Arabische revoluties?

Maandag 13 juni

Onderstaand stuk is geschreven voor de website van Doorbraak, waar je de geïllustreerde versie ook kunt vinden. Ik dank de Doorbraak-redacteur voor enkele verbeteringen die ik heb overgenomen.

De talrijke demonstraties, stakingen, opstanden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, en intussen ook elders, zijn inmiddels voorzien van allerhande overkoepelende etiketten. ‘Arabische Lente’ hoor je intussen veel. Maar ook het begrip ‘Arabische revolutie’ duikt her en der op. Met vooral dat laatste woordenpaar worden minstens twee, soms drie dingen uitgedrukt. er wordt mee verwezen naar eerdere gebeurtenissen, uit de jaren vijftig en zestig, die onder dat begrip bekend stonden. Er wordt een nationale typering gegeven aan de gebeurtenissen; die zijn specifiek ‘Arabisch’ van signatuur. En er wordt een kwalificatie gegeven van de draagwijdte en betekenis van de gebeurtenissen: het zijn niet zomaar opstanden en protesten, het zijn ‘revoluties’, of ze vormen gezamenlijk een revolutie. Is dit allemaal adequaat? Vormen de gebeurtenissen een soort van tweede ronde van een al tientallen jaren geleden begonnen Arabische revolutie (1)? Zijn de gebeurtenissen wel specifiek Arabisch? En zijn het wel revoluties?

Eerst die eerdere ‘Arabische revolutie’. Met dat woord worden een reeks ontwikkelingen aangeduid in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw – ontwikkelingen die Arabische staten in aanvaring brachten net Westerse mogendheden, ontwikkelingen die tegelijk de betroffen landen onderworpen aan een hardhandig moderniseringsproces. Het was tegelijk een ontworsteling aan koloniale en neokoloniale verhoudingen én een omvorming van traditionele, van feodale restanten doortrokken m structuren in moderne kapitalistische maatschappijen, soms in antikapitalistische verpakking. Concreter: het betrof hier een reeks van machtsgrepen, door groepen officieren of door partijen waarin officieren en intellectuelen een strak geleid organisatorisch kader schiepen. De staatsgreep van de Vrije Officieren van generaal Nasser in Egypte, de greep naar de macht van de Baath-partij in Syrië in 1963, de Vrije Officieren onder leiding van Kadhaffi in 1969, de staatsgreep van Kassem in 1958 in Irak passen in dit plaatje. De regimes die hieruit ontstonden, hadden enkele kenmerken gemeen. Ze raakten op ramkoers met westerse mogendheden. Nasser nam de macht over het strategisch belangrijke Suez-kanaal over, Kadhaffi zette een Amerikaanse legerbasis het land uit, om maar eens enkele symptomatische episodes te noemen. Nationalisering van olie, voor zover aanwezig, paste hierbij, evenals een confrontatie met Israël dat in die jaren steeds openlijker als Westerse voorpost opereerde. In 1967 leidde die confrontatie tot oorlog, met een dramatische nederlaag van Egyte en Syrië als uitkomst. Daarmee verdween veel van de glans die de ‘Arabische reolutie’ tot dan toe had.

Naast een antikoloniale dynamiek had het proces ook een moderniseringsaspect. De nieuwe regimes begonnen een proces van staatsgeleide industrialisatie, gecombineerd met de vorming va een verzorgingsstaat en in sommige landen ook een landhervorming ten gunste van arme boeren. Aanvankelijk bracht dit verbeteringen voor brede lagen van de bevolking, en populariteit voor de regimes. Het hee proces kreeg als ideologisch vlaggetje soms het etiket ‘Arabisch socialisme’. Maar het was de staat die hier feitelijk als kapitalist ging optreden, terwijl de bevolking verbeteringen in ontvangst mocht nemen zolang men zich maar koest hield. Onafhankelijke actie van arbeiders en van links werd beantwoord met repressie. Nasser hield bijvoorbeeld communisten gevangen en liet ze zelfs opknopen. Het hele, als ‘revolutie’ verpakte proces werd van bovenaf aangestuurd. Irak was tijdelijk een uitzondering: daar was een sterke communistische partij, en ook vak- en boerenbonden. Die werden zeer actief na de machtsgreep van Kassem. Er groeide iets van een revolutie. Maar de partijleiding, gecoacht door de USSR, gebruikte haar positie om de massastrijd te kanaliseren en wilde het nieuwe regime niet voor de voeten lopen. De revolutie zette niet door, en vervolgens kwam na een reeks van nieuwe staatsgrepen de fel anticommunistische Baathpartij bovendrijven. Dat leidde in 1963 al op een slachting van ettelijke duizenden communisten. Vanaf 1968 consolideerde die partij een politiestaat – maar ook daar maakte staatsgeleide industrialisatie, opbouw van onderwijs en gezondheidszorg en verbale confrontatie met het Westen deel uit van het pakket. De glans daarvan verdween tijdens de oorlog met Iran, toen al privatiseringen op gang kwamen, en vooral na de Golfoorlog van 1991.

Tegen die tijd was in andere landen de terugtocht allang ingezet. Bureaucratische inefficiëntie en economische isolatie ondermijnde de economische groei, en daarmee de mogelijkheid om sociale vrede te kopen. Onder Sadat, opvolger van Nasser, was Egypte vanaf 1972 een pro-Westerse koers ingeslagen die later door Mubarak werd voortgezet met steeds meer invloed voor marktwerking, met privatiseringen en prijsstijgingen. In Syrië greep in 1970 luchtmachtofficier Assad, de vader van de huidige slager, de macht, maakte een einde aan sociaal-radicale trekjes die het bewind in de late jaren zestig had gekregen en gaf ook meer ruimte aan privébedrijven en dergelijke. Laatkomer Kadhafi verpakte in de jaren zeventig en tachtig zijn staatskapitalisme met een pseudoradicale ideologie, en bestuurde via ogenschijnlijk democratische volkscomités – en met zijn veiligheidsdienst.. Internationaal isolement en dreigende Westerse taal rond massavernietigingswapens en Lockerbie deed het regime bijdraaien. Vanaf 2004 waaide in dat land ook een pro-Westerse wind, met investeringen door multinationals en dergelijke. Het ‘Arabische socialisme’ en de bijbehorende ‘revolutie’ was haar laatste bolwerk kwijt.

Dit hele begrip ‘revolutie’ werd dus losgelaten op een van bovenaf opgelegd en doorgedrukt proces. Ja, er waren drastische sociale veranderingen, die je eventueel metaforisch als ‘revolutie’ kunt aanduiden. Maar vaneen revolutie in de zin van een door grote volksbewegingen van onderop doorgedrukte maatschappelijke veranderingen, was geen sprake. Dat is bij de huidige ontwikkelingen heel anders. En er zijn mensen die de huidige opstandsgolf aanduiden als een voortzetting van wat toen begon, maar nu wel van onderaf. In de jaren vijftig begonnen Arabische staten hun onafhankelijkheid tegenover Westerse mogendheden te veroveren, en hun landen te moderniseren. Nu begonnen Arabische bevolkingen hun eigen onafhankelijkheid te veroveren, tegenover hun ‘eigen’ regimes, die ook werd verweten dat ze zich als verlengstuk van Westerse belangen opstelde. Eén van de thema’s die in de Egyptische opstand een rol speelde, was en is wel degelijk het verwijt dat Mubarak veel te lief was tegen Israël. Zo hielp Egypte met de blokkade van Gaza, iets waar nu onder druk van de Egyptische opstand een gedeeltelijk einde komt.

Het antizionisme van met name de Egyptische omwenteling kunnen we met reden beschouwen als een thematische voortzetting van de ‘Arabische Revolutie’ vanaf de jaren vijftig. Daar mag dan wel bij dat drie maanden demonstreren in Egypte meer concreets voor onderdrukte Palestijnen heeft gedaan dan drie decennia spierballenpolitiek van Arabische regimes. Er ís nu een deuk in de Gaza-blokkade geslagen, en de Israëlische nervositeit vanwege de omwenteling in vooral Egypte is tastbaar. Maar afgezien van deze thematische continuïteit vallen toch vooral verschillen tussen destijds en nu op. Het huidige proces komt in hoge mate van onderop, vanuit bevolkingen zelf. Dat is iets heel anders dan de vorming van een reeks moderniserende maar zeer autoritaire regimes. Sterker nog: die regimes waren zonder uitzondering politiestaten – precies het soort politieke formaties waar de huidige opstandigen vanaf willen: ‘Het volk eist de val van het regime’, nietwaar? Toen die politiestaten van staatskapitalistische weldoeners hadden omgevormd tot neoliberale ondernemersparadijzen, werden ze zelfs afgewezen door mensen dei bijvoorbeeld Nasser hoog hadden zitten. In die zin is de huidige opstandsgolf geen voortzetting, maar eerder een aanval op die ‘Arabische revolutie’ van destijds, althans op haar politiek-bestuurlijke zeer autoritaire erfenis.

De huidige protestbewegingen zijn begonnen in Tunesië, ze vonden met de opstand in Egypte een volgend hoogtepunt, en hebben de afgelopen maanden gewoed in bijna alle a landen die aangeduid worden als ‘de Arabische wereld’. In vogelvlucht: herhaaldelijk demonstraties voor democratische hervormingen in Algerije, Marokko, Jordanië en ook Koeweit. Rellen en demonstraties eerder dit jaar in Algerije. Kleinschalig protest in de Verenigde Arabische Emiraten. Betogingen voor hervormingen, maar opvallend vaak ook arbeidersprotesten voor een beter levenspeil, in Oman. Een volksopstand in Bahrein, bloedig neergeslagen met hulp van Saoedische soldaten. Kleinschalige protesten van wel zeer dappere demonstranten in Saoedi-Arabië. En een tweetal, met bloedig staatsgeweld beantwoorde volksopstanden, één in Jemen en één in Syrië. De enige Arabische landen waar nog geen merkbaar protest geweest is, is Qatar en Libanon. De hele met ‘Arabische wereld’ aangeduide regio kende of kent nog steeds opstandigheid. ‘Arabische lente’ en ook Árabische revolutie’ verwijzen naar die realiteit.

Maar een nadere kijk lat zien dat dit toch geen gelukkige uitdrukkingen zijn, dat de gebeurtenissen niet specifiek ‘Arabisch’ zijn. Dat is te verhelderen door bijvoorbeeld naar Marokko te kijken. Daar wordt vanaf 20 februari periodiek gedemonstreerd tegen autoritair bestuur, tegen corruptie, voor meer democratie. Eén van de eisen in een dele van het land betreft de rechten van Tamazigh, bij niet-Tamazigh beter bekend als Berbers. Mensen op een solidariteitsactie in Amsterdam liepen bijvoorbeeld met Tamazigh-vlaggen, en eisten gelijkberechtiging voor het Tamazight, de taal van Tamazigh. Welnu, het Tamazight is géén Arabisch, de Tamazigh kunnen niet zomaar als ‘Arabieren’ worden aangeduid. De strijd in Marokko is een strijd van Arabisch-sprekende én Tamazight-sprekenden samen, en het is slordig en weinig attent om dit onder de Arabische paraplu aan het oog te onttrekken. Tamazigh wonen ook in Libië, in het westelijk berggebied. Daar leveren ze strijd tegen het Kadhafi-bewind dat deze bevolkingsgroep terroriseerde met iets dat wel als etnische zuivering is aangeduid. Ook de Libische revolte is dus niet zomaar een ‘Arabische opstand’.

Meer oostwaarts zien we soortgelijke aspecten. Erg weinig aandacht hebben in maart de protesten gekregen in Irak. Maar die protesten ware omvangrijk en hardnekkig, gericht tegen een bestuur dat geen voorzieningen voor de bevolking wist te garanderen, acties die “nu en dan het karakter van klassenstrijd aannamen, met arme demonstranten die schoon water, elektriciteit en banen eisten.”  In zeker één stad werd wekenlang dag na dag gedemonstreerd. Die stad was Soeleimania, in het Noorden, en de opstandige bevolking daar is overwegend Koerdisch. De protesten richten zich tegen politici van twee Koerdische partijen. Het gaat niet om etnisch-gedreven protest, het gaat om motieven die volstrekt verwant zijn aan datgene wat in Tunesië en Egypte de mensen in opstand bracht. Maar het protest is een teken dat het niet om een Arabisch fenomeen gaat hier. Koerden spreken een heel andere, niet-Arabische taal. Ook in Syrië nemen Koerden deel aan de protesten. Ook daar gaat het niet, en zeker niet primair, om Koerdisch separatisme of iets dergelijks. Oppositiekrachten proberen nadruk te leggen om het gezamenlijke doel: strijd tegen de dictatuur. Maar in Irak en in Syrië kun je de opstandsbeweging dus niet rechtmatig als ‘Arabisch’ afdoen, want het gaat om bewegingen van mensen uit meerdere bevolkingsgroepen. Soms poogt het Syrische regime een nationalistische truc uit te halen, door zich breed te maken als Arabisch-nationalistisch regime. Nee, is dan de strekking van de oppositiehouding, het gaat om álle Syriërs tegenover het bewind. Ook dat heeft nationalistische ondertonen, maar toch een meer inclusief, minder etnisch-gedacht nationalisme. En het is alweer een teken hoe ontoereikend het etiket ‘Arabisch’ in de ontwikkelingen is.

De geografische reikwijdte van de revoltes maakt dat nog duidelijker. In maart waren er serieuze demonstraties in Iran, nadrukkelijk géén Arabisch land. De protesten waren een voortzetting van de grote demonstraties tegen het repressieve verkiezingscircus in 2009, maar getimed als solidariteitsbetuiging met opstanden in Egypte. De demonstraties zijn neergeslagen, maar er komen af en toe berichten van stakingen uit Iran. En president Ahmedinejad heeft grote ruzie met ander functionarissen van het bewind, zelfs met religieus leider Khamenei. Mij zou een nieuwe explosie in dat land, nu de herdenking va dat verkiezingscircus nadert, niet verbazen. Even verderop in de regio, in de Kaukasus, woedt inmiddels ook opstandigheid.; in Azerbeidzjan, in Armenië en ook in Georgië zijn forse demonstraties geweest tegen de regeringen, vaak met politiegeweld beantwoord. In geen van deze landen spreekt de bevolking een Arabische taal. In Georgië en Armenië is de meerderheid ook nog eens christelijk, waarmee nóg een culturele grens is doorbroken.

Intussen heeft de golf van protest ook voet aan de grond gekregen in meerdere Afrikaanse landen. In Swaziland zijn grote demonstraties geweest tegen de monarchie, die wel geld heeft om haar jubileum te vieren maar niet voor behoorlijke salarisbetaling. Oproerpolitie viel herhaaldelijk hardhandig actievoerders aan. In Oeganda verwees een oppositieleider zelfs expliciet naar opstand in Egyptische stijl als hij wegens fraude wederom verkiezingen verloor Bereikt-de-revolutie-Oeganda.dhtml. De verkiezingen verloor hij inderdaad, het bewind van Museveni had de verkiezingen naar zijn hand gezet met repressie. Aanvankelijk bleef de oppositieleider passief. Maar later kamen er protesten tegen prijsstijgingen en haakte hij daarbij aan. Er volgden felle botsingen met hard optredende politie: een vleugje volksopstand . Die zette niet door, maar er worden sinds die tijd wel af en toe stakingen gemeld, afgelopen week nog in een theefabriek. Intussen is in Botswana al wekenlang een grote ambtenarenstaking gaande, met staatsrepressie beantwoord. Op een vakbondscongres is zelfs gediscussieerd of ‘regime change’ – een foeilelijk, van imperialisten afkomstig, maar in dit verband toch veelbetekenend woord voor verdrijving van regeringen – inzet van vakbondsactie zou moeten zijn. Men vond veelal van niet, maar toch… Een rechtstreekse verwijzing naar bijvoorbeeld Egypte is niet merkbaar, maar iets van verband is aannemelijk. De staking is enkele dagen geleden opgeschort, na acht weken. Intussen is er ook in Burkina Fasso flink protest geweest, waarbij de inmiddels welbekende vergelijking met een verder noordelijk gelegen Afrikaans land opdook, waarbij overigens s betwijfeld werd of het daadwerkelijk een ‘Egyptisch scenario ‘werd.

Verwijzingen naar de Egyptische opstand zagen we een continent verderop, bij de grote protesten tegen de wetgeving die in de Amerikaanse staat Wisconsin arbeiders en vakbonden van allerlei rechten probeert te beroven. Misschien nog duidelijker is het verband tussen de revoltes in Noord-Afrika en de protesten in Spanje en Griekenland. Die richten zich tegen bezuinigingsbeleid, en tegen zo ongeveer de hele politieke top. Ze hanteren een actiemiddel dat we kennen uit Caïro: pleinbezettingen, dag na dag volgehouden. Op die pleinen zien we vervolgens wat we op het Tahrir-plein en de Pearl-Rotonde ook zagen: comités van mensen die zelf voedselvoorziening, hygiëne, communicatie en dergelijke gingen regelen. In deze Europese landen zien we bovendien bijeenkomsten van mensen in actie op het plein, zogeheten assemblees, waarmee geprobeerd wordt een direct democratische organisatievorm te hanteren. Net als de revoltes in Iran, de Kaukasus en diverse Afrikaanse landen kunnen we hier een uitbreiding van de opstandsgolf waarnemen, vér buiten de (niet eens exclusief-)Arabische regio zelf. Het begrip ‘Arabische Lente’ of ‘Arabische revoluties’, mits strikt toegepast, is misschien niet helemaal zinloos. Maar als term om de breedte en daarmee het wereldhistorische belang van de explosie van revoltes te typeren, lijken beide woorden me veel te beperkt.

Met de assemblees van Spanje en Griekenland zijn we impliciet bij die andere vraag aangekomen. Hoe terecht is het om de gebeurtenissen aan te merken als revoluties? Volslagen revoluties zoals antiautoritaire revolutionairen dit beogen – diepgaande veranderingen van de gehele maatschappijstructuur, politiek, economisch sociaal en cultureel – zijn het niet. De staat is niet opgedoekt, het kapitalisme niet ten val gebracht. Al mogen we daar met voorzichtige hoop aan toevoegen: nóg niet. Maar de gebeurtenissen afdoen als puur oppervlakkige veranderingen zonder diepgaande betekenis, is zeer onterecht. Daarmee doen we zowel de resultaten als de ambities van de miljoenen demonstranten, stakers en straatvechters ernstig tekort. Wat is er bereikt, en wat wordt er nog steeds geprobeerd?

In twee landen, Tunesië en Egypte, hebben straatprotesten en stakingen een dictator helpen verdrijven. Maar er is meer gebeurd dan dat. De staatspartij CDR in Tunesië is ontbonden, de NDP in Egypte zwaar ontregeld. In beide landen heeft het vernieuwde bewind zich genoodzaakt gezien om de veiligheidsdienst te sluiten. De perscensuur is niet volledig verdwenen, wel flink teruggedrongen. Politici van het oude bewind hebben het veld geruimd, zijn in enkele gevallen gearresteerd. Tegen zowel Moebarak als Ben Ali lopen aanklachten in beide landen is de weg ingeslagen naar verkiezingen met meerdere partijen en ruime campagnevrijheid. Er is nog steeds repressie, demonstranten maken nog steeds afschuwelijke dingen mee van politiezijde, vooral in Egypte,. Maar er is toch wel heel aanzienlijk, verschil met de situatie voordat de dictators vielen. Beide landen zijn bezig een soort gammele parlementair-democratische staten te worden, met beperkte maar niet geheel illusoire democratische vrijheden. Dat laatste – de ruimte om voor je belangen, rechten en verlangens op te komen – is de belangrijkste overwinning in deze twee landen. Ik denk dat het woord ‘revolutie’ voor deze door de opstandige menigte bevochten politieke verandering niet misplaatst is. Het is wel een nog vooral tot de politieke sfeer beperkte verandering, een politieke revolutie. En zelfs die is niet bepaald voltooid: generaals kunnen, in samenspraak met conservatieve moslim-partijen en/ of CIA en Pentagon, nog altijd proberen ‘de orde te herstellen’ en een contrarevolutie doorvoeren.

Of dat lukt hangt er vooral vanaf hoe effectief mensen de politieke vrijheden benutten. In Tunesië maar vooral in Egypte vonden en vinden ware actiegolven plaats, in bedrijven en bestuursinstellingen. De Tunesische stad Bizerte werd volgens een verslag van de radicale vakbond CGT in april nog steeds bestuurd door een revolutionair comité dat langs lijnen van directe democratie trachtte te opereren. Personeelsleden in allerlei bedrijven en instellingen in Egypte eisten het vertrek van handlangers van het oude bewind uit bestuursfuncties. Mensen eisten dat corrupte functionarissen opstappen. Mensen eisten hoger loon. Mensen eisten het in vaste dienst nemen van mensen met flexcontracten. Mensen eisten erkenning van inmiddels opgekomen onafhankelijke vakbonden. Arbeiders, studenten, scholieren, boeren voeren actie, staken, demonstreren, houden sit-ins. Dat gaat nog steeds door, en dat is van groot belang. In de eerste plaats maakt het de bereikte democratische vrijheden steviger. De beste manier om vrijheid te behouden is de vrijheid te gebruiken om meer rechten en vrijheden te winnen. Demonstratie-en stakingsrecht – bedreigd door wetgeving van het nieuwe regime – wordt verdedigd door er succesvol hardnekkig gebruik van te maken. En dat gebeurt op grote schaal.

In de tweede plaats geeft deze strijd de revolutie ook een sociale dimensie. Mensen kwamen tegen de dictators in opstand, vanwege de onvrijheid, maar ook vanwege corruptie en armoede terwijl; de top zich verrijkte. Nu de dictators zijn opgekrast, willen mensen ook daadwerkelijk een beter leven. De revolutie treedt buiten haar politieke bedding, en wordt impliciet sociaal en economisch. De opkomst van linkse partijen en organisaties, van vakbonden, van revolutionaire volkscomités, tijdens en na de opstand, past in deze trend. Je hebt in Egypte sociaaldemocraten, meerdere groepen van trotskisten, een bredere arbeiderspartij waar sommige van deze trotskisten actief in zijn, en intussen ook minstens één anarchistische groep, de Libertair Socialistische Beweging. Het is allemaal fragiel, embryonaal veelal. Maar de opkomst van linkse stromingen, en vooral van onafhankelijke arbeidersstrijd en- organisatie biedt uitzicht op een versterking en verdieping van het revolutionaire proces waar ook de genoemde comités op bijvoorbeeld het Tahrir-plein teken van waren. Vormen van directe democratie, comités en dergelijke, zagen we niet alleen daar, maar bijvoorbeeld ook in Bahrein op de Pearl Rotonde, en in het oosten van Libië met de voorlopige comités die opdoken toen daar het bewind van Kadhafi door woedende menigten omver was gegooid. Dit soort stappen richting direct-democratisch zelfbestuur was teken dat mensen weliswaar vaak de gangbare indirecte democratie als doel stelden, maar in hun middelen veel verder gingen, veel radicaler waren dan dat. Ook dat is een revolutionaire dimensie aan de ontwikkelingen, een antiautoritaire dimensie.

In andere landen zien we soortgelijke ontwikkelingen, maar veelal veel minder verregaand. Daar moeten immers de dictators zelf nog verdreven worden, daar is de politieke dimensie nog dominant. Toch zien we her en der ook soortgelijke symptomen van radicalisme. In Syrië opereren intussen ook ondergrondse comités, waarmee iets van zelforganisatie tot uiting komt. In de Syrische stad Hama is vorige week ook een driedaagse staking uitgeroepen. In Jemen zijn, naast de aanhoudende demonstraties en schietpartijen, ook arbeidersprotesten geweest. In Oman zijn arbeidersprotesten hee opvallend op de voorgrond getreden, de strijd is daar voor een flink deel expliciet sociaal. Oliearbeiders eisen zelfs het vertrek van de officiële vakbond omdat die hu rechten niet goed verdedigt. Er is daar een nadrukkelijk sociaal radicalisme in werking. We kunnen vermoeden dat de val van de regies in Jemen en Syrië – als westerse interventie het revolutionaire proces daar tenminste niet in contrarevolutionaire richting weet te manipuleren – soortgelijke uitbarstingen van arbeidersstrijd naar voren zullen komen als in Egypte. Al is vooral in Jemen het gewicht van traditionalistische instituties – stamverbanden en dergelijke – wel sterk. Dat maakt de toestand anders dan in het veel grondiger verstedelijkte Egypte en Tunesië. Zeer bemoedigend in Jemen is wel de opvallend forse deelname van vrouwen aan de protesten. Toen president Saleh daar schande van sprak, was re reactie fel. Ook dat is symptomatisch voor de diepgaande revolutionaire betekenis van de gebeurtenissen.

We zien – ook in de demonstratiegolven in landen waar nog geen grootschalige volksopstand woedt – wel degelijk een revolutionaire dynamiek. Die richt zich op het veroveren van politieke vrijheden en rechten, hetgeen door veel mensen wordt opgevat als het vestigen van de liberaal-democratisch staatsbestel. Dat vergt, gezien de felle weerstand van machthebbers, al een zodanige strijd dat we gerust van revolutionaire strijd mogen spreken. De omvorming van dictatuur – of half-democratie – in een liberale democratie met ruime democratische rechten, bereikt via omvangrijke en doorslaggevende strijd van onderop – valt best aan te duiden als een politieke revolutie. De strijd om de vrijheden verder uit te breiden, te verbreden en te verdiepen, tast echter vroeg of laat de staat zélf, maar ook de sociale en economische structuren van de kapitalistische macht, aan. Dat geeft de revolutie een diepere politieke én een sterke sociale dimensie. Van de vraag hoe succesvol die verbreding en verdieping van de strijd is, hangt h het verdere succes van deze revoluties af. Politieke revolutie is immers geen werkelijke garantie voor een vrijheidsstrijd die zo duidelijk onderhuidse antiautoritaire en antikapitalistische dimensies heeft.

(1) Twee marxisten die het begri ‘Arabische revolutie’ hanteren in op zichzelf interessante beschouwingen zijn: Alex Callinicos, “The Return of the Arab Revolution”, in International Socialism Journal 130, april 2011; en Moshe Machover, “The Long Road to the Arab Revolution”, in Weekly Worker 859, 31 maart 2011.

Advertenties

2 Responses to Arabische revoluties?

  1. Nexus schreef:

    Jammer dat in dit stuk op geen enkele manier de invloed van inlichtingendiensten zoals de CIA en de MOSSAD besproken wordt. Deze organisaties steunen rebellen die zelfs in Syrie de eigen bevolking afslachten, met name in het Zuiden van Syrie omdat daar veel donkere mensen wonen. Deze beelden worden via mainstream verspreid als zijn de beelden van militairen die andere militairen doodschieten omdat ze niet hun eigen bevolking willen doodschieten.
    In Libie is een soortgelijke strijd aan de gang. U schrijft hier dat het hele volk van de dictators afwil maar ik kan dit nergens ontdekken, zeker in Syrie niet. De oppositie is daar erg klein en gewelddadig en zorgt voor de meeste ellende. Clusterbommen die Ghadafi zou hebben laten droppen bleken van de VS afkomstig en de mijnen die Ghadafi rond steden zou laten leggen worden nota bene door de rebellen zelf gelegd en zijn tevens van Amerikaanse afkomst.

    Dit stuk zie ik dan ook als een gatekeeperstukje, bedoeld om de regimes zwart te maken en de rol van het Westen te verbloemen.

    Een gemiste kans dus om eens de waarheid neer te pennen.

    Kom maar eens kijken op mijn site en verbaas je over de goed onderbouwde informatie die je een ander Westen laat zien.

  2. Nexus schreef:

    Dit is andere koek, de spijker op de kop. Niets Arabische lente of revolutie maar duidelijk de vinger op de zere plek gelegd. ik hoop dat u er iets mee kunt.

    De geheime Amerikaanse steun aan de Syrische oppositie
    In het artikel “U.S. secretly backed Syrian opposition groups” in The Washington Post van 18 april 2011 beschrijft Craig Whitlock de geheime Amerikaanse steun aan de Syrische oppositie.

    Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken financiert Syrische oppositiepartijen en aanverwante projecten, waaronder een satellietkanaal dat bekend staat voor zijn anti-regeringsprogramma’s, aldus geheime diplomatieke informatie die werd gelekt.

    Het geld voor Syrische oppositiefiguren begon te stromen onder president George W. Bush, na de bevriezing van de politieke banden met Damascus in 2005. Deze financiering loopt gewoon door onder president Barack Hussein Obama, ook al stuurde zijn administratie aan op betere relaties met president Assad. In januari 2011 stelde het Witte Huis een ambassadeur aan te Damascus voor het eerst in zes jaar tijd. Op 8 mei 2011 verzamelden zich honderden studenten voor zijn residentie om te betogen tegen de Amerikaanse bemoeienissen in Damascus. Zo snel gaat de politiek in het Midden-Oosten. En dit omdat de Amerikanen zo nodig oppositiekanaal Barada TV moesten steunen.

    Propagandazender Barada TV

    Barada TV begon met uitzendingen in april 2009, maar ging in verhoogde versnelling met het berichten over “massale demonstraties in Syrië” als een campagne om het regime omver te werpen. Volgens mensenrechtenorganisaties werden “grote aantallen mensen gedood door de Syrische veiligheidsdiensten van president Assad” sinds de demonstraties begonnen op 18 maart 2011. Syrië zegt dat het geweld wordt uitgelokt door gewapende bendes.

    Barada TV is nauw verbonden met de Movement for Justice and Development, een netwerk van Syriërs in het buitenland met als basis Londen. Deze groepering kreeg 6 miljoen dollar sinds 2006 om de propagandazender op te richten en voor andere anti-Assad activiteiten in Syrië. Het kanaal is genoemd naar de Barada rivier, die door het hart van de Syrische hoofdstad Damascus loopt.

    Amerikaanse diplomaten aanzien de leiders van de Movement for Justice and Development als “liberale, moderne islamisten”. Het gaat om voormalige leden van de Moslimbroederschap.

    Malik al-Abdeh, Barada TV’s nieuws-directeur, doet alsof zijn neus bloedt als wordt gevraagd of de zender wordt gesteund door president Obama. De zender zendt 24 uur per dag uit, maar heeft vele herhalingen. De bijzonderste programma’s zijn “Towards Change,” een panel discussie over de huidige gebeurtenissen en “First Step,” een programma dat wordt gemaakt door een groep Syrische dissidenten in Amerika.

    Ausama Monajed, een Syrische banneling in Londen, die werkte als producent voor Barada TV en de mediacontacten verzorgde voor de Movement for Justice and Development, houdt zich nu voltijds bezig met het verzenden van – meestal getrukeerde – video’s van de oppositie naar alle media in de wereld. En zo wordt het Amerikaans geld dus gebruikt voor massale propaganda tegen de Syrische president en zijn Baathpartij.

    Amerikaans geld voor Syrische ballingen

    Geheime Amerikaanse diplomatieke documenten van de ambassade in Damascus maken duidelijk dat Syrische ballingen geld krijgen via het programma Middle East Partnership Initiative van het Amerikaans ministerie van Buitenlandse Zaken.

    Het geld gaat naar de ballingen via de Democracy Council, een NGO met basis in Los Angeles. Zij ontvingen 6,3 miljoen dollar voor het project “Civil Society Strengthening Initiative” of in mensentaal de financiering van producties van de zender Al Barada. In totaal zou Middle East Partnership Initiative minstens 12 miljoen dollar fondsen hebben overgemaakt voor diverse Syrische programma’s van de oppositie in de periode 2005-2010 aldus gelekte informatie uit de Amerikaanse ambassade in Damascus.

    Rol van Aljazeera

    Het meest duidelijk kwam de destabilisatie campagne tegen Syrië naar boven door het ontslag van Ghassan Ben Jeddo, de meest bekende Aljazeera journalist en bureauchef in Beiroet (Libanon). Ben Jeddo nam ontslag uit protest tegen de eenzijdige berichtgeving door de zender en in het bijzonder “de smeercampagne tegen de Syrische regering” die Aljazeera veranderde in een “propaganda uitlaat”.

    Het is goed om te weten dat Aljazeera nooit melding maakt van de militaire luchtmachtbasis van het Amerikaanse Centrale Legercommando in Qatar. Onbemande vliegtuigen (drones) stijgen dagelijks op van die basis voor opdrachten in de regio. Qatar zond eveneens vliegtuigen om deel te nemen aan de V.S./NAVO-bombardementen op Libië.

    Aljazeera zal je ook nooit horen spreken over het feit dat 94 % van de arbeid in Qatar wordt verricht door buitenlandse werkslaven zonder fatsoenlijk loon of enige rechten. Ook de massale en bloedige onderdrukking van sjiitische demonstranten door Saudische soldaten in het naburige Bahrein worden verzwegen.

    Sara Flounders

    Volgens Sara Flounders in Global Research van 8 mei 2011 werkt Qatar nauw samen met het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken voor de steun van de Amerikaanse interventie in de regio. “Qatar was één van de eerste Arabische staten, en de eerste onder de Golfstaten om relaties aan te knopen met Israël. Tijdens de Israëlische bombardementen op de Gazastrook, annuleerde het deze banden, maar sindsdien bood het aan om deze te vernieuwen.”

    Founders zegt: “De CIA en de National Endowment for Democracy zijn experts geworden in het gebruik van een spervuur van sociale media zoals Facebook, Twitter en Youtube om geviseerde overheden met miljoenen verzonnen berichten, wilde geruchten en beelden te overweldigen.”

    Ze verwijst naar de valse berichten over Syrische troepen die elkaar bekampten, wat door gewezen Majoor-Generaal al-Rifai werd tegengesproken en de leugens over een de verplaatsing van het Hamas-kantoor van Damascus naar Qatar.

    Geruchten, anonieme berichten op internet en satelliettelevisie rapporten zijn gericht op het benadrukken van sektarische verschillen en vormen een onderdeel van de destabilisatie campagne.

    De reden waarom men aanstuurt op een regimewissel in Damascus? Syrië is één van de enige Arabische landen die geen relatie heeft met Israël. Verschillende Palestijnse verzetsgroeperingen hebben kantoren-in-ballingschap in Syrië, waaronder Hamas. Syrië is een nauwe bondgenoot met Iran en Hezbollah in Libanon.

    Syrië is een seculiere staat waar geen enkele religieuze groepering de andere domineert. Grote industrieën en bronnen werden genationaliseerd in de jaren 1960 en 1970. Gezondheidszorg, een goede levensstandaard en onderwijs werden gegarandeerd.

    Half miljoen Palestijnen

    Syrië ving de voorbije 63 jaar 500.000 Palestijnse vluchtelingen en hun afstammelingen op. Hun levensomstandigheden zijn merkelijk beter dan deze in de omliggende landen, omdat in tegenstelling tot Libanon en Jordanië gezondheidszorg, onderwijs en huisvesting toegankelijk zijn voor Palestijnen in Syrië.

    Anderhalf miljoen Irakezen

    Waar de media het ook nooit over heeft. De enorme huisvestingsoperatie door Damascus om 1,5 miljoen Iraakse ontheemden in een land op te vangen dat nauwelijks eigen natuurlijke bronnen heeft. In grote delen van Syrië heerst er bovendien waterschaarste en enorme droogte. Syrië is afhankelijk van het water via Turkije, die dit duur verkoopt aan zijn buren.

    Op 11 mei 2011 nam het Syrische kabinet een reeks bijkomende maatregelen tegen de droogte in het oosten van het land. Er komen werkmogelijkheden en alternatieve vormen van inkomen voor de getroffen families. Zo zullen 7.500 kleinschalige projecten worden ondersteund rond kippenkwekerijen, vee, de voedingsmiddelenindustrie en handwerk. Er komt ook moderne irrigatieapparatuur en water bevoorrading met vrachtwagens. Eerder kregen getroffen landbouwers reeds financiële ondersteuning van president al-Assad.

    Door de massale instroom van Iraakse vluchtelingen stegen de voedselprijzen en basisgoederen met 30 procent, de prijzen van eigendommen met 40 procent en de huishuur met 150 procent. De Amerikaanse oorlog in Irak zorgde ervoor dat 25 % van de bevolking op de vlucht sloeg. De V.S. gaf slechts een beperkt aantal Irakezen asiel en betaalde slechts de prijs van één dag oorlog ter compensatie aan de VN-organisatie voor de Iraakse vluchtelingen. Amerikaanse sancties tegen Damascus zorgden voor een nog grotere economische terugval.

    Amerikaans imperialisme zorgt voor instabiliteit

    Washington beweert dat het is bezorgd over de instabiliteit in Syrië. Maar het VS-imperialisme als systeem wordt gedreven tot het creëren van instabiliteit. De overweldigende dominantie en macht van de militaire- en oliebedrijven in de Amerikaanse economie en de enorme winsten van militaire contracten versterken eindeloos de stimulans om militaire oplossingen te zoeken.

    Elke verklaring van de Syrische regering erkent het belang van interne hervormingen met behoud van de nationale eenheid in een uiterst divers land, dat historische verschillen kent in religie, stammen en regio’s en nu bijna 2 miljoen vluchtelingen heeft.

    De diverse nationaliteiten, godsdiensten en culturele groeperingen in Syrië hebben het volste recht om deel te zijn van dit proces. Maar wat ze het meest nodig hebben is een einde aan de voortdurende, niet aflatende Amerikaanse interventie.

    DE WERKELIJKHEID VAN DE GEBEURTENISSEN

    De Amerikaanse professor Internationaal Recht, Franklin Lamb, zegt dat de Amerikaanse administratie één van de bijzonderste factoren is achter het opzet en de financiering van de crisis in Syrië. Hij voegde er aan toe dat de Verenigde Staten nadien tot het besef kwamen dat ze er geen belang bij hebben dat wanorde aan de dag is in Syrië.

    Lamb zei in een vraaggesprek met de Syrische televisie dat het land de crisis zal overleven. Ook hoopt hij dat het Amerikaanse volk een beleid van algemene boycot tegen Israël zal aannemen, gezien zij door de gebeurtenissen in Syrië levendiger dan ooit zijn. De professor voegde er aan toe: “Het Amerikaans parlement is niet de effectieve vertegenwoordiging van de Amerikanen. Het werd gekocht door de zionisten (politieke leidende stroming in Israël die achter de bezetting en onderdrukking van het Palestijnse volk staat). De strijd van de Amerikanen is gelijklopend met deze van de Syriërs en de Palestijnen die Palestina willen bevrijden. Wij moeten onze regering bevrijden en de principes en de tijden terugwinnen toen wij geen vijanden hadden in het Midden-Oosten.”

    Rusland zegt “net” tegen buitenlandse inmenging

    De Russische minister van Buitenlandse Zaken, Sergei Lavrov, waarschuwde op 13 mei 2011 tegen een buitenlandse interventie in Syrië en riep de Syrische oppositie op om geen herhaling te wensen van het “Libië-scenario”.

    “We zijn erg bezorgd dat het proces van verzoening, het proces van de start van de dialoog – alle gezonde krachten in Syrië met inbegrip van het Syrische leiderschap zijn daar voorstander van – wordt afgeremd door een wens van sommige deelnemers om buitenlandse krachten aan te trekken ter ondersteuning van hun acties,” aldus Lavrov tegen Russische persbureaus.

    “Het is heel jammer dat de Libische situatie een enorme verleiding is voor veel leden van de oppositie om in die regio een soortgelijke situatie te maken en zij verwachten dat het Westen niet afzijdig, maar zich actief zal mengen in het conflict in het voordeel van een van hen.”

    “Enorm vergrootglas”

    In een interview met het dagblad Moskovskie Novosti beklaagde Lavrov er zich deze week over dat het westen de bereidheid van Rusland om samen te werken rond Libië misbruikt. Hij zei dat van nu af aan Moskou zou kijken naar eventuele pogingen van de VN om het gebruik van geweld toe te staan zal bekijken door middel van een “enorme vergrootglas.”

    Lavrov zei ook dat alle landen moeten ter verantwoording worden geroepen op de VN-Veiligheidsraad voor hun beleid. “Naar onze mening en de mening van landen zoals Brazilië, India, China en Zuid-Afrika voldoen de antwoorden van de coalitie op onze vragen niet volledig”. Het is duidelijk dat de V.S./NAVO-bommencampagne veel verder gaat dan wat binnen de VN werd afgesproken en dat dit deze landen bijzonder zwaar op de maag ligt. China zou grote energie-investeringen doen in het oosten van Libië, maar het land werd door steun van de internationale coalitie aan de Libische rebellen aldaar, verdreven. Het zullen nu Turken, Italianen, Britten, Amerikanen en Fransen zijn die de energiemarkt controleren. En China komt er niet bij aan te pas.

    Wellicht was dit ook het werkelijke doel van de interventie in Libië: rebellen van allerlei pluimage zwaar bewapenen, honderden eenheden speciale troepen activeren in Oost-Libie, Khaddafi bloedbaden verwijten via leugens op sociale media en dan met een bommencampagne de Chinezen verdrijven uit dit land.

    Volgens Champress van 12 mei 2011 zou Lavrov in Moskovskie Novosti ook gesproken hebben over concrete bewijzen dat de oppositie in Syrië van in het begin geweld gebruikt, welke het leven heeft gekost van burgers en veiligheidsagenten. Daaruit zou blijken dat de oppositie goed bewapend is en bij de Russische minister vragen oproept naar het streven van buitenlandse interventie. Rusland verzette zich samen met een meerderheid van de VN-veiligheidsraad tegen een veroordeling van Syrië.

    Fisk over de mediastilte inzake Bahrein

    De Britse journalist Robert Fisk verbaast zich in The Independent van 14 mei 2011 over Christopher Hill,. Deze voormalige Amerikaanse staatssecretaris voor Oost-Azië, die ook ambassadeur was in Irak beweert dat “de tijd dat een dictator het soeverein recht had om zijn mensen te misbruiken onaanvaardbaar is geworden” niet opgaat voor het soennitische koningshuis in Bahrein dat sjiitische demonstranten bloedig onderdrukte zonder dat de massamedia daar veel aandacht aan schonk. De al-Khalifas hebben geen problemen met de oppositiekrant Al-Wasat. Karim Fakhraw, één van de oprichters werd op 5 april 2011 aangehouden en stierf een week later in de gevangenis. Tien dagen later werd de columnist van deze krant, Haidar Mohamed al-Naimi, opgepakt. Hij is nog steeds vermist. Londen en Washington zwijgen als de dood over de gebeurtenissen in Bahrein.

    De V.S. heeft haar Vijfde Vloot in Bahrein. Dus is de nieuwe dagtaak van Hillary Clinton het demoniseren van het bestuur van de Syrische president. Geen woord over de taliban die steun kregen van Saudi-Arabië, de 9/11-daders die kwamen uit dat koninkrijk, dat bin Laden een Saudi was of dat de meest gruwelijke versie van de islam wordt beleden in Saudi-Arabië, waar al talrijke hoofden en handen zijn afgehakt. Neen, want er is te veel olie in het land van de familie Saud.

    Saudisch plan om Syrië te destabiliseren

    Op 28 maart 2011 schrijft Champress over een goed georganiseerd plan op Syrië te vernielen en chaos te veroorzaken in het land. Het idee komt van Bandar bin Sultan, de voormalige Saudische ambassadeur bij de Verenigde Staten, in samenwerking met de voormalige Amerikaanse ambassadeur in Libanon, “Jeffrey Feltman” om het bestuur in Syrië omver te werpen en Syrië terug naar het “stenen tijdperk” te brengen.

    Het lange gedetailleerde plan kwam in 2008 tot stand met een financiering van 2 miljard dollar, bestaande uit diverse onderdelen en precieze details die aanzienlijk kruisen met de incidenten van verstoringen die de stad Daraa onlangs heeft meegemaakt. Het plan zou zich organiseren rond netwerken van: 1) geschoolde en werkloze jongeren, 2) criminele bendes, 3) etnisch-sectarisch team van jonge ongeschoolden, 4) media netwerk en 5) hoofdstad (handelaren, bedrijven, banken).

    Het criminele tuig zou men zo trainen als sluipschutters en in het binnendringen van politiekantoren. En zo had elk netwerk zijn specifieke taak in het verstoren van de veiligheid en stabiliteit die Syrië reeds elf jaar kende onder president Bashar al-Assad.

    Profetische woorden in 1919

    Sir Arthur Hirtzel, hoofd van de Britse regering van het ‘India Office Political Department’ had in 1919 al profetische woorden over de westerse bemoeienissen rond Irak en Syrië op instructie van de Saudi’s.

    “Wat we willen hebben in het bestaan, wat we hadden moeten maken in deze tijd is een administratie met Arabische instellingen die we veilig kunnen verlaten, terwijl wij de touwtjes in handen hebben, iets dat niet veel zal kosten, dat de Labour-regering kan slikken in overeenstemming met haar principes, maar waaronder onze economische en politieke belangen veilig zullen zijn. […..] Als de Fransen in Syrië zullen blijven, moeten we voorkomen dat ze een excuus hebben voor het opzetten van een protectoraat. Als ze gaan, of als we tegenstand krijgen in Mesopotamië, is er altijd het risico dat [Koning] Faisal de Amerikanen zal aanmoedigen om beide landen over te nemen, en dient te worden bedacht dat de Standard Oil Company zeer gegeerd is om Irak over te nemen.”

    Elliott Abrams roert zich weer

    En natuurlijk zijn er mensen zoals Elliott Abrams, vice-nationaal veiligheidsadviseur onder George W. Bush, die het vuur nog wat aanport bij president Obama om krachtiger op te treden tegen Syrië. (National Review Online, 19 april 2011)

    Toenmalig Amerikaans vicepresident Dick Cheney en zijn ‘Witte Huis rechterhand’, Elliott Abrams, wilden een burgeroorlog tot stand brengen in Libanon door de Arabische Islamitische Majils van Libanon (een soennitische behoudsgezinde stroming van wahabieten en salafisten) te steunen als tegenpool voor Hezbollah. Als bondgenoten zag men naast Saudi-Arabië ook de Golfstaten, Egypte en Jordanië tegen de ‘As van het Kwade’ (Hamas/Hezbollah/Iran/Syrië).
    Het project kreeg wapens van de V.S. via de westersgezinde Libanese regering van Saad Hariri en Fouad Siniora, en financiële steun van Saudi-Arabië. Fatah-al-Islam was een voorproefje van deze extreme soennitische moslims en de Arabische Islamitische Majils van Libanon zijn ervan de actuele versie. Een burgeroorlog is gelukkig uitgebleven in Libanon, maar het blijft een kruitvat dat constant kan ontploffen.

    Mensenrechtenschendingen in Syrië

    Elliott Abrams verwijst in zijn aanklacht tegen het Syrische regime naar de grove mensenrechtenschendingen met details van alle mogelijke folteringen. Opmerkelijk want zijn eigen land past precies diezelfde tactieken toe in Guantanamo op Cuba, waar honderden mensen jarenlang onschuldig werden opgesloten en in het Afghaanse Bagram, de foltergevangenis die president Obama als één van zijn eerste beleidsdaden liet verdubbelen in omvang en daarvoor de nodige budgetten uittrok.

    En wat te zeggen over de foltergevangenissen in Israël, Bahrein, Egypte, Turkije, Jordanië, Saudi-Arabië, de Emiraten en al die andere landen in het Midden-Oosten? Er bestaat geen enkel land in de Arabische wereld waar mensenrechten niet massaal geschonden worden bij arrestaties. Dit is geen eenzijdig Syrisch verhaal van schendingen van mensenrechten, maar de dagelijkse praktijk van 22 landen in de Arabische wereld. Jammer genoeg.

    Ingrijpen omwille van mensenrechtenschendingen in Syrië en anderzijds 21 andere Arabische landen en Israël met rust laten getuigd van een enorme vooringenomenheid en onevenredigheid inzake het beleid. Bovendien komt men dan tussen in de interne politiek van een land en tot welke drama’s dat heeft geleid zien we nog dagelijks in Irak, Afghanistan, Pakistan (aanvallen door onbemande Amerikaanse vliegtuigen met vele burgerdoden) en Libië. Het is het openen van de doos van pandora, mocht dit nog niet geopend zijn door het Amerikaans imperialisme in de regio.

    Echte reden om Damascus aan te pakken

    Maar dan verklapt Elliott de ware reden voor de noodzaak van een interventie in Syrië: “Syrië is de enige bondgenoot van Iran (…) en de val van Iran’s bondgenoten in Damascus geeft ons meer mogelijkheden om dat land aan te pakken.”

    In een artikel in de Jordaanse krant Ad-Dustour schrijft de Jordaanse schrijver Fares al-Habashneh – volgens een citaat door Champress op 14 mei 2011 – “Iedereen in Syrië moet hier stoppen. Samenzweringen moeten instorten en de Syriërs horen luid te spreken. Er is geen plaats voor enige roep naar hervorming en vrijheid, tenzij deze afkomstig is van de Syriërs zelf. Een nieuwe fase wacht de Syriërs, waarvan de totale politieke vooruitzichten van de hervormingen onbeperkt zijn, omdat het Syrische regime dicht staat bij zijn volk,” aldus de conclusie van het artikel.

    Meteen een duidelijke oproep aan het westen om de Syriërs zelf te laten beslissen over hun toekomst in respect met de wetten en geplogenheden van het land. Niet de criminele bendes die het land afbreken, noch de zogenaamde “internationale gemeenschap” die het imperialisme steunt, hoort zijn dictaten te geven aan de Syrische burgers.

    De hervormingen door president Bashar al-Assad moeten versneld verder worden gezet in respect voor alle godsdiensten en inwoners van de Syrisch Arabische Republiek. De Syrische president heeft een duidelijk mandaat gekregen van de Syrische bevolking, die hem nog altijd met een enorme meerderheid steunt. Zeker in deze moeilijke dagen met bendes die het land ontwrichten en de buitenlandse sancties zonder een onafhankelijk rapport van de VN-mensenrechtenraad af te wachten.

    Het westen en de V.S. horen zich nu te focussen op het beëindigen van hun bezettingsoorlogen in Irak en Afghanistan en de ontmanteling van de foltergevangenissen in Guantanamo en Bagram. Laat zij zich daar op concentreren, dan kan Syrië terug een stabiel en vreedzaam land worden zoals voorheen zonder de buitenlandse inmenging.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: