Ruzie rond Armeense genocide – achtergronden

dinsdag 27 december

Er zijn van die conflicten waar je duidelijk een kant gelijk en de andere kant ongelijk kunt geven: de opstandigen in Cairo staan in hun recht, de militaire onderdrukkers verdedigen onrechtvaardigheid. Daar past stellingname en actieve solidariteit. En er zijn van die conflicten waarbij niemand gelijk heeft, waar geen van de strijdende partijen iets rechtmatigs voorstaat of verdedigt. De Eerste Wereldoorlog – landjepik tussen grote mogendheden, meer niet – is een klassiek voorbeeld ervan. Daar past afwijzing van het conflict zelf, en ondermijning van alle deelnemende partijen. En er zijn van die conflicten waarbij brokstukjes gelijk en ongelijk overal te vinden zijn, zonder dat je daarom echt een kant kunt kiezen.Daar past vooral het zoeken naar opheldering, het kritisch doorlichten van de argumenten en stellingen. Uit dat doorlichten kan dan wellicht alsnog een kant aan het daglicht gebracht worden: de onderkant, de kans wiens rechten en belangen altijd steun en solidariteit verdienen. Zóns soort conflict is de politieke rel die tussen Turkijke en Frankrijk is uitgebroken rond de zogeheten Armeense kwestie.

Waar gaat het om? Frankrijk werkt aan een wet waarin het ontkenning van de genocide op Armeniërs, vanaf 1915 door Turkse troepen bedreven, wordt ontkend. Nu is de Turkse regering heel boos, verbreekt de betrekkingen met Frankrijk en verwijt dat land zelf genocide te hebben gepleegd, en wel in Algerije. Waarom loopt dit zo hoog op? Wat zit er achter die wet – en is die wet een goed idee? Wat zit er achter de Turkse boosheid? En hoe zit het nu eigenlijk met de Armeniërs zelf, toen en nu?

Eerst die wet. Het zou verkeerd zijn om die te zien als een uiting van nobele principes, het afwijzing van genocides en dergelijke. Ik heb namelijk nog niet vernomen dat er een soortgelijke wet aangenomen wordt om het ontkennen van de genocide in Rwanda – veel korter geleden, en met Frankrijk als actieve medeplichtige – strafbaar te stellen. De ene genocide mag ontkend worden, de andere opeens niet. Daar zit iets achter, en wel twee dingen. In de eerste plaats is er in Frankrijk een flinke Armeense gemeenschap, nakomelingen van mensen die destijds voor de Turkse massamoorden – de genocide, jazeker – zijn gevlucht. Die wil – logisch! – aandacht voor hun geschiedenis, en die wil niet dat hun leed en het lot van hun vooropuders wordt ontkend. Hun houding is niet zo heel verschillend van die van joodse gemeenschappen ten aanzien van ontkenningen van de holocaust tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook als niet alle argumenten en stellingname vanuit die Armeense – of ook joodse – gemeenschappen wellicht steun verdienen, dan nóg is een houding van respect en begaanheid met ondergaan leed hier zeer op zijn plaats.

Maar er wonen in Frankrijk ook andere nakomelingen van ballingen, wiens leed níét tot wetsvoorstellen leidt. Belangrijker dan de Frans-Armeense inbreng is het oppikken van de Armeense zaak als een Franse staatszaak. Daar zit een hele cynische reden achter: Frankrijk onder Sarkozy wíl verwijdering met Turkije. Sarkozy is tegenstander van deelname van Turkije aan de EU. Ruzie met Turkije is voor Sarkozy dus nuttig want het maakt die deelname moeilijker. Ruzie rond een mensenrechtenthema is helemaal handig, want dan kan Frankrijk laten zien dat Turkije aan de hoge mensenrechtenstandaard die Europa eist, niet kan en wil voldoen en dus niet in de EU thuis hoort. Schermen met het leed van de Armenen, door ontkenning van de genocide op de Armeense bevolking strafbaar te stellen, vodoet aan deze eisen. De Armeense genocide wordt dus strafbaar gesteld als gebaar naar Armeniërs in Frankrijik, maar vooral om Turkije doelbewust op de kast ter jagen en wég te houden van de EU. Het is een politiek spelletje dat met werkelijk respect voor Armeens leed en voor mensenrechten niets van doen heeft.

Turkije speelt het spelletje mee. Dat land voelt zich blijkbaar sterk genoeg, wil zich over interne en historische aangelegenheiden niet door Frankrijk de les laten lezen, en weet ook dat het land belangrijk is als Westerse regionale bondgenoot. De Syrische opstand bijvoorbeeld plaatst Turkije in een positie dat het de opstand deels kan steunen, het Syrische regime onder druk kan stellen, en een overgang kan forceren naar een nieuw bewind waarin Turkse invloed bepaald niet zal ontbreken. Het is een Westerss belang dat zo’n gestroomlijnde overgang – en geen totaal onbeheersbare revolutie – er komt. Turkije kan dat belang helpen waarborgen en heeft het Westen dus iets te bieden. Turkije hoeft dus helemaal niet alles te slikken wat het Westen, Frankrijk of wie dan ook, eist. En een botte lange neus naar Westerse staten doet het altijd goed om het nationale prestige in de ogen van brede lagen van de bevolking op te vijzelen.Het gaat hier om gekwetst eergevoel van een Turks nationalisme dat weigert onder ogen te zien wat de Turkse staat-in-wording destijds heeft misdreven. Maar het gaat hier, net als aan Franse kant, ook om een politiek machtsspelletje. Zowel het pushen van de wet tegen genocide-ontkenning in Frankrijk als de Turkse reactie erop verdienen totale afwijzing, geheel nog ongeacht hoe we tegen de Armeense zaak zelf aankijken, en geheel ongeacht wat we denken over wetten tegen genocide-ontkenningen in het algemeen.

Maar daar wil ik het niet bij laten. Het is – los van het doorzichtige geharrewar – wel degelijk belangrijk om vast ter stellen hoe het zat met de gebeurtenissen die als Armeense genocide te boek staan. Het gaat over gebeurtenissen in 1915 en de jaren erna. Toen woedde de Eerste Wereldoorlog, en Turkije stond tegenover Rusland, onder meer in het gebied waar de Armeniërs woonden. Die Armeniërs vormden daar een zwaar onderdrukte bevolkingsgroep, en sommigen van hen vochten dan ook aan dezelfde kant als Rusland, tegen de Turkse militairen. Die Turkse militairen waren tegelijk bezig met het omvormen van een semi-feodaal Ottomaans rijk in een moderne nationale staat.

Welnu, Turkse soldaten vochten, tegen Russische en ook tegen Armeense strijders. In die context voerden Turkse eenheden grootschalige campagnes tegen Armeense burgers, die in groten getale werden gedeporteerd. Dit kunnen we zien als onderdeel van militaire pogingen om de achterban van de Armeense strijders te verzwakken, en als een vorm van etnische zuivering op weg naar een ‘zuiver Turkse’ nationale staat. Dat is de basis voor de interpretatie die er in Turkije veelal aan wordt gegeven. Dat er bij deportaties, militaire operaties en dergelijke enorme aantallen Armeniërs zijn vermoord, wordt daar niet ontkend. Wat ontkend wordt is dat al deze massamoorden neerkwamen op genocide, op een systematische poging het Armeense volk uit te roeien. En inderdaad, op zich is etnische zuivering en het vermoorden van burgers in het kader van guerillabestrijding wel massamoord, maar nog niet automatisch genocide.

Maar was het anti-Armeens geweld ‘beperkt’ tot deportatie, contraguerrilla en etnische zuivering? Vanuit Armeense gemeenschappen wordt dat ontkend, en wordt gezegd dat er wel degelijk volkerenmoord is gepleegd. Veel historici nemen eveneens dit standpunt in. Terecht, naar mijn overtuiging. Veelzeggend is bijvoorbeeld niet het deporteren op zich van honderdduizenden mensen – mannen, vrouwen, kinderen – maart de wijze waarop, en de planmatigheid erachter. Maar een uiteenzetting over de aanloop is hier op zijn plaats.

In de negentiende eeuw bestond het moderne Turkije niet. Er was het Ottomaanse rijk, bestuurd vanuit Constantinopel, het huidige Istanboel. Daarbinnen domineerde een Turkse heersende klasse, in samenwerking met plaatselijke elites, in een rijk dat strekte van Balkan tot een eind in het Midden-Oosten. Veel onderdanen – van modern burgerschap was in dit hal;ffeodale rijk geen sprake – waren moslim, maar er waren ook Crhistelijke gemeenschappen. Niet-moslims hadden beperkte rechten zolang ze de dominantie van de Islam aanvaardden en een extra belasting betaalden. Eén van de Christelijke gemeenschappen in het rijk werd gevormd door de Armeniërs.

Halverwege de negentiende eeuw kwam, als reactie op de groeiende achterstand het het rijk ten opzichte van het Westen, een moderniseringspolitiek op gang, de zogeheten Tanzimat. Deel daarvan was een moderner bestuurssysteem en rechtsstelsel. ‘Westerse’ opvattingen over burgerschap en gelijkheid voor de wet begonnen door te dringen in het Ottomaanse rijk. Dit raakte de positie van de Armeniërs. Zij protesteerden tegen afpersing van hogerhand, tegen corruptie en onvrijheid, ze eisten gelijke rechten. Tegenover hun emancipatiestreven stonden conservatieve Ottomaanse stromingen, deels op de islam gebaseerd. Beperkte rechten van een ondergeschikte christelijke minderheid waren daar aanvaardbaar, gelijke rechten voor Armeniërs echter niet. Sterker: nu Armenièrs niet langer huin ondergeschikte status in het rijk accepteerden, verloren zij in de ogen van conservatief/islamistische ogen het recht op de status van beschermde minderheid, en verdienden, strikt genomen, de dood. Later in de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw kwam daar de opkomst van Turks nationalisme bij, een nationalisme dat wantrouwen koesterde tegen niet-Turkse bevolkingsgroepen binnen het Rijk en naar een zuiver Turkse staat begonnen te streven. Groeiend verzet van Armeense zijde botste met groeiende, soms moorddadige onderdrukking die al in 1894-1896 in bloedbaden uitmondd. Mehmet Biter maakt dit proces redelijk inzichtelijk in een artikel dat te vinden is in het Gebladerte-archief, een stuk klaarblijkelijk gemaakt voor Aksi, een groepering die later samen met  de Fabel van de Illegaal de groepering Doorbraak heeft gevormd.

Complicerende factor was de rol van Europese mogendheden, ook Rusland, die zich opwierpen als beschermers van Christelijke bevolkingsgroepen in het overwegend islamitische Ottomaanse rijk. Die beschermersrol gaf die mogendheden een handvat om op de Balkan in te grijpen, maar speelde ook rond de Armeniërs een rol. Dat Asrmeniërs naar die mogendheden keken als ze bescherming nodig hadden is niet vreemd; dat daarmee Armeniërs door Turkse nationalisten en Ottomaanse religieus-conservatieven gezien werden als een soort binnenlandse vijand, een paard van Troje, is echter ook niet vreemd. Begrip voor wat er volgde aan massamoorden is hiermee niet gewettigd – maar het maakt de zaken wel makkelijker te begrijpen.

Tijdens t de Eerste Wereldoorlog stond het Ottomaanse rijk -waarbinnen de strijd in de richting van een moderne Turkse staan feitelijk al bezig was – aan de kant van de Centrale mogendheiden, Duitsland en Oostenrijk, tegenover de Entente en met name tegenover Rusland. Armeniërs zagen, vanwege de heftige onderdrukking, tegenstanders van het Ottomaanse rijk als een soort bondgenoot; sommige Armeniërs vochten dan ook mee aan Russische kant in de oorlog. Daaraan ontleenden de Ottomaanse autoriteiten weer een argument voor anti-Armeens beleid. Armeniërs werden steeds meer als binnenlandse vijand beshouwd – en die houding trof niet enkel de Armeniërs die daadwerkelijk tegen het Ottomaanse leger vochten, maar vrijwel de complete Armeense bevolkingsgroep. Een obsessie met nationale veiligheid groeide wel degelijk uit tot extreem nationalisme met genocidaal potentieel.

In 1915 werd dit potentieel realiteit. De autoriteiten begonnen Armeense intellectuelen en dergelijke te arresteren. Vrijwel tegelijk kwam er een order tot deportatie van Armeniërs uit hoeken en gaten van het Ottomaanse rijk. Armeniërs werden bhijeengedreven en op transport ges zet. Faciliteiten voor onderweg ontbraken vrijwel, wie te langzaam liep werd vaak meteen afgemaakt, de deportaties gingen gepaard met moordpartijen en verkrachting. Mensen werden op allerlei manieren afgemaakt, verbrand, vergiftigd, met ziekten besmet. Maar de massamoorden waren niet enkel excessen waarmee de deportatie begeleid werd. De deportatie zelf kwam neer op massamoord. Ik citeer één ooggetuige- nabestaande: “Mijn neef/nicht (1) en alle mannen van 12 jaar en ouder werden van een klif af geduwd, de wild-stromende  Eufraat in. Mijn grootmoeder en de ouderen werden doodgeschoten omdat ze de trekkers vertraagden. Twee broers en zussen kwamen van de honger om. Mijn tante stierf van ziekte, en mijn moeder overleefde de toch enkel om vervolgens in een griep-epidemie te bezwijken.

Van mijn familie zijn alleen een zus en ik nog in leven. De Turkse soldaten dwongen ons, met 900 ondere verhongerende kinderen, in het diepste deel van de woestijn, om daar te kreperen in de verzengende zon. Dat deden de meesten.” Zij en haar neef werden door Arabische bedouinen gered.

Het einddoel van de deportaties was dus een stuk woestijn, in wat nu Syrië is. Faciliteiten om de Armeniërs daar behoorlijk in leven te houden waren er niet. Honger, schroeihitte en ziekten deden wat wapengeweld nog niet hadden gedaan. Schattingen van het aantal omgekomen mensen lopen uiteen tot een vrijwel apologetische zeshonderdduizend tot anderhalf miljoen. Deportaties die een gehele bevolkingsgroep omvatten en zó zijn ingericht dat het eindstation vrijwel gegarandeerd de dood brengt – zulke deportaties zijn zélf een vorm van massamoord, gericht op uitroeiiing. Zelfs aan vrij strikte definities van genocide is daarmee voldaan. En de orders kwamen vanuit de regering, niet enkel van plaatselijke commandanten te velde of zoiets. Genocide was niet alleen consequentie van beleid; genocide was beleid.

Over deze gebeurtenissen kan buitengewoon twijfel bestaan. Het Wikipedia-stuk waaraan ik veel van het bovenstaande heb ontleend, baseert zich op zeer uiteenlopende bronneen. Media in landen die met het Ottomaanse rijk in oorlog waren, berichttten destijds al uitvoerig over de massamoorden. Dat gold bijvoorbeeld ook de New York Times. Maar ook functionarissen van bondgenoten van het Ottomaanse rijk – Duitse diplomaten en militairen bijvoorvbeeld – deden in interne berichtgeving geschokt verslag over wat ze aan wreedheden waarnamen. Waar je Entente-berichtgeving nog als oorlogspropaganda kon afdoen, gaat deze vlieger voor berichtgeving van personeel van Centrale mogendheden niet op.

Het officiële Turkse standpunt staat in schril contrast met bovengeschetste realiteit. Ja, er zijn Armeniërs omgebracht. Maar, in de weergave van de Guardian: “Turkije beweert dat het Armeense dodental is overdreven en dat de meeste slachtoffers door verhongering en ziekten zijn omgekomen. Het stelt ook dat veel Turken gedood zijn door Armeense groepen.” Geen van deze argumenten is valide. Allereerst het precieze dodental: daar hangt de genocide-zaak niet vanaf. Als de Ottomaanse staat anderhalf miljoen mensen de dood in gejaagd heeft om het Armeense volk uit te roeien, is dat ghenocide; als die uitroeiingspoging ‘slechts’ 600.000 doden heeft gekost, verandert dit aan de dynamiek van de gebeurtenissen weinig. En als de huidige Turkse staat werkelijk wil weten hoeveenl mensen er zijn omgekomen en omgebracht, dan zou ze alle ruimte moeten bieden aan grondig onderzoek door mensen die onafhankelijk van welk staatsgezag ook hun werk kunnen doen.

Dat veel van de slachtoffers niet door kogels en messen, maar door ziekte en honger zijn omgekomen, is duidelijk. Maar de mensen zijn moedwillig aan die ziekten en die honger overgeleverd, door deportasties die nioet voor niets dodenmarsen werden genoemd. Mensen moedwillig door homnger en tyfus laten overliden is óók massamoord, het is geen bijkomstigheid maar de kern van de methode van deze volkerenmoord.

En dan die ‘Armeense groepen’ die ook best veel Turken doodden. Ja, er vochten dus Armeense mannen mee met het Russische leger. Er vochten tussen 1939 en 1945 ook joodse partisanen, onafhankelijk of als deel van bijvoorbeeld Russische legers, tegen het nazi-bewind. In het getto van Warschau vond gewapend verzet plaats tegen de SS. Joden vochten mee met geallieerde troepen, zoals Armeniërs meevochten met Russische troepen. Maar die gewapende strijd van joden – zelfstandig of als deel van geallieerde legers – is geen enkele reden om de genocide die de nazi-staat tegen de joodse bevolking van Europa pleegde, in twijfel te trekken. Deelname van Armeniërs aan gewapende strijd tegen Turkse troepen is dan ook evenmin een redden om de genocide , jegens Armeniërs bedreven, in twijfel te trekken.

Het is al met al dus terecht om niet alleen te spreken van massamoord, maar van genocide, op Armeniërs, bedreven door de Ottomaanse staat die rond die tijd bezig was om omgevormd te worden tot de moderne Turkse staat. Juist daar ligt de huidige gevoeligheid van de Turkse staat: grondleggers van die staat zijn medeplichtig aan wat de Armeniërs is aangedaan. Alls dat genocide is, dan zijn de grondleggers – de heilige Ataturk bijvoorbeeld – medeschuldig aan die volkerenmoord. Dat ondermijnt de legitimiteit van de staat en van het felle Tuyrkse nationalisme dat die Tuyrkse staat en haar grondleggers ophemelt. Staatsbelang en nationaal prestige staan eeen openlijke en eerlijke erkenning van de historische realiteit in de weg.

In Turkije is dan ook een strijd om historische waarheid nodig. Mensen moeten daar gewoon de massamoord een genocide kunnen noemen, nabestaanden hebben recht op erkenning en, waar nog zinvol, schadevergoeding, etcetera. Schrijvers die de Armeense genocide in Turkije aan de orde stellen, verdienen de grootst mogelijke sympathie en solidariteit, zeker als ze van staatswege en/ of door Turkse nationalisten bedreigd worden.

Maar dat wil helemaal níét zeggen dat Frankrijk – of welke staat dan ook – er goed aan doet om ontkenning van de Armeense genocide strafbaar te maken. Niet alleen zijn de motieven van de Franse politiek ingegeven door machtsbelang, zoals we zagen. Het is ook principieel verkeerd om een juiste historische visie op gebeurtenissen met wetgeving en dreiging met gevangenisstraf af te dwingen. Ik vind ontkenning van de Armeense geniocide verkeerd, en voorzover het willens en wetens gebeurt ook verwerpelijk. Hetzelfde geldt natuurlijk voor Holocaust-ontkenning. De waarheid over dit soort verschrikkingen dient hardnekkig naar voren gebracht te worden, moedwillige ontkenners dienen ontmaskerd te worden, belachelijk gemaakt, in sommige gevallen door nabestaanden en sympathisanten en andere antiracisten van het podium gejaagd te worden. Mensen hoeven het niet te pikken dat hun leed ontkend of gebagatelliseerd worden. Als de autoriteiten vervolgens actievoerders  arresteren omdat die een Holocaust-ontkenner als Daviod Irving, of een soortgelijke ontkenner van de Armeensde genocide, het spreken onmogelijk hebben gemnaakt, dan gekldt onze overkorte solidariteit deze actievoerders. Mensen hoeven zich niet te laten schofferen en beledigen.

Maar daarbij dient de staat, de wet en het rechtsstelsel niet als bondgenoot gezien te worden. Historische waarheid dient door debat, discussie, onderzoek en uitleg duidelijk gemaakt worden, niet door overheidsingrijpen. De Armeense genocide is een stuk gruwelijke realiteit die niet onder tafel mag verdwijnen. Maar het afdwingen van erkenning daarvan van staatswege is gevaarlijk, en schept precedenten. De waarheid is bovendien sterk genoeg om het zonder bewaking door politiefunctionarissen te kunnen stellen – een bewaking die de vrijheid waarin de waarheid ademt bedreigt. Een officiële, door staten met strafdreiging gesanctioneerde kijk op de geschiedenis is een bedreiging van de vrijheid – een vrijheid die juist mensen die tegen genocides gisteren, vandaag én morgen willen vechten zo keihard nodig hebben.

(1) Het Engelse woord ‘cousin’ dat in het citaat staat kan zowel neef als nicht betekenen, uit de context valt niet op te maken welk van de twee woorden van toepassing is; verderop, bij ‘broers en zussen’ geldt iets soortgelijks; in het Engels staat daar ‘siblings’, hetgeen allebei kan aanduiden.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: