Marxisten over anarchisme: (1) Bakoenin onder misplaatst vuur

zaterdag 14 januari 2012

Het anarchisme beleeft dezer dagen een zekere opleving, internationaal en ook in Nederland. We zien anarchistische aspecten binnen de studentenstrijd die Groot-Brittannië de laatste maanden van 2010 beleefde, binnen de Arabische Lente die nu al meer dan een jaar duurt, binnen Occupy. We zien ook specifiek anarchistische initiatieven. En zo kent ook Nederland inmiddels een handvol plaatselijke anarchistische groepen, zo laat bijvoorbeeld de Vrije Bond af en toe nadrukkelijk van zich horen, zo is er sinds 2010 ook een Anarcho-Syndicalistische Bond.

Teken van deze anarchistische revival is ook het feit dat tegenstanders van het anarchisme zich met nadruk doen gelden. Zo is er uit marxistische bron inmiddels een hele reeks kritieken van het anarchisme verschenen, waravan het eind nog niet in zicht is. Het lijkt me dat deze reeks van kritieken er niet zou zijn als marxisten niet het gevoel hadden dat ze de druk van een levenskrachtig anarchisme – traditioneel de rivaal/ uitdager van marxistische ambities en pretenties – niet zouden voelen. In die zin is de hoeveelheid marxistische polemieken tegen het anarchisme feitelijk een soort eerbetoon aan de kracht van een anarchisme dat, 139 jaar nadat Marx zijn anarchistische rivaal Bakoenin de Eerste Internationale uit liet gooien, het simpelweg vertikt om naar die drukbezette ‘mestvaalt van de geschiedenis’ te verdwijnen.

Maar het is niet genoeg om de marxistische kritieken op het anarchisme langs ons heen te laten glijden of als impliciet compliment voor de anarchistische overlevingskracht te incasseren. Ze moeten ook keer op keer worden weerlegd. Het onweersproken laten van mis-interpretaties en vaak regelrechte vervalsingen die veel can de marxistische polemieken sinds jaar en dag kernmerken is nodig. Anders krijgen die mis-interpretaties en vervalsingen de kracht van vanzelfsprekende waarheid die onweersproken onzin helaas meestal krijgt. Er is dus werk aan de winkel voor anarchisten.  

Vanaf nu komen er op dit weblog dan ook een handvol stukken te staan die iets van dit werk proberen te doen. Zo zal ik ingaan op een boek van John Molyneux die vanuit de Socialist Workers Party het anarchisme bespreekt in een boekwerkje. Ook komt minstens een artikel over Marxisme en anarchisme op de website Marxist.com ter sprake, en waarschijnlijk nog wel meer dat dat. Als klein startschot van deze reeks ga ik op een artikel in dat afgelopen juni verscheen op de website van de Kritische Studenten Utrecht. Het heet “A Marxist critique of Anarchism, Part one: the foundations of anarchism”, en is op persoonlijke titel geschreven door Poejesh, één van de leden van die KSU. Deze KSU is belangrijk onderdeel vaneen breder anti-autoritair actiemilieu waarbinnen specifiek anarchistische opvattingen werkzaam zijn. Poejesh poging om dit anarchisme te lijf te gaan vindt dus plaats op een plek waar dit anarchisme een goede voedingsbodem vindt.

Ik ga niet het hele stuk bespreken (1). Ik beperk me tot de nogal karikaturale weergave waarmee Poejesj één van de grondleggers van de anarchistische beweging wegzet. Het gaat daarbij om Michael Bakoenin, diens opvattingen en activiteiten, en met name diens opereren door middel van geheime samenzweringen. Dit zegt Poejesh over Bakoenins samenweerderspolitiek: “So for him the way to accomplish the revolution was by means of a secret society, called the International Brotherhood, with no more than one hundred members (according to him this was more than enough for the Brotherhood to take over the world) whose identities were secret, and it was they who would make the revolution and realize anarchy.” (2)

Maar is dat werkelijk wat Bakoenin bepleit? Hier is hij zelf, in ‘The program of the International Brotherhood’. Hij pleit voor een “secret and universal association of International Brothers”, jawel. Maar dan! “This association has its origin in the conviction that revolutions are never made by individuals or even by secret societies.” Dus het is alvast níét de Brotherhood “who make the revolution”, zoals Poejesh beweert. Dat is gewoon een foutieve weergave van Bakoenins gedachtengang. Bakoenin gaat verder: “they” (‘revolutions’ dus, PS) “are produced by the force of circumstances, the movement of facts and events. They receive a long preparation in the deep, instinctive consciousness of the masses, then they burst forth, often seemingly triggered by trivial causes.” Revolutie gebeurt gewoon, revolutie wordt niet door een groep georganiseerde revolutionairen gemáákt. Dat was de opvatting van Bakoenin.Het was trouwens ook in grote lijnen de opvatting van Marx. Daar lag het grote onderscheid tussen die twee alvast niet.

Pas in dat revolutionaire proces – dat dus plaatsvindt, Broederschap of geen Broederschap – is er een rol voor revolutionairen. Bakoenin weer: “All what a well-organised society can do is, first, to assisst the birth of the revolution by spreading among the masses ideas which give expression to their instincts, and to organize – not the army of the Revolution – the people alone should always be that army – but a sort of general staff, composed of dedicated, energetic, intelligent individuals, sincere friends of the people above all, neither vain nor ambitious, but capable of acting as an intermediary bertween the revolutionary idea and the instinct of the people.” Hier gaat het – ondanks de onaangename beeldspraak , ‘een soort generale staf’ – om het verbreiden van ideeën onder de massa, om de rol van tussenschakel tussen “de revolutionaire idee en de instincten van de massa”. Het gaat hier kennelijk bovenal op gerichte, systematische propaganda van anarchistische opvattingen, om aan te sluiten bij de elementaire rebellie die broeit onder de massa’s. Van iets dat lijkt op het overnemen van de wereld door de Broederschap is hier nergens sprake.

En dan sluit Bakoenin af met: “There need not be a great number of these men. One hundred revolutionaries, strongly and earnestly allied, would suffice for the international organisation of Europe. Two or three hundred revolutionaries willbe enough for the organisation of the larges country.” Zelfs het getal dat Poejesh gaf, klopte dus niet: honderd revolutionairen waren genoeg voor Europa, niet voor de wereld… Vreemde raadselachtigheid trouwens bij Bakoenin, want voor “het grootste land” zijn er méér nodig dan voor heel Europa, namelijk twee tot driehonderd, zoals we zagen. Waarschijnlijk doelt hij met dat grootste land dan ok op Rusland, inderdaad groter dan heel Europa bij elkaar. Hoe dan ook, van de honderd wereldoverheersers uit het citaat van Poejesh is intussen al weinig overeind gebleven.

Het ‘organiseren’ van een land of van Europa, zoals Bakoenin dat als taak van revolutionaire organisatie formuleert, is weliswaar een hachelijke formulering, onduidelijk, onscherp en daarom riskant. Hier wordt kennelijk toch iets van regie van het revolutionaire gebeuren gezocht, met het risico dat zoiets uitdraait om een minderheidsdictatuur. Maar een risico is nog helemaal niet hetzelfde als een bewuste bedoeling om het zo ver te laten komen. Het genoemde gevaar is er; de bewuste bedoeling die kant op is echter in de tekst niet te vinden. Een oproep tot wereldheerschappij door een geheim genootschap is toch werkelijk niet wat er staat. En de eerdere nadruk op propaganda, verbreiding van opvattingen in aansluiting bij wat leeft onder het volk, wijst al helemaal niet in de richting van een samenzwering om stiekem alle touwtjes in handen van een kleine groep te krijgen.

Iets steviger staat Poejesh op het eerste gezicht waar hij de praktijk van Bakoenins actvisme, en van zijn aanhangers, kritiseert. Hij stipt drie dingen aan: autoritair en despotisch gedrag van Bakoenin en zijn samenzweerders, onder meer in een opstand in Lyon in 1870; lobby-activiteit van Bakoenin bij de koning van Zweden; geklungel en zelfs regeringsdeelname van Bakunin’s aanhangers bij een revolutie in Spanje in 1873. Als dit alles wat erover gezegd wordt – niet alleen hier maar bijvoorbeeld door Marx en Engels zelf, en ook door Hal Draper op wiens inzichten Poeyesh naar mijn idee nogal leunt – klopt, dan was Bakoenin als praktische revolutionair nogal een kluns, eigengereid en bazig. Hetzelfde zou dan gelden voor zijn aanhangers in Spanje en Lyons. Leuk leesvoer is het deels wel, maar wat zegt het? Er zijn genoeg episodes van aanhangers van Marx en Engels waarin geklungeld werd. Che Guevara dacht Bolivia te gaan bevrijden maar vergat dat in het gebied waar hij zijn guerilla begon de bevolking als eerste taal een plaatselijke Indiaanse taal die hij niet beheerste sprak, geen Spaans. Gek he, dat zijn guerilla daar mislukte? Maar zegt dat geklungel iets over de theoretische inzichten van Gueavara in het revolutionaire proces, en op zijn inspiratiebronnen Marx en Lenin (en Stalin, waar Che nogal enthousiast over was, maar dat is weer een ander verhaal…)? Het is, kortom, als polemische methode tegen het anarchisme niet zo’n briljant idee om amateuristich praktisch falen van een theoretische grondlegger in de praktijk bloot te leggen en dan te zeggen: kijk, de theorie deugt niet. Niet elke theoreticus is in de praktijk van revolutie nu eenmaal even bedreven.

Maar dit gaat er dan nog van uit dat Poejesh weergave steekhoudend is, en uitlegt wat uitgelegd moet worden. Vooral op dat laatste punt faalt Poejesh. Allereerst is er het aspect van Bakoenins conspirationalisme. Ja, de man was fan van geheime genootschappen, en de man had een ego dat een andere rol dan aanvoerder daarin helaas nogal uitsloot. Maar waar kwam die obsessie met samenzweringen vandaan? Hiervoor moeten we een beroep doen op het inzicht dat Poeyesh als marxist wel zal kennen , namelijk dat het zijn het bewustzijn bepaalt, dat mensen en hun opvattingen mede gevormd worden door omstandigheden. Bakoenin was namelijk niet als anarchist geboren maar had zich in de laatste tien tot vijftien jaar van zijn leven die kant op ontwikkeld. Hij werd vanaf de jaren veertig van de negentiende eeuw revolutionair, maar dan een democratisch en nationaal revolutionair, nog geen libertair. Wel zag hij, in een gedachtengang die lijkt op het veel later door Trotski als ‘permanente revolutie’ getypeerde verschijnsel, verband tussen de nationale bevrijding van de Slavische volkeren, en de sociale bevrijding van de boerenklasse van die volkeren. Zonder sociale geen natiionale bevrijding.

Hij wilde vooral het despotisme van de Tsaar omvergeworpen zien, hij beoogde de vrijheid van vooral de Slavische volkeren van dat juk. Panslavisme en democratisch en sociaal idealisme, maar nog geen anarchisme, typeerde hem. De organisatievorm van veel van dit type politiek in die jaren was: de geheime samenzwering tegen de tyrannie. Zo was er een vroege revolutiepoging, de Decembristenopstand in Moskou in 1825, de klassieke vorm van een militaire samenzwering om een staatsgreep te plegen en daarmee een revolutie te ontketenen. Het mislukte jammerlijk.

Na diverse revolutionaire episodes belandde hij in de kerkers van de Tsaar; pas in 1861 ontsnapte hij. Daarna kwam hij, na diverse andere landen te hebben bezocht, in 1864 in Italië terecht, waar het gonsde van republikeinse ondergrondse genootschappen rond mensen als Mazzini – die in 1862 al positief over hem schreef – en Garibaldi – aan wie Bakoenin zelf een enthousiaste brief schreef. Dit laat wel zien hoerzeer Bakoenin op dat moment nog geenszins een anarchist was, maar de in die tijd gangbare cocktail van democratisch, nationaal-bevrijdend en republikeins radicalisme omarmde. Het zijn – Bakoenins situatie als deel van een internationaal revolutionair samenweerdersmilieu – bepaalde mede Bakoenins bewustzijn als samenzwerend revolutionair.

In Italië werd Bakoenin ook weer actief, en rond die tijd was hij begonnen om specifiek anarchistische opvattingen te ontwikkelen, aldus George Woodcock in zijn klassieker “Anarchism” (3); het Engelstalige Wikipedia-artikel over Bakoenin waar veel van het bovenstaande op is gebaseerd dateert diens anarchisme uit 1865. Maar organisatorisch was hij daarmee de conspiratieve erfenis die hij al meedroeg, en waarin hij in Italië ook nog eens ondergedompeld was, niet zomaar kwijt. Het is dus niet verbazend dat hij, terwijl hij herkenbaar anarchist werd, tegelijk dat anarchisme nog met hoogst ón-anarchistische middelen – hierarchisch opgebouwde geheime genootschappen – wilde bevorderen.

Tegenstrijdigheiden als deze kernmerken elke overgangsfase, elke doorbraak van nieuwe revolutionaire opvattingen. Toen Marx herkenbaar ‘marxist’ werd in de jaren veertig van diezelfde eeuw, was hij ook niet onmiddellijk alle ballast van eerdere maatschappelijke ideeën. Zo is er bijvoorbeeld zijn uitspraak uit 1843 : “zoals de filosofie in het proletariaat haar materiële wapens vindt, zo vindt het proletariaat in de filosofie zijn geestelijke wapens ” – een formulering die de latere Marx zo nooit zou neerpennen, omdat het de filosofie als een zelfstandige realiteit náást de arbeidersklasse, en even belangrijk, omschrijft. Verderop zegt hij nog: “het hoofd van deze emancipatie is de filosofie, haar hart is het proletariaat.” Net zo’n soort kronkel, waarin de arbeidersklasse vrijwel als instrument van de filosofie (en de filosofen?) wordt beschreven. Maar Marx was in deze fase de wenzenlijke rol van de arbeidersklasse in het revolutionaire proces nog maar net aan het ontdekken, jhad zijn materalistische geschiedbeschouwing nog niet helemaal op orde, was zogezegd nog niet helemaal een ‘marxist; en het is daarom inzom om dit soort nog van filosofisch idealisme doortrokken passages tot de kern van Marx ‘denken te verheffen en hem daarvoor neer te sabelen.

Voor Bakoenin gold iets soortgelijks: zijn opvattingen hebben niet meteen hun latere, veel consistentere, vorm. Het is dus misplaatst om juist de niet-libertaire organisatorische concepten van Bakoenin te zien als kern van diens anarchisme. Tekenend is dan ook het feit dat dit type samenzweringen niet alleen beperkt bleven tot het papier waar Bakoenin zijn schema’s op schreef, maar ook dat latere anarchisten zich van dit organisatiemodel niet of nauwelijks meer bedienden. Hiërarchische samenzweringsgroepen zijn nu eenmaal strijdig met anarchistische strevingen. Dat Bakoenin ze hanteerde, maakt hem tot een minder consistent anarchist. Bakoenin had nog wel meer tekortkomingen, waaronder hele ernstige. Over het anarchisme zelf zegt het allemaal echter weinig tot niets.

Over Bakoenins avontuur in Lyons ga ik het verder niet hebben hier. Ik ken de precieze toedracht niet, en vind het geen goed idee om enkel te vertrouwen in de versie die Marx en Engels ervan geven. Die is doordrenkt met polemische bedoelingen, preciezer gezegd, met het doel om Bakoenin zo ongunstig mogelijk af te schilderen. Als bron om de feitelijke toedracht te weten te komen, geef ik er niet zeer veel om. Maar nogmaals, zelfs als de geschetste toedracht de juiste is, dan nog zegt dat weinig over de geldigheid van Bakoenins anarchisme-in-ontwikkeling, maar voornamelijk iets over Bakoenins praktisch falen – een falen als anarchist, dat dan juist ook vanuit anarchistische principes zou kunnen en moeten worden gekritiseerd. Iets soortgelijks geldt ook voor Bakoenins lobby-werk bij de Zweedse kroon. Consistentie tussen theorie en praktijk was bepaald niet Bakoenins sterkste kant in die jaren. Maar het waren, nogmaals, jaren waarin diens anarchisme nog helemaal in ontwikkeling was, en nog bostste met oudere democratische en sociaal-revolutionaire opvattingen. En bij díé opvattingen paste het zoeken naar diplomatieke steun nog wel degelijk.

Poejesh echter maakt van de tegenstrijdigheid tussen Bakoenins anarchisme enerzijds en diens eerdere politieke concepten en hun uitwerking anderzijds, tot kern van hnet anarchisme zelf, tot een stok om het anarchisme als zodanig mee te slaan. Alsof de tegenstelling tussen twee zaken de kern van één van de botsende zaken zou uitmaken. Slechte polemiek, slechte analyse, goedkoop anti-anarchistisch scoren, uithalen naar wat Poejesh aan het eind van zijn stuk een “zieke sociale ideologie” noemt; maar omkleed met veel dure woorden. Het tekent het artikel van Poejesh, zoals het zoveel anti-anarchistische schrijverij van zoveel marxisten – te beginnen de twee founding fathers zelf – typeert.

(1) Op de website van de ASB staat een lezenswaardige uitvoerige reactie op het stuk van Poejesh, gewschreven door K.Fotia en eveneens op persoonlijke titel: “Response to a Marxist Critique of Anarchism” .

(2). Poejesh schrijft zijn artikel in het Engels. Doorgaans zou ik citaten eruit in het Nederlands vertalen. Omdat ik zijn woorden echter wil vergelijken met bakoenins woorden, en wil voorkomen dat er bij vertalen iets mis gaat, citeer ik zowel Poejesh als Bakoenin in de Engelse taal.

(3) George Woodcock, “Anarchism – a history of libertarian ideas and movements”, tweede editie, Harmondsworth 1975, pag. 148-149.

Advertenties

3 Responses to Marxisten over anarchisme: (1) Bakoenin onder misplaatst vuur

  1. VaQm schreef:

    Op anarchosyndicalisme.nl staat een goed onderbouwd antwoord op ” A Marxist Critique of Anarchism” >

    http://anarcho-syndicalisme.nl/wp/?p=1052

  2. VaQm schreef:

    Sorry, je voetnoeten niet gelezen, je verwijst al naar “Response to a Marxist Critique of Anarchism” onder aan je stuk.

  3. arjan de goede schreef:

    Beste Peter,

    Op jouw blog heb je onlangs een bijdrage besproken van Poejesh over ‘marxisme en anarchisme’ en gewag gemaakt van een ‘Response to a Marxist Critique of Anarchism’. Zoals je misschien wel hebt gelezen, heb ik ook aan de discussie deelgenomen. Dit is overigens niet de enige discussie waar ik aan heb bijgedragen. Ik het afgelopen jaar regelmatig gereageerd bijdragen die zijn verschenen op forums op de site van de KSU, de ASB, de Vrije Bond en soms ook Globalinfo of Indymedia.
    Tot nu toe heb ik nog nauwelijks een keer gereageerd op de bijdragen die jijzelf schrijft, noch die verschenen zijn op je eigen blog, noch die verschenen zijn op de sites van andere groepen. Ik vraag me nog steeds af of het wel zin heeft om te reageren op bijdragen die jij schrijft. Jij noemt je anarcho-kommunist, ikzelf ben linkskommunist (sympathisant van de IKS). We zouden wat dat betreft niet zo ver van elkaar af moeten staan. Maar het punt is dat jij, ondanks het feit dat je je anarcho-kommunist noemt, toch niet goed begrijpt wat het wezen van de arbeidersklasse is: internationalistisch en tegen (staatskundige) hervormingen.
    Dit is niet het geval met groepen zoals de ASB en de KSU. Beide groepen, ondanks hun heterogeniteit tonen zo nu en dan dat ze aanvoelen wat internationalisme is en dat de hervormingen, die de FNV/CNV-vakbonden voorstaan, hen niet tot echt veel enthousiasme kan bewegen.
    Kort geleden is er op de website van de IKS ‘www.internationalism.org’ een reactie verschenen op een artikel dat vorige zomer is verschenen in Buiten de Orde (geschreven door Jan Bervoets). Er is namelijk een begin van een discussie gaande naar aanleiding van een drietal artikelen van de IKS over “Linkskommunisme en Internationalistisch Anarchisme”.
    Als je geïnteresseerd bent, laat het me dan me dan weten, wellicht kan je – met mijn standpunten (die van de IKS) als daaraan ‘tegenovergesteld’ – ook een bijdrage leveren tot de stimulering van een discussie over ‘anarchisme en linkskommunisme (marxisme)’.

    arjan de goede

    Ik weet dat je er al het een en ander over geschreven heb op je blog, dat er op Globalinfo heel veel over verschijnt en op de site van Doorbraak een debat over geweest is. Maar kan eventueel ook een discussie zijn over de economische crisis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: