar er gonsde al jaren veel meer in Egypte. Stakingsactiviteit bijvoorbeeld, die vanaf 2006 keer op keer oplaaide en in 2008 in Mahalla heel even de vorm aannam van een arbeidersopstand. Eéén van de groeperingen die uiteindelijk via Facebook opriepen tot de protesten van 25 januari die de aftrap van de revolutie in Egypte bleken te vormen, had zich naar de datum van die opstand, 6 april, genoemd. In die stad Mahalla is, na de val van Mubarak is na de verdrijving van Mubarak opnieuw een grote staking uitgebroken.

Dat mensen er in Tunesië in slaagden de dictator daar weg te krijgen, werkte als stimulans voor opstandelingen in Egypte. De omverwerping van Mubarak stimuleerde vervolgens mensen in het ene land na het andere om hetzij al lopend protest verder op gang te brengen, hetzij alsnog protesten op gang te brengen. Op de dag dat Ben Ali ten val kwam, demonstreerden in Jordanië al mensen voor verandering. Al een week, toen de demonstraties in Tunisië enkele weken gaande waren, eerder waren er rellen van arme jongeren in Algerije. In de dagen na de val van Mubarak waren er vijf dagen protesten achtereen in Jemen. Daar was eerder dit jaar al flink wat actie op straat tegen de regering.Op 14 februari begonnen er demonstraties in Bahrein; daartoe was een Facebook-oproep uitgegaan. inmiddels heeft politie daar twee betogers doodgeschoten, ééntje tijdens de begrafenis van de ander. En – heel opvallend – op 14 februari betoogden duizenden mensen in Teheran en enkele andere Iraanse steden. Ook daar kostte de repressie al een mensenleven. Dezelfde dag begonnen protesten in Bahrein, die drie dagen aanhielden. Oproerpolitie viel op 17 februari’s nachts betogers die zich op een rotonde in de hoofdstad verzameld hadden, aan. Ook in Lybië zijn demonstraties en gevechten gemeld – en dodelijk optredende veiligheidsagenten. Dat er sprake is van een golf van opstandigheid betekent helaas nog niet dat elke rechtmatige opstand ook sláágt, en zeker niet van de ene dag op de andere. Pogingen tot onderdrukking, variërend in grofheid en in mate van succes, maken óók deel uit van de ontwikkeling

Niet altijd leidt een aangekondigde actie daadwerkelijk tot straatprotest. Een Facebook-oproep in Syrië leidde tot verhoogde waakzaamheid van de veiligheidsdienst, van tevoren werd een kleine solidariteitsactie met de protesten in Egypte beantwoord met arrestaties, op de dag zelf bleef het op straat rustig. Of die rust in dat land van lange duur is, is weer een ander verhaal. Maar een facebook-oproep op zichzelf garandeerrt dus weinig. Zonder dat er iets van een netwerk buiten het internet is om actie op gang te helpen brengen, en zonder diepe opgehoopte onvrede die wacht op een kans om naar boven te komen, komt er geen actie. Minstens één van die twee dingen was in Syrië kennelijk onvoldoende aanwezig.

De opstanden in intussen een reeks van landen niet zozeer een kwestie van imitatie, maar veel meer een zaak van inspiratie. De Tunesische en Egyptische revoluties laten zien dat zelfs ogenschijnlijk ijzersterke dictators kwetsbaar zijn. Dat geeft mensen elders moed. Maar ze nemen daarbij aanzienlijke risico’s: pogingen de volksopstanden neer te slaan kostten in Tunesié 193 mensenlevens, in Egypte minstens 300. Dit soort risico’s nemen mensen niet uit pure imitatiedrift. Dit soort risico’s nemen mensen als ze het gevoel hebben weinig te verliezen hebben, als ze , gedreven door wanhoop en woede, het gfevoel hebben gekregen: nu of nooit. Opstand elders moedigt aan, maar de diepste drijfveer ligt in de levens van mensen zelf -uitzichtloze levens, tenzij er iets gróndig zou veranderen, een verandering die echter dan met gevaar voor leven en gezondheid teweeggebacht moet worden.

Dit alles betekent gevaar voor regimes die een soortgelijke combinatie van klassentegenstellingen, contrasten tussen arm en rijk, verwante autoritaire staten, soortgelijke onderdrukking door politie en geheime dienst, een soortgelijk gebrek aan kanalen waardoor mensen tenminste stoom af kunnen blazen en langs legale beperkte verbeteringen kunnen hopen te bereiken. Elk land waar het ongeveer zo toegaat, is een land waar opstandigheid elk moment op gang kan komen, of al op gang gekomen is – zeker nu in twee van zulke landen dit soort opstandigheid al machthebbers heeft helpen verjagen.

Daarmee komen we aan de reikwijdte van de revolutionaire golf. Hier en daar zien we de zaak omschreven worden als “onrust in het Midden-Oosten”, of “de Arabische revolte”. Puur als beschrijving klopt dat grotendeels. De landen waar demonstraties, rellen en stakingen tegen de regimes plaatsvoinden of recent plaats hebben gevonden, liggen inderdaad vrijwel allemaal in het Midden-Oosten. Op één uitzondering – maar wel een hele belangrijke! – na, zijn het ook Arabische staten waar de revoltes plaatsvinden. Toch zein beide etiketten niet bevredigend. De gebeurtenissen hebben eigenschappen en een dynamiek die vér uitstijgt boven regionale, bijvoorbeeld culturele, eigenaardigheden.

Natuurlijk spelen specifieke culturele, religieuze en historische factoren ergens een rol. Maar die rol is bepaald niet erg bepalend. Ja, het gata tot nu toe om landen waar de bevolking in meerderheid moslim is. Dat zal vast betekenen dat mensen bepaalde symboliek, uitdrukkingen ontleend aan de Koran of aan de historie van de islam, snel begrijpen, ook als men zelf geen gelovig moslim is. In Europa zit het taalgebruik immers ook vol van aan de bijbel ontleende verwijzingen, die ook door niet-gelovigen worden gehanteerd en begrepen. Zoiets zal het in ‘de islamitische wereld’ vast ook meespelen. Maar alleen al aan het feit dat in Egyptrre moslims en Koptische christenen zij aan zij in actie waren tegen Mubarak, laat zien hoezeer het in deze opstandsgolf nu eens níét om religie gaat, zelfs niet om religie als uitdrukking van onderliggende maatschappelijke strevingen.

Opvallend is sowieso in welk tempo allerlei geografische, culturele en historische verschillen in de huidige opstandsgolf worden overbrugd, overstegen, tot irrelevantie worden gemaakt. De landen waar de opstand tot voor kort woedede – naast Egypte en Tunesié vooral Al;gerije, jemen, Jordani:e – werden vooral bevolkt door Soennietische molsims. Wie nu denkt: ‘aha, een Soennietische opstand!’ (en daarbij trouwens zowel voorbij gaat aan het seculiere karakter van grote delen van de protestbewegingen, en aan de rol van Kopten in Egypte), kan uiterlijk sinds afgelopen maandag dat idee dumpen. De protesten woedden sinds die dag immers ook in Bahrein, en daar is een meerderheid van de bevolking Sjiitisch. En ook in het overwegend door Sjiitische moslims bevolkte Iran waren die dag demonstraties.

Historische factoren spelen eveneens een beperkte rol. Tunesië en Algerije hebben een verwant koloniaal verleden: allebei zaten ze vroeger onder Frans bestuur. Maar dat gold alweer niet voor Egypte, waar Groot-Brittannië indirect domineerde. Ook in Jordanië was de Britse invloed sterk. Net als trouwens in de Golfstaten waarvan Bahrein er één is. Ook staatkundig zijn er grote verschillen: autoritair geregeerde republieken in Tunesië, Egypte en Algerije; monarchieën met formeel een meerpartijenstelsel in Jordanië en Bahrein, een islamitische republiek die wel verkiezingen met meerdere kandidaten kent, maar tegelijk als politiestaat wordt bestuurd. Achter deze verschillen zien we echter steeds weer dat patrtoon van sociale tegenstellingen, zich ophopende frustraties en onvrede, waarvan de uiting langdurig geblokkeerd is door autoritaire politieke structuren.

De eerste successen boekte de opstandsgolf tot nu toe in Tunesië en Ergypte, autoritaire republieken met een machtig politieapparaat en/ of een grote rol voor het leger. De baas in Tunesië, Ben Ali, was chef van de veiligheidsdienst voor hij president was. Mubarak, Egypte’s superchef, was luchtmachtofficier en kwam dus net als voorgangers Sadat en Nasser, uit het militaire apparaat dat sinds de staatsgreep van 1952 feitelijk de teugels in handen heeft in het land. Algerije en ook Lybië hebben ook staatsstructuren met een verwante militaire inslag. Aan de naam ‘Khadaffi’gaat niet voor niets doorgaans ‘kolonel’ vooraf. De Algerijnse staatsstructuur wortelt in het guerrillaleger dat tussen 1956 en 1962 de onafhankelijkheid van het land heeft bevochten, en heeft dus ook recente militaire wortels.

Na de val van de dictatuur in Tunesië waren er al speculaties, ongetwijfeld ook onder machthebbers, over de reikwijdte van de opstandigheid. Welk land kon aan de beurt komen, welk land was immuun? Achteraf nogal komisch was de conclusie in de kop van een artikel in de New York Times: “Arab Elite Say Monarchies Are Safe From Unrest”.  Dat was op 30 januari. In het artikel staat hoe mensen uit de hoogste kringhen in uit Arabische landen op het World Economic Forum in Davos tegen de ‘onrust’ in het Midden-Oosten aankeken. Geen zorgen, was de teneur. Zoiets kan in landen met verkiezingen waar mensen iets van verwachten, niet in monarchiën zonder democratische pretentie. “Saoedi-Arabië en de Golfstaten zullen gespaard worden omdat het geen democratische regimes zijn”, aldus een manager van nieuwszender, Jamal Kashoggi. Want “mensen in die landen ‘kunnen zich niet bedrogen voelen omdat er geen verkiezingen zijn’.” Kashoggi is kennelijk het lot van Lodewijk de zestiende in Frankrijk, Tsaar Nicolaas de Tweede in Rusland, de Sjah van Iran en zo nog wel meer gekroonde collega’s vergeten.

Niet alleen is het argument feitelijk onjuist: in de monarchiën Jordanië, Koeweit, Bahrein en Marokko worden wél verkiezingen gehouden, en kunnen mensen zich dus wel deglijk ‘bedrogen’voelen als machthebbers uitslagen vervalsen, gekozen parlementen goeddeels negeren en dergelijke. In Jordanië was rond die tijd trouwens al een reeks demonstraties voor hervormingen op gang gekomen. Sinds 14 februari is daar een tot volksopstand uitgegroeid protest in de monarchie Bahrein bovenop gekomen. In dat land woont een meerderheid van Sjiiten – en het land grenst aan Saoedi-Arabië, aan provincies van dat land waar vooral straatarme Sjiiten wonen bovendien. Saoedische machthebbers zullen niet bepaald geamuseerd zijn, hetgeen het des te amusanter maakt om het gevoel van veiligheid dat in hoge kringen in die regio nog maar enkele weken geleden geuit werd, nog even in de herinnering te roepen. Iets minder amusant is berichtgeving die erop wijst dat de opstand in Bahrein momenteel wordt neergeslagen – met rechtstreekse steun van Saudische politie. De revolte is internationaal, in de onderdrukking ervan vinden en helpen staten die hun macht bedreigd zien worden elkaar intussen ook.

Het hele patroon van om zich heen grijpende rebellie is niet ‘islamitisch’, niet voorbehouden aan landen met één specifiek soort verleden, één soort staatsvorm. En het is – zo kunnen we steeds duidelijker zien – ook niet specifiek Arabisch. Het zal ongetwijfeld zo zijn dat de taalverwantschap van mensen, van Marokko tot Bahrein, herkenning van elkaars opstandigheid, – en dus inspiratie, overslaan van de vonk – vergemakkelijkt. Mensen kunnen elkaars leuzen op spandoeken die ze op Aljazeera zien, lezen, begrijpen, overnemen, erop variëren, etcetera. Maar taalgrenzen zijn in de huidige opstandsgolf net zo min beslissend als het verschil tussen Duits en Roemeens beslissend was in de golf van revoluties tegen de ‘communistische’ eenpartijstaten in 1989. Wat mensen destijds met elkaar verbond was het besef dat men – ongeacht taal en dergelijke – tegenover eenzelfde soort machsstructuur stond. Zoeits geldt ook nu. Intussen zien we ook dat de opstandigheid overlaat naar buiten het Arabische taalgebied: Iran is sinds gisteren aan de beurt, en daar spreekt men voornamelijk Farsi, iets heel anders dan Arabisch in welke vorm ook.

Aljazeera kwam kort geleden met een artikel waarin de opstandigheid geduid werd als een herlevend pan-Arabisme. Dat woord ‘pan-Arabisme’ duidt een nationaal bewustzijn, een vorm van nationalisme, aan, dat de grenzen van de afzonderlijke Arabische staten overstijgt en uitgaat van een strijd om waardigheid van ‘de Arabische natie’ als geheel. Kort door de bocht: wat het Joegoslavissme van Tito was voor Kroatië, Servië en Macedonië, dat was pan-Slavisme voor Egypte, Syrië en Irak. In de jaren vijftig en zestig was dit, samen met verwante uitdrukkingen als ‘Arabisch socialisme’ en dergelijke – een ideologie die zich verbond aan een reeks militaire dictaturen die in botsing waren met Westers kolonialisme (de Egyptische leider Nasser in 1956 tegen Brits, Frans en Israelisch kolonialisme bijvoorbeeld) en/of Amerikaans imperialisme en de plaatselijke bondgenoot daarvan, Israël (weer Egypte onder Nasser, nu in 1967 tegen Israel; Irak onder Saddam Hoessein, tegen de VS in 1991, kunnen we zien als een late echo van dit militaire pan-Arabisme). Het pan-Arabische project werd geen succes. De erdoor door geïnspireerde staten, met hun bureaucratische staatseconomiën, verloren steeds meer dynamiek, de confrontaties met de VS en Israël brachten nederlaag na nederlaag . Dit langdurige debacle opende de deur naar die andere overkoepelende politieke richting in de regio: het Islamisme, dat de trots en glorie van maatschappijen in de regio tegenover Westerse overheersing wilde heroveren door terug te grijpen op de religieuze erfenis van de Islam, en die te verbinden met de modernste machtsmiddelen. Hoe dat er uit kon zien, werd vanaf 1979 in Iran duidelijk. Net als in het pan-Arabisme werd het streven naar vrijheid en rechtvaardigheid hier opgeofferd aan machtsambities van een kleine groep, en bijbehorende massamobilisaties.

Maar dit terzijde, terug naar Aljazeera’s betoog. Dat rept van een herleving van het pan-Arabisme. Maar nu is niet het opbouwen van nationale militaire macht daarin de hoofdzaak, maar het vechten voor vrijheid en waardigheid vanuit de bevolking, een soort democratische nationale revival. Nu is het democratische – ik spreek liever van vrijheidslievende – aspect zeer evident in de revoltes. En ja, ook nationale aspecten zijn herkenbaar, maar dan vooral van de afzonderlijke landen. “Noch Shia noch Soenni maar Bahreini”, riepen betogers in Bahrein Dat is een positief doorbreken van religieuze scheidslijnen. Het is tegelijk doortrokken van nationalisme. Maar dan spreken we over Bahreins nationalisme, niet over pan-Arabisch nationalisme.

Wel spelen zowel in Tunisië als, veel nadrukkelijker, in Egypte anti-imperiale en antikoloniale motieven een zekere rol. In Tunesië bracht een aantal linkse partijen en organisaties, gebundeld in het “14 Januari Front”, genoemd daar de datum waarop de dictator vertrok, een verklaring uit . Daarin formuleren ze een reeks eisen voor het vervolg van de Tunesische revolutie, onder meer het opdoeken van de structuren van de dictatuur, het ontbinden van de partij van de dictatuur, het ontbinden van de geheime politie. Als punt twaalf van de veertien punten lezen we ook: “Verzet tegen normalisering met de Zionistische entiteit, het bestraffen ervan, en de steun aan nationale bevrijdingsbewegingen, in de Arabische wereld en in de hele wereld.” Met ‘Zionistische entiteit” wordt de staat Israël bedoeld, met wie dus géén normale banden dienen te worden onderhouden. Anti-imperialisme en anti-zionisme zijn geen dominant thema in de Tunesische opstand. Maatr het opnemen van dit punt in zo’n verklaring laat zien dat het thema wel aanwezig is.

In Egypte zien we dat eveneens. Flink wat leuzen maakten Mubarak uit voor agent van de VS en van Israël. Dat is niet probleemloos trouwens. Ja, het bondgenootschap tussen dictatuur in Tunesië en vooral Egypte enerzijds, VS en Israel anderzijds is een kwalijk reactionair bondgenootschap waarmee Amerikaanse hegemonie wordt verstevigd en Israelische bezettings- en apartheidspolitiek wordt ondersteund. Dat verdient het wel degelijk om aan de kaak gesteld te worden. Maar het is radicaal verkeerd om mensen als Mubarak af te doen als speelbal van imperialisme en kolonialisme. De Egyptische machthebber was willens en wetens partner van VS en Israël, op basis van een inschatting van het nationale belang van de Egyptische staat en de bijbehorende kapitalisten. Het was een keus van Mubarak; het beeld van Mubarak als marionet is net zo misplaatst als het beeld van Israel als macht die zo ongeveer aan alle touwtjes trekt.

De realiteit van dictatuur, imperialisme en Israelisch kolonialisme, en de verstrengeling daartussen, is erg genoeg. Maar we moeten af van een beeld waarin de rol van Israel steeds weer tot het middelpunt van het hele gebeuren in de regio wordt verheven. Ja, Mubarak was medeplichtig aan het afsnijden van Gaza. Zijn val is voor ook Palestijnen daar en elders – en voor joodse Israëli’s die willen breken met het kolonialisme dat Israel tot in de kern typeert – goed nieuws. De revolutie in Egypte is in haar consequenties impliciet anti-imperialistisch en anti-Zionistisch. Dat aspect tot hoofdzaak verheffen, alsof demonstranten voor alles de band met israel wilden hekelen, is verkeerd. Het bij om de kern van de opstand – een strijd voor tegen dictatuur, een strijd voor waardigheid en een beter levenspeil – naar de achtergrond te duwen.

Wat de pan-Arabische lens extra misplaatst maakt is precies die focus op enkel de Arabische landen. Strijd voor waardigheid, vrijheiid, strijd tegen corruptie en armoede, is helemaal geen specifiek Arabisch thema, als dát de kern van de revolte is kunnen we beter van pan-wereld-isme spreken dan van pan-Arabisme. Dat intussen mensen in Iran weer zijn gaan demonstreren laat al zien dat de opstand de grenzen van het Asrabische gebied al heeft doorbroken. Het Iraanse protest van maandag 14 februari in Iran was nadrukkelijk op touw gezet als solidariteitsactie met de Egyptische demonstranten maar heeft – nadat Mubarak verdereven was – gewoon plaatsgevonden. Met de uitbreiding van de opstandsgolf naar dat niet-Arabische land is helder hoe inadequaat typeringen als ‘Arabische revolte’ intussen zijn voor het proces dat zich in steeds meer landen ontvouwt.

Welke kant gaat het geografisch op, in wat voor landen zijn asoortgelijke uitbarstingen van opstandigheid te verwachten? Drie gebieden springen er wat mij betreft uit. Een reeks centraal-Aziatische staten; enkele landen in Oost-Azië, met name China; en een aantal Afrikaanse staten ten zuiden van de Sahara. In die landen zien we een verwante ophoping van sociale spanningen, van frustratie over onvrijheid, en van gebrekkige filters en uitlaatkleppen (ook wel bekend als ‘een functionerend democratisch stelsel’…) om spanningen en frustraties op een voor machthebbers min of meer veilige wijze tot uiting te brengen. Maar er zijn ook belangrijke verschillen. Laten we  eens kijken naar de regio ten zuiden va de huidige opstandslanden, naar Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara. Op de andere genoemde regio’s en landen kom ik een andere keer dan wel terug.

De Christian Science Monitor kwam op 31 januari met een analyse: “Why Tunisia’s winds of change aren’t blowing south to sub-Saharan Africa”; kortom: waarom de opstindigheid niet naar zuidelijker Afrikaanse landen overslaat. Er zijn volgens de analyse meerdere factoren in het spel die het overwaaien van opstandigheid die kant op tegenwerken. In de eerste plaats: als in die regio regimes ten val komen, gaat dat gewapenderhand, met staatsgrepen en burgeroorlogen, niet door middel van straatprotest. Dit heeft te maken met de zwakke ontwikkeling van structuren in de civiele maatschappij. Voor zover zulke structuren bestaan, zijnze gescheurd langs etnische lijnen, en “veel non-gouvernementele organisaties zijn weinig meer dan activiteiten om opbrengsten te genereren, dus zijn ze niet erg behulpzaam bij het opbouwen van de waarden van een diepe civiele maatschappij”, aldus Achille Mbembe, historicus in Zuid-Afrika. Vanuit ‘civil society’ kijken mensen die verandering willen in een onderdrukkende situatie, dan ook vooral naar buitenlandse interventie, niet naar een intern tot stand gebrachte omwenteling.

Ook speelt de geringe opleiding van mensen mee. “De protesten in Tunesië en Egypte sprongen op vanuit de salons en discussiegroepen van opgeleide Tunesiërs en Egyptenaren. Betere opleiding onder de burgers in die landen, en betere betrokkenheid van burgers in organisaties van de civiele maatschappij, maakte het mogelijk voor deze ideeén om zich te verspreiden”, aldus Scott Baldauff, de schrijver van het artikel. In Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara ontbreekt dit patroon, daar defniniëren mensen zich voornal melijk langs etnische lijnen, en niet bijvoorbeeld als arme verschopte en vertrapte mensen. Zo hebben regimes het relatief makkelijk om door dit soort etnische patronen beperkte uitbraken van opstandigheid eronder te krijgen. Het gebruik door heersers van dit verdeel-en-heersmechanisme maakt breed protest ertegen moeilijk. “Vaak binden politieke activisten zich langs etnische lijnen, ze zijn niet gebaseerd op ideologie”, aldus Corrine Dufka. Zij werkt voor Human Rights Watch in Senegal. Regimses, maar dus ook oppositiebewegingen, hanteren etniciteit op deze wijze. En tenslotte werkt armoede de opkomst van breed protest tegen. Dezelfde Corrine Dufka zegt: “In sommige landen zijn mensen zo arm dat ze de economische reserves niet hebben om naar buiten te gaan en te gaan protesteren… Ze zijn veel minder bereid of in staat om risico’s te nemen in politieke conflicten.”

Het is een hele indrukwekkende waslijst, die echter de aanraking met de realiteit niet goed doorstaat. Ja, het is waar dat de armste mensen lang niet altijd het eerst en het makkelijkste in opstand komen. Maar het is niet waar dat diepe armoede per definitie tot passiviteit leidt. De zelfde mensen die door armoede tot passiviteit zouden zijn veroordeeld, kwamen in Asfrika wél in beweging in het soort etnische conflicten die volgens dezelfde Corrine Defka zo typerend zijn voor Afrikaanse landen. Waarom zijn mensen te apathisch voor revolutie, maar niet apathisch genoeg voor burgeroorlog? En is het niet typerend dat de opstand in Tunesië juist begon in de armere delen van het land, onder werklozen? Dat is meteen ook een antwoord op het punt van de ‘beter opgeleiden’ die ‘vanuit salons en discussiegroepen’nog wel, opstandigheid op gang brachten. Ik geloof niet dat Mohamed Bouazezzi zichzelf in een salon in brand stak, of eerst een discussiekring bezocht van academici voor hij in de aanvaring met autoriteiten belandde die hem tot zijn daad dreven. En ook de erop volgende protesten waren straatprotesten, directe reacties op de botheid van het gezag. Armoede garandeert inderdaad geen revolutie. Maar evenmin garandeert het de afwezigheid ervan.

De rol van etniciteit en verdeel-en-heers ligt ook anders dan het artikel aangeeft. Het kan waar zijn dat de samenstelling van de bevolking in Noord-Afrika homogener is dan in zuidelijker gelegen Afrikaanse landen. Maar in het ‘overwegend islamitische’ Egypte zijn tien van de 85 miljoen inwoners Koptische Christenen. Dat opende de mogelijkheid voor verdeel-en-heers. Maar dat gevaar werd welbewust en met kracht tegengewerkt door opstandigen zelf. Jemen, een land dat tamelijk gefragmenteerd is in regionale clans en netwerken, maakt evengoed wél een protestgolf mee. Politieke mobilisatie langs etnische lijnen kan brede opstandigheid bemoeilijken. Maar het kan worden doorbroken, het is geen natuurwet dat de strategie van verdeel-en-heers gedoemd is te slagen.

De analyse die zegt dat brede opstandigheid tegen regimes ten zuiden van de Sahara err niet in zit, houdt dus geen stand. Dat is al eerder in de geschiedenis gebleken. Het artikel noemt Zimbabwe, een land met tegen de 75 procent van de bevolking onder de armoedegrens, een cijfer dat in Egypte “slechts” 20 was, volgens cijfers van 2005. “Toch, ondanks dat het land een verslinterde coalitieregering en een zwakke economie heeft, zijn de straten in Zimbabwe rustig, terwijl ze in Egypte vrijwel een oorlogszone vormen.” Indrukwekkend. Totdat we ons realiseren dat Zimbabwe in de jaren negentig hele omvangrijke protesten en stakingsgolven beleefde. Die hebben niet tot de val van het bewind geleid. Opstandigheid kan ook mislukken. Maar de huidige rust in Zimbabwe is afgedwongen rust, ropduct van een nederlaag van protesten. Het is niet gezegd dat dit zo blijft, het is zelfs waarschijnlijk dat dit weer omslaat. Als de wanhoop te groot is, bijvoorbeekld – en als mensen de angst verliezen, wellicht geïnspireerd door wat er in Egypte heeft plaatsgevonden.

Daarmee zijn we terug bij de opstandsgolf zoals die gaande is. Intussen is zichtbaar dat de revoltes wel kunnen overslaan, wel degelijk ook naar zuidelijker Afrikaanse landen. Sterker nog: dat gebéúrt al daadwerkelijk. “Ugandan Opposition Threatens Egypt-style Protests”, schreef de New York Times op 12 februari. Vrijdag 18 februari zijn daar verkiezingen. President Museveni – al sinds 1986 aan de macht, keer op keer herkozen – staat dan weer kandidaat. Zijn regering is tamelijk autoritair van aard. Als er een overwinning voor hem, bij elkaar wordt gefraudeerd, willen sommige mensen uit protest de straat op, met Egyptische protesten als voorbeeld. Er wordt gerept van wijdverbreide omkoping van kiezers. Autoritair bestuur, een president die eindeloos aanblijft, corruptie… Het is niet gezégd dat dit daadwerkelijk op een opstand uitdraait. Dat het onderliggende patroon niet zo héél anders is dan in Egypte, is echter zichtbaar.

Oeganda is niet het enige land waar ‘iets’ speelt. “Senegal government seeks to avoid the Tunesian scenario”, schrijft Jollofnews, een website met informatie over Senegal en Gambia, beiden gelegen in West-Afrika. Hoe gaat de regering van senegal een ‘Tunesisch scenario’ vermijden? Welnu, de president heeft de regering gemaand eens te kijken hoe voedselprijzen verlaagd kunnen worden. Het artikel is van 14 januari. Het ís nog rustig gebleven, blijkbaar. Maar alleen al dit type reactie van machthebbers laat zien dat zij in ieder geval níét geloven dat de internationale revolutionaire golf de landen waar zij de macht uitoefenen gegaranderd zal overslaan. Juist dit soort reacties laten zien dat we inderdaad te maken hebben met precies dat: een internationale, revolutionaire golf van protest. Meer over deze, dramatische maar qua richting verheugende, ontwikkeling in komende artikelen.

Advertenties

One Response to Internationale revolutionaire golf

  1. excellentie zwembad schreef:

    Toch doen bepaalde zaken me erg denken aan Griekenland.
    Toeval?
    Wat denkt U Peter?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: