‘Arabische Lente’ lééft

 dinsdag 20 september

Onderstaand stuk schreef ik voor de Doorbraak-site. Daar staat , zoals intussen in zulke gevallen intussen gebruikelijk , een geïllustreerde versie.

De Arabische lente duurt intussen al ruim negen maanden. Van de onstuitbaar lijkende doorbraken van democratische omwentelingen zoals die zich de eerste drie maanden van het jaar aftekenden is inmiddels geen sprake meer. Na de val van dictators in Tunesië en Egypte wist grove repressie in Syrië, Bahrein, Jemen en Saoedi-Arabië de regimes overeind te houden. De opstand in Libië ontaardde in een burgeroorlog tussen Kadhafi en een door hoge ex-Kadhafi-functionarissaen gedomineerde opstandsbeweging en een Westers militair ingrijpen dat die opstand als hefboom voor eigen belangen wist te benutten. In Tunesië en Egypte veranderde veel na de val van de dictators, maar tegelijk werden diepgaander veranderingen ook krachtig tegengewerkt – van hogerhand, maar ook vanuit krachten die eerder actief waren tegen het oude regime. In Marokko en Jordanië wisten de monarchieën met een slimme combinatie van toezeggingen en beperkte verandering enerzijds, selectieve onderdrukking anderzijds, de greep min of meer te bewaren. Uit die samenvatting zou je kunnen opmaken dat de ‘Arabische lente’ nogal is vastgelopen, dat we inmiddels alweer van een kille herfst kunnen spreken. Dat is echter een erg eenzijdige, nodeloos pessimistische conclusie. In werkelijkheid is op allerlei fronten van een dóórgaand revolutionair proces sprake, niet zonder tegenslagen maar bepaald ook niet zonder opmerkelijke successen. Een rondje langs enkele velden van de revolutie kan dat enigszins duidelijk maken.

Eerst Jemen en Syrië. In die twee staten zit het bewind nog min of meer in het zadel, in Syrië wat meer, in Jemen wat minder. In beide landen vinden echter onophoudelijk straatprotesten plaats. In jemen woedt bovendien een gewapende strijd tussen diverse, deels regionalistische deels Al Qaeda-gerelateerde of ermee verwante, bewegingen. Een aanslag in juni verwondde president Aaleh, op wiens aftreden betogers al maanden aandrongen. Hij verdween voor medische behandeling naar Saoedi-Arabië, maar weigerde hardnekkig zijn macht daadwerkelijk af te staan. Intussen houdt het volksverzet aan, op waarlijk enorme schaal. Op 12 augustus waren het weer meerdere honderdduizenden die in Saana, de hoofdstad , en in Ibb en Taiz en nog zeker vijftien andere steden.“We willen Saleh in een kooi zien, als tweede president die door zijn eigen volk wordt berecht”, aldus een organisator van de protesten. “De Jemenieten weten na meer dan een half jaar van geen opgeven”, schreef de NRC op 14 september. “De rest van de wereld is ze allang weer vergeten, mar tienduizenden Jemenieten gaan na meer dan een half jaar nog dagelijks de straat op om het aftreden van president Saleh te eisen.”

Er is meer dan straatprotest, er speelt meer dan politieke onvrede. Ook sociale eisen komen naar voren, en bijbehorende actievormen. Olie- en gasbedrijf Nexen Inc. kreeg in september te maken met een stakingsdreiging; toezeggingen na een staking in mei zouden niet zijn nagekomen. De betrokken vakbond eiste dat de regering de band met het bedrijf verbrak. Ook rond de tijd dat de vakbond haar waarschuwing deed waren er weer enorme mensenmenigte te hoop gelopen tegen het bewind. De kans dat Saleh nog terugkeert aan de macht, is toch wel tamelijk klein. In die zin heeft de Arabische lente in Jemen al een overwinning geboekt. Maar of de val van Saleh de demonstranten dichterbij hun verlangen naar bevrijding zal brengen staat te bezien. De kans dat krachten binnen het bewind de macht overnemen, gevestigde oppositieleiders de strijd inkapselen en voor eigen carrières benutten of gewapenden groepen het land verscheuren en verdelen, is reëel. Maar de duizenden demonstranten – die voor veel verdergaande verandering vechten dan een personeelswisseling aan de top alléén – hebben hun laatste woord nog bepaald niet gesproken en hun laatste daad nog niet gesteld.

Ook in Syrië gaan de demonstraties maar door en door. Mensen blijven de straat op gaan, in de volle wetenschap dat dit hun het leven kan kosten. Een jaar geleden zou de dood van twintig demonstranten door geweervuur van veiligheidstroepen nog voorpaginanieuws zijn, in welk land zoiets ook plaatsvond. In Syrië komt zoiets intussen zo vaak voor dat journaals er nogmaar sporadisch aandacht aan besteden. Het dodental vanwege de repressie door het bewind van Assad is inmiddels al zeker 2600. Maar mensen geven het eenvoudig niet op. Kennelijk heeft de woede de angst overwonnen of voor een flink deel opzij geduwd. Mensen hebben kennelijk iets van: als we nu niet doorzetten, zijn al die doden vergeefs geweest. Het tekent de diepte van de crisis, vanhet revolutionaire vuur dat mensen de straat op doet komen. Intussen wordt melding gemaakt van soldaten die overlopen naar het opstandige volk en in gevecht raken met regeringstroepen.  De opstand is niet geheel ongewapend meer. Maar de verleiding om over te gaan tot een algemene gewapende strijd wordt door belangrijke krachten in de oppositie weerstaan. Ook de roep om Westerse interventie klinkt vanuit de oppositiebeweging eigenlijk nauwelijks. Een gewapende opstand zou de strijd veranderen in een vorm waar juist het zwaarbewapende bewind in het voordeel is. De er vaak mee verbonden aandrang om Westerse militaire hulp te vragen, zou de autonomie van de opstand uithollen zoals in Libië, en bovendien het bewind een extra troefkaart in handen spelen, de kaart van de verdediging van de nationale soevereiniteit tegenover ‘imperialistische agressie’. De kracht van de Syrische opstand tot nu toe is dat die níét aan een Westerse leiband loopt maar voornamelijk op eigen kracht bouwt. Het is te hopen dat dit zo blijft. Het is verheugend dat de Plaatselijke Coördinatie Comités, een opvallende kracht in de protesten, zich duidelijk keert tegen de verleiding tot gewapende opstand en tot het vragen om westerse interventie. “De revolutie militariseren zou de steun voor en deelname aan de revolutie vanuit de bevolking minimaliseren, aldus een verklaring van die Comités.

Die hoop krijgt extra accent als we kijken naar Libië. Daar hebben delen van de opstandsbeweging wél vrijwel direct de keus voor Westerse interventie gemaakt. Daarmee werden die krachten sterker die nog maar kort geleden Kadhafi steunden en via de opstand slechts een regimewisseling aan de top beogen, geen diepere omwenteling. Deze stroming verbond zich aan et Westen, en NAVO-staten gooiden bommen en raketten, stuurden commando-eenheden en dergelijke, om een gewapende strijd te helpen winnen tegen Kadhafi en tegelijk die gewapende strijd tot een pro-Westers nieuw regime te doen leiden. De val van Kadhafi is dan ook niet alleen betaald met een hoge prijs in mensenlevens: het waren Libische strijders die vochten en sneuvelden, terwijl de NAVO-troepen van veilige hoogten hun luchtaanvallen voerden. De prijs wordt ook betaald in de vorm van onderwerping van de revolutie aan de rechtse politiek van de opstandsleiding, de Voorlopige Overgangsraad, en de welhaast intieme banden die deze leiding inmiddels heeft met Westerse staten en bedrijven. Een kop van een Volkskrant-artikel symboliseert die banden: “Hulp aan rebellen straks beloond met olie” .

Intusen is duidelijk hoezeer Libië van de regen in de drup dreigt te raken met de val van Kadhafai. We lezen her en der niet alleen over de verschrikkingen van het gevalen bewind, maar ook over wrede vergeldingsacties, arrestaties en moorden op echte én vermeende Kadhafi-aanhangers. Ook Amnesty heeft er op gewezen hoezeer niet alleen het bewind maar ook opstandige milities wandaden begingen en begaan. Naargeestig is ook het geweld van opstandelingen tegen zwarte Afrikanen, vaak met als excuus dat het hier om huurlingen van Kadhafi zou gaan. Voor dat laatste is weinig bewijs, het gaat hier om paranoia gecombineerd met racisme tegen zwarten. Represailles en terreur, pogrom-geweld tegen zwarten: het laat zien dat er geen reden is om de opstandelingen op te hemelen als enkel of voornamelijk vrijheidsstrijders. De waarheid is grimmiger en complexer.

Dat betekent allemaal niet dat de val van het Kadhafi-bewind betreurd moet worden! Het geweld van opstandelingen tegen onschuldigen is in hoge mate verklaarbaar uit angst en wraak voor inderdaad grove onderdrukking. En ook het racisme dat de opstand flink ontsiert, wortelt voor een flink deel in praktijken van het bewind zelf. Onder Kadhafi werd veel van het werk verricht door migrant-arbeiders, voor een flink deel uit andere Afrikaanse landen. Dit soort arbeidsverhoudingen gaan doorgaans gepaard met racisme tegen zulke migranten. De Libische staat had bovendien een overeenkomst met EU-staat Italië om dat land te helpen om migranten uit Italië wèg te houden. Dat betekende dat mensen die probeerden Libië Europa in te komen, teruggestuurd werden en door de Libische staat opgesloten. Het Kadhafi-regime zelf was aldus doordrenkt met racisme, een racisme dat tijdens de opstand tot uitbarsting kwam. Dat Kadhafi zich tegelijk profileerde als bondgenoot van allerlei Afrikaanse gewapende bewegingen onder een Afrikaans-nationalistische ideologie, bracht sommige opstandelingen ertoe om alles wat zwart-Afrikaans was te wantrouwen als pro-Kadhafi. Deze politiek van het bewind zelf gaf de verhalen over ‘Afrikaanse huurlingen’ een soort geloofwaardigheid die geen wraakacties tegen zwarten rechtvaardigt, maar wel helpt verklaren waarom het zover kwam. Dat heel veel migranten het Kadhafi-bewind niet bepaald als vriend zagen tegenover een vaak vijandig optredende opstand, bleek uit de reactie toen de de opstand en helaas ook de pogroms begonnen. Mensen zochten niet de bescherming van het bewind of zoiets. Mensen wilden gewoon zo snel mogelijk het hele land uit. Mensen vertrouwden kennelijk géén van beide kanten in de oorlog toen die op gang kwam.

Een eenduidige overwinning voor vrijheid en rechtvaardigheid is de val van het Kadhafi-regime dan ook bepaald niet, en met de NATO als steunpilaar van een Nationale Overgangsraad die vol zit met ex-Kadhafisten is dat ook niet verbazingwekkend. Het is echter onjuist om daarmee elke bevrijdende dynamiek in de opstand te miskennen. Direct na de val van Kadhafi waren er tekenen dat groepen mensen, onder de gewapende opstandelingen maar ook onder bredere delen van de bevolking zich het nieuwe bewind niet zomaar lieten aanleunen. Er is spanning tussen Jibril, een leider van de Overgangsraad maar eerder economisch functionaris onder Kadhafi enerzijds, en Belhadj, aanvoerder van gewapende eenheden in Tripoli, eerder islamistisch strijder, naar eigen zeggen door Kadhafi’s bewind was gemarteld na door de CIA en MI6 aan Libië te zijn uitgeleverd, anderzijds. En iemand van de militaire raad in Tripoli zei, verwijzend naar Jibril die volgens hem “niet welkom” was in de hoofdstad: “We zijn van één dictator afgekomen. We willen geen andere.”  Er was allerlei onvrede met de nieuwe leiding-in-de-maak. In Misurata bijvoorbeeld betoogden 500 mensen eind augustus tegen de benoeming van een nieuwe veiligheidschef in die stad. De man was functionaris in het bewind van Kadhafi en pas in mei overgelopen naar de opstandelingen. Demonstranten zie zij benoeming door het nieuwe bewind-in-wording als “verraad aan de martelaren” van de opstand. De gemeenteraad van Misurata dreigde intussen dat gewapende eenheden in die stad orders van de Overgangsraad zouden weigeren op te volgen vanwege deze benoeming. In Benghazi, oostelijk bolwerk van de opstand, betoogden op 10 september een paar honderd mensen tegen het nieuwe regime. Er zitten volgens betogers te veel voormalige Kadhafi-functionarisen in dat bewind. En er zijn te weinig hervormingen.

Uit dit soort protesten blijkt dat veel mensen een diepergaande verandering willen dan een bewind dat neerkomt op Kadhafisme zonder Kadhafi. De revolutie is, via Kadhafi-mensen die er leiding over hebben verworden en via Westerse interventie, ernstig beschadigd. Maar het revolutionaire vuur smeult voort, het consolideren van een nieuw autoritair bewind gaat in ieder geval niet zonder slag of stoot. Het is, naast de indrukwekkende volharding van betogers in Jemen en Syrië, een duidelijk teken: de Arabische lente lééft.

Advertenties

One Response to ‘Arabische Lente’ lééft

  1. Jorein Versteege schreef:

    De Libische rebellen hebben een zeer grote fout begaan door de oude monarchistische vlag te gebruiken.

    Veel Libische jongeren kennen het regime van koning Idris niet. Ze zijn allemaal na 1969 geboren, de meeste kende alleen het Jamahiriya tijdperk ( sinds 1977 ). Deze jongeren kennen alleen een leven onder Gaddafi. Ze weten niet hoe armoedig Libië was onder koning Idris.

    De rebellen zwaaien met de koninklijke Libische vlag, zingen het oude monarchistische volkslied en roepen dat het Koninkrijk Libië, beter was dan de Grote ”Socialistische” Volks Libische Arabische Jamahiriya.

    Sommige rebellen vereren het westen al. De Britse premier werd onder luid gejuich ontvangen, terwijl Tony Blair een zeer goede relatie had met kolonel Gaddafi. Ook de Amerikaanse vlag wordt vereerd door de naïeve rebellen. Dat is wat me zo erg stoort. Het naïeve gedrag van veel Libische rebellen.

    Ze zullen snel merken dat een burgerlijke kapitalistische democratie, hun geen rijkdom zal bieden. De olie kapitalisten zullen voorgang krijgen, want hun ”rebelse” leiders willen goed overkomen bij het westen!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: