Tegen militaire interventie in Libië – solidariteit met de opstandigen

Militaire interventie in Libië is schadelijk. Het helpt de revolutie niet echt, en in zekere zin helpt het zelfs het Kadhafi-regime. Het is voornamelijk een manier van Westerse staten om invloed op Libië te verkrijgen enerzijds, en om wereldwijd goodwill te winnen via een als medemenselijkheid verpakt gewapend pr-offensief anderzijds. Dit geldt voor militaire interventie in de vorm van invasie en bombardementen. Het geldt ook voor de no-fly-zone waaraan momenteel gewerkt wordt, helaas met steun van goedwillende mensen. Het geldt in feite ook voor de politiek-juridische omlijsting van het hele interventiebeleid. De Libische revolutie zal op revolutionaire wijze zegevieren, zonder ‘hulp’ van bijvoorbeeld de NAVO. Wordt het Kadhafi-bewind mét beslissende NAVO-steun verslagen, dan wint niet de revolutie en de vrijheid maar slechts een nieuwe club machthebbers, met opvallende gelijkenissen met de huidige.

Verderop zal ik uiteenzetten wat er aan al deze interventiepolitiek zo verkeerd is. Maar eerst, met een lange theoretische omweg, iets anders: mijn standpunt heeft niets te maken met een verdediging van de soevereiniteit van Libië. Evenmin is het gebaseerd op een verdediging van een ‘Libisch zelfbeschikkingsrecht’ tegen het ‘Westerse imperialisme’. Beide begrippen, zelfbeschikkingsrecht en soevereiniteit, zijn in de huidige context voornamelijk abstracties. Al helemaal verwerpelijk is de gedachte dat westerse interventie vervangen zou moeten worden door een ‘diplomatieke oplossing’ zoals president Chavez van Venezuela die voorstelde, tussen Kadhafi enerzijds, de oppositie anderzijds, via een te vormen comité van ‘bevriende staten’. Wie dat centraal stelt, erkent de legitimiteit van de dictatuur, die immers als partner in een mogelijke oplossing benaderd wordt. Schermen met het ‘gevaar van NAVO-interventie’ als gróótste gevaar, zoals Fidel Castro ongeveer doet, miskent het nogal evidente feit dat Libische steden al gebombardeerd worden, door Kadhafi’s luchtmacht, dat mensen in Libische steden nú al afgemaakt worden door Kadhafi’s troepen, dat bijvoorbeeld Zawiya al dagen onder onophoudelijke tankbeschietingen te lijden heeft gehad.

Militaire interventie is een gevaarlijke dreiging. Maar het is immoreel om het verwijzen ernaar als argument te hanteren om de misdaden van Kadhafi’s bewind buiten de aandacht te houden. Misselijkmakend is helemaal de poging van bijvoorbeeld Chavez en Castro om de schijn hoog te houden alsof er aan die misdaden nog serieuze twijfel kan bestaan. Niet elke wandaad die de afgelopen weken aaan Kadhafi is toegeschreven, zal hebben plaatsgevonden, er is zonder twijfel sprake van slordige en soms misleidende informatie. Maar het gezamenlijke beeld is glashelder. Kadhafi probeert met zware wapens een volksopstand van deelzs ongewapende demonstranten, deels lichtbewapende strijders, in bloed te smoren. Daarbij doden zijn troepen systematisch mannen, vrouwen en kinderen. Aan de misdadigheid van dat alles bestaat geen serieuze twijfel, behalve wellicht bij mensen die pas in 1974 wisten te erkennen wat er in 1936 of 1921 in Rusland aan onderdrukking plaatsvond.

Interventie moet resoluut worden afgewezen, niet om Kadhafi de hand boven het hoofd te bieden, maar juist om bétere mogelijkheden van de strijd tegen diens dictatuur open te houden, om de revolutie uit de greep van grote mogendheden te houden – mogendheden die weinig goeds te bieden hebben. Afwijzing van interventie dient deel te zijn van de solidariteit die de volksopstand in Libië tegenover het bewind nog steeds verdient. Het standpunt moet zo concreet mogelijk worden verdedigd, en verbonden aan die solidariteit.

Daarom hebben we niets aan formuleringen als ‘de nationale soevereiniteit mag niet worden aangetast’. Nationale soevereiniteit is, altijd en overal, de soevereiniteit van staten. Het is nooit werkelijk de ‘soevereiniteit’ van de mensen die in zo’n staat wonen. De staat is een macht bóven de bevolking, er is tussen die twee altijd spanning. Soms weet de staat – en de machthebbende klasse wiens instrument de staat is – een verstandhouding met de bevolking te handhaven waarin die spanning niet tot dagelijke openlijke strijd leidt. Door mensen zekere rechten te gunnen, indirecte invloed op het bestuur toe te staan, zekere verbetering van het levenspeil van mensen niet helemaal te dwarsbomen, kan er langdurig een soort wapenstilstand tussen staat en bevolking worden gerealiseerd. Dat is de kern van wat bekend staat als ‘democratie’. Soms weet de staat niet anders te heersen dan met de grofste dreiging, onophoudelijke propaganda en terreur. Dat is dan een dictatuur zoals in Libië. Maar in beide gevallen staat de staatsmacht tegenóver de bevolking. Wie werkelijk de vrijheid van mensen, de belangen vanuit de bevolking, in het middelpunt stelt, de aspiraties voor een leven in vrijheid, waardigheid en solidariteit van mensen centraal stelt, die kan de soevereiniteit van geen enkele staat als principe erkennen. Nee, ik vind niet dat de Amerikaanse staat iets te vertellen hoort te hebben in Libië. Maar ik vind tevens dat ook de Libische staat niets te vertellen hoort te hebben in Libië. En het is de Libische staat, of wat er nog van over is, die momenteel aan het moorden is in Libië. Niet de Amerikaanse. Nóg niet, voeg ik daar wel aan toe.

Met het Libische zelfbeschikkingsrecht heb ik al net zoveel problemen als met de Libische (staats)soevereiniteit. Beide begrippen gaan uit van staten als rechtmatige actoren in het politieke proces. Zelfbeschikkingsrecht wordt toegekend – bij de Amerikaanse president Wilson die er mee schermde, maar tevens bij de Russische sociaaldemocraat Lenin die er eveneens mee wapperde – aan naties. Wat zijn naties? Dat zijn volkeren die hetzij een staat ‘hebben’, hetzij een staat of aanverwante staatkundige structuur ambiëren. Een groep mensen die het gevoel hebben dat ze zodanig bij elkaar horen dat ze een staat voor zichzelf dienen te hebben, dát is een natie. Vaak zijn het mensen die dezelfde taal spreken en in één gebied wonen. Maar Zwitsers zijn verdeeld over vier taalgemeenschappen, terwijl ze niet alleen één staat bewonen maar zich kennelijk ook als één natie beschouwen. Irakezen en Syriërs spreken een zelfde taal, maar behoren (behalve voor aanhangers van het pan-Arabisme) toch niet tot één natie. Er is geen objectief criterium dat sluitend een natie definieert. Het enige bruikbare criterium is: het breed levende gevóél onder een bevolkingsgroep dat men bij elkaar hoort, en dat men beter af is als er een staat komt waar die bevolkingsgroep ‘thuis’ is. Het idee dat je je volk loyaliteit verschuldigd bent, en dat die loyaliteit uitmondt in loyaliteit aan de bijbehorende staat als die er is, naar streven naar zo’n staat waar die nog niet is, dat idee kenmerkt het nationalisme, van welke natie dan ook.

Nu heeft dat nationalisme in de uitwerking ervan onvernmijdelijk tragische kanten. Er is het feit dat, wie de ‘eigen’ natie centraal stelt als politiek doel, maar al te gauw in botsing komt met mensen die geen deel van die natie uitmaken. Als die mensen van een andere (of van géén!) natie, ver weg wonen, is dat niet zo erg. Maar heel vaak wonen ze binnen het gebied dat door nationalisten van de ene natiegeambieerd en opgeëist wordt als deel van ‘hun’ nationale staat. Vaak wonen ze binnen een al bestaande nationale staat die niet de ‘hunne’ is. Vooral in regionen waar mensen van allerlei bevolkingsgroepen (‘nationaliteiten’, maar dat is helemáál een wazig begrip) in hetzelfde gebied, dezelfde stad, in aangrenzende dorpen of wijken, soms nog enigszind sgescheiden maar ook wel eens letterlijk te middeen van elkaar. Gebieden waar dat zo is, zijn bijvoorbeeld de Balkan, de Kaukasus, Centraal-Azië, West-Afrika. Stichting van op naties gebaseerde staten, ieder netjes in zijn ‘eigen’ land, leidt dan onvermijdelijk tot het discrimineren, verdrijven of erger van mensen die niet bij de natie horen in wiens naam de staat er is. Serviërs in Kroatië, Albanezen in Servië, Serviërs in Kosovo, Armeniërs in Azerbeidzjan en Azeri in Armeië, Oezbeken in Kirgizië, zij kunnen je vertellen hoe dat proces van uitsluiting werkt. Nationalisme in de praktijk kent altijd buitengeslotenen. En omdat de nationalistische praktijk altijd stáátspraktijk is, hebben de buitengeslotenen te maken met uitsluiting van staatswege.

Dat is de prijs die mensen betalen die niet bij de dominante natie horen . Soms is er de schrale troost dat er een andere staat is waarin zij wel tot de dominante naties gerekend worden. Albanezen in Servië konden kijken naar Albanië, en nu ook naar Kosovo. Wat een luxe trouwens, één natie die over twéé staten beschikt! Wat zeggen de theoretici van het zelfbeschikkingsrecht dáár van? Hebben de Serviërs dan niet ook recht op twee naties? Of is er tegenwoordig ook een ‘Kosovaarse natie’?

Er zijn tal van dit type nationale absurditeiten. Serviërs in Kroatië konden nog altijd kijken naar Servië. Albanezen in Kosovo, toen dat nog door Servië bestuurd werd, konden altijd nog kijken naar Albanië. Maar er waren en zijn ook bevolkingsgroepen die deze optie niet hadden. Historisch gezien waren dat met name joden, voor wie in de orgie van opkomend nationalisme in de negentiende eeuw nergens een rechtmatige plek was toegedacht, en Roma en Sinti (‘zigeuners’). In een deel van de joodse bevolking kwam in de late negentiende eeuw het idee op om tegenover het nationalisme dat hen overal de deur probeerde te wijzen slechts een eigen nationalisme een oplossing bood. Deze politieke stroming propageerde het idee dat ook joden een natie vormden, met recht op een eigen staat. Vanwege de weerklank die het gebied Palestina om historisch-religieuze redenen had, kozen joodse nationalisten dat gebied uit als regio waar een joodse staat zou moeten komen, Ziedaar de zionistische ambitie, een nationalisme als iedere andere, maar met een belangrijk verschil. Omdat de joodse gemeenschappen zich in allerlei landen bevonden, en niet speciaal in Palestina, kon het zionisme alleen bestaan als kolonisatieproject. En omdat het land waar die kolonisatie zich op richtte al bewoond was, kon die kolonisatie slechts slagen door de rechten en belangen van die bevolking te minachten en te vertrappen. Waar het Armeense nationalisme onvermijdelijk in botsing kwam met een minderheid binnen het geambieerde Armenië, daar kwam het zionistische nationalisme onvermijdelijk in botsing met de overgrote meerderheid van de bevolking van het geambieerde Palestina. Dat maakte de vestiging van specifiek déze nationale staat extra tragisch. Gelukkig hebben Roma en Sinti deze heilloze weg van schijn-emancipatie niet bewandeld.

Dat is de éne tragische kant: het nationalisme van de ene bevolkingsgroep kost altijd slachtoffers in andere bevolkingsgroepen. Insluiting van een deel behelst uitsluiting van de rest, desnoods hardhandig. Er is echter een andere tragische kant, eentje die veel minder in het oog springt. De nationale staat is nóóit en nergens de staat van ‘heel de natie’, van alle mensen vanuit de bevolkingsgroep naar wie de staat zich heeft genoemd. De Nederlandse staat is niet de staat van ‘alle Nederlanders’, hoezeer ons dat vooral in verkiezingstijd wordt wijsgemaakt. De Nederlandse staat waarborgt de belangen van een select gezelschap in de top van de maatschappij, een groep ondernemers en nazaten van ondernemers, steenrijke mensen, die aan die rijkdom invloed ontlenen. In hun belang, en vaak in samenspraak met dit slag mensen, bestuurt een eveneens kleine groep hoge ambtenaren, langs hierarchische lijnen, een ambtenarenapparaat en een gewapende macht. Doel van al dat besturen is: garanderen dat ondernemers kunnen ondernemen, dat arbeiders netjes het werk doen voor die ondernemers, dat scholen netjes personeel opleiden voor die ondernemers, dat ME-ers netjes demonstranten wegknuppelen als die ondernemers voor de voeten gaan lopen, dat ziekenhuizen netjes personeelsleden die ziek zijn weer oplappen zodat ze weer aan de slag kunnen, en ga zo maar door. De belangen van de rest van de bevolking hebben hierin wel een plek. Gezonde en min of meer tevreden burgers zijn immers loyaler en productiever als arbeidskracht dan ontevreden, hongerige, zieke en ook nog eenns slecht opgeleide mensen. En het vooruitzicht dat mensen na een bvepaald jaar met pensioen kunnen, een uitkering krijgen bij ziekte, werkloosheid en dergelijke, is voor de arbeidsmotivatie gunstig. Mensen bij werkloosheid laten kreperen is bovendien kostbaar: je moet dan steeds weer nieuwe arbeiders ter vervanging opkweken.

Sociale voorzieningen zijn er dus omdat het de ondernemers en hun soort orde goed uitkomt. Dat geldt ook voor het beetje democratie dat er is. Mensen krijgen er het gevoel mee dat ze mee mogen doen, dat maakt ze misschien minder recalcitrant. Soms is er via de democratie en vooral via de rechten die mensen zich tegenover machthebbers hebben weten te verwerven, zelfs enige verbetering te bereiken. Aan de oppermacht van een economische elite en een daarmee verbonden bestuurselite verandert het niets. De Staat der Nederlanden is een kapitalistische staat, een staat van een kleine minderheid van Nederlanders, van ondernemers en topbestuurders. En die minderheid behandelt de rest van ons als middel, als ding, om zichzelf te verrijken en haar macht mee in stand te houden of te versterken, of als obstakel dat die ambities in de weg staat.

Dat alles betekent dus dat de meeste mensen in Nederland, of ze zich nu Nederlanders voelen of niet, géén werkelijk deel hebben aan die nationale staat die zogenaamd uit hun naam op het wereldtoneel optreedt. Koningin Beatrix gaat naar Oman, doet daar een goed woordje voor ondernemers en voor een enkele militair die uit naam van diezelfde koningin een mission impossible in Libië mocht doen. Onze belangen worden echter door haar niet, nergens en nooit behartigd. Dat is haar baan niet, daar is het staatshoofd niet voor uitgevonden omdat de staat daar niet voor is uitgevonden. Het nationalisme als idee dat de natie-staat tot hooigste norm maakt, dient dan ook niet de belangen van iedereen die tot de ‘bijbehorende’ natie behoort. Integendeel, dat nationalisme bindt een meerderheid van de bevolking die er geen belang bij heeft, aan een kleine bevoorrechte minderheid die er wél belang bij heeft. Nationalisme bindt arme Nederlanders aan rijke Nederlanders, en stelt ze tegenover arme mensen van andere naties met wie die arme Nederlanders in werkelijkheid juist een gemeenschappelijk belang hebben. Het scheidt wat ik graag verbonden zie, en bindt wat maar beter helder tegenover elkaar kan staan.

Nationalisme dient dus verworpen te worden als je de kant van de bevolking wilt kiezen tegen de opgelegde macht. Die afwijzing geldt de Nederlandse nationale staat – met al zijn sociale en democratische buffers om het conflict tussen staat en bevolking, heersers en overheersten, te reguleren, te kanaliseren en te temperen. Die afwijzing geldt net zo goed voor alle andere staten, waaronder velen waarbij dit type buffers ontbreken. Er is geen staat die werkelijk in handen van ‘het volk’ is. Staten zitten nu eenmaal zo in elkaar dat dit niet mogelijk is.

Structuren waarin werkelijk de bevolking zichzelf regeert en bestuurt, gaan niet langs hiërarchische lijnen van een top naar omlaag. Ze gaan van onderaf en blijven ook plat, niet-hiërarchisch, horizontaal. Ze brengen de verbondenheid van alle betrokkenen – van welke nationale herkomst ook – tot uiting. Zulke structuren zijn wezenlijk iets anders dan wat voor staat dan ook, hoezeer sommigen het zicht op het verschil ook vertroebelen door met iets als een ‘arbeidersstaat’ aan te komen zetten, waarin dat ‘socialisme van onderaf’ gebouwd zou kunnen worden. Staten bouwen niets ‘van onderaf’ en werken de opbouw van alles ‘van onderaf’ nu eenmaal tegen, omdat het hun bestaansrecht ondermijnt en bedreigt. Bewijsstuk één: Rusland, 1917-1921. Bewijsstuk twee: Spanje 1936-1937.

Nationale zelfbeschikking, het recht der naties op zelfbeschikking, is dus een staatsgericht project. Daardoor is het iets dat hetzij de belangen van een bevoorrechte minderheid dient, een heersende klasse, een bestuurlijke elite, hetzij de ambities van een groep om zo’n bevoorrechte minderheid-aan-de-staatsmacht te wórden. Erkenning van dat recht komt neer om erkenning van een bestaande staatsstructuur, of  van een nieuwe structuur van ongelijkheid, uitsluiting en onderdrukking, want daar komt de stichting van een nieuwe staat nu eenmaal op neer. Het is een leus die revolutionairen dus niet moeten aanheffen of voeren. Het is een, in zijn implicaties, contrarevolutionaire leus.

Nu kun je tegenwerpen: maar accepteer je daarmee dan niet het recht van bestáánde staten om volkeren te overheersen? Als Russen een ‘eigen’ staat hebben, moet je er als Rus toch vóór zijn als de Oekraieners ook een eigen staat willen en uit het Russische staatsverband willen? Zo niet, dan accepteer je immers de Russische overheersing. Aldus argumenteerde Lenin in zijn befaamde werkje over deze materie. Russen een eigen stata gunnen en niet-Russen niet, betekent chauvimisme, discriminatrie van niet-Russen, inbreuk op de democratische principes, zo hield Lenin zijn Russische lezers uit 1914 voor.

Maar deze vlieger gaat alleen op zolang je binnen een raamwerk van staten denkt. Inderdaad, áls je het prima vindt dat er een Russische staat is, dán is het een inbreuk op gelijke rechten om een Oekraiense staat niet prima te vinden. Wie de Russische staat verdedigt, en de Oekraiense ambitie om een staat te vormen uit gebied dat tot het Russische rijk behoorde op het moment dat Lenin schreef, die is een Russische nationalist en minacht rechten van Oekraieners. Maar de hele kwestie met het nationalisme is nu juist dat álle nationalismes die genoemde nare kanten van uitsluiting van buitenstaanders en onderwerping van insiders in zich draagt. Mijn antwoord aan Lenin zou zijn: ik vecht niet voor een Oekraiense nationale staat. En ik zal de dag begroeten dat ook de Russische nationale staat verdwijnt, want ik ben vijand van alle staten en alle nationalismes. Een afwijzing van Oekraiense nationale zelfbeschikking, naadloos verbonden aan een afwijzing van een eerdere Russsische nationale zelfbeschikking, is wél consistent.

Het is Lenins aanvaarding van nationale staten als raamwerk voor politiek die hem tot het aanvaarden van nationale zelfbeschikking verlokt. Als de één een staat heeft, mag de ander het ook, dan mag iedereen het. Mijn punt is: het is beter als níémand een staat heeft. Vechten voor, en denken in termen van, ‘het recht der naties op zelfbeschikking’, houdt ons gevangen in de logica van staten waar we nu juist uit moeten breken. Net als het schermen met nationale soevereiniteit leidt dat nationale zelfbeschikkingsverhaal tot narigheid als antwoord op eerdere narigheid.

Hiermee bedoel ik nadrukkelijk níét dat de ene staat het recht heeft om de ambities van nationale minderheden richting een andere staat te blokkeren. Ik zie niets in het recht op zelfbeschikking van Oekraieners in 1913. Maar ik zie ook niets in de voortgaande overheersing van die Oekraine door de Russische staat. Ik ben tegenstander van beide staatsrechten, beide nationalismes. Ja, als mensen van een onderdrukt volk in opstand komen tegen bijvoorbeeld koloniale bezetting, geef ik ze groot gelijk. Bezettingsmachten dienen te verdwijnen. Maar ik zeg er meteen bij: en ze dienen niet vervangen te worden door ‘eigen’ nationale legers! Als de bevolking van Tibet opnieuw in opstand komt tegen Chinese bezetting, dan zal ik het vertrek van China’s soldaten toejuichen. Maar dat wil niet zeggen dat ik de verschijning van het Tibetaanse leger-in-wording dan eveneens verwelkom. En het wil al evenmin zeggen dat ik de rol van het Chinese leger in China wèl rechtmatig (want binnen het Chinese nationale territorium, en derhalve niet in strijd met die heilige zelfbeschikking…) acht. Nationale legers zijn staatsinstellingen, en dienen gebroken te worden, overal. Je kunt, heel abstract, wellicht het recht van een hele bevolking – de Tibetanen – om een ‘eigen’ staat te hebben, gaan erkennen. Maar dat betekent dan de erkenning van het recht om iets te vormen waar Tibetanen niet vrij van worden, en minderheden in Tibet ook nog eens de dupe. Het zou de erkenning betekenen van het recht om een nieuwe wandaad te verrichten, als reactie op eerdere wandaden. Begrijpen doe ik het streven van bezette volkeren om een ‘eigen’ staat na te sterven wel degelijk. Maar dat is nog niet hetzelfde als zeggen: het is een rechtmatig en goed idee.

Nog een concreet voorbeeld: ik snap het verlangen van Palestijnen naar een ‘eigen’ staat, als ontsnapping aan Israëlische bezetting en apartheid. Israël en de VS hebben totaal niet het recht om dat streven te blokkeren en beginnetjes ervan de nek om te draaien. De blokkade van Gaza is bijvoorbeeld totaal onrechtvaardig. Maar dat wil ik het streven naar een Palestijnse staat snap, wil niet zeggen dat ik het een goed streven vind, dat ik de strijd dáárvoor steun. Ik vind dat bezetting en apartheid dienen te verdwijnen, en de strijd dáár tegen steun ik. Maar waarom moet een Israëlisch bezettingsbewind perse vervangen te worden door wéér een bedompte benauwende nationale staat? Waarom niet gepleit voor een géénstatenoplossing?

Zowel nationale soevereiniteit als nationale zelfbeschikking zijn ook in andere zin buitengewoon slechte beginselen om een afwijzing van interventie in Libië op te baseren. Eerst die soevereiniteit, het idee dat er niets boven de Libische staat bestaat, niets dat rechtmatig tegen die staat in kan gaan. Dit obstakel is simpel omzeild door slimme voorstanders van interventie. Mogendheden hoeven alleen maar die Libische Nationale Raad – het orgaan dat vanuit de volksopstand is opgezet – als gezag in Libië te erkennen. Dan heeft oefent die Raad, en niet langer het Kadhafi-bewind ‘de soevereiniteit over Libië’ uit. Als die Raad een verzoek doet om militair te helpen, dan valt dat binnen de soevereine rechten van de Libische staat, die dan – in deze logica – immers door die Raad wordt uitgeoefend. Doorredenerend: dan is die Raad het bevoegde gezag, en Kadhafi’s soldaten zijn daarmee veranderd in opstandelingen tegen dat gezag. Zo rekbaar is ‘soevereiniteit’. Het ‘recht op zelfbeschikking’ verhuist keurig mee, ook dat wordt nu door die Raad uitgeoefend. “Zou een no-fly zone helpen? Als dat expliciet worden gevraagd, dan houdt het geen inmenging in. Assistentie als antwoord om een verzoek tot hulp is gene opgelegd ingrijpen”, aldus Paul Woodward, een oprechte sympathisant van de opstand die toch een vorm van Westers gewapend ingrijpen het overwegen waard vindt. Als ingrijpen “expliciet wordt gevraagd” door een orgaan dat als legitiem wordt erkend, is er geen inbreuk op soevereiniteit meer. Het draait dan om erkenning van die raad, iets dat vandaag door Frankrijk al is gebeurd. Verder redenerend: als die Raad zou zeggen: ‘Kadhafi bedreigt de integriteit van de nieuwe Libische staat die wij aan het bouwen zijn, wij vragen de NAVO te hulp tegen die bedreiging’, dan is daar volgens de logica van deze zelfbeschikking en de soevereiniteit ook tamelijk weinig tegen in te brengen.   Maar dit is allemaal gegoochel met begrippen binnen de logica van staten en staatsbelangen, een logica waar geen opstand ver mee komt.

Nationale zelfbeschikking en soevereiniteit zijn plooibare begrippen van de macht. Als argument tégen de wandaden van de macht hebben we er weinig aan. Kadhafi schermt nu met niet-inmenging alas argument tegen ingrijpen. Dat verdient geen enkel respect. Hij mengt zich met het grofste geweld in in de levens van Libiërs, door ze te terroriseren. De soevereiniteit waar hij zich op kan beroepen, botst met de vrijheid van Libiërs om soeverein te zijn over hun eigen levens. De nationale zelfbeschikking waar zijn hooggeplaatste medestanders in Venezuela en Nicaragua mee schermen komt neer op een ontkenning van de beschikking van concrete mensen over hun eigen levens, huizen, toekomst. Wie zelfbeschikking en soevereiniteit van mensen en vrije gemeenschappen wil, moet niet bouwen op de zelfbeschikking en soevereiniteit van naties, uiteindelijk van staten.

Maar daarmee zijn we niet klaar. Ik wijs het beroep dat Kadhafi, Castro, Chavez en allerlei vage geestverwanten of fans van in ieder geval de laatste twee op zelfbeschikking doen als argument tegen interventie, faliekant van de hand. Pleidooien van bijvoorbeeld Jean Bricmont en Diana Johnstone, terecht gericht tegen interventie maar ten onrechte zonder nadrukkelijke afwijzing van het Kadhafi-bewind, en mét een open deur naar een diplomatieke deal, zitten er stevig naast. Louis Proyect zet er in het ene na het andere stuk   terecht genadeloos het mes in. Maar ik ben wel tegen zulke interventie gekant, juist omdát ik de vrijheidsstrijd van Libiërs en andere bevolkingen zo graag grondig en goed zie zegevieren. Laten we eens kijken hoe interventie werkt, en hoe het in alle gevallen opstandigheid en vrijheid schaadt, mensen de dood in jaagt die verdienen te leven, nieuwe misdaden stapelt op oude. Laten we eens kijken naar wat de interventie-voorstanders in de aanbieding hebben aan voorstellen en scenario’s. Laten we de meest gehoorde variant er eens uitlichten.

De interventievorm die momenteel het meeste aandacht krijgt is de zogeheten no-fly-zone. Die wordt bepleit door allerlei Westerse politici, NAVO-landen werken aan een resolutie om hier draagvlak voor te scheppen. Uit kringen van de Libische opstand zelf komt ook het aanhoudenden verzoek aan mogendheden: alstublieft, stel een no-fly-zone in! Dan kunnen wij de strijd tegen Kadhafi’s troepen zelf verder winnen. Interventie van Westerse grondtroepen wordt afgewezen vanuit de opstand. Maar interventie via die no-fly-zone vinden ook veel opstandelingen wezenlijk. Vanuit hun positie is dat heel begrijpelijk. De opstandelingen zijn lichtbewapend, hebben geweren, wat geschut en tanks die ze hebben buitgemaakt. Kadhafi beschikt over zwaarbewapende elitetroepen. Het Libische leger beschikte over maar liefst 2200 tanks. Sommige daarvan zijn inmiddels uitgeschakeld of in handen van de opstand. Het overgrote deel echter nog niet. Een nog veel wezenlijker verschil: het bewind heeft vliegtuigen en helicopters, de opstand niet. Dát maakt de gewapende opstandelingen kwetsbaar voor luchtaanvallen. Het betekent ook dat Kadhafi vanuit de luicht steden kan bestoken waar de opstand heeft gezegevierd. Het betekent de mogelijkheid voor het bewind, niet alleen om dood en verderf te zaaien, maar vooral ook om de opstand van overwinningen af te houden, en de prijs van elke stap voorwaarts enorm te verhogen. Een no-fly-verbod zou betekenen dat het bewind van deze kracht geen gebruik meer kan maken. En dán zou het overwicht van de opstand, in menskracht maar vooral in enthousiasme en motivatie, wel eens de overhand kunnen krijgen op de overgebleven troepen van het regime, waarvan er velen vooral vechten onder dwang en uit pure angst. Geef ons een no-fly zone, en wij doen de rest, zo luidt de noodkreet vanuit de opstand nu. Ik vind die noodkreet nogal logisch. Maar dat wil niet zeggen dat die no-fly zone dus een goed idee is. Logica is niet altijd wijsheid. Tegen een vliegverbod zijn militaire, politieke en psychologische maar vooral ook humanitaire argumenten aan te voeren.

Ik begin met de laatste. Een no-fly zone betekent dat Kadhafi zijn vliegtuigen en helicopters niet meer de lucht in mag sturen. Dat verbod moet dan wel worden afgedwongen. Libische vliegtuigen die toch opstijgen, moeten kunnen worden neergehaald. Dus moeten er vliegtuigen van de mogendheden die het vliegverbod handhaven – laten we zeggen NAVO-vliegtuigen – boven Libië rondvliegen. Het is dan niet de bedoelingen dat die gevaar lopen door Libisch luchtafweergeschut te worden neergehaald. Robert Gates, minister van defensie van de VS legt dan ook uit: “Laten we het beestje bij zijn naam noemen: een no-fly zone houdt in dat we eerst het luchtafweergeschut van Libië moeten vernietigen. Dan pas kunnen wij er vliegen zonder dat we ons zorgen hoeven te maken over de veiligheid van onze manchappen.” Hij zet de zaak stevig aan, waarschijnlijk omdat hij er zelf weinig voor voelt en de problemen van de uitvoering daarom uitvergroot. Maar wat hij hier zegt, is geen onzin. Het ligt in de logica dat dit luchtafweergeschut door gerichte luchtaanvallen zal moeten worden uitgeschakeld.

Waarschijnlijk zal het bewind luchtafweergeschut verdekt opstellen, in woonwijken waar veel mensen wonen. Dat betekent dat luchtaanvallen op afweergeschut mensenlevens gaan kosten, niet alleen van de militairen die het geschut bedienen en bewaken, maar van burgers in de buurt. De NAVO gaat dus onschuldige mensen doden om in een ander deel van Libië de dood van onschuldige mensen te voorkomen. Het feit dat het Kadhafi’s besluit is om dat geschut in woonwijken neer te zetten, maakt de onvermijdelijke doden nog niet minder onschuldig, en het maakt de NAVO geen steek minder verantwoordelijk voor die doden. De NAVO kan – de dodelijke gevolgen kennende – immers besluiten om niet te bombarderen, en doet het in deze logica tóch. De pretentie dat NAVO-luchtaanvallen met ‘precisiewapens’ dit risico niet of nauwelijks kennen, verdient geen geloofwaardigheid, na de duizenden slachtoffers die met soortgelijke wapens en soortgelijke pretentie in Irak, Kosovo en Servië, en Afghanistan zijn gevallen. Een serieuze no-fly zone betekent een serieuze oorlog, met al gauw serieuze aantallen doden in Libië onder de burgerbevolking. Dat is al een goede reden om er niet aan te beginnen, en er geen enkele steun aan te geven.

Een tweede reden is van politieke aard. Kadhafi beweert dat zijn regime de vrijheid van Libië verdedigt tegenover buitenlandse dreigingen. Hij doet de opstand af als buitenlands complot. Dat is bespottelijk. Maar met elke bom die de NAVO op Libische stellingen afwerpt, gaat Kadhafi’s retoriek iets minder bespottelijk klinken. Als er bij zulke aanvallen ook nog burgerdoden vallen, dan zal Kadhafi daarop wijzen. ‘Zie je wel! We staan tegenover een buitenlandse vijand die vrouwen en kinderen bombardeert! Ik verdedig de onafhankelijkheid, schaar je allemaal achter mij!’ Nu wekt zoiets vooral de lachlust, tenzij je in Libië zelf woont, want dan vergaat je het lachen snel. Maar naarmate NAVO-troepen feitelijk een oorlog uit de lucht in Libië gaan voeren, gaat Kadhafi’s gebral iets minder ridicuul klinken. Zoiets zou de kwalijke nationalistische reflex versterken, zodat mensen gaan denken: ‘tussen NAVO en Kadhafi kies ik toch maar voor ‘onze’ Kadhafi.’ Zo maakt een luchtoorlog – en daar komt de instelling van een no-fly zone op neer – de positie van Kadhafi in de ogen van resterende aanhang én van twijfelaars, sterker. Tegenover twijfelachtig militair voordeel staat evident politiek nadeel. En voorzover de opstand zelf vraagt om die no-fly zone, slaat de afkeer tegen de luchtoorlog ook op de opstandelingen terug. Het is wijsheid vanuit de opstand dat die niet om interventie van grondtroepen vraagt. Het is gebrek aan wijsheid om die afwijzing niet door te trekken naar luchtsteun. Ook een no-fly zone verbindt de opstand aan de NAVO, aan Westerse mogendheden. Dat geeft de beweringen dat de opstand een kwestie is van buitenlandse inmenging een geloofwaardigheid die zeer ongunstig is voor de opstand.

Het probleem gaat verder en dieper. Als het succes van de Libische opstand vooral afhangt van luchtsteun vanuit de VS en/of de NAVO, dan schept dat banden van afhankelijkheid. Nu lijkt dat nog geen drama. Maar de NAVO, als die tot interventie zou besluiten, doet dat niet uit wellevendheid of naastenliefde. NAVO-staten beogen er meerdere dingen mee. Staten die nu gezien worden als redders-in-nood tegen Kadhafi, kunnen straks op goodwill rekenen als de opstand Kadhafi heeft verslagen. Die goodwill kan zich vertalen in een buitenlands beleid dat in de pas loopt met de VS. Die goodwill kan zich vertalen in toegang tot de Libische olie, in contracten voor de winning en verwerking ervan. Zo wordt een van Kadhafi bevrijd Libië maar al te gauw een nieuwe pro-Westerse oliestaat.

Daarbij hoort een bestuursvorm waarin arbeiders stevig aan het werk gezet worden, waar weer tucht en discipline heersen. Dan zal er buitengewoon weinig overblijven van de rol van de geïmproviseerde bestuurscomités die vanuit de bevolking snel zijn gevormd in delen waar de opstand zegevierde. Dan zullen de vleugjes radicaal zelfbestuur weer vervangen geworden door doodgewoon bestuur. Dan komt er weer een doodgewone regering, die kapitaalsbelangen – allereerst de oliebelangen van Westrerse bedrijven, maar daarnaast ook die van plooibare Libische ondernemers – zal bewaken. Daarmee wordt Libië een zoveelste oliestaat verbonden met Westerse machten.

Hoe zo’n pro-Westerse oliestaat eruit ziet, kunnen we aanschouwen in de diverse Golfstaten, van Koewet via Saoedi-Arabië tot en met Oman. Tamelijk onplezierige ondemocratische oorden waar mensen met zeer goede redenen zelf ook in opstand zijn. Nog zo’n pro-Westerse oliestaat was trouwens Libië zelf, minder dan een maand geleden, voordat de volksopstand de romance tussen Westerse staten en bedrijven enerzijds, het Kadhafi-bewind anderzijds, ruw onderbrak. Hoe groter het Westerse aandeel in de nederlaag van Kadhafi, hoe groter de invloed van het Westen in het toekomstige Libië, en hoe groter de kans op herstel van juist dát soort autoritaire verhoudingen waar de opstand zich nu juist tegen richt. Het kan toch niet het idee zijn om Libië via deze omweg te veranderen in Oman of de VAE?

En zal zo’n no-fly zone wel de gewenste resultaten brengen in strikt militaire zin? Ik vraag het me af. Ja, het bewind voert nu af en toe zeer akelige luchtaanvallen uit op steden en stellingen van de opstand. Maar de grootste druk die het volksverzet ondervindt, komt van operaties als bijvoorbeeld de moorddadige tankbeschietingen die dag na dag plaatsvonden in Zawiya. Dát hakt erin, dat beukt opstandelingen uiteindelijk mogelijk murw. Maar daartegen helpt een no-fly zone dus niet, want tanks vliegen niet, zelfs niet als Kadhafi de tankbestuurders daartoe orders zou geven. Wat nu als er straks een no-fly zone is, maar de druk van eindeloze tankaanvallen de opstand langzaam maar zeker in stad na stad zou weten te breken? Dan wordt het gevaar wel erg groot dat mensen de interventie uit willen breiden. Met gerichte luchtaanvallen op tankeenheden bijvoorbeeld. We horen trouwens vandaag dat er niet alleen luchtaanvallen worden uitgevoerd, maar ook beschietingen vanaf oorlogsschepen. Het logische militaire antwoord zou dan wel eens ‘vaarverbod’ kunnen heten, afgedwongen met een NAVO-vlootblokkade tegen de Libische marine. Enzovoorts. Zo glijdt de zaak weg in een steeds grotere militaire interventie.

Zo wordt die interventie voor de uitslag van de strijd steeds meer bepalend. Zo wordt de volksopstand ondergeschikt aan een NAVO-operatie die oorspronkelijk werd gelegitimeerd als hulp aan die opstand. Zo wordt het opstandelingenleger inderdaad wat Kadhafi nu zegt dat het al is: een instrument van buitenlandse krachten. En afzien van escalatie van NAVO-kant als een no-fly zone niet afdoende blijkt is niet te verwachten. Immers, dan zou de NAVO een nederlaag moeten incasseren tegenover Kadhafi, en dat gaat het bondgenootschap niet accepteren. Belangen van de Libische bevolking zijn tegen de tijd dat het zo ver komt al helemaal onder bergen lijken verdwenen. Het idee dat je om een no-fly zone kunt vragen, en dat los kunt koppelen van belangen die de uitvoerders ervan zullen gaan nastreven als ze de gelegenheid krijgen, lijkt me nogal naief.

Dit zijn allemaal scenario’s voor een dreigende toekomst. Absolute zekerheid over dit soort inschattingen heb ik natuurlijk niet. Dat Westerse interventie de autonomie van de opstand ondermijnt en de verhoudingen onderwerpt aan Westerse ambities en belangen, lijkt me echter nauwelijks te betwijfelen. Maar de schade van een no-fly zone begint niet pas met de instelling en uitvoering ervan. Die schade is nu al merkbaar, aan beide kanten van de Libische strijd. Kadhafi ziet de no-fly zone naderen. Hij weet dus dat hij niet eindeloos van zijn luchtmacht gebruik zal kunnen maken, hij moet dat voordeel dat hij nog heeft dus op korte termijn benutten. De hele retoriek en besluitvorming richting no-fly zone jaagt hem daarom op, in de richting van steeds grover geweld, in een wanhopige poging om het verzet met terreur te breken. Zo leidt het traject naar deze vorm van interventie nú al tot grove escalatie. Een haastige moordenaar is een extra bloedige moordenaar.

Voor de krachten van de opstand geldt intussen iets anders. Opstandelingen gaan de no-fly zone steeds meer incalculeren in hun strategie. Ik heb de indruk dat mede daardoor de vaart uit de opmars gaat. Tien dagen geleden hoorde je in revolutionaire kringen in Benghazi: ‘we gaan zo snel mogelijk naar Tripoli!’ In de verwachting dat het bewind wankelde, gingen op twee opéénvolgende vrijdagen mensen in Tripoli de straat op, om de val nog eens te bespoedigen. Nu hoor je uit verwante kringen echter een ander geluid: ‘we willen naar Tripoli oprukken, áls de no-fly zone er is’. Deels zal deze voorzichtiger houding ingegeven zijn door duur verdiende ervaringskennis: oprukken tegen Kadhafi’s troepen is niet makkelijk. Maar ik heb sterk de indruk dat de voorzichtigheid ook is ingegeven door de verwachting dat het over afzienbare tijd met minder risico’s kan, als dat vliegverbod er maar is. Was dat vliegverbod niet zo nadrukkelijk in de aanbieding geweest, dan vermoed ik dat opstandelingen gegáán zouden zijn, zoals dze de eerste week van de opstand ook op weg gingen, kazernes bestormden, stad na stad uit Khadafi’s macht ontrukten. Het is juist de ónvoorzichtigheid geweest, dat glorieuze gebrék aan doordachte tactiek en strategie, die de opstand zo ongelofelijk vér heeft gebracht. Vrijwel álles wat opstandelingen vanaf de eerste dag gedaan hebben was militair gezien vrijwel ondenkbaar, ondoenlijk. Maar ze déden het. Nu doen ze zoiets steeds minder. Nu komt er ook advies vanuit de leiding in Benghazi aan jonge strijders om níét westwaarts te gaan, en zelfs om terug te keren naar het oosten.  Imam Bugaighis, iemand van het nieuwe bestuur in Benghazi, bijvoorbeeld: “We smeekten de jongeren om niet te gaan, omdat we vreesden dat het een complot van Kadhafi was om de stad te ontdoen van haar jeugd. Ze hebben geen gevechtservaring. We hebben ze opgeroepen om terug te komen.” Consolideren, posities versterken… tot de no-fly zone er is. Het is zo begrijpelijk, en tegelijk zo schadelijk voor de dynamiek van de opstand. Intussen gaat het moorden door. Wat als die no-fly zone nog weken op zich laat wachten? Dan ben je er op gaan rekenen, in plaats van enkel en alleen te vertrouwen op de kracht van de opstand zelf.

Dat is onderdeel van een proces waarin een revolutionaire strijd omgevormd wordt tot een ‘gewone’ burgeroorlog tussen twee ‘gewone’ legers. Eentje zwaarbewapend, ééntje veel lichter bewapend maar voorzien van luchtsteun van andere landen. Die andere landen verwachten dan wel dat de structuren in het opstandige deel van Libië gewone staatsstructuren worden, met een top die aanspreekbaar is, waarmee overlegd kan worden, waarop druk uiitgeoefend kan worden. In die top zitten nogal wat lieden die pas op het laatste moment hun loyaliteit an Kadhafi hebben opgegeven en naar de revolutie zijn overgegaan. Ze switchten, deels uit ontzetting over hoe Kadhafi’s troepen huishielden, maar ook omdat ze inschatten dat Kadhafi een verloren zaak verdedigde. Maar met hun zwenking zijn ze niet hun oude werkwijzen en opvattiongen kwijt. Een nieuw Libië onder leiding van dit soort mensen zou wel eens vrij veel op het Libië van Kadhafi kunnen gaan leiden. The Angry Arab waarschuwt met goede reden tegen deze invloedrijke krachten. Westerse interventie leunt echter juist op dit soort krachten, versterkt hun positie binnen Libië. Niets handiger immers dan ervaren bestuurders en politici waar je zaken mee kunt doen.

Hoe bewust het allemaal gespeeld wordt is moeilijk vast te stellen. Maar ik denk dat het aandringen door Westerse politici op een no-fly zone en aanvullende interventiemaatregelen niet enkel bedoeld is om meer druk op Kadhafi te zetten. Het is ook een strategie om de opstand te temmen, het vuur eruit te halen, de opstandige krachten te onderwerpen aan de gevestigde logica van staten en diplomatie. Deze gedachtengang ontleen ik mede aan discussiebijdragen op een lange forum-thread op Libcom.org over de Libische opstand, die sowieso het volgen zeer waard is.  Niet de opstand zelf moet winnen, in deze vermoedelijke Westerse strategie. De opstand moet druk uitoefenen, de no-fly zone en de sancties moeten druk uiitoefenen, en zo moet Kadhafi bewogen worden tot verterek vóór de opstand zegeviert in Sirte en Tripoli. In zo’n scenario blijven grote stukken van het bewind na een vertrek van de kolonel intact, kan rust , orde en stabiliteit snel worden hersteld, en de olieproductie mooi worden hervat. Zo wordt Kadhafi weggewerkt, maar blijft een flink stuk Kadhafisme bestaan – en verdwijnt de revolutie onder het met bloed besmeurde tapijt. Dit betekent geen einde van het bloedvergieten. Het betekent het inbouwen van nieuwe ronde bloedvergieten, als de opstandigheid haar krachten zal moeten meten met de opvolgers van Kadhafi – en hun westerse bondgenoten.

Samenvattend. Westerse interventie is ongewenst, schadelijk, gevaarlijk. Dat is zo, niet omdat het een inbreuk is op Libische soevereiniteit en zelfbeschikking – zaken die geen inzet en waardering waard zijn, net zo min als welke staatssoevereiniteit en nationale zelfbeschikking ook. Nee, interventie is verkeerd omdat het meer oorlog brengt, en omdat het de vrijheidsstrijd in Libië en elders niet dient, maar ondermijnt en levensgevaarlijk bedreigt. Afwijzing van die interventie is een stellingname uit solidariteit met de Libische revolutie. Minstens.

Bijgeschaafd en dergelijke, 11 maart 1.23

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: