Cohen, hoe lang blijf je nog kameraad van Mubarak?

27 januari, 2011

“De PvdA wil dat het kabinet de Egyptische ambassadeur ontbiedt en hem de Nederlandse boosheid laat weten over  de mishandeling van een journalist van dagblad Trouw in Cairo.” Aldus De Volkskrant. Er staat niet bij of er ook “Nederlandse boosheid” tot uiting gebracht moet worden over de arrestanten – 500, volgens Binnenlandse Zaken in Egypte, 1200, volgens een juristencollectief , aldus de NRC, en intussen sowieso waarschijnlijk alweer meer –  in Egypte, de talloze gewonden en de ettelijke doden die het politiegeweld tegen demonstranten inmiddels heeft gekost. Eigen volk eerst, nietwaar?!

Wat de Trouw-journalist overkwam is akelig. Hij beschrijft het gevolg vanzijn  zware mishandeling droogjes: “Het resultaat is een lichaam dat niet zou misstaan op een popster van Amnesty.” Ja, dit verdíént protest. Maar dan een protest dat héél de repressie aanklaagt, afschuw uitspreekt over álle mishandelingen en erger die de gewapende knokploegen van Mubarak te weeg brengen. Een protest dat solidariteit uitspreekt met de opstandige bevolking van Egypte, van de demonstranten in Cairo tot de mensen die in Suez een politiebureau in brand staken. Voor zo’n protest en zulke solidariteit zijn we bij de Nederlandse regering aan het verkeerde adres.

Bij de PvdA trouwens ook. Die is ook vaak officieel bondgenoot van dictators, en daarmee vijand van opstandigen die meer vrijheid opeisen. Nu weer. Nog steeds staat de PvdA in de ledenlijst van de Socialistische Internationale (S.I.). Nog steeds staat in diezelfde ledenlijst de NDP, de staatspartij van Egypte, de partij van Mubarak. Nog steeds zijn de dictator van Egypte en de aanvoerder van de PvdA in feite politieke kameraden. Zal het weer zo gaan als met Mubarak’s collega Ben Ali, wiens partij pas de SI werd uitgezet op 17 januari, enkele dagen nádat deze Tunesische (nu ex-)president het land was ontvlucht?

Advertenties

Ben Ali, Hosni Mubarak en Job Cohen

19 januari, 2011

Er valt heel veel te schrijven over de Tunesische revolutie. Hoe het oude bewind zich een facelift probeerde te geven door de president te laten gaan maar snel een nieuwe regering te vormen met een premier, een minister van binnenlandse zaken, van defensie en van financiën , allemaal lid van de RCD, de partij van de macht, van Ben Ali. Hoe veel mensen hier – terecht – boos van werden en opnieuw de straat op gingenm, en hoe zij hardhandig door de oproerpolitie werden aangevallen – waarmee het beeld dat het oude systeem niet weg was nog eens extra werd onderstreept. Hoe vervolgens de premier en de president snel uit die gehate partij stapten. Hoe enkele kabinetsleden – lid van de vakbond die na jarenlange gezagsgetrouwe opstelling de laatste weken een forse rol in de protestbeweging speelde – snel de regering verlieten toen ze zagen hoe sterk de oude machthebbers op regeringsniveau bleven. Ajazeera vat het keurig samen. Nee, deze revolutie is niet voorbij, niet ingekapseld. Deze revolutie heeft toekomst, al valt nog helemaal niet te zeggen wat voor toekomst precies.

Maar dat is voor een andere keer. Nu kort iets over de rol van Westerse staten – en partijen. Opvallend was hoe president Obama vriendelijke woorden voor de demonstranten vond en opriep tot vrije verkiezingen – vrijdagmiddag, toen de dictator al wankelde en zelf al allerlei democraatische beloften deed.. Op het weblog The Angy Arab worden hoogts amusante en leerzame gegevens en citaten boven water gev haald over de eerdere Amerikaanse opstelling. Daar vind je dus hoe vriendelijk Condoleezza Rice in 1998 was;  daar lees je ook een fors citaat van vriendelijkheden van het State Department voor Tunesië, compleet met cijfers over economische steun. Het citaat komt uit een document van oktober 2010.

De revolutie in Tunisië was dus gericht tegen een dictatuur die van het Westen – de VS en Frankrijk voorop – actieve steun kreeg. Maar de dictatuur kreeg steun van veel dichterbij, uit toch wel merkwaardige kring. De staatspartij RCD, de partij van dictatior Ben Ali, was namelijk tot eergisteren lid van … de Socialistische Internationale! Dat kom ik tegen via een commentaar/ aanvulling bij een artikel op Libcom over de Tunesische gebeurtenissen, een artikel waarvan die commentaarrubriek weer eens  een goudmijn van informatie is. En daar kwam ik het bericht tegen dat de President en de Secretaris Generaal van dit nobele proletarische gezelschap besloten hebben om het lidmaatschap van die CDR  te doen vervallen. Het stukje verwijst naar de “waarden en principes die onze beweging definiëren”, en naar “bijzondere omstandigheden”. Blijkbaar is staatsterreur niet in strijd met die “waarden en principes” van de Socialistische Internationale, behalve als die staatsterreur niet meer effectief genoeg blijkt te zijn. Want het berichtje dateert van 17 januari, drie dagen na de val van Ben Ali.

Voor wie het niet weet of even kwijt is: de Socialistische Internationale bundelt sociaaldemocratische partijen, of wat daar voor door moet gaan, wereldwijd. De lijst van leden pronkt op hun website. Er is een Nederlandse partij lid van: de PvdA van Job Cohen. Er is ook een Griekse partij lid van tropuwens: PASOK, de regeringspartij die verantwoordelijk is voor brute bezuiniogiongen en grof politiegeweld om protest daartegen neer te slaan. Het zullen je vrienden maar zijn.

Oh, trouwens, er is ook een Egyptische partij lid van: de Nationaal Democratische Partij NDP. Inderdaad, dat is de club van de Egyptische president Mubarak. Mijnheer Cohen en mijnheer Mubarak zijn dus politiek bevriend. Het zijn, om in stijl te blijven, kameraden, zoals Cohen en Ben Ali tot 17 januari dus ook kameraden waren. Zou iemand in de PvdA die nog wél enig fatsoen en enige echte afkeer van dictatuur heeft, bij zijn partij even aan de bel kun trekken hierover? Of zijn zulke mensen er niet meer?


Tunesische revolutie: enkele observaties

15 januari, 2011

Op 17 december 2010 stak een werkloze afgestudeerde zichzelf in brand. Op 14 januari verliet president Ben Ali het land. Zo snel kan het gaan: vier weken tussen het begin van een volksopstand tot de val van de dictator. Zo snel ging het in Tunesië, in wat nu al  de Jasmijn Revolutie wordt genoemd. Wat is de betekenis van de gebeurtenissen? En wat nu? Aanleiding genoeg voor een terugblik en een blik vooruit.

De revolutie in Tunesië heeft zich tot nu toe in hoog tempo voltrokken. Alleen al de gebeurtenissen van gisteren! Demonstratie van vele duizenden in de hoofdstad Tunis, aangevallen met minstens traangas; toespraak van de president, met beloften; geruchten en geweld in de straten; president vertrokken, premier meneemt macht over; president op weg, in Malta? Naar Parijs? Uiteindelijk geland in Saoedi-Arabië. In 24 uur tijd van hardhandige verdediging van de dictatuur, via concessies naar een aftocht en machtsoverdracht – die de essentie van het bewind overigens in groten lijnen intact heeft gelaten. De gang van zaken is na te lezen op verslagen van uur tot uur in The Guardian en bij de BBC.

De gebeurtenissen van de afgelopen weken vormden in hun totaliteit een revolutie – althans het eerste bedrijf ervan. Juan Cole haalt wat hoofdpunten naar voren. Hij spreekt van “allereerst een revolutie van de geblokkeerde, opgeleide middenklasse”, waarbij hij wijst op de enorm hoge werkloosheid onder mensen die van de universiteiten komen. Of je werkloze academici – zéker als ze geen welvarende ouders hebben – tot de middenklasse moet rekenen, mag je je afvragen. Maar dat de frustratie en woede van mensen die een hoge opleiding volgden om vervolgens geen bijpassende baan te kunnen vinden, drijvende kracht achter de protesten is geweest, dat is absoluut onmiskenbaar. Het was intussen ook een revolutie tegen de corrupte presidentIéle familie, waarvoor met name de vrouw van de president model stond.

Maar het was beslist niet enkel een ‘beweging van de ‘middenklasse’ (in de zin die Cole eraan geeft). “Je krijgt geen enorme mensenmenigten zoals we in Tunis zagen zonder dat veel arbeiders zich aansloten”, merkt hij droogjes op. En hij wijst op de rol die vakbonden speelden in de opstand. Die rol blijkt ook uit een verslag op Marxist.com, verschenen vlák voor de val van Ben Ali. Daar lezen we hoe de vakbond TGTT door het protest onder druk gezet wordt om stakingen uit te roepen. Die vakbond heeft op zich een tamme gezagsgetrouwe leiding, maar wordt desondanks als het ware op sleeptouw genomen; op 9 januari was er al een regionale algemene staking uitgeroepen door de UGGT-afdeling in Sfax, met vrijwel totale deelname. Uit dit artikel blijkt ook de omvang van de protesten in provinciesteden: 12.000 betogers in Jenduba, 30.000 in Sfax. Er gebeurde bepaald méér dan alleen rellen van honderden jongeren in meerdere steden. Cole wijst ook op het belang van het platteland, de arbeiders daar. “De plattelandswerkers is duidelijk vanm belang, waarschijnlijk belangrijker dan Facebook”, zo merkt hij op. Klassenstrijd, zo blijkt uit zowel Cole als uit het Marxist.com-artikel – met al hun verschillen en ook temkortkomingen -, was motor van de omwenteling in Tunesië.

Over de rol van internet-media is het laatste woord nog niet gezegd. Ja, kameraad Twitter, kameraad YouTube en kameraad Facebook speelden een grote rol bij de snelle uitbreiding van het protest, en bij de informatievoorziening over de grenzen heen, juist toen gevestigde media nog maar weinig aandacht aan Tunisië schonken. Toch is Cole’s relativerende opmerking niet onterecht. Eerdere revoluties konden ook bliksemsnel om zich heen grijpen, ook zonder internet. Van de staking van Russische textielarbeidsters in februari 1917 tot de val van de Tsaar kostte ruim één week, zonder zelfs maar één Twitterbericht. Van een demonstratie in Timisuara, Roemenië, tot de vlucht van Ceausescu, december 1989, nam zes dagen in beslag, en er kwam geen Facebook-oproep of sms-bericht aan te pas. Van de bestorming van de Bastille in 1789 is niet eens een YouTube-filmpje! In het tempo van revoluties is de afgelopen eeuwen opmerkelijk weinig veranderd. De rol van sociale media ligt eerder in de verbreiding van het nieuws naar andere landen, en dus in de mogelijkheid om niet alleen op de hoogte te blijven maar ook solidariteit te betuigen. Internet is belangrijk. Maar de politiekogels die getrotseerd moeten worden, de stenen die worden gegooid door het traangas heen, de betogingen die gehouden worden,  de revolutie zelf – dat alles heeft bepaald geen voornamelijk virtueel karakter.

Terug naar Cole. Hij wijst op de geringe rol die politieke partijen speelden in de gebeurtenissen, en op de rol van het leger. Dat een generaal ontslagen werd omdat hij weigerde op betogers te laten schieten, wijst op een breuk in dat leger, iets dat we in revoluties ook vaker zien. Cole wijst bovendien op het internationale belang van de revolutie in Tunesië, wellicht belangrijker dan de Iraanse revolutie van 1979. Die sprak – omdat die in een land waarvoopral Sjiiten woonden, en een religieus karakter had – mensen in andere delen van het Midden-Oosten woonden maar in beperkte m,ate aan: de meerderheid in de Arabische wereld is Soennietisch. Revolutie in Tunesië, een Arabisch land, overwegend Soennietisch, is een ander verhaal, met mogelijk wel degelijk een voorbeeldwerking op landen als Egypte en Jordanië, aldus Cole.

Een andere analyse van de revolutie waar iets van te leren valt geeft Rahul Mahajan op zijn onlangs gelukkig gereanimeerde weblog Empire Notes. Eerst schetst hij de gebeurtenissen zelf, van de zelfverbranding die de aanleiding tot het protest was tot aan de val van de president. Daarna gaat hij in op de aard van het regime, en waarom die aard de kans op revolutie in de hand werkte. Volgens hem is Tunesië, met een duur woord,  een neopatrimoniale staat. Dat betekent: een staat die enerzijds alles heeft wat een moderne staat geacht wordt te hebben: moderne ambtenarij geselecteerd op basis van verdienste en dergelijke, maar anderzijds vooral het persoonlijk eigendom is van een familie van de machthebber, of enkel van die machthebber zelf. Dat geeft zo’n bewind een smalle basis. Met repressie kan zo’n regime zich lang staande houden. Maar als de bal van verzet eenmaal rolt, kan snel blijken hoe ge: ïsoleerd en zwak de machthebbers staan. Dit zag je bijvoorbeeld in Nicaragua onde Somoza, die in 1979 ten val kwam, en ook enigszins onder Roemenië onder Ceasescu, voorbeelden dieMajahan niet noemt, maar waar je dit wel ziet. En nu zie je het in Tunesië.

Dit karakter van de staat verklaart dan mede – nog steeds volgens Mahajan – waarom  in Tunesië lukte wat in Iran in 2009 en Birma in 2007 niet lukte. Het bewind in Iran heeft een veel bredere, niet door een enkele familie maar door een reeks instituties gedragen, machtsbasis. Daarom had de opstand daar minder kans van slagen. Hij overdrijft overigens als hij zegt dat de “Groene Revolutie mislukte, zonder zelfs maar een kans te hebben.” Ja, de revolutie in Iran slaagde niet. Maar dat ze sowieso geen kans had, was niet de indruk die je kreeg uit de felle repressie die de staat op de vele honderdduizenden betogers meende te moeten loslaten om haar orde te handhaven. Het was kantjeboord, die mislukking. De machthebbers waren op het moment zelf kennelijk aanzienlijk minder zeker van hun zaak dan Mahajan achteraf…

Iets dergelijks gold voor Birma in 2007, de Saffraan Revolutie, genoemd naar de kleur van de dracht van demonstrerende Boeddhistische monniken. Ja, het Birmese regime wordt niet gedragen door een enkele familie, maar door het leger als instituut, met de generaals als machthebbers. Dat maakt de staat steviger dan een familiedomein als het Tunesië van de familie Ben Ali. Het is misschien waar dat zo’n militair regime als Birma  meer geweld kan loslaten dan het Tunesische regime kon, zoalas Mahajan stelt. Maar er spelen andere fasctoren in de mislukking van de opstand in Birma. Het actief óntmoedigen door monniken van bredere deelname vanuit de bevolking aan de protesten was een factor. De nadruk op geweldloosheid vanuit het protest hielp niet mee. Het ondersneeuwen van sociale kwesties – arm tegen rijk – zodat de beweging zich versmalde tot een grootschalig mensenrechtenprotest, speelde een rol.

Dit neemt allemaal niet weg dat Mahajan een punt heeft. Een ander soort staat brengt een ander soort kwetsbaarheid voor revolutie met zich mee, en Tunesië hoorde klaarblijkelijk tot een wat kwetsbaarder soort van  staat. Maar laten we niet in de val trappen dat we denken dat er soorten van staat zijn die onkwetsbaar zijn voor revolutie. Daarmee zouden we immers de hoop op grondige verbetering voor grote delen van de mensheid bij het oud schroot zetten. Mahajan maakt die fout niet, maar het gevaar ligt wel een beetje in zijn redenering besloten.

Volgens hem brengt dit staatskarakter ook een grotere kans op serieuze positieve veranderingen mee. Een breder gewortelde elite kan, na ene volksopstand, zich een beetje herschikken, wat gehate kopstukken dumpen en in enigszins aangepaste versie weer doorgaan. “In een voldoende geconcentreerd neopatrimoniaal regime zijn er echter geen plausibvele alternatieve elites, dus zijn de kansen  dat de beweging werkelijk dingen verandert in plaats van enkel de zaak een beetje door elkaar schudt is veel groter. Laten we hopen dat dit hier het geval is.” Ik zie wat hier wordt bedoeld, en onzin lijkt het me niet. Maar van veel groter belang bij een vervolg lijkt mij de kracht en de aard van de volksbewegingen van onderop zélf, de echte gangmakers van een echt revolutionair proces. Is die niet sterk genoeg, dan duiken er ook in een zojuist door revolutie beschadigde ‘familiestaat’ toch wel nieuwe leiders en structuren op, ook als die niet uit  de rechstreekse omgeving van de machthebbers komen. In Tunesië lijkt me het gewicht van het leger, als beslissende machtsfactor in de huidige staat, bijvoorbeeld nogal groot.

In Tunesië zien we intussen het proces  van schadebeperking van hogerhandaan het werk. Het bewind heeft een dreun moeten incasseren, in de vorm van het verlies van de president. Aanvankelijk kwam de premier naar voren: hij werd heel even president. Vandaag bleek dat alweer voorbij, en inmiddels is de parlementsvoorzitter tot president ingehuldigd. Beiden zijn figuren uit het oude bewind, hoge staatsfunctionarissen, mee verantwoordelijk voor een beleid dat de hoge werkloosheid op zijn minst in tact hield, mee verantwoordelijk voor de corruptie – ook als ze zelf wellicht relatief ‘schoon’ zijn – en vooral ook mee verantwoordelijk voor de grote aantallen doden en gewonden  die de poging om de volksopstand neer te slaan heeft gekost.

Nieuwe verkiezingen – nu binnen 60 dagen aan de orde, volgens de grondwettelijke regels althans – zullen waarschijnlijk een wedstrijd worden tussen figuren uit de gevestigde orde die tegen elkaar zullen opbieden in volksvriendelijkheid. Misschien dat het facelift-vermogen in een familiestaat als de Tunesische toch groter is dan in de analyse van Majahan aannemelijk lijkt. Beslissend wordt dan ook niet wat er in officiële politieke kringen wordt uitgebroed. Beslissend is wat de afgelopen vier weken steeds bepalend was: de kracht van het volksverzet zelf.


Volksopstand in Tunesië, president wèg

14 januari, 2011

Vandaag schreef ik onderstaand artikel voor de website van Doorbraak, daar ook voorzien van passend beeldmateriaal dus daar dit stuk bekijken voegt iets toe 🙂 Intussen is de Tunesische president Ben Ali het land klaarblijkelijk ontvlucht. Ik ga echter het artikel hieronder niet updaten met de meest actuele informatie; die is binnen enkele uren toch al weer achterhaald, de situatie is hoogst onduidelijk. Maar wat een overwinning toch al voor de dappere demonstranten!

Volksopstand in Tunesië

De volksopstand in Tunesië heeft de dictatuur van president Ben Ali vandaag verder aan het wankelen gebracht. Gisteren beloofde hij al dathij geen verlenging van zijn ambtsterme mijn meer wilde. Die loopt in 2014 af. Alsof mensen zolang willen wachten! Ook stuurde hij al ministers naar huis, beloofde meer banen en vrijlating van opgepakte betogers. De premier beloofde intussen onderzoek nmaar corruptie. Vandaag kondigde Ben Ali parlementsverkiezingen aan en opheffing van de censuur. Op de drie punten waar mensen voor de straat op gegaan zijn – werkloosheid, corruptie en onvrijheid – doet het bewind dus concessies. Intussen gaat de onderdrukking door.

De volkswoede is zo groot dat hij weinig anders kan dan proberen toegevingen te doen en tegelijk wanhopig zijn orde gewapend op te blijven leggen.. Vandaag belegerden minstens 5000, maar waarschijnlijk vele duizenden méér, demonstranten het ministerie van binnenlandse zaken. Ze wiesen het vertrek van Ben Ali. Sommigen zijn op het dak geklommen. Ne enige tijd begon de politie betogers met traangas te bestoken, en de menigte met knuppels te verdrijven. Er wordt melding gemaakt van een poging door demonstranten om de centrale bank te bestormen. Sommieg demonstranten proberen zich met soldaten te verbroederen. Intussen was er vandaag ook een algemene staking van twee uur, uitgeroepen door een vakbond. Tegen de avond werd de noodtoestand uitgeroepen. Op Libcom.org is het allemaal te volgen.  In de commentaren staan veel bronnen van hier ook verwerkte gegevens.

Dit is een voorlopig hoogtepunt van een revolutionaire opstand die op 17 december begon. Op die dag stak een man zich in brand omdat de politie hem belette om fruit en groenten op straat te verkopen, De man was werkloos en probeerde zich als straatverkoper in leven te houden. De man overleed begin januari.  Meteen na zijn daad begonnen honderden mensen op straat te protesteren. De weken daarop breidden de demonstraties en rellen zich uit over de ene stad na de anderen. Advocaten demonstreerden tegen het politiegeweld. Jonge mensen betoogden, vochten met de politie, incasseerden traangas en kogelsalvo’s van politiezijde. Het dodental was gister officiëel nog 23 volgens de regering, minstens twee keer zo hoog volgens mensenrechten- en oppositiegroepen.

De redenen van de opstandigheid zijn in de allereerste plaats sociaal-economisch. Tunisië kent een hoge werkloosheid, vooral onder hoogopgeleide jongeren. Officieel is14 procent werkloos. De wanhopige woede die dat veroorzaakt, komt in de opstand tot uiting. Tegelijk zijn mensen boos vanwege de hoge prijzen, de corruptie van met name Ben Ali en zijn steenrijke familie, en de algehele onvrijheid die elk kritische geluid met geweld en censuur smoort. Een volksopstand voor meer vrijheid, en vooral voor een beter bestaan voor de arme bevolking. Dat is de kern.

Ben Ali leidt een pro-Westerse dictatuur . Dat maakt de betekenissen extra belangrijk. De onderdrukking vond plaats om een steunpilaar van Westerse belangen overeind te houden. De huidige opstand bedreigt dan ook niet alleen het regime, maar die Westerse belangen. Het laat ook zien hoe Westerse staten die belangen bereid zijn te verdedigen: met traangas, arrestaties en kogels. Pas toen het bewind in serieuze moeilijkheden begon te raken én toen politiegeweld een Frans staatsburger doodde en een Amerikaans journalist verwondde, begonnen Westerse media grote aandacht voor de revolte te tonen. Pas toen riep de VS de Tunesische ambassadeur op het matje om zijn zorg te tonen. Zolang de dictator voor rust kon zorgen, kraaide geen Westerse regeringshaan naar de repressie en de slachtoffers ervan. Nu maakt het Westen zich zorgen, en wordt er waarschijnlijk hevig nagedacht aan vervanging van de dienstdoende dictator door een soortgenoot die de teugels even gaat laten vieren om vervolgens de orde eerst subtiel en later weer hardhandiger te herstellen.

Het is sterk de vraag of het bewind met zo’n facelift weg komt. Mensenmenigtes die zich vier weken van traangas en kogelsalvo’s niet van de straten hebben laten terroriseren, zullen dat nu niet opeens wel doen. Vrije verkiezingen over zes maanden klinken leuk. Maar de mensen zijn nú werkloos, hebben nú honger, hebben nú last van de hoge prijzen, de armoede, het staatsgeweld. Dit is een sociale revolutie in wording, niet in de eerste plaats een politieke opstand. Het is opvallend dat in de berichtgeving het onderwerp ‘vrije verkiezingen’ tot de dag van vandaag helemaal niet klonk. Mensen zijn niet primair bezig met politieke oplossingen om de ene set politici in te ruilen door een andere. Wat hebben mensen aan vrije verkiezingen over zes maanden als ze nú de straten van Tunis worden uitgeknuppeld? Mensen zijn bezig met het opkomen voor een beter bestaan, nú.

En mensen doen dat zelf. Dat is de glorie van deze opstand: het gaat grotendeels spontaan, op eigen initiatief, met blote handen en tegelijk met hulp van idigitale media als Twitter en Facebook. De opstand heeft zelfs al een naam: de Jasmijn-revolutie. De regering gaf intussen allerlei ondermijnende groepen achter de schermen de schuld: ‘islamisten’ en links, the usual suspects. Opvallend is echter juist de afwezigheid van de politieke Islam, van fundamentalistische geluiden, in de protesten. Dat kan te maken hebben met de onderdrukking van staatswege door het secularistische bewind. Maar dit verklaart toch te weinig: juist in staten met een autoritair opgelegd secularisme proberen fundamentalisten juist zich weer te laten gelden als mensen tegen zo’n bewind in opstand komen. Zoiets zag je in 1988 in Algerije. Nu is daarvan niet merkbaar sprake. Juan Cole zegt terecht: “merk op dat, aangezien de Tunesische crisis te maken heeft met vakbonden, werkloosheid, klasse-onrust, en een studenten-jongerenbeweging niet met de Islam, de Amerikaanse massamedia dit verhaal grotendeels negeren.”  Inderdaad: ‘Islamitische dreiging’ is belangrijk, sociale revolutie niet – totdat hebt bewind werkelijk wankelt: inmiddels zijn ook Amerikaanse media ontwaakt. Maar hoe dan ook: de Tunesische revolutie vertoont geen enkele neiging om op fundamentalistisch dwaalspoor gebracht te worden. Het is een authentieke sociale revolutie.

Naast Islamisten krijgt links de schuld van de opstandigheid. Ook dat is misplaatst: de werkloze jongeren hebben geen enkele organisatie nodig gehad om te weten dat ze kwaad waren en de straat op wilden. Ze déden het gewoon. Wél is er sprake van enig links geluid. De Tunesische Communistische Arbeiderspartij roept op tot een voorlopige regering, een grondwetgevende vergadering en dergelijke. Dat een oppositiefiguur die door het bewind opgepakt is uitgerekend Hamma Hammadi, leider van deze partij is, toont de angst van het bewind voor een linkse draai. Tegelijk hoeft de staat voor dít soort ‘communisme’ niet zo bang te zijn. Voorlopige regeringen en grondwetgevende vergaderingen liggen immers in het verlengde van de verkiezingen die het bewind nu zelf al belooft. Het zijn oplossingen aan de top, binnen politieke kaders. En zonder diepe sociale veranderingen gaan ook politici vabn deze communistische partij geen oplossing voor massawerkloosheid, corruptie en hoge voedselprijzen brengen, dat vergt een sociale revolutie, geen puur politieke veranderingen.

De opstand is internationaal van grote betekenis, vanwege de dreiging die ervan uit gaat tegen de Westerse belangen in het gebied. Maar er is nog een dimensie: goed voorbeeld doet goed volgen. Andere landen in de regio kennen soortgelijke autoritaire regimes, soortgelijke hoge prijzen, werkloosheid, sociale ellende en onvrijheid. Het Tunesische voorbeeld kan zich verspreiden. Een week geleden waren er al betogingen en rellen in Algerije, snel gesmoord met repressie én concessies in de vorm van prijsverlagingen. In Jordanië is vandaag protest tegen prijsverhogingen. De Tunesische revolutie kan de aanzet zijn tot een kettingreactie van opstandigheid. De angst daarvoor raakt Westerse machthebbers, de hoop komt tot uiting op de straten van Tunis.

Enkele achtergrondstukken, uit heel uiteenlopende bron, vooral waardevol vanwege de berichtgeving over de acties in de opstandsgolf: “Tunisia: the protest continue”   en “Behind Tunisia Unrest, Rage Over Wealth of Ruling Family” 

Een weblog met opvallende berichtgeving  http://www.al-bab.com/blog/2011/blog1101b.htm

 


Revolutie in Tunesië

13 januari, 2011

In Tunesië woedt de revolutie. Demonstraties, rellen, nu ook plunderingen drukken de immense volkswoede uit. Traangas, arrestaties en dodelijke munitie zijn het antwoord van de staat, van het bewind van president Ben Ali dat oppostitie de gewelddadig de kop in wil drukken. Na meer dan drie weken lukt dat niet bepaald. De opstandigheid houdt aan en breidt zich zelfs nog uit. Hoe dit gaat aflopen is niet te zeggen. Maar het bewind staat niet supersterk, het protest kán winnen.

Het begon toen op 17 december een hoogopgeleide werkloze man zichzelf in brand stak toen de politie hem belette groenten en fruit op straat te verkopen om in leven te blijven. De man is begin januari overleden. Vrijwel meteen na diens zelfverbranding demonstreerden een paar honderd jonge mensen, de politie schoot met traangas – en de opstand was begonnen. Dit vond plaats in Sidi Bouzid. Snel erna vonden soortgelijke protesten plaats, eerst vooral in steden in het binnenland, later ook in de hoofdstad Tunis. De NRC had op 10 januari een kaartje waarop plekken waren aangegeven waar protest was geweest. Dat waren er toen twintig. De kop van het stukje was veelzeggend: “Protesten Tunesië kunnen regering op knieën dwingen”.

Intussen  kost de bloedige onderdrukking steeds meer mensenlevens: nu al 66 doden sinds half december, volgens iemand van FIDH, een mensenrechtengroepering. De regering komt met veel lagere dodentallen. Maar die heeft er belang bij om de gewelddadigheid van de onderdrukking niet breed uit te meten, om niet al te erg te kijk te staan als de brute dictatuur die het is. Aljazeer maakt melding van 11 doden, alleen al de laatste twee dagen, in meerdere plaatsen.  De regering heeft een avondklok ingesteld in Tunis. Dat weerhield mensen er echter niet van om ook daar weer te protesteren. Ook in Bizerte, Tataouine, Menzel Bourguiba, Douz, en Kairouan en Sidi Bourzi, waar de opstand begon, vonden protesten plaats. Niets wijst erop dat dit protest snel inzakt.

Intussen voelt de staat de druk, en begint te bewegen. Al op 30 december verving de president enkele ministers, waaronder de minister van communicatie. Gisteren ontsloeg Ben Ali de minister van Binnenlandse Zaken – hoofd van de gewelddadig optredende politie. Ook kondigde hij vrijlating van opgepakte betogers aan. Hij beloofde ook 300.000 extra banen. De premier kwam intussen met de mededeling dat een commissie onderzoek gaat doen naar corruptie, naast de grote werkloosheid ook één van de grieven van deelnemers aan de opstandigheid.

Maar de autoriteiten bleven strenge taal spreken tegen betogingen, en lieten die taal kracht bij zetten met nieuw politiegeweld. Er verschenen gisteren ook militairen op straat, een nieuwe stap in de repressie. Ook sloot het regime hogescholen en universiteiten. Het bewind is in het nauw gedreven, maar nog lang niet verslagen. Maar wat als soldaten weigeren te schieten op jonge mensen – mogelijk hun brioers, zusters, zonen, dochters?

Intussen groeit de bezorgdheid onder Westerse regeringen. Dat is logisch: Tunesië is een Westerse bondgenoot. Als de volkswoede Ben Ali verjaagt, verjaagt de volkswoede een loyale Westerse steunpilaar, wiens mensenrechtenschendingen door Westerse staten steeds door de vingers zijn gezien. En voor het toerisme is de opstandigheid natuurlijk ook helemaal niet plezierig. De zorg wordt groter nu de staat een Franse man van Tunesische afkomst heeft doodgeschoten, en ook een Amerikaanse journalist verwond. Intussen 0ntraadt de Nederlandse regering ieder niet dringend-noodzakelijke bezoek aan het land, en halen reisbureaus toeristen uit het land terug.

De Tunesische ambassadeur in de VS in intussen al op het matje geroepen door het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken, een exercitie in hypocrisie – zolang de mensenrechten onzichtbaar geschonden werden, in kerkers en niet op straat was er voor de VS weinig aan de hand – die echter de bezorgdheid van de VS tot uiting brengt. Op de revolutionaire website Libcom.org – dat her en der informatie over de revolte bijeenbrengt – suggereert een commentator al dat de VS op zoek is naar vervanging van Ben Ali en een politieke facelift voor het regime, om de sociale angel uit het conflict te halen. Het zou goed kunnen. Of de opstand zich met zoiets nog op een zijspoor laat zetten, staat te bezien. Dat de Tunesische staat er niet zonder meer in slaagt om mert pure repressie haar positie te handhaven, is echter duidelijk. En dat is op zichzelf al een overwinning voor de op gang gekomen Tunesische revolutie.