In de schaduw van crisis en dictatuur

5 augustus, 2012

zondag 5 augustus 2012

Gisteren werd het ontwerp van de Spaanse begroting bekend. Daarin staat een nog veel hoger bedrag aan bezuinigingen dan eerder al bekend was. Met dit beleid zal de sociale crisis, toch al intens, verder aanscherpen. Te hopen valt dat dit ook geldt voor het verzet tegen het beleid – verzet waar de staat zich blijkbaar voor voorbereidt. Ze tracht kritische stemmen te smoren, met politiegeweld en kennelijk ook met het uitrangeren van kritische journalisten. Niet alleen het levenspeil van de bevolking wordt gesloopt. Hetzelfde geldt voor het beetje vrijheid dat de bevolking na de dictatuur van Franco heeft verworven. Die dictatuur is intussen minder ver weg dan het soms lijkt. Lees de rest van dit artikel »


Economische catastrofe (3): oorlog van boven tegen onder

27 juli, 2012

vrijdag 27 juli 2012

Allerlei bestuurders, economen en politici zoeken naar een uitweg die voor de slachtoffers geen uitweg is. Het ontgaat economen als Krugman en politici als Samson, echt niet dat eindeloos zwaar bezuinigen de economische groei afremt en de recessie eerder aanscherpt dan bestrijdt. Minder geld in de knip betekent minder klanten voor de ondernemers, minder afzet, minder winstmogelijkheden. Juist de zware bezuinigingen duwen de Griekse economie steeds verder omlaag. Lees de rest van dit artikel »


Ontslagen, werkloosheid, armoede en Occupy

15 december, 2011

donderdag 15 december

De crisis, en de bezuinigingen waarin deze vertaald worden, hakken er nu in Nederland ook stevig in. Een handvol berichten, op een natte winderige donderdagmiddag bij elkaar gegrasduind, laat daarover weinig twijfel bestaan. Lees de rest van dit artikel »


Den Haag, waardevolle actie tegen bezuinigingsbeleid

19 september, 2011

 maandag 19 september

De oogst van afgelopen dag in Den Haag is als volgt. Ettelijke duizenden gemotiveerde actievoerders, een paar honderd op het Plein, veel meer op het Malieveld. Toespraken, iets te veel toespraken. Onderlinge gesprekken waar je er nooit geoeg van kunt hebben. Een slordige vijfhonderd kranten helpen verspreiden. En op de kop toe nog twee of drie arrestaties, bij het soort incident waar de politie in Den Haag een soort specialiteit van heef gemaakt en dat tegenwoordig standaard is bij zelfs de meest kalme acties. Een interessante dag, derhalve. Lees de rest van dit artikel »


Over tweede dip en andere crisis-toestanden

1 augustus, 2010

Er zijn flinke aanwijzingen dat het economisch herstel na de diepe recessie van 2008-2009 alweer stokt. De angst voor een tweede dip groeit, na verontrustende cijfers uit diverse landen, en na verontrustende taal van Bernanke, president ven de Federal Reserve, de centrale bank van de Verenigde Staten. De crisis is bepaald niet voorbij, in veel opzichten moet het ergste nog komen. Dat laatste geldt vooral in sociaal opzicht, met grootschalige bezuinigingen in uitvoering of minstens in aantocht.

Eerst wat cijfers die in de richting van een nieuwe neergang wijzen. Vrij weinig aandacht kregen enkele feiten over de toestand in Japan. Daar is de werkloosheid opgelopen tot 5,3 procent. Sinds vorig jaar november was dat niet meer zo hoog. Er zijn 3,4 miljoen mensen zonder baan. Hat aantal beschikbare banen per honderd werkzoekenden is teruggevallen. Er was in juni ook een terugval in de industriële productie van 1,5 procent. De Japanse economie staat er dus niet goed voor, en Japan doet er – ook na de opkomst van China als economisch krachtpatser – nog steeds toe.

Opvallende onrust deze week werd veroorzaakt door berichtgeving uit de Verenigde Staten. Een aantal weken terug berichtte Bernanke, de baas van het centrale bank-stelsel daar, nog dat de Amerikaanse economie stevig de goeie kant op ging. “Het herstel van de Amerikaanse economie is gestoeld op een goede basis”, zo omschreef De Volkskrant zijn standpunt nog op 9 juni. Maar vorige week klonk hij beduidend anders. Weer samengevat door De Volkskrant: “Het stelsel van Amerikaanse centrale banken (Fed) staat klaar om het haperende economische herstel in de Verenigde Staten te ondersteunen met nieuwe monetaire maatregelen. Dat heeft Fed-voorzitter Bernanke woensdag gezegd in een toespraak tot de bankencommissie van  de Amerikaanse Senaat.” Het herstel zet wel door, volgens Bernanke, maar het is klaarblijkelijk wel “haperend herstel”. Hij spreekt ook van “ongebruikelijk onzekere vooruitzichten”. Beursexperts reageerden bezorgd. Logisch: als Bernanke alweer aangeeft om klaar te staan om met een flinke smak geld bij te springen, dan is  er kennelijk toch iets niet in de haak. “Iedere hulp van de Fed is een sterk signaal dat  we er slechter voorstaan dan we denken”, zegt één van hen. De beurzen in New York ging na de toespraak naar beneden, en sloten die dag met een procent verlies.

Inmiddels zijn er nieuwe cijfers die de “ongebruikelijk onzekere vooruitzichten” onderstrepen.  De groei op jaarbasis van de economie is teruggevallen van 3,7 procent in het eerste kwartaal van 2010, naar 2,4 in het tweede kwartaal. Dit soort groeivertraging is in de fase van economisch herstel ongebruikelijk: na eerdere recessies kwam er in een vergelijkbaar stadium van de conjunctuur juist vaart in de economische groei, zo merkt econoom Gerald Lyons, werkzaam bij Standard Chartered, op. Er is “angst dat de Amerikaanse economie op een dubbele-dip-recessie afstevent”, aldus  The Guardian.

Intussen komen uit hoge financiële beleidskringen tegenstrijdige geluiden. Er is de bereidheid van Bernanke om de geldkraan maar weer open te draaien. Er is tegelijk echter de golf van bezuinigingen in Europese staten. Eergisteren nam het Italiaanse parlement een bezuinigingspakket ter waarde van 32 miljard dollar aan. Bevriezing van salarissen in de openbare sector, stevig snijden in budgetten avn ministeries en gemeenten, plus steviger aanpak van belastingontduiking, kennelijk om de pijn aanvaarbaarder te maken door te laten zien dat ook rijken niet buiten schot blijven.

Frankrijk kreeg intussen een beetje op zijn kop van het IMF. Dat IMF waarschuwt dat  de Franse regering ervoor moet zorgen dat de harde bezuinigingen stevig worden volgehouden. “Volgens het fonds lukt het Frankrijk dankzij al eerder aangekondigde bezuinigingsmaatregelen wel om het tekort volgens jaar terug te schroeven tot 6,1 procent. Het fonds denkt echter dat daarna de klad erin komt”, waardoor de doelstelling – terugdringing van het tekort tot  maxia maal 3 procent – pas in 2015 zou worden bereikt.

Regeringen moeten dus bezuinigen, vinden ze zelf, en vindt één van hun financiers-in-nood, het IMF. Maar datzelfde IMF toont zich tegelijkertijd bezorgd over … bezuinigingen. “De drift van overheden in de eurozone om de begrotingsteklorten en de investeringen terug te brengen, kan de komende jaren een rem gooien op de  economische groei, waarschuwde  het Internationaal Monetair Fonds woensdag.” Het IMF eist dus bezuinigingen, en waarschuwt tegelijk voor de schadelijke effecten ervan. Het tekent in een handvol woorden een wezenlijke tegenstrijdigheid in de kapitalistische economie, en een fundamenteel dilemma van burgerlijke beleidsmakers die deze economie op orde proberen te houden.

Om dit wat duidelijker te maken is het handig om de crisis eens wat nader te ontleden. Dat maakt het tevens mogelijk om iets meer te zeggen over de verantwoordelijkheid voor de crisis, en de soorten van antwoord die mensen aan de brede onderkant van de maatschappij tegenover die crisis naar voren moeten brengen. Is er bijvoorbeeld sprake van een “rekening” die we “retour” kunnen sturen, waarna we overgaan tot de orde van de dag? Of is er iets meer aan de hand?

Het is in sommige linkse kringen gebruikelijk om te zeggen dat de recessie de schuld is van rijken, speculanten, ondernemers en bankiers, die met hun goklustige winstbejag de economie richting afgrond hebben gejaagd. En ja, hebzucht en winstbejag zijn drijfveren van de rijken en machtigen der aarde. Maar het is verkeerd om daarin meer te zien dan een oppervlakkig symptoom. Het is eveneens verkeerd om deze mensen de ‘schuld’ te geven, alsof het hier om bewust wanbeleid gaat, alsof deze mensen denken: kom, laten we de economie nu eens naar de bliksem jagen met onze speculatieve hebberigheid. Schuldig zijn deze mensen als zodanig niet. Maar verantwoordelijk – als machtigen in een economie waarbij zij goed gedijen over onze ruggen… ja, verantwoordelijk zijn ze wel.

Hoe werkt het mechanisme? Recessies brengen werkloosheid, massaontslag, verarming op grote schaal te weeg. Maar de oorzaak van recessies is niet een soort vastbeslotenheid van ondernemers om ons al deze nare dingen aan te doen. Eerder het tegendeel! Ondernemers in een florerende economie zien winstkansen en dus investeringsmogelijkheden. Bij wijze van modelvoorbeeld: vijf PC-bedrijven vermoeden allemaal dat de markt  volgend jaar verdubbelt. Alle vijf willen ze een zo groot mogelijk deel van de markt. Directies geven opdracht om daarvoor enorm te investeren. Zo hopen ze winst te maken, en ze verwachten dat ze daar ook meer mensen voor in dienst te moeten nemen. Ze zullen zelf dus ook nog denken dat hun beslissingen goed zijn voor de werkgelegenheid, en dus erg sociaal. Misschien zitten er wel aardige bazen tussen die denken dat ze met hun investeringen hun neef, hun oom en hun buurvrouw van vroeger aan een aardige baan kunnen helpen. Zelfs een ondernemer is ook maar een mens. En, hoe cynisch sommige ondernemers ook zijn, hun investeringen beogen groei, geen krimp, profijt, geen verlies.

Maar als vijf bedrijven allemaal zoveel mogelijk van die 100 procent groei willen plukken, en alle vijf bijvoorbeeld hun capaciteit met honderd procent uitbreiden – dan is er als die investeringen computers beginnen af te leveren, veel méér dan 100 procent productiegroei bereikt. Een flink deel van de gemaakte computers worden niet, of tegen verliesgevende dumpprijzen, verkocht. Winsten komen onder druk te staan, een paar van de vijf bedrijven maken opeens zelfs verliezen. Er gaat een grote streep door nieuwe investeringen, bedrijven beginnen mensen te ontslaan. Het hele mechanisme werkt door naar toeleveranciers die opeens minder ordersd krijgen, maar ook naar bijvoorbeeld supermarkten die minder omzet krijgen omdat veel van hun klanten opeens werkloos, en dus een stuk armer, zijn geworden.

Zo breekt een recessie uit: allemaal afzonderlijke bedrijfsbeslissingen deie op groei gericht zijn, worden zonder onderlinge coördinatie vooraf, door concurrenten, genomen, en blijken opeens onbedoeld tot krimp te leiden. Aan het eind van het proces is de uitkomst van die beslissingen een totaal andere dan de beoogde resultaten ervan. De recessie is door niemand gewild, het is niemands persoonlijke ‘schuld’. Een bedrijf dat niet zou inspringen op de verwachte groeimogelijkheden, en niet investeert, verliest de race bij voorbaat en vist achter het net. Investeren is in de logica van concurrentie waar de kapitalistische economie van doordrenkt is, geen keus maar een heilig moeten. Kapitaal moet zichzelf vermeerderen, en dat lukt alleen door arbeid aan het werkt te zetten, om spullen te maken, om te verkopen. Dat dit uiteindelijk, door het recessie-mechanisme, vaak misloopt, doet aan de dwangmatigheid van dit proces niets af.

Hoe werkt dit in de huidige crisis? Vervang ‘computers’ uit het bovenstaande voorbeeld door ‘woningbouw’, en dan ben je er al voor een flink deel. Er is in de jaren tot 2007 veel geïnvesteerd in huizen. Maar daar kwam iets bij: er zijn heel veel leningen, hypotheken, verstrekt aan mensen, zodast die ook huizen konden kopen. Die hypotheken werden vervolgens, in allerlei pakketten, weer verhandeld. Sommige hypotheken waren relatief veilig. Maar heel veel hypotheken waren verstrekt aan mensen met weinig geld, bij wie slechts geringe tegenslag tot betalingsproblemen zou leiden. Dit soort riskante hypotheken werden samen met andere hypotheken in pakketten tot speculatieve handelswaar gemaakt. Je zou kunnen zeggen: er ontstond een overproductie, niet alleen van woningen – terwijl er nog altijd mensen dakloos waren! – maar vooral ook in schuldpapieren. Toen het aantal mensen dat nuiet tijdig kon afbetalen, en daarmee het aantal huuisuitzettingen, begon te groeien, ontstond er paniek. De angst dat banken een deel van hun verstrekte leningen nooit zouden terugzien, greep om zich heen. Overproductie van leningen leidde tot wat eerst een kredietcrisis heette, en vervolgens een grote, wereldwijde recessie werd.

Die recessie werd nét geen depressie. Dat kwam omdat regeringen meteen honderden miljarden in de wankelende banken begonnen te pompen. De economie werd gaande gehouden door enorme financiële injecties. Dat was geléénd geld, geleend van kapitaalverschaffers, banken en andere financiële instellingen. En daar zien we de huidige economische problemen, en de bezuinigingslogica, aankomen. Wat voor een regering namelijk een lening is, dat is voor zo’n kapitaalverschaffer een investering, een belegging. Banken belegden in de Griekse staatskas, omdat ze verwachtten dat ze hun geld met een flinke rente terug zouden krijgen. En het leek een veilige belegging bovendien. Staten gaan minder gauw failliet, en zijn moeilijker uit hun huizen te zetten.

In feite is dit hetzelfde mechanisme als de hypotheekcrisis van 2007-2008 – met dezelfde risico’s. Want zodra er serieuze vraagtekens opduiken of het uitgeleende geld wel met rente terugkomt, is er paniek in de tent. Twijfels over de Griekse kredietwaardigheid was in 2010 een vergelijkbare trigger voor crisis als betalingsmoeilijkheden van arme huis- en hypotheekbezitters dat enkele jaren eerder waren. Was er in 2007 een overproductie van hypotheken, in 2010 werd Europa getroffen door een overproductie van staatsleningen.

Maar er is een wezenlijk verschil. Bij de eerdere kredietcrisis kon de staat, via subsidies aan banken, de economische nergang afremmen en keren. Dat gebeurde echter met geleend geld. Nu is die oplossing er echter niet zomaar, omdat de staatskredietcrisis nu juist volgt uit het grootschalig lenen door regeringen om die eerdere kredietcrisis te bestrijden. Nog méér geld lenen om staatsleningen af te betalen wordt door kredietverschaffers aan steeds strengere voorwaarden – onder meer hoge rentes – onderworpen. De geldschieters willen garanties dat hun geld ook eens terugkomt, ze hebben hun beleggingen in regeringskassen immers niet uit filantropische overwegingen gedaan.

Regeringen worden dus door het internationale financiële zakenleven, banken, het IMF, onder enorme druk gezet om het geld ergens anders te gaan halen – uit de zakken van de bevolking, van arbeiders, mensen met een uitkering, mensen op school en universiteit.  De huidige bezuinigingen  vinden  hier hun oorzaak. Griekse arbeiders raken hun pensioenrechten kwijt om de Griekse regering in staat te stellen Griekse en internationale banken hun geleende geld met rente terug te betalen. De bezuinigingen zijn tegelijk voorwaarden, gesteld door onder meer het IMF maar ook door EU-regeringen… voorwaarden waaraan voldaan moet worden om nieuwe leningen af te kunnen sluiten. Oftewel: Nederlandse belastingbetalers hoesten geld op dat de Nederlandse regering verstrekt aan de Griekse regering, zodat die Griekse regering kan doorgaan haar schulden met rente af te betalen aan internationale, ook Nederlandse, banken…

De bezuinigingslogica wortelt dus in de huidige diepe economische crisis. In één of andere vorm zijn ze, vanuit het kapitaalsbelang, werkelijk nodig om de kapitalistische economie weer voldoende winstgevend te maken. Tegelijkertijd – dat ziet zelfs het IMF, zoals we zagen! – dragen bezuinigingen, doordat arme mensen minder uit kunnen geven, ook bij tot recessie-neigingen. Het kapitalistische medicijn heeft bijwerkingen die sterk lijken op de ziekte waartegen dat medicijn wordt ingezet. Dat is de tegenstrijdigheid in het hart van de huidige kapitalistische crisis.

Dit hele gebeuren heeft revolutionaire implicaties, op twee manieren. Het kapitalisme moet, vanuit haar logica, drastisch bezuinigen om weer gezond te worden. Bezuinigen is, voor de ondernemersklasse, dus geen keus, geen kwestie van verkeerde prioriteiten. Het offensief van de Griekse, Italiaanse, Franse, Spaanse en straks ook Nederlandse regeringen mag, vanuit het gezichtspunt van het kapitaal, niet mislukken. Doet het dat wél, dan opent dat de weg naar een veel fundamenteler crisis van het kapitalisme zelf, dat zijn winstgevendheid structureel in gevaar ziet komen. Het is erop of eronder voor de ondernemersklasse en de bijbehorende politiek.

Dat betekent voor het verzet tegen bezuinigingen en de logica erachter wel iets belangrijks. De regeringen zullen, omdat het erop of eronder is, niet na een handvol beperkte acties van de kern van hun beleid afzien. Een reeks  grote landelijke ééndagsstakingen in Griekenland hebben geen serieuze concessies van regeringszijde losgekregen, en alle stakingen, demonstraties en rellen eromheen evenmin. Het protest, het verzet, zal dus naar escalatie in de breedte en de diepte moeten werken. Als reeksen van stakingen en demonstraties en rellen nog niet genoeg zijn, dan is er klaarlijkelijk zo ongeveer een opstand nodig, met bijvoorbeeld stakingen van onbepaalde duur tot de bezuinigingen weg zijn. Als de regering van geen wijken wil weten, dan moet die regering klaarblijkelijk ten val gebracht worden, willen de bezuinigingen stopgezet worden.  En wat nu voor Griekenland geldt, dat gaat morgen op voor Italië en Frankrijk en overmorgen wellicht voor Nederland. Het stopzetten van de bezuinigingspolitiek vereist een revolutionaire opstelling vanuit het verzet, vanuit een steeds opstandiger bevolking.

Die revolutionaire opstelling is gebaat bij een helder inzicht in de aard en wortels van de ecopnomische crisis. Het maakt hier uit of we, simplistisch en onjuist, bankiers en speculanten, de ‘schuld’ geven van de crisis, of dat we de heersende klasse en de bijbehorende politieke elite  verantwoordelijk stellen, een veel preciezere en juistere formultering. Ondernemers ‘schuldig’ verklaren aan recessies is slordig, zoals we al zagen: recessies vloeien voort uit de werking van het systeem zelf, en zijn dus niemands ‘schuld’. En het zoeken van schuldigen – via parlementaire onderzoek in Nederland of verhoren van bankiers door een senaatscommissie in de VS – suggereert dat recessies te voorkomen zijn als we slechte ondernemers en beleidsmakers door iets betere vervangen, of het hele spul aan wat betere regelgeving onderwerpen. Het leggen van verantwoordelihjkheid bij de klasse die het systreem – op chaotische, onderling concurrerende wijze – aansturen, en daar goed van profiteren – is wél zinnig. het laat zien, wie er als klasse onze vijanden zijn, wiens omverwerping we nastreven, als onderdeel van het opdoel ken van het stysteem waaarvan zij aan het hoofd staan.

Wat moeten we aan met het idee – veelal door rechts gepropageerd – dat recessies het gevolg zijn van te hoge loonkosten, en te weinig flexibele arbeidsmarkt, te sterke vakbonden en dergelijke? Het antwoord hierop is dubbel. Het is namelijk zowel onjuist als in een bepaalde zin ook juist. Het is onjuist, in de zin dat recessies uitbreken, ongeacht hoe hoog of laag lonen zijn, ongeacht hoe sterk of zwak vakbonden zijn, ongeacht hoe makkelijk het voor ondernemers is om arbeiders op straat te gooien. Het boven uiteengezette mechanisme van concurrerend winstbejag dat richting overproductie drijft, vindt sowieso keer op keer plaats. En het is onjuist, onterecht, om de schuld daarvoor bij arbeiders en de resultaten van hun zelfverdediging te leggen.

Maar het wijzen op relatief hoge lonen en een relatief sterke positie van arbeiders als factor die crisis kan bevorderen, bevat tegelijk een hele belangrijke waarheid! Het is namelijk een erkenning dat het kapitalisme functioneert op basis van succesvolle uitbuiting van arbeiders. Waar arbeiders die uitbuiting met succes weten in te perken, daar krijgen ondernemers het moeilijk, daar hapert het winstmaken, en begint het systeem gebrekkig te functioneren.

Nee, arbeiders zijn niet de ‘schuldigen’ aan de crisis. Maar het kapitalisme kan uiteindelijk keer op keer niet leven met een arbeidersklasse die te sterk wordt. Dat is geen veroordeling van onverantwoordelijk optredende arbeiders, met hun looneisen en hun stakingen. Integendeel, het is een veroordeling van een systeem wiens levensvatbaarheid op termijn botst met een klasse op wienst uitbuiting dat systeem draait, een kapitalisme dat een succesvolle strijd tegen die uitbuiting wel als een levensgevaarlijke bedreiging moet opvatten. In die zin draagt arbeidersverzet bij, soms aan deze of gene recessie, maar altijd aan een diepere crisis van het kapitalisme zelf.

Er zijn twee uitwegen hieruit. De eerste is:  de kapitalistische crisis oplossen door de winstgevendheid van het kapitaal te herstellen – maar dit kan enkel op kosten van de arbeidersklasse. Dat is wat het om zich heen grijpende bezuinigingsbeleid beoogt. De tweede is: de crisis niet oplossen, maar steeds verder op de spits drijven door een resolute weigering van de bezuinigingslogica, een besliste en met effectieve arbeidersstrijd onderbouwde afwijzing van iedere poging om winstherstel tot ons doel te maken. Dat brengt het kapitalisme steeds dieper in de narigheid – en brengt de vervanging van dit systeem steeds dichterbij. Het lijkt me dat de tweede optie de enige menswaardige en hoopgevende keus is.


“Laat de rijken de crisis betalen!” – kan dat?

16 april, 2010

Het is crisistijd, het is verkiezingstijd ook. Ons wordt dan ook door de dames en heren politici een bezuinigingsnoodzaak aangepraat. Maar  zo nu en dan zie je kleine nieuwsberichtjes die over die bezuinigingsnoodzaak en die crisis vragen oproepen.

Neem bijvoorbeeld dit: “Bestuurders van grote Nederlandse ondernemingen trekken dankzij hun stijgende salarissen  een steeds groter deel van het nationaal inkomen naar zich toe.” Dat berichtte de NRC op 9 april, op basis van onderzoek van het Centraal Planbureau. Het is een trend over de wat langere termijn. “In 1977 was de ‘kopgroep’ met de bestbetaalde 0,1 procent van de werkenden goed voor 623 miljoen euro salaris, in 2006 was hun loonsom 2,9 miljard euro.” Die bovenste 0,1 procent van de werkende bevolking “was in 2006, het laatste jaar van het onderzoek, goed voor 2 procent van de totale brutolonen in Nederland. Het aandeel van deze topgroep  in de brutolonen in Nederland is twee keer zo snel gestegen als de totale loonsom.” Er gaat dus, absoluut én verhoudingsgewijs, steeds méér geld naar de top.

Een tweede bericht: “In 2009 verdampten nettowinsten en arbeidsplaatsen, maar de dividenduitkeringen blijven op peil – of stijgen”, zo vertelde De Volkskrant, eveneens op 9 april. “De jaarlijkse dividendbetalingen staan op stapel en aandeelhouders hebben niets te klagen. Van de 25 Nederlandse AEX-bedrijven zullen waarschijnlijk slechts zes hun dividend verlagen, terwijl hun opgetelde winst bijna is gehalveerd. Shell en Unilever keren zelfs meer uit.” Bedrijven proberen op deze manier te voorkomen dat aandeelhouders weglopen bij gebrek aan vertrouwen, zo legt de Volkskrant nog uit.

Crisis of geen crisis, het grote geld zit bij de top, en blijft ook gewoon naar die top toe stromen. Dat werpt de vraag op: kunnen die bezuinigngen dan niet dáár binnen worden gehaald? “Laat de rijken de crisis betalen!”, toch? “Wij gaan de crisis niet betalen – haal het geld waar het zit!” Dat soort leuzen. We hoorden ze in de jaren tachtig, soms zelfs in liedvorm, dankzij de band Drukwerk. We horen ze de laatste tijd weer, bijvoorbeeld op de omsingeling van de Nederlandse Bank vorig jaar september. Dit soort leuzen zetten terecht het contrast aan de orde tussen een top die zich uitstekend redt, en de rest die banen en inkomens in gevaar ziet en zich niet of nauwelijks staande weet te houden. Maar dit soort leuzen bevatten ook een denkfout. De redenering erachter klopt niet, en helpt de arbeidersstrijd niet verder.

Immers, wat is een crisis, een recessie? De economie raakt in problemen als bedrijven problemen krijgen om winst te maken. In een markteconomie investeren bedrijven, met de bedoeling dat die investetingen tot productie leidt die winstgevend kan worden verkocht. Maar omdat bedrijven los van elkaar, als concurrenten,  hun investeringsbesluiten nemen, is er geen onderlinge afstemming. Als de markt op groei wijst, als de vraag toeneemt, dan springen bedrijven daar dus afzonderlijk op in, breiden hun capaciteit uit. Alle kans dat, als die uitbreidingen klaar zijn en producten beginnen af te leveren, er in de totale bedrijfstak overcapaciteit is ontstaan. Elk bedrijf probeert immers zoveel mogelijk van die groeiende markt naar zich toe te trekken.

Overcapaciteit betekent dat een deel van de productie niet meer winstgevend kan worden verkocht. Als zoiets in een kleine bedrijfstak gebeurt, is er weinig aan de hand: ondernemers stoppen dan snel geld in andere bedrijfstakken waar meer te halen is. Maar als zoiets gebeurt in centrale bedrijfstakken – auto-industrie, IT-bedrijven  – dreigt een kettingreactie, waarin bankroete bedrijven banken die geld hebben uitgeleend met zich meeslepen, ontslagen arbeiders minder inkomen hebben zodat ze minder kunnen kopen, hetgeen de vraag in andere bedrijfstakken doet terugopen. Zo krijg je een recessie. Dat is wat  de afgelopen twee jaar heeft plaatsgevonden. Alleen was deze keer de bedrijfstak waar het overduidelijk misging niet de industrie, maar de woningbouw en de daarmee verbonden financiële wereld. Overproductie van huizen, mogelijk gemaakt door het verstrekken van riskante, ogenschijnlijk betaalbare hypotheken, bracht in 2007-2008 de bal aan het rollen richting crisis.

De oplossing voor zo’n crisis van de winstgevendheid ligt, je raadt het al, in het herstel van de winstgevendheid. Dat betekent dat hele stukken bedrijfsleven – niet-winstgevende stukken – via een reeks faillisementen wordt opgedoekt. Het betekent voor de overlevende stukken economie een stevige kostenreductie: het drukken van de loonkosten is daarin een wapen, het aansturen op lagere belastingdruk een tweede. Uit die drang naar belastingverlaging vloeit de drang naar bezuinigingen die het politieke landschap domineert, voort. Die druk is weliswaar permanent: de concurrentie- en winstpositie moet altijd worden verdedigd. Maar die druk wordt, vanwege de crisis in winstgevendheid die ‘recessie’ heet, scherper. Dat zien we dus momenteel.

Die winstgevendheid is dus centraal, vanwege de manier waarop de kapitalistische economie in elkaar zit. Maar aan die winstgevendheid zitten niet alleen bedrijven vast, maar ook de mensen die deze bedrijven leiden en/of bezitten: topndernemers, managers, grootaandeelhouders. Hoge winsten maken hoge inkomens van deze mensen mogelijk. Hun rijkdom is gekoppeld aan die winstgevendheid, hun rijkdom staat daarin dus op het spel.

Dit alles betekent dat een crisis een manier is om de winstgevendheid, én de daaraan gerelateerde hoge inkomens, in veiligheid te brengen. Een crisis oplossen op een manier die ten koste gaat van winstgevendheid en topinkomens is daarom een absurditeit. Als het zou lukken om “de rijken de crisis te laten betalen”, dan wordt de crisis niet opgelost – maar op de spits gedreven. Zoiets betekent immers: die op peil gebleven dividenden waar de Volkskrant over sprak, aanpakken, een stevige greep doen naar die 2,9 miljard van de 0,1 procent topinkomens. En dat betekent dat de ondermijning van de winstgevendheid – de kern van de crisis! – niet wordt opgelost, maar wordt verergerd!

Waar dit op neer komt is dat we anders tegen de crisis aan moeten kijken dan ter linkerzijde doorgaans gebeurt. De crisis is geen rekening die binnenkomt bij de hele maatschappij, waarna de maatschappij ruzie kan gaan maken over wie die rekening gaat betalen. De crisis is een mechanisme waarmee de top van deze maatschappij haar positie veiligstelt, op kosten van de rest. Er zijn geen twee manieren om de kapitalistische crisis op te lossen, één op kosten van de rijken, en een andere op kosten van de res. Er is maar één manier om de kapitalistisch crisis binnen het kapitalisme op te lossen: op ónze kosten.

Betekent dit dat we de crisis, met haar aanvallen op lonen, werkgelegenheid, en collectieve voorzieningen, dan maar over ons heen moeten laten komen? Is de kapitalistische crisis-oplossing, de bezuinignigslogica en dergelijke, dan onvermijdelijk? Geenszins! Ik ben voorstander van een hardnekkige verdediging van ons levenspel, voor een hardnekkige strijd tegen ontslagen, tegen lage lonen, tegen bezuinigingen, of het nu gaat om zorg, onderwijs, opnbaar vervoer of welke nutsvoorziening ook. En ja, als zoiets geld kost, gaan we dat halen bij de rijken, de aandeelhouders, de kapitalisten. Maar dat is zeer nadrukkelijk géén crisisbestrijding!

Sterker nog: als het ons lukt om bezuinigingen te blokkeren, als het schoonmakers – en  in hun kielzog ook andere groepen laagbetaalden – lukt een loonsverhoging binnen te slepen met felle acties, als het arbeiders bij TNT-Post lukt om zowel lonen als arbeidsplaatsen te verdedigen, als ambtenaren met hun harder wordende acties een aardige loonsverhogig afdwingen, als dit soort strijd breder, feller en effectiever wordt… dan wordt de kapitalistische crisis niet opgelost, maar aangescherpt. “Wij gaan de crisis niet betalen”, als dit scenario zich zou voltrekken. Maar dat betekent helemaal níét dat de rijken dan de crisis gaan betalen. De rijken gaan dan betalen – en de crisis zal dieper worden! En de machthebbers zullen daaarop reageren met nieuwe aanvallen.

Maar – en dat is de clou hier – dat de crisis door onze succesvolle verdediging niet opgelost wordt is niet ons probleem. De crisis van kapitalistische winstgevendheid is een probleem voor degenen die de kapitalistische economie besturen, beheren en bezitten – niet voor de arbeiders. Wij moeten ons dan ook niet late chanteren in de richting van pogingen om die economie gezond te krijgen en te houden, want zoiets kan alleen en uitsluitend op arbeiderskosten, op ónze kosten. Als dat  de heersers via de huidige bezuinigingen en dergelijke niet zou lukken, dan komen ze met nieuwe, gevaarlijker aanvalen. Op zijn Grieks bijvoorbeeld, met werkelijk enorme bezuinigingen, die gelukkg steeds nieuw verzet oproepen. Of, dramatischer nog,  op zijn Joegoslavisch, toen een grootschalige en tamelijk succesvolle  stakingsgolf van arbeiders in de jaren tachtig van de vorige eeuw pas bezworen werd doordat machthebbers erin slaagden de aandacht om te buigen, van de sociale tegenstelling in de richting van nationale tegenstellingen, uitmondend op oorlog in de jaren negentig van de vorige eeuw. Zo sterk als arbeiders waren in het minstens erg bemoeilijken van bezuiniginge en loondaling, zo zwak bleek die arbeidersklasse toen het erom moest gaan die verdediging om te zetten in een succesvolle aanval op het Joegoslavische kapitalisme als zodanig. Een verhelderende tekst daarover trouwens, gepubliceerd door een links-communistische groepering, vindt je op Libcom.org. Nee, zulke drama’s staan ons in Nederland niet onmiddellijk te wachten. Maar ik nom de gebeurtenissen om te laten zien hoe hoog de prijs is die machthebbers bereid zijn om ons te laten betalen als de winsgevendheid van hun systeem, en daarmee hun posities en rijkdommen, echt gevaar lopen.

Een weigering van onze kant om hún crisis van hún kapitalisme te gaan betalen, is daarom onverbrekelijk verbonden met een weigering van onze kant om de gezondheid van die economie sowieso als maatstaf te nemen. Effectief opkomen voor onze rechten en belangen zou de crisis erger maken,  jazeker. Maar als we hierin doorbijten, kan die strijd het breekijzer zijn om dat systeem zèlf – en niet alleen haar winstgevendheid – in crisis te brengen, tot en met de hoogst noodzakelijke val van dat systeem zelf.

(bijgewerkt 16 april, enkele uren na plaatsing)


Crisis, bezuinigingen, loonstrijd van arbeiders

8 april, 2010

De komende verkiezingen gaan voor een fors deel over de vraag: hoeveel en wat voor bezuinigingn komen er, en in welk tempo? Rechts staat voor snel en hard bezuinigen, links voor wat trager en wat minder hard. De verschillen zijn kwantitatief, een werkelijke keus tegen heel het bezuinigingsbeleid valt op het stembriefje niet echt te vinden. Het stoppen van het hele bezuiniginsgbeleid doen we dan ook niet in het stembureau. Erger nog: de uitspraak van kiezers over welke omvang, aard en tempo het bezuinigingsbeleid krijg zal volstrekt ondergeschikt zijn aan het wezenlijke gevecht, tussen  arbeid en kapitaal enerzijds, en tussen kapitalistsche belangengroepen onderling anderzijds. Wat wij stemmen is, machtspolitiek gezien, vrijwel irrelevant. Wat we daarbuiten doen is des te relevanter.

Er is nóg een factor van gewicht in het bezuinigingsverhaal: de economie zelf. De wat linksere partijen willen niet te snel bezuinigen, om het voorzichtige economische herstel niet te schaden. Bezuinigingen betekenen lagere inkomens hier en daar – vooral hier bij ons trouwens, veel minder daar bij hun. Dat betekent minder geld in de knip, minder uitgaven aan allerhande consumptiegoederen, minder omzet in allerhande bedrijfstakken, minder economische activiteit en dus verdere groeivertraging, of zelfs een terugval in recessie. Daarom wilde Bos het, toen hij nog minister van financiën was, al rustig aan doen met bezunigingen. Daarom schuift de PvdA een flink stuk bezuinigingen door naar de kabinetsperiode ná de komende. Daarom lezen we in de toelichting bij het SP-programma: “Nu al verdergaande beslissngen over tekortreductie nemen, is onhandig en  onverstandig”, en “te snel en te drastisch bezuinigen kan de samenleving structureel uit balans brengen.”

Er duikt voor het hele voorzichtig-aan-verhaal echter een vrij ernstige complicatie op. Dat  economisch herstel, waarmee een beetje voorzichtig moet worden omgesprongen volgens SP en PvdA, heeft waarschijnlijk sowieso zijn beste tijd alweer gehad. Er zijn allerlei signalen dat het stroef gaat in de economie, dat het herstel tegenvalt. Dat zet álle partijen onder druk, en dat betekent dat álle prognoses en berekeningen en bezuinigingsprogramma al op losse schroeven staan voordat de verkiezingscampagne goed en wel op gang is.

Juist de laatse dagen zien we een hele rij tekenen van tegenvallers in de economie. “Economie  eurozone stagneert onverwachts”, schrijft de NRC. Eerdere cijfers duidden op een groei van 0,1 procent in het laatste kwartaal van 2009; dat blijkt echter een platte nul komma nul te zijn, nadat de economie in het derde kwartaal nog 0,4 procent groeide. Dat komt allemaal griezelig dichtbijeen terugval in recessie. De Duitse economie krimpt volgens de Oeso zelfs weer: met 0,4 procent o jaarbasis in het eerste kwartaal van 2010. Doe Oeso signaleert sowieso afnemende groei in de landen van de G7, de beangrijkset industriestaten, en grotere verschillen tussen landen onderling.

Er is meer onplezierig nieuws. “‘Winstgevendheid banken Benelux blijft onder druk'”, volgens Fitch,  een bedrijf dat kredietwaardigheid beoordeelt geeft. “Hoogste olieprijs in anderhalf jaar”, vertelt de Volkskrant. Leuk voor oliemaatschappijen, minder leuk voor industrietakken die olie als grondstof hebben, en voor consumenten van olieproducten – automobilisten bijvoorbeeld. Zoiets heeft gevolgen: “Hoge benzine draagt bij aan inflatie”, tot een nog bescheiden één procent. Beheersing van inflatie, als die verder oploopt,  kan centrale banken dan weer verleiden tot renteverhogingen, hetgeen ondernemers die geld zoeken om mee te investeren op kosten jaagt. Kopschuwe investeerders, aarzelende investeringen minder economische groei… dat gevaar  ligt alweer op de loer.

Intussen blijft er nervositeit in de financiële wereld, onder meer rond de Griekse schuld en begrotingstekorten. Aandelenkoersen schommelen. Donderdag 1 april: “Wall Street sluit hoger”.  Dinsdag 6 april: “Wall Street sluit vlak”. Woensdag 7 april: “Wall Street sluit lager”. Er is wel degelijk ook positief economisch nieuws te vinden trouwens. “Fors meer bloemen verkocht voor Pasen”, is ongetwijfeld een zeer bemoedigende kop. iets serieuzer: “Vermogens Nederlandse huishoudens herstelt” . Het gaat niet eenduidig richting nieuwe recessie. maar het gaat zeer beslist ook niet eenduidig naar gestaag economisch herstel. IMF- directeur Strauss-Kahn waarschuwt niet voor niets: ” ‘Wereldecnomie nog niet veilig'” .

Deze economische onzekerheid maakt alle prognoses over bezuinigingen, alle financiële paragafen in de verkiezingsprogramma’s, nog onbetrouwbaar dan ze al waren. Zou de balans inderdaad doorslaan naar een nieuwe recessie dan zal dat de politieke crisis in de gevestigde politiek verder op scherp stellen. Zoiets zal zeer tegenstrijdige gevolgen hebben.

Enerzijds zal dan de panische kreet dat de staatskas leeg is en het begrotingstekort uit de hand loopt, tot een waar gebrul aanzwellen waaregen geen geluidswerende wal meer bestand zal zijn. Rechts zal haar bezuinigingseisen dan waarschijnlijk verder omhoogschroeven. Anderzijds zal economische tegenwind de linksere politici een handvat geven om juist voor extra voorzichtigheid te pleiten, nog trager en terughoudender te zijn met bezuinigingen. recessies kunnen met stevig bezuinigingsbeleid ook nog depressies worden, zo zou hun waarschuwing kunnen leiden.

Het lastige is dat het, in termen van de gevestigde economie, allebei waar is. Als winsten onder druk staan, zijn bezuinigingen voor  de ondernemerskasse extra nodig om minder belastingdruk te  hebben. Als winsten onder druk staan zijn bezuinigingen tegelijk ook extra onwenselijk omdat ze uitval van vraag, van consumptieve uitgaven, en dus afnemende afzet van bedrijven, in de hand werken. Deze tegenstrijdigheid werkt dan ook scherpere tegenstellingen tussen de diverse partijen en lobbies in de ondernemerswereld verder in de hand.

Voor arbeiders is het zaak zich niet in deze tegenstellingen op te laten sluiten, maar een eigen lijn te kiezen. We willen immers geen bezuinigingen op ons levenspeil en op onze voorzienigen. We willen die bezuinigingen vandaag niet, en we willen ze morgen evenmin. We willen ook niet een beetje bezuinigingen, gespreid over meerdere kabinetsperiodes. We zetten ons schrap tegen de hele bezunigingspolitiek. en we wijzen de financiële gezondheid van bedrijfsleven en staatsfinanciën als beleidsdoel radicaal en volledig áf. Dat dient de inzet te zijn, naar mijn mening.

Dat schrap zetten, voorzover het nog niet op gang is, begint vandaag, niet op verkiezingsdag. Want nu al wordt er, niet alleen door regeringen maar vooral ook door ondernemers, feitelijk scherp op ons bezuinigd. De recessie heeft bedrijven ertoe gebracht om de lonen stevig onder druk te zetten. “In het eerste kwartaal van 2010  stegen de lonen met gemidded 1,6 procent, tegen 3,6 procent een jaar eerder”, meldt de NRC. De cijfers komen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dat “wijt de afnemende stijging aan de verslechterde situatie op de arbeidsmarkt en de teruglopende inflatie.” Zo weten ondernemers de crisis opgelopen werkloosheid te benutten om loonstijging  sterk af te remmen. Met een inflatie die momenteel 1 procent bedraag, zijn die loonstijging maar een fractie meer dan koophoudbehoud… áls de inflatiecijfers de werkelijke stiging van kosten van levensonderhoud weergeven, hetgeen bepaald niet vaststaat.

Precies op het loonfront vinden dan ook nu al belangrijke gevechten plaats tussen arbeiders enerzijds, ondernemers en staat anderzijds. Precies ook die gevechten dienen centraal te staan, willen we er werkelijk de sloop van ons levenspel keren. Precies daarom is de staking van schoonmakers – de langstlopende staking sinds 1933 – , het meest dynamische loongevecht dat arbeiders op het moment uitvechten tegen ondernemers, zo verschrikkelijk belangrijk. precies daarom is de solidariteit met die staking, zoals het steuncomité voor de stakende schoonmakers “Steun de Schoonmakers” die vorm geeft, zo geweldig belangrijk.