Libische opstand en oorlog: ontknoping op handen…

zondag 21 augustus

Wederom staan opstandelingen voor de poorten van Tripoli. Wederom komen mensen in die stad zelf de straat op, trotseren de repressie en komen in opstand. Wederom is er een onbevestigd bericht dat Kadhafi de hoofdstad is ontvlucht. Het lijken we die dagen tussen 20 februari en begin maart, toen de val van het Libische bewind op handen leek. Is het nu dan eindelijk zo ver?

Voorzichtigheid is geboden bij het doen van voospellingen. Ik citeer: “Als de revolte zich in dit tempo blijft uitbreiden en verhevigen, dan is de verdwijning van Kadhafi een kwestie van uren of van dagen, maar niet van weken en zeker niet van maanden.” Welnu, dat was 21 februari, vandaag precies een half jaar geleden. Ik citeer nogmaals: “Dát het einde van het regime – toch veel later dan ik enkele weken geleden dacht – nu nabij is, lijkt me wel waarschijnlijk.” Dat was op 18 maart, iets meer dan vijf maanden geleden. Jazeker, de auteur van deze onjuiste inschattingen was ik. Het is wellicht aardig om eens te kijken hoe het zo heel anders is gelopen, en vooral ook waarom. Dan kunnen we op die basis … wéér een inschatting proberen de maken.

We gaan terug naar februari. Er circuleerde kort na de val van Moebarak al een Facebook-oproep om op 17 februari in actie te komen, maar een incident vervroegde het uitbreken van de opstand. Op 15 februari begonnen demonstraties in het oosten van Libië, meteen met repressie beantwoord. Die repressie ging vrijwel onmiddellijk al verder dan traangas. Kadhafi’s troepen schoten scherp en met dodelijk resultaat. Demonstranten trotseerden geweervuur, bestormden politiebureau’s, haalden agenten en soldaten over om naar de betogers over te lopen. Massademonstraties vormden zich binnen enkele dagen om tot een gewapende opstand. Binnen een paar dagen was de oostelijke stad Benghazi in handen van het verzet. De weken daarop gebeurde iets soortgelijks in de meeste steden van het oosten, en in enkele westelijke steden. In Tripoli braken demonstraties uit, maar die werden keihard neergeslagen. Eind februari had het bewind echter alleen nogeen solide greep op Tripoli en op Kadhafi’s bolwerk Sirte. In de rest van het land had de opstand gezegevierd of was de situatie onduidelijk.

Opvallend bij dit alles waren al snel een paar dingen. Dat de demonstraties zichzelf in gewapend verzet omvormden was aan de ene kant logisch; tegen dodelijk geweervuur zijn sit-ins op leinen ontoereikend. Het antwoord van de staat bepaalden het antwoord van opstandelingen en dwongen ze vrijwel de kant van gewapend verzet op. De revolte was in die zin een opstand van een volksbeweging tegen de staat van Kadhafi.

Maar er speelde nog iets anders. Al heel snel bleken agenten en soldaten tegen het bewind te kiezen en de opstand te helpen. Het betrof hier veelal licht bewapende troepen in het door het regime verwaarloosde oosten van het land . Een gevoel van regionale achterstelling speelde een rol. Belangrijk was ook het feit dat politie en leger niet de echte steunpilaren van het bewind waren. Kadhafi leunde op geheime dinst en enkele eliteregimenten, niet op de gebruikelijke staatsstructuren. Die gebruikelijke staatsstructuren kwamen nu zélf in opstand tegen dat deel van de staat dat daar als het ware bovenop zat. Het volk in opstand tegen de staat, maar dwars erdoor heen: een flink stuk van die staat in opstand tegen het bewind. Dat massale overlopen verzwakte het bewind. Maar het verzwakte tegelijk de revolutionaire kracht van de opstand, het leidde binnen de opstand ook meteen tot een groot overwicht van staatsfunctionarissen en daramee verbonden krachten. Het werd nu een groot deel van de staat enerzijds, tegen de kern van Kadhaffis’s staat anderzijds. Tussen volk en staat kiest een revolutionair voor het volk. Maar tussen een regime enerzijds en de rest van de staat anderzijds is de keus bepaald niet eenduidig. Beide processen liepen door elkaar.

In dit licht komt ook het snelle overlopen van ministers en diplomaten naar de opstand er wat anders uit de zijn dan ik oorspronkelijk inschatte. Ja, het was een teken van desintegratie van het bewind. Maar het past vooral óók in het zojuist geschetste plaatje waarin de mainstream van de Libische staat zich tegen het bewind keerde, op het moment dat de volksopstand de positie van dat bewind flink had verzwakt. Een groot deel van het machtsapparaat gokte op het winnende paard, althans… op datgene wat het winnende paard leek: een al snel door functionarissen van het bewind geleide opstand die steeds minder een volksopstand was.

Precies uit deze dynamiek valt ook de roep om interventie te verklaren die al snel uit Benghazi konk. Aanvankelijk wilden rebellen dit niet. Een poster waarin dit duidelijk werd gemaakt, werd eventjes wereldnieuws. Meteen kwamen de mitsen en de maren: het militair adwingen van een vliegverbod, en vervolgens het vragen om luchtaanvallen om Kadhafi te beletten om opstandelingen te bestoken en om Kadhafi te vermoorden… Dit weerspiegelde het perspectief van mensen die een volksopstand benútten wilden, om een machtswisseling aan de top te forceren en zelf in het zadel te komen. Deze lui – nogmaals: ministers, generaals, diplomate en dergelijke – zagen het zoeken van internationale steun bij ándere staten als een vrij logische stap. De brute repressie van Kadhafi, plus het feit dat kadhafi vroeger nogal eens ruzie had gehad met de Westerse staten, gaf deze krachten het handvat om nu Westerse steun binnen te slepen. Westerse staten verleenden, na aarzeling, die steun, om hun eigen machtspolitieke redenen. Maar dat konden ze alleen maar met enige geloofwaardigheid doorzetten omdat vanuit de inmiddels door doodgewone militairen, en voormalige regime-bureaucraten geleide verzet her met klem om werd gevraagd. Deze militairen en bureaucraten konden en/ of wilden hun kaart niet zetten op de enige kracht die van de opstand werkelijk een succesvolle revolutie zou kunnen maken, op de kracht vanopstandige massa’s in alle Libische steden. Zo’n kracht zou immers hun eigen machtspositie in de steden waar de opstand al had gewonnen, ondermijnen. Het volk had de opstand doen uitbreken. Maar het volk was meer en meer een instrument van een nieuwe leiding-in-wording geworden. Die leiding wilde de macht over het volk, en niet de macht van het volk.

Hoe was het gesteld met krachten in de opstand die dit perspectief van militarisme, regime wisseling aan de top en het inroepen van Westerse interventie hadden kunnen dwarsbomen? Er was in Libië niets dat in de buurt kwam van de progressieve, semi-ondergrondse netwerken die in Egypte al jaren aan de poten van de dictatuur zaagden. Er waren geen linkse groepen. Er was geen onafhankelijke vakbondsoppostie. Er was geen jarenlange aanloop va stakingen, zoals in het naburige Egypte. De oppositie in Libië bestond uit mensenrechtencomités van advocaten en dergelijke, en uit islamistische netwerken. Via ballingengroepen waren er bovendien nogal eens verbindingen met westerse geheime diensten, met name uit de tijd vóórdat Kadhafi weer in een goed – en goed geolied – blaadje bij de VS en andere Westerse machten was gekomen. De oppositie in Libië was niet bijzonder progressief van inslag, zoals een artikel van Peter Dale Scott laat zien.

Dat haar initiatief – via de genoemde Facebook-oproep – de lont in het kruitvat stak, is waar. De opstand die vervolgens uitbrak tegen een ondraaglijk geworden dictatuur, was vanuit revolutionair gezichtspunt wel degelijk legitiem. Dat er aanvankelijk wel degelijk kracht van onderop loskwam, bleek uit de opkomst in Benghazi en elders van min of meer spontane organisatiestructuren, comités waarmee mensen in Benghazi het openbare leven probeerden te regelen. Aanzetten tot zelfbestuur op plaatselijk niveau waren zichtbaar, en zoiets typeert werkelijk revolutionaire ontwikkelingen. Maar georganiseerde krachten binnen de opstand waren niet van dien aard dat het snelle overnemen van de opstand door generaals en ex-Kadhafistische functionarissen van daaruit veel tegenspel kreeg. Daarmee raakten meer revolutionaire structuren al snel verregaand op de achtergrond.

Daar kwam nog iets wezenlijks bij. In Tunesië speelde de arbeidersbeweging een grote rol bij de val van Ben Ali. De vakcentrale UGTT, aanvankelijk ingekapseld en een pijler van het bewind, ging onder druk van boze arbeiders goeddeels óm; afdelingen ervan hielpen mee om stakingen te verspreiden die ook de hoofdstad bereikten. In Egypte speelde arbeiderssstrijd een rol: toen in februari arbeiders gingen staken, werd de druk zo groot dat zelfs de generaals snapten dat ze Moebarak beter snel konden dumpen om te voorkomen dat de beperkte politieke revolutie meteen een alomvattende sociale revolutie zou worden.

Maar in beide landen bestond de arbeidersklasse goeddeels uit staatsburgers van die landen, uit respectievelijk Tunesiërs en Egyptenaren. Het regime kon stakingen bestrijden et onderdrukking. Maar het kon stakende arbeiders niet bij honderdduizenden via racisme demoniseren en met deportatie bedreigen. In landen als Saoedi-Arabië kon dat deels wel: daar bestond de arbeidersklasse voor een flink del uit migranten uit Aziatiche landen.Wie staakte, kon verblijfsvergunning en daarmee huisvesting verder vergeten, en deportatie tegemoet zien. Deze kloof tussen staatsburgers met beperkte rechten en vrijwelcompleet rechteloze migrant-arbeiders maakte arbeidersverzet in dit type landen erg moeilijk. En het blokkeerde goeddeels het onststaan van een op arbeidersstrijd leunende stroming binnen de revolutionaire dynamiek.

Welnu, dit speelde eveneens in Libië. Ook daar waren vele honderdduizenden migrant-arbeiders werkzaam onder meer in de olie-industrie maar ook in de bouw en de gezondheidszorg. Deels waren het Aziaten, voor een flink deel ook mensen uit andere Afrikaanse staten. Tegen met name die laatste mensen bestond van staatswege gecultiveerd racisme. Nog in de zomer van 2009 sloot  Libië met Italië een overeenkomst over het terugsturen van Afrikaanse migranten, zodat ze Europa niet binnen kwamen. Agressie en geweld  tegen zwarten kwamen onder Kadhafi in Libië voor, zoals Louis Proyect, waar ik ook het bericht over de Libisch-Italiaanse overeenkomst aantrof, laat zien..

Onder Kadhafi steunde Libië bovendien allerlei gewapende bewegingen in Afrikaanse landen, om een soort eigen klein imperium te helpen bouwen. Dat opende dan weer de mogelijkheid voor Kadhafi om in die landen regime-getrouwe strijders te werven die hem, tegen betaling maar soms ook uit ideologische verbondenheid en dankbaarheid, bereid ware voor Kadhafi te vechten. Toen in februri in Libië de opstand utbrak, hoorden we dan ook vrijwel meteen verhalen over onderdrukking die begaan zou zijn door ‘Afrikaanse huurlingen’. Heel erg veel bewijs heb ik hier niet van gezien. Maar enige deelname van Afrikaanse soldaten aan de onderdrukking is op zich wel aannemelijk. Belangrijker is wellicht dat Libische ostandelingen gelóófden in de waarheid van deze berichten, of minstens wilden dat anderen het geloofden. Er onstond een paranoide angst die zich richtte tegen iedereen die er uitzag als ‘Afrikaanse huurling’ – oftewel tegen zwarte mensen. Het racisme tegen zwarte migranten dat we hierboven schetste, werkte deze angstpsychose in de hand. Sommige opstandelingen begonnen een soort jacht op zwarten, en al snel was er griezelig geloofwaardige berichtgeving over grof geweld tegen zwarten, van verkrachting, van verdrijving van zwarten. Ook wordt in dit verband melding gemaakt van moord door rebellen op zwarten, op- minstens honder mensen, en van ontvoering. Deze berichten kregen in westerse media – waarin de opstandelingen inmiddels tot probeemloze, zij het wat amateuristische vrijheidshelden waren omgetoverd – weinig aandacht. Maar ze lieten zien dat in de opstand naast een vrijheidslievende ook een zeer reactionaire en racistische dynamiek was te bespeuren.

Precies die psychose en het racisme waar ook de opstand niet vrij van was, maar ook de angst om gedwongen voor Kadhafi te moeten vechten, dreef grote aantallen zwarte mensen op de vlucht. Ze voelden lang niet allemaal ook maar iets vóór het bewind. Maar ze knden in een opstand die hen maar al te makkelijk als huurlingen en kadhafi-supporters beschouwde en behandelde, bepaald ook geen bevrijder en bondgenoot zien. De algemene houding onder ze deze mensen was dan ook: laten we maken dat we wegkomen. En dat deden ze, met gevaar voor eigen leven en op weg naar een onzekere toekomst. Daarmee verdween echter een flink deel van de arbeidersklasse, en daarmee een flink deel van precies díé kracht die de Libische revlutie een soortgelijke linkse dynamiek had kunnen geven die de Egytische revlutie bijvoorbeeld wél had en heeft. Z is het sptomatisch dat er in het hele traject van de Libische gebeurtenissen er geen enkele serieuze stakingsactiviteit is geweest, voor zover ik heb kunnen nagaan.

Tegenkrachten tegen de overname van de opstand door ex-regime-functaionarissen waren dus bepaalsd niet sterk; krachten die een principiele anti-interventie konden bepleiten eveneens. De roep om interventie werd sterker naarmate 1. regime-functionarissen de opstand meer in hun grepe kregen; 2. het westen begon aan te geven daar wel oren naar te hebben en 3. Kadhafi steeds succesvoller de tegenaanval op gang kreeg en de opstand dreigde te verpletteren. Over 1. hebben we het gehad. Over 2. het ik eerder uitvoerig geschreven, maar kort het volgende erover. Nee, ik geloof niet dat de VS alles heeft geregisseerd om van Kadhafi af te komen. Maar toen diens positie ber\dreigd was geraakt door het verzet, zagen Westerse mogendheden wel hun kans schoon. Vervanging van de grillige kolonel door een plooibaarder figuur kwam hen niet slecht uit. Langs deze weg binnen de Libische opstandelingen goodwill verwerven, en daarmee invloed die oliecontracten en voortzetting van samenwerking tegen migranten die naar Europa wilden veiligstellen, was niet onwelkom. Bovendien kon met name de VS, door zich nu eens aan de kant van stijders tégen een dictatuur te scharen, krediet herwinnen. Dat krediet was immers behoorlijk aangetast door de steun die het Witte Huis aan de Tunesische en Egyptische dictators hadden gegven ot vlak voor hun val. Via interventie aan de kant van strijders tegen Kadhafi probeerde de VS iets van regie over de ontwikkelingen in de door revoltes op zijn kop gezette regio, te herwinnen – overigens met slechts matig succes.

Punt 3, de tegenaanval van Kadhafi, deed er eveneens toe. Het interventieplan werd weliswaard gelanceerd toen Kadhafi’s einde nabij leek. Het Westen begon steun te bieden aan rebellen die al bijna leken te hebben gewonnen. Was dat inderdaad gebeurd, dan had dat Westen iets van goodwill – en daarmee invloed – gewonnen bij opstandelingen die dan een nieuw bewind zouden vormen. En dit ales zonder daadwerkelijk de interventie te hebben hoeven dóén! Succes op een koopje, zogezegd.

Maar het liep heel anders. Kadhafi’s regime stortte niet zomaar in. Wat desintegratie leek, met de val van stad na stad in handen van rebellen, was dat maar zeer ten dele. Kadhafi begon, na van de ergste schrik bekomen te zijn, met een buitengewoon intelligente strategie om zijn bewind te redden. Allereerst liet hij een groot deel vanht land in handen van de opstand vallen, waarschijnlijk welbewust. Hij redde zijn elitetroepen intussen wel. Intussen zette hij alles op alles om zch centrale bolwerk Tripoli te behouden. Dáár verschansten zich de elitetroepen, dáár werden demonstranten neergemaaid tot ze het opgaven, daar heersten doodseskaders met razzia’s en verdwijningen. De opstand won elders snel, door moed van de rebellen, door steun vanuit de bevolking – maar ook doordat Kadhafi ervoor koos om één slag centraal te stellen: de slag om de hoofdstad Tripoli. Die slag won hij. En van dááruit kon hij methodisch de tegenaanval op gang brengen. Waar het in februari lichtbewapende en weinig gemotiveerde soldaten waren die tegenover de opstand buiten Tripoli stonden, bracht Kadhafi nu zijn zwaarbewapende en uiterst gemotveerde elite-regimenten in de strijd. Die begonnen aan een oorlog die hen half maart alweer voor de poorten van Benghazi bracht. Het was die dreiging de publieke steun voor interventie in het Westen deed opbloeien: het ging nu immers om het ‘voorkomen van een bloedbad in Benghazi’, en wie kan dáár nu tegen zijn?

Welnu, de interventie kwam, en ja, een groot bloedbad van wraaknemnde Kadhafi-troepen in Benghazi werd daarmee hoogstwaarschijnlijk voorkomen. Maar al heel snel bleek dat degenen die waarschuwden dat de interventie andere oogmerken had dat puur-humanitaire, en dat via interventie niet de vrijheid van de bevolking maar de macht van nieuwe heersers en de belangen van hun Westerse sponsors werden beoogd, gelijk hadden. Er kwam een doodgewone oorlog op gang, waarbij de NAVO de luchttroepen leverden, de rebellen de grondtroepen – en de nieuwe machthebbers klaarstonden om op het juiste moment tripoli binnen te trekken, onder NVO-bescherming.

In die oorlog werd ook duidelijk dat de komende machthebbers geen revolutionair vertrouwen verdienden. Er kwamen berichten over wraakacties, pundering en brandstichting door rebellen. Wie aangezien werd voor Kadhafi-aanhanger liep levensgevaar, en erg veel inspanningen om beschuldigingen daarover te bewijzen waren er vaak niet. Probleem was ook dat in westelijke steden er vaak wel degelijk steun was onder de bevolking voor Kadhafi’s bewind. Militairen vanuit de revolte werden daar dan ook niet als bevrijders maar als bezetters ervaren. De leiding van de opstand – de komende machthebbers dus – hadden niet echt een verhaal om deze mensen gerust te stellen of iets wervends te bieden: daarvoor zagen ze er teveel uit als meer-van-hetzelfde, Kadhafisme zonder Kadhafi. Krachten binnen de opstand met een wervend, revolutionair perspectief, waren niet of nauwelijks aanwezig.Het is bovendien aannemelijk dat de steun voor Kadhafi tegenover de opstand toenam, naarmate die opstand steun zocht van Westerse interventie, en voor haar succes daarvan goeddeels afhankelijk was geworden. Het verhaal dat Kadhafi ‘het vaderland verdedigde’ tegen ‘koloniale agressie’, kreeg er immers nogal wat geloofwaardigheid door.

Zo leek de oorlog op een impasse aan te koersen. NAVO-ingrijpen had de nederlaag van de opstand geblokkeerd. Maar een overwinning van die optand leek niet binnen handbereik, ook niet met NAVO-steun. Misschien zou het wel komen tot een soort verdeling, met Kadhafi als machthebber in een rompstaatje rond Tripoli, en de Voorlopige Nationale Raad aan het hoofd van een regering in Benghazi. Misschien zou er een soort deal komen waarin het bewind in tact bleef, Kadhafi zou vertrekken in ruil voor vrijwaring van strafvervolging. Aanvankelik hielden NAVO-staten nog een beetje de schijn hoog dat de val van de kolonel niet het doel van de operaties was. Inmiddels is echter allang duidelijk dat bijvoorbeeld Obama geen genoegen zal nemen met het aanblijven van Kadhafi. Dat maakte de kans op een compromis bepaald gering. Maar dat deed aan de indruk van een impasse weinig af.

Er dook zelfs een bericht op dat Kadhafi inmiddels twintig procent méér Libisch grondgebied in zijn greep had dan vlak na de opstand van februari. Dat beweerde Kim Sengupta in een artikel in The Independent. Overigens vind ik die bewering – niet gestaafd met bewijs – enigszins misleidend. Als je het opstandsgebied van het hoogtepunt van de opstand als uitgangspunt neemt, heeft Kim Sentupta gelijk: toen was vrijwel heel Libië overgegaan naar de revolte. Maar toen de interventie begon, stonden Kadhafi’s eenheden vér in het oosten, en waren eigenlijk alleen nog Benghazi, Tobroek en een deel van het westelijke berggebied in handen va de opstand. De weken erna waren de opstandelingen wel degelijk weer een eind westwaarts opgerukt. Maar de vorderingen waren inderdaad traag waren en een patstelling hing in de lucht.

Hoe anders ziet het er dus intussen uit! De opstand kreeg de laatste weken weer vaart. Afgelopen dagen kregen rebellen Zlitan in handen, evenals Zawiya, met de laatste olieraffinaderij die in Libië nog werkt. Die stad ligt ten westen van Tripoli, was na het uitbreken van de revolte in handen van de opstandelingen geweest, maar kort vor de start van de NAVO-aanvallen heroverd door Kadhafi. Nu is de opstand er dus terug. Veelbetekenend zijn ook de gevechten die kennelijk in de hoofdstad zelf zijn uitgebroken. De huizige situatie kun je onmogelijk nog als een impasse aanduiden. De opstand krijgt de overhand. Maar de NAVO – zonder welke de opstand haar huidige machtspsitie niet had kunnen bereiken – eveneens. En daarin ligt een diepe tragiek. Hoe de gebeurtenissen zich komende dagen gaan ontvouwen zal veel zeggen over de mate waarin binnen de opstand nog krachten aanwezig zijn die – alle inkapseling en NAVO-steun ten spijt – een revolutionaire dynamiek weten te manifesteren. Het feit dat het allemaal zo verschrikkelijk lang duurde, wijst erop dat die dynamiek niet sterk is. Maar het feit dat, naast militaire operaties van rebellenmilities toch ook weer demonstraties worden gemeld, geeft aan dat die revolutionaire dynamiek misschien toch iets minder morsdood is dan het af en toe in de afgelopen bloedige maanden heeft geleken.

Advertenties

2 Responses to Libische opstand en oorlog: ontknoping op handen…

  1. Gallagher schreef:

    uitmunted stuk!

  2. Jorein Versteege schreef:

    Sommige klassiek stalinisten steunen keihard het misdadige regime van Gaddafi. Zo heb je in Groot Brittannië de ‘’Communistische Partij van Groot Brittannië – Marxistisch Leninistisch’’ een stalinistische club die Gaddafi volop steunt.

    Het is tragisch dat de rebellen nu de NAVO verheerlijken, terwijl in februari ze beweerde het allemaal nog zelf te kunnen. Gaddafi heeft nog veel steun kunnen winnen, doordat de rebellen zich lieten leiden door reactionaire leiders. Ik denk dat een oorzaak ligt in het gebruik van de ‘’rebellen vlag’’. Deze vlag is monarchistisch en stond voor het autoritaire; Koninkrijk Libië ( 1951-1969 ). De rebellen hebben deze vlag zonder na te denken overgenomen en beweren nu dat deze vlag voor een onafhankelijk en vrij Libië staat. Anti-monarchistische Libiërs zullen zich hierdoor niet aangetrokken voelen tot de jeugdige rebellen. Ook de mensen in het westen waren nooit echt gek op Koning Idris.

    Zo naïef zijn de rebellen. Ze denken dat het Koninkrijk Libie beter was dan de Libisch Arabische Jamahiriya. Dat hun ouders in 1969 pro-Gaddafi waren willen ze geloven, voor hun was alles voor 1969 goed en na 1969 slecht. De reactionaire leiders van de rebellen spelen zeer goed in op de naïviteit van de jongeren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: