In Iran broeit iets van opstand

3 oktober, 2012

woensdag 3 oktober 2012

In Iran broeit iets van een opstand. Mensen protesteerden vandaag tegen de koersval van de munteenheid, de rial. Die verliest in steeds hoger tempo aan waarde. Betogers botsen met de oproerpolitie die met traangas en arrestaties toeslaat. “Rondom het gebouw van de centrale bank verzamelden zich tientallen betogers die leuzen tegen het regime riepen”, aldus de NRC. Lees de rest van dit artikel »


Iran: protesten in een reeks van steden

8 december, 2009

De revolutie in Iran tegen het bewind van president Ahmedinejad en geestelijk leider Khamenei heeft gisteren weer op grote schaal de kop op gestoken. In een hele reeks van steden vonden protestdemonstraties plaats. Dat was sinds 4 november niet meer op grotere schaal gebeurd. En de protesten waren zowel omvangrijker als radicaler dan die laatste protestdag.

Uit de NRC valt dit niet echt op te maken. Die krant heeft het over  “(e)nkele duizenden demonstranten” die slogans tegen het bewind riepen en in botsing raakten met de politie. het bewind had universiteitsgebouwen omsingeld, internetverbindengen en mobpel telefoonverkeer bemoeilijkt, studentenleiders gearresteerd en dreigende taal tegen potentiële actievoerders geuit, zo bericht de NRC verder, in een nogal summier stukje.

In een uitvoerig nieuwsblog van de New York Times staat echter veel meer. Een greep: het aantal demonstranten in Teheran liep in de tienduizenden. Er waren meldingen van demonstraties, niet alleen in Teheran, maar ook in Mashad, Tabriz, Kermanshah in Iraans Koerdistan, Yazd, Kashan, en op de universiteit bij Isfahan. Oproerpolitie en de basji-militie was hardhandig in de weer, onder meer met traangas. Niet alleen studenten demonstreerden, het blogstuk meldt dat er op in ieder geval één plaats middelbare scholieren in actie waren. Er was ook een pro-regeringsdemonstratie, het was ook nog eens een officiële herdenkingsdag (zie verderop).

Opmerkelijk is ook dat betogers ergens Iraanse vlaggen meevoerden zónder het in 1980 ingevoerde symbool van de Islamitische republiek erop. Of we dat moeten ien als een misplaatst terugverlangen naar het bewind van de Shah uit de tijd vóór de revolutie van 1979, of juist een stap naar links van mensen die met het hele idee van een islamitische staat aan het breken zijn, of een mengsel van allebei, kan ik niet inschatten.

Demonstranten riepen een veelheid aan leuen geroepen. “Basji, ga naar huis, geen gratis maaltijd vandaag!” (een verwijzing naar de betaling van de Basji-leden voor hun onderdrukkingswerk); “Leraar, leraar, steun ons”, “Ik zal degene doden die mijn broeder heeft gedood”, “Politieke gevangenen moeten vrijgelaten worden” (op een meisjesschool); “Dictator, Dictator, dut is je laatste waarschuwing! De Groene Beweging zal opstaan!” ( groen was de kleur van de campagne van Moussavi, de oppositiekandidaat voor het presidentschap); “Khameini zou moeten weten: hij is op weg naar de uitgang!”; “Onze vloek, onze vloek – onze incompetente leider!”, “Wat is er met het oliegeld gebeurd? Het is uitgegeven aan de Basji!”

Het is duidelijk dat er iets groots gebeurd is op de straten en pleinen in een reeks Iraanse steden, al is lang niet elke in de bovenstaande alinea’s genoemde gebeurtenis keihard onderbouwd, zoals in het suk zelf gelukkig met enige nadruk wordt gezegd.. Informatievoorziening wordt immers door de de staat gedwarsboomd, en een gerucht, vergissing of valse informatie, willens en wetens verspreid, zijn niet uit te sluiten.  

Daar komt echter nog iets bij. De New York Times is geen onpartijdige nieuwsbron: als spreekbuis van een deel van het Amerikaans establishment – een establishment dat ruzie heeft en ruzie zoekt met de Iraanse staat – is de neiging om moeilijkheden voor het bewind uit te vergroten bij deze krant bepaald niet uit te sluiten. Vergelijken we de berichtgeving van de NY Times over de protesten in Iran met de verslaglegging over de protesten en rellen in Griekenland de afgelopen dagen, dan is het verschil toch wel opmerkelijk. Vergelijkbare woede op de straten, vergelijkbaar politiegeweld, maar ja… de Griekse regering is een westers bondgenoot, dus zijn de botsingen tussen straat en staat nauwelijks nieuwswaardig, kennelijk.

Gelukkig is er niet alleen de dubieuze new York Times om uit te putten, Juan Cole heeft ook een flink stuk gewijd aan de protesten. Hij noemt, op basis van een doorgelinkt stuk uit de LA Times, onder meer de volgende steden waaruit protesten gemeld worden: Tabris, Mashhad, Ilam, Hamedan, Kermanshah, Shiraz. Met nadruk wijst hij erop dat de protesten ook in het westen van iran, oftewel in Iraans Koerdistan, plaatsvonden. Net als het New Yrok Times-stuk bevat ook dit artikel allerlei doorgelinkt videomateriaal.

De precieze aanleiding van straatprotest wisselt steeds. Op 4 november gebruikten betogers de officiële herdenking van de bezetting van de Amerikaanse ambassade in 1979 om zich weer te laten zien en horen. Gisteren grepen betogers vanuit de oppositie de zogeheten Dag van de Student aan. Op die dag wordt officieel herdacht dat in 1953  militairen drie studenten neerschoten die betoogden tegen het bewind van de Shah. De studenten kwamen om. Dit gebeurde tijdens een bezoek van de toenmalige vice-president Nixon, en slechts enkele maandan nadat een van CIA-steun voorziene staatsgreep het bewind van de Shah weer in het zadel riep en de nationalistische regering van Mossadegh verdreef. Wrange ironie: studenten hbetogen voor meer vrijheid, en worden van staatswege onderdrukt op een dag dat herdacht wordt dat drie studenten die t voor meer vrijheid betoogden, van staatswege werden omgebracht. Andere staat, vergelijkbaar staatsgedrag.

Achter de voortdurende protesten ligt nog steeds hetzelfde verlangen naar een eind aan de onderdrukking, meer vrijheid, meer rechtvaardigheid. De revolutionaire gebeurtenissen begonnen al in juni, toen grote aantallen mensen protesteerden tegen de via fraude verkregen en met onderdrukking kracht bijgezette overwinning van Ahmedinejad  bij de presidentsverkiezingen. De protesten van gisteren laten zien dat een flink deel van de bevolking daar nog steeds geen vrede mee heeft, en zich door geen traangas en politieknuppels laat afschrikken.


Brazilië moet kernwapen hebben, aldus vice-president

25 september, 2009

Uit twee landen kwamen deze week aankondigingen over nucleaire zaken. Het ene land, Iran, kondigde aan dat het over een tweede verrijkingsfabriek van uranium beschikte. Woede alom, strenge woorden van president Obama. Uit het andere land, namelijk Brazilië, kwam echter ook een mededeling, en geen zeer vrolijke.

Jose Alencar, de vice-president van dat land, deelde doodleuk mee dat hij vindt dat Brazilië kernwapens dient te ontwikkelen. Nee, Brazilie “heeft nog geen programma om kernwapens te ontwikkelen”, maar zou dat wel móéten hebben, zegt  de man. Hij was eerder al een minister van defensie, hetgeen zijn woorden extra gewicht geeft.

Ik zag het bericht, en was nogal verbaasd. Niet alleen over het bericht zelf, maar ook over het vrijwel totale gebrek aan reactie. Ik moest het bericht via de zoekmachine tevoorschijn toveren, want op de plaats waar ik het had gezien – Aljazeera, meen ik – was het een uur later alweer verdwenen. Intussen maakt de mafia die bekend staat als de ‘internationale gemeenschap’ zich boos … over de Iraanse aankondiging, die kernenergie betreft, niet eens kernwapens.

Over de aankondiging uit Brazilië het volgende. Nee, het is geen regeringsbeleid, dat streven naar kernwapens. Maar een vice-president, tevens ex-oorlogsminister, die zoiets zegt, kunnen we maar beter serieus nemen. Brazilië ziet zichzelf als mogelijke kernwapenmacht, daar kunnen we maar beter van uitgaan.

En waarom wil de vice-president kernwapens? “Het kernwapen, gebruikt ter afschrikking, is van groot belang voor een land met 15.000 kilometer aan grenzen aan de westkant, en een territoriaal zeegebied.”

In dat zeegebied zit olie, zo voegt het nieuwsbericht er behulpzaam aan toe. Zeg mij waar het oorlog is, en ik zeg u waar de olie en/of andere grondstoffen zitten, aldus mijn gouden regel waarmee een groot deel van de wereldpolitiek kan worden verklaard. Datzelfde geldt kennelijk ook voor de voorbereiding van oorlog, waaronder het willen ontwikkelen van massavernietigingswapens.

Die lange  westgrenzen van Brazilië een feit. Maar wat ligt er voorbij die westelijke grenzen? Peru, Bolivia, Ecuador… zijn dat agressieve kernmogendheden die het op Brazilië gemunt hebben? Beschikken de restanten van de oorspronkelijke bevolking  tegenwoordig over massavernietigingswapens, wellicht geleverd door Al Qaeda? Dreigt daar gevaar dat een kernwapen als tegenwicht vereist, zelfs in gangbare machtspolitieke termen?

Het lijkt er veel meer op dat Brazilië uit is, niet zozeer op zelfverdediging, maar op hegemonie in Latijns-Amerika. Het is een gevaarlijke koers die Brazilië dreigt in te slaan, zeker als andere landen Latijns-Amerika ook een kernbom gaan nastreven als tegenwicht tegen… de Braziliaanse dreiging. Zeker zo gevaarlijk is de zwijgzaamheid van zowel de VS als de EU op dit punt. Wie zwijgt, stemt immers toe.

Maar nee, veel liever weer een rondje powerplay tegen Iran! Dat land heeft géén actief kernwapenprogramma, zo denken zelfs Amerikaanse inlichtingendiensten. Het houdt zich ongetwijfeld – zoals zoveel andere landen – niet volkomen aan de spelregels van het Internationaal Atoom Agentschap dat de ontwikkeling van kernenergie in de gaten houdt om te kijken of landen niet stiekem ook kernbommen maken. Maar het schreeuwt niet van de daken dat het kernwqpens wil, zoalsde op één na hoogste baas in Brazilië.

Landen als India, Pakistan en natuurlijk Israël zíjn echter al kernwapenmachten, zonder dat ze het non-proliferatieverdrag (dat de verspreiding van zulke wapens moet tegengaan) hebben getekend. Dat mag allemaal wel, maar een Iran dat kernenergie ontwikkeld zonder dat hard gemaakt kan worden dat het land echt kernwapens wil, dát mag weer niet.

Openlijk van de daken schreeuwen dat jouw land kernwapens zou moeten hebben, zoals de Braziliaanse vice-president dat dus deed, mag weer wél. Althans: Brazilië mag dat. Ik vermoed dat als een Iraanse vice-president hetzelfde zei, in de VS en in Israël de bommenwerpers hun motoren al aan hadden staan, klaar voor vertrek richting Teheran ter aflevering van een dodelijke vracht.


Geweld Iran, geweld VS in Pakistan: de hypocrisie van slager Obama

27 juni, 2009

President Obama houd niet van geweld.  Sterker nog, het maakt hem boos. Lees maar eens wat hij zegt over de onderdrukking van demonstranten in Iran: “Het geweld dat tegen hen werd begaan is schandalig.  Ondanks de pogingen van de regering om te voorkomen dat de wereld getuige van het geweld was, zien we het, en we veroordelen het.”

Het geweld in Iran dat Obama zo veroordeelt, kostte aan enkele tientallen mensen het leven. Het meest genoemde cijfer is 17, en dat zijn 17 doden teveel. Waarschijnlijk zijn het er aanzienlijk meer, maar daar is door het tegenwerken van informatievoorziening door het Iraanse bewind steeds moeijlijker achter te komen. Naast de doden zijn er ook nog de arrestaties: al op 17 juni waren dat er 500. Inmiddels zegt Amnesty dat het bewind bekentenissen probeert af te dwingen door middel van marteling. Wat het Iraanse bewind in haar nadagen doet om haar ondergang af te wenden, ís een verschrikking, het veroordelen ondubbelzinnig waard.

Maar Obama heeft met zijn veroordeling een ernstig probleem, een geloofwaardigheidsprobleem. Als hij zo tegen geweld is, zou hij kunnen beginnen het geweld dat wordt uitgeoefend door de militaire machinerie waarvan hij opperbevelhebber is af te keuren, of beter nog: stop te zetten. Het is makkelijk om het geweld van staten waarmee de VS toch al in de clinch ligt, zoals Iran, te veroordelen. Als hij echt zo tegen geweld is, pakt hij zijn eigen gewelddadige staatsmacht eerst maar eens aan.

Waar ik dan aan denk? Dit bijvoorbeeld: “Bij een aanval met onbemande Amerikaanse vliegtuigjes zijn gisteren in het noordwesten van Pakistan tientallen Talibaanstrijders gedood.” Verderop in hetzelfde NRC-bericht: “Functionarissen van de Pakistaanse veligheidsdienst gingen uit van zeker zeventig doden, nadat zij gisteren een dodental van 45 hadden genoemd. De New York Times kwam gisteren op basis van lokale bronnen uit op 60 doden.”

Vijfenveertig, zestig, zeventig doden in één keer. Kansloos waren ze, vanuit de lucht beschoten door de supertechnologische macht van de VS waartegen amper verweer is voor lichtbewapende strijders als de Taliban. Het is een daad van misdadige agressie: wat je ook van de Taliban denkt, de VS heeft domweg niet het recht om in willekeurig welk land gewapende groeperingen aan te vallen die de VS niet bevallen. De VS heeft niet het recht om oorlog te gaan voeren in Pakistan.

Maar het is nog erger dan dat.  Niet voor het eerst in dit soort zaken is het sterk de vraag of al die doden wel Taliban-strijders waren. Aljazeera meldt dat de aanval een begrafenisplechtigheid van een Taliban-commandant trof, en dat er onder de doden – mogelijk wel tachtig – dorpelingen zaten, lang niet alleen Taliban-strijders. De berichtgeving spreekt ook over een eerdere aanval. Of het NRC-bericht duidde op die eerdere aanval, of op de aanval op de begrafenis, kan ik niet met zekerheid opmaken uit de berichten. Hoe dan ook: zeker 45 maar mogelijk 80 doden, waaronder flinke aantallen burgers, in één dag weggevaagd door de VS.

Ja, de aandacht voor de doden in Iran is terecht. Maar de doden in Pakistan, toegebracht door bondgenoot VS, verdienen evenzeer aandacht, en het geweld van de VS verdient evenzeer veroordeling. En Obama mag zijn mooie woorden over Iran verder bij zich houden zolang hij zelf leiding geeft aan oorlog en agressie. Aan huichelarij heeft de Iraanse revolutie minder dan niets.


Khamenei spreekt, arbeiders in autofabriek Teheran protesteren: revolutie Iran zet door ondanks intimidatie

20 juni, 2009

Ayatollah Khamenei heeft gesproken: Ahmedinejad heeft zijn verkiezing eerlijk gewonnen, van fraude was geen sprake. En vooral: De Protesten Moeten Ophouden. Aldus de hoogste leider van  het land. Hij stelde degenen die ermee doorgaan verantwoordelijk voor de gevolgen. Dat is dreigende taal. Dat betekent zoiets als: blijf thuis, want ons antwoord zal hárd zijn, keihard.

Het is de taal van een arrogante, maar in het nauw gebrachte machthebber. Hij zal hopen dat de protesten nu wegebben. Hij zal vooral hopen dat d leiders van de protesten – Mousavi vooral – terugdeinzen voor de dreigende confrontatie. Hij zal hopen dat de rust terugkeert, dat de orde – zí’jn autoritaire orde – niet langer gevaar loopt. Ik hoop dat hij ongelijk krijgt, dat de protesten doorgaan. Belangrijker: ik dénk ook dat dit gebeurt. Daar zie ik minstens twee redenen voor. De tweede redenis de verdeeldheid aan de top. Daarover wellicht snel meer. Nu vooral aandacht voor de eerste fundamentele reden: de kracht van de protesten.

Die eerste reden is de afgelopen week op straat te zien geweest, en sinds zeer kort ook in bedrijven. Maandag, dinsdag, woensdag en donderdag hield de oppositie enorme protestbijeenkomsten. Alle vier de dagen werden ze verboden door de autoriteiten. Alle vier de dagen trokken tienduizenden, honderdduizenden mensen in Teheran zich van dat verbod niets aan. Volgens een schatting in de Guardian waren er op donderdag een miljoen mensen in de hoofdstad gaan demonstreren, méér nog dan maandag. Zullen die mensen stoppen met protesteren, enkel vanwege een donderpreek van de hoogste Leider tegen wie een flink deel van de woede zich net zo goed richt als tegen Ahmedinejad?

Ja, er dreigt hardere onderdrukking. De dodelijke schoten op maandagavond hebben echter de vaart ook niet uit de protesten gehaald, de invallen op de campus van  de universiteit van Teheran  door de Basji, de vrijwilligers van de uiterst gewelddadige zedenpolitie evenmin. Ja, er zijn inmiddels enkele honderden mensen die betrokken zijn bij de oppositie opgepakt. is er iemand die gelooft dan je een massabeweging waar inmiddels miljoenen mensen aan deelnemen, kunt breken met ruim 170 arrestaties (het cijfer dat Amnesty noemt, als minimum-aantal, het echte aantal zal zeker hoger luggen). Of trouwens ook met 1700 arrestaties?

Nee, we mogen de dreiging van Khamenei niet onderschatten. Een in het nauw gedreven bewind als het Iraanse kanveel vérder gaan in bloedvergieten dan we tot nu toe hebben beleefd. Maar de greep die angst voor onderdrukking heel lang op veel mensen had, heeft de afgelopen week een enorme dreun gekregen. De protesten zijn nog niet voorbij. Daarvan ben ik overtuigd. Het hoogtepunt ligt vóór ons ligt, en de uitslag is onbeslist.

Niet alleen de omvang van de protesten, maar ook de aard ervan laat zien hoe revolutionair de situatie inmiddels is. Ja, Mousavi is een keurige man die graag een deal zou sluiten met zijn tegenstanders. Hij komt uit de zelfde kringen, en was ooit premier in de tijd toen Khamenei president was. De strijd tussen Mousavi en Ahmedinejad ’s een strijd binnen het bestaande bestel van de Islamitische republiek. Maar de massabweging waar Mousavi momenteel op leunt, en gebruik van maakt tegen Ahmedinejad, ontglipt aan zijn greep. Die massabeweging heeft de strijd tussen rivalen aan de top deels omgevormd in een strijd om veel verdergaande veranderingen.

Hoe zeer de massas op straat los aan het komen zij’n van hun gematigde leiding, zagen we op maandag en dinsdag. Op beide dagen riep Mousavi zijn aanhang op om niet de straat op te gaan. Op maandag werd de protestmanifestatie zelfs van zijn kant afgeblazen. Maar mensen kwamen toch opdagen, en binnen de kortste keren draaide Mousavi bij, en sprak de verzamelde menigten toe. Ook dinsdag zetten betogers toch door, nadat Mousavi had opgeroepen om niet te betogen. Het wekt de indruk van een leider die wordt méégesleurd door zijn achterban, en die daardoor veel verder zijn nek uit moet steken dan hij het liefst zou willen. het initiatief verschuift . Een leiding die binnen het bestel wil opereren, en de beweging op straat als pressiemiddel aan- en uit wil kunnen zetten verliest greep. Een massabeweging waarvan delen beginnen voor eigen rekening en naar eigen inzicht te opereren komt op. Als Mousavi morgen een aangekondigd protest wederom af probeert te blazen is er alle kans dat heel veel mensen  desondanks toch gaan betogen.

Er zijn ook geluiden te horen die verder gaan dan een oproep tot nieuwe verkiezingen, nu zonder fraude, overder ook dan een simpele vervanging van Ahmedinejad door Mousavi. Volgens berichtgeving op internet is er op maandag een lijst met zeven eisen verspreid in Iran. Daarin werd aangedrongen op vervanging,van Khamenei en vertrek van Ahmedinejad, tijdelijke benoeming va ayatollah Montazeri (een eerder in ongenade geraakte en onder huisarrest geplaatste geestelijke) als leider, erkenning van Mousavi als president, vorming door Mousavi van een nieuw kabinet dat een nieuwe grondwet voorbereidt, vrijlating van alle politieke gevangenen, van welke stroming dan ook, en ontbinding van zowel openbare als geheime onderdrukkingsorganen. De bron van dit document is me niet duidelijk, of het authentiek is kan ik niet met zekerheid zeggen. Maar het past in een beeld waarin demonstraties méér willen dan alleen vervanging van een president. We zien hier de contouren van een beginnende revolutie met radicale democratiseringseisen.

En het zijn niet al langer alleen maar de pleinen en straten en universiteiten waar het protest zich afspeelt. Er beginnen berichten te komen van arbeiders die aan het protest deelnemen – op hu eigen arbeidersmanier. Arbeiders in de Khodro-autofabriek in Teheran hebben aangekondigd dat ze werkonderbrekingen gaan houden “om te protesteren tegen de onderdrukking van studenten, arbeiders, vrouwen en de grondwet, en om onze solidariteit te verklaren met de beweging van het volk van Iran.” Het gaat hier niet om een werkplaats van ondergeschikt belang. Het betreft de grootste autofabriek in het land. Als dít soort acties zich uitbreiden is de al aanzienlijke slagkracht van de massabeweging verveelvoudigd. De revolutie in Iran is met de toespraak van Khamenei niet gesmoord. Die revolutie gaat verder.


Iran: verkiezingsfraude en een begin van volksopstand

14 juni, 2009

Protesten tegen de verkiezingsuitslag in Iran hebben ook vandaag plaatsgevonden. De betogers staan keer op keer tegenover een oproerpolitie die bruut optreedt. Ook is het bewind overgegaan tot het arresteren van mensen die actief zijn in de oppositie. Intussen wordt het steeds aannemelijker dat Ahmedinejad mede dankzij fraude de verkiezingsoverwinning op zijn naam schrijft.

Eerst die straatprotesten. Overdag wezen berichten op betrekkelijk kleine betogingen, hard  botsend met de politie. “Een groep van ongeveer tweehonderd betogers gooide stenen naar de agenten ennriep leuzen als ‘dood aan de dictator’, De agenten schoten met traangas om de menigte uiteen te drijven.” Dat vertelt Nieuws.nl. Een paar honderd demonstranten, daar wankelen de machthebbers niet meteen van. Maar Aljazeera schrijft: “duizenden Iraniërs gingen de straat op in een tweede dag van geweld, en hielden straatgevechten met oproerpolitie uit pretest tegen de verkiezingsuitslag.” En voordat we de protesten wegzetten vanwege de (nog?) vrij kleine aantallen demonstranten, mogen we wel even bedenken wat deze mensen riskeren. De gewapende macht waar ze tegenover staan kent weinig genade. De zestig mensen die volgens de vice-directeur van politie in Teheran zijn opgepakt, wacht geen plezierig verblijf.

De regering heeft intussen een golf van onderdrukking gelanceerd. De Volkskrant maakt melding van de arrestatie van tientallen politici uit de hervormingsbeweging rondom oppositiekaniddaat Mousavi. Daaronder zou een broer zijn van ex-president Khatami, en een wordvoerder van diens regering destijds. Intussen probeert het bewind de communicatie via mobiele telfoonnetwerken en internet te dwarsbomen, en gooien de autoriteiten buitenlandse journalisten het land uit. Er zijn geruchten – ook weer tegengesproken, zo meldt CNN – dat Mousavi huisarrest heeft, dat zijn woning omsingeld wordt door een gewapende macht.

De grief van Mousavi en van de boze betogers is helder: Ahmedinejad heeft via grootschalige fraude gewonnen, de verkiezingen zijn grofweg gestolen. Steeds meer aanwijzingen pleiten voor het gelijk van de betogers. Er is de ongebruikelijk snelle bekendmaking van de uitslag. Robert Fisk zegt dat “een aanhanger van Mousavi hem erop had gewezen dat ‘als de stemmen correct zouden zijn geteld vrijdagnacht, er vijf miljoen stemmen geteld zouden moeten zijn in twee uur.'”

Juan Cole komt nog met meer aanwijzingen richting fraude. Ahmedinejad zou gewonnen hebben in Tabriz, de hoofdstad van de prvicie Azerbeidsjan, waar Mousavi (zelf Azeri) vandaan komt. Dat is niet erg geloofwaardig. De andere liberale kandidaat, Karroubi, in 2005 goed voor 17 procent van de stemmen, zou nu minder dan één procent gehaald hebben, en zelfs in het westen van het land waar hij vandaan komt, weinig stemmen hebben behaald. Niet erg geloofwaardig. En ook Cole wijst op de snelle bekrachtiging van de uitslag door de kiescommissie, en de erkenning daarvan door de opperste religieuze leider Khamenei. De kiescommissie wordt geacht daar drie dagen voor uit te trekken, om beweringen over fraude te kunnen nagaan. Waarom nu niet?

Nee, sluittend bewijs voor verkiezingsdiefstal is het niet. Maar als de zege van  Ahmedinejad zo groot was, en zonder fraude was behaald, waarom wordt dan de oproerpolitie metéén losgelaten op kleine groepen demonstranten? Waarom dan meteen de arrestatiegolf? Als de regering de steun van zo n grote meerderheid heeft, waar is de dan zo bang voor? Ahmedinejad en de autoriteiten gedragen zich bepaald niet als machthebbers die democratisch herkozen zijn. Het oppakken van critici, het blokkeren van sms-verkeer en dergelijke, en het uitzetten van buitenlandse journalisten wekken op zijn minst de indruk dat de regering iets te verbergen heeft. En het feit dat er pas zondag een overwinningsbijeenkomst van aangahangers van Ahmedinejad werd gehouden – druk bezocht, met tienduizenden mensen, maar met officiële goedkeuring is dat niet zo vreemd – geeft ook te denken. Van grootschalige spontane feestvreugde direct na de verkiezingsuitslag was weinig te bespeuren.

Ook de opstelling van Mousavi zelf wijst in die richting. De man is een insider in het establishment. Hij was premier inde jaren tachtig, tijdens de harste, bloedigste episode van de Islamitische Republiek. Hij wéét hoe hard het gezag kan optreden tegen critici. Toch steekt hij zijn nek uit, vecht de uitslag in scherpe bewoordingen aan, en roept zijn aanhangers tot protest – zij het vreedzaam – op. Zou hij zoveel risico nemen als hij het gevoel had dat hij met tientallen procenten achterstand had verloren en gewoon een slechte verliezer was? Op zijn minst dénkt Mousavi écht dat hij de verkiezingen gewonnen heeft. Dat bewijst natuurlijk niet dat dit ook zo ís. Maa het is, gecombineerd met andere aanwijzingen, wel een indicatie in die richting. Mousavi is ook niet de enige presidentskandidaat die de verkiezingsuitslag niet vertrouwt. Karroubi, de andere liberalere kandidaat,  noemde de uitslag “zo belachelijk en ongelofelijk dat men er niet over kan spreken of schrijven in een verklaring”.

De protesten zijn bepaald nog niet over. Berichten spreken van demonstraties in meerdere steden. Groepen betogers spelen in straten in Teheran een soort kat-en-muis-spel met de oproerpolitie. En als het aan oppositieleiders ligt, komt er een grootschalig vervolg. Mousavi, en ook zijn vrouw die in de campagne van haar man een opvallende rol speelde, hebben een oproep verspreid voor protestbijeenkomsten in 20 Iraanse steden op maandag, en een landelijke staking op dinsdag. Mousavi zelf heeft bij de autoriteiten toestemming voor protestbijeenkomsten gevraagd; zelfs een door de staat gesteund satellietkanaal maakt hier melding van. Deze informatie vind ik  trouwens in een uiterst informatief stuk op een nieuwsblog van de New York Times.

Het is te hopen dat deze manifestaties, en vooral ook de staking, groot en stevig worden. Het is te hopen dat intussen de straatprotesten van de adgelopen dagen doorgaan, en zich nog uitbreiden. Een volksbeweging tegen de onverkorte dicatuur die Iran momenteel weer even is, verdient het om te winnen.

Dat is zo, niet omdat Mousavi opz zichzelf zoveel waardering verdient. Maar als hij eerlijk heeft gewonnen, dan moet die uitsdlag gewoon gerespecteerd worden. En als hij niet eerlijk heeft gewonnen, dan nog heeft het regime heel veel uit te leggen, en dan nog dient de onderdrukking van demonstranten, Moussavi-aanhangers of niet, te worden gestopt. Dan nog is de strijd tegen onderdrukking meer dan gerechtvaardigd.

Mousavi zelf is echter niet bepaald de ideale persoon om een werkelijk volksverzet effectief aan te voeren. Zijn programma biedt hoopvolle dingen – meer vrijheid – naast onplezierige dingen – ene liberalisering van de economie. Dat laatste is nu niet bepaald geschikt om arme mensen enthousiast te krijgen. Hoe frauduleus de uitslag ook was, er is weinig twijfel dat vooral veel arme mensen op Ahmedinejad hebben gestemd omdat die lonen en pensioenen verhoogde en dergelijke. Op dát punt had Mousavi (nog) minder te bieden. 

Het is te hopen dat de ontluikende protestbeweging hier een eigen lijn ontwikkelt, een lijn die democratie combineert met opkomen voor de rechten en belangen van de armen.

Er is een tweede probleem met het leiderschap van Mopusavi. ja, hij is erg boos over de verkiezingsdiefstal. Maar hij accepteert het staatsbestel dat dit soort autoritaire activiteiten kan ontplooien wel. Hij betuigt zijn loyaliteit ermee, door aan opperste leider Khamenei te vragen om in te grijpen ten gunste van een eerlijke uitslag. En hij beargumenteert zijn protest tegen de verkiezingsuitslag in een mengeling van rebellie en gezagsgetrouwheid. “Ik protesteer sterk tegen de talrijke schendingen, en ik waarschuw dat ik niet kapitaleer voor deze gevaarlijke schertsvertoning. Het resultaat zal de pijlers van de Islamitische republiek in gevaar brengen en tyrannie vestigen.”

Het overeind houden van die Islamitische republiek is voor Mousavi net zo goed een doel als voor Ahmedinejad en Khamenei. Alleen de invulling ervan loopt uiteen. Als puntje bij paaltje komt staat iemand als Mousavi dan ook dichterbij zijn huidige rivalen aan de top, dan bij de mensen die voor hem de straat opgaan en politieklappen, traangas en arrestatie riskeren. Vertrouwen op dit soort van leiding maakt de protestbeweging kwetsv baar voor ene halfslachtig compromis aan de top, waarna er slechts weinig verandert.

Gelukkig zijn op straat uit de kelen van demonstranten al radicalere geluiden te horen. “Dood aan de dictatuur!” is vrij helder. Hier en daar klinkt zelfs expliciet kritiek op de opperste leider Khamenei. Studentenactivist Mahdieh Gorlu vertelt wat hij zaterdag zag: “Mensen riepen slogans en drukten hun eisen uit. Ze zeiden dat ze hun stem terug wilden, of dat ze nooit meer zouden stemmen. In sommige gevallen richgtten ze zich tegen de opperste leider.” Van gezagsgetrouwheid is hier op straat erg weinig te bekennen, en deze radicalisering is zowel hoopgevend als hoognodig. Het succes van een wellicht op gang komende revolutie in Iran hangt mede dáár van af.


Iran: verkiezingen, fraude en protest

13 juni, 2009

De presidentsverkiezingen in Iran zijn voorbij, de  huidige president is met grote voorsprong tot winnaar uitgeroepen, en de teleurstelling is groot. Teleurstelling bij Mousavi, belangrijkste kandidaat tegenover Ahmedinejad. Grotere teleurstelling wellicht nog bij zijn aanhangers die ervan overtuigd waren geraakt dat Mousavi ging winnen. Teleurstelling ook in Westerse staten, waar duidelijk hoop bestond dat Ahmedinejad plaats zou moeten maken voor iemand met wie beter zaken te doen zou zijn geweest.

Wat is de reden voor deze toch wel onverwachte ontknoping? En wat voor vervolg krijgt de veelal felle verkiezingsstrijd in de komende weken? Maar eerst: doet het er eigenlijk wel zoveel toe, stellen verkiezingen in een autoritaire staat als Iran wel iets voor?

Over dat laatste bestaat verschil van mening. Harry van Bommel, SP-kamerlid, twijfelt eraan. Hij wijst op de macht van religieus leider Khamenei . “Hij heeft de macht over het buitenlands beleid en het leger, de inlichtingendiensten, de rechytbanken en de staatsomroep. Met zijn Raad van Hoeders kan hij veel invloed uitoefenen op de verkiezingen. Er wordt dan ook in brede kring betwijfeld of deze verkiezingen wel eerlijk ullen verlopen. Maar zelfs als dat zo is, zal het de vraag zijn of er veel in Iran kan veranderen zolang Khamenei de dienst uitmaakt.”

Inderdaad: ayatollah Khamenei, en niet de gekozen president, is de machtigste man van het land. Met zijn Raad van Hoeders (of Wachters) heeft hij immense invloed: die raad bepaalt welke kandidaten voor presidentschap en parlement mee mogen doen, op basis van aan de Islam ontleende criteria. Zo drukt de Sjiitische geestelijkheid haar enorme stempel op het politieke bestel van Iran. Voeg daarbij het feit dat Khamenei ook nog eens opperbevelhebber van het leger en andere gewapende machten is, en het woord  “alleenheerser”  dat De Volkskrant voor hem gebruikt, lijkt niet misplaatst.

Toch heet het artikel waarin die typering staat niet ten onrechte: “Iraniërs hebben echt iets te kiezen”. Iran is namelijk bepaald niet zonder meer een ordinaire dictatuur, de realiteit is complexer, tegenstrijdiger. De NRC omschrijft Iran als “een democratie binnen een dictatuur”, en die omschrijving is treffend. De dictatuur omvat de macht van Khamenei en zijn Wachters, de mede daarmee opgelegde invloed van de Sjiitische geestelijkheid, maar ook de rol van allerlei gewapende machten die maatschappelijke organisaties die uit de pas lopen tegenwerken, politieke oppositie die buiten toegestane grenzen komt, dwarsbomen en onafhankelijke vakbondsacties onderdrukken. Politieke vrijheid, wezenlijke voorwaarde voor een serieuze democratie, bestaat in Iran maar in zeer beperkte mate.

Maar bínnen die van hogerhand opgelegde, autoritaire kaders is er wel degelijk sprake van serieuze democratische elementen. Het staatshoofd – niet de machtigste positie in Iran, maar ook niet helemaal een wassen neus – wordt gekozen uit meerdere kandidaten. Hetzelfde geldt voor parlement en gemeenteraden. Kandidaten moeten voldoen aan criteria die ontleend zijn aan de interpetatie van de Islam zoals die domineert in de Iraanse staat. Ze worden daarop gescreemd door Khameini’s ballottagecommissie, zoals we zagen. Maar bínnen die opgelegde grenzen staat verschillende kandidaten vaak voor verschillend beleid. En, alhoewel de president en het parlement niet domineren, hebben ze op het beild wel stevige invloed. Het maakt dus wel degelijk uit wie verkiezingen in Iran wint, een uitslag doet ertoe.

Dat zie je in de recente geschiedenis van het land. In 1997 won Khatami het presidentschap. Hij beloofde cmeer culturele en maatschappelijke openheid en stond bekend als liberaal. Er kwam meer openheid ook, de onderdrukking uit naam van de Islam, de repressieve maatschappelijke voorschriften, de kledingnormen die van staatswege werden opgelegd, werden veel en veel minder streng gehandhaafd. Intellectuelen en mensen uit de stedelijke middenklassen haalden opgelucht adem. Het maakte uit dat iemand als Khatami staatshoofd was.

Maar er zaten grenzen aan de speelruimte. In 1999 demonstreerden studenten in Teheran voor meer politieke vrijheid. Knokploegen van de staat sloegen het protest neer. Er volgden enkele dagen van hevig straatprotest, maar de staat hield de overhand. Khatami koos hierin de kant van de orde, niet de kant van de studenten. Hij stond niet tegenover de Islamitische staat, hij was hooguit een liberaler deel van het gevestigde staatsbestel. Culturele liberalisering mocht, politieke vrijheid mocht niet. Intussen had hij een economisch programma dat zich richttte op liberalisering van het bedrijfsleven, iets waar de arme bevolking van Iran weinig goeds van had te verwachten.

Toen kwamen in 2005, na twee ambtstermijnen van Khatami, weer presidentsverkiezingen. Zelf deed hij niet mee, maar geestverwante liberale politici waren wel kandidaat. Veel  mensen die echter enthoustast waren over Khatami in het begin, waren nu teleurgesteld. Ahmedinejad won, doordat hij arme mensen beloftes deed voor een beter levenspeil. Maar hij won ook omdat Khatami tegenover het conservatieve sestablishment vrij weinig had bereikt en als het erop aan kwam terugkrabbelde. Een flink deel van zijn achterban bleef thuis.

Achteraf zien juist mensen van het soort dat destijds teleurgesteld thuisbleef dat mede daardoor er in 2005 een repressieve conservatief als Ahmedinejad won, en wat dat betekende. “Vorige keer dachten veel van one aanhangers dat ze de luxe hadden om niet te gaan stemmen. Dit keer weten ze wat hun te wachten staat als ze wegblijven, aldus iemand uit de campagne van een anderel liberale kandidaat, Karoubi, kort voor de verkiezingen.En Farough Abdulazim, een vrouw van 28 uit de stedelijke middenklasse in het Noorden van Teheran, vertelt:  “Onder Khatami was alles anders.  Iran was een compleet ander land. Het leven was zeker niet ideaal, wel veel beter. Tóen vonden we dat hij zwak was, de economie draaide niet goed, hij kreeg te weinig voor elkaar. Toch hadden we niet kunnen denken dat er na Khatami iemand zou komen die alles weer terug zou draaien. Maar Ahmedinejad  deed het!” Ze overdrijft: de vrijwel totale controle zoals die in de jaren tachtig werd opgelegd is niet teruggekeerd. Ze miskent hier ook dat er één ding nog belangrijker is dan een verkiezingsuitslag, en dat is de assertiviteit waarmee mensen zelf voor hun vrijheid blijven opkomen. Die assertiviteit is ook onder Iraanse vrouwen als zij gelukkig aanzienlijk. Mede dáárdoor is Ahmedinejad maar zeer gedeeltelijk geslaagd in zijn conservatieve roll-back. Maar daar ging het me nu even niet om. Punt dat ik hier wilde illustreren was: presidentsverkiezingen dóén ertoe in Iran.

Dat er wat op het spel stond was en is blijkbaar de mening van heel veen mensen in Iran. Het bleek uit de hevige verkiezingscampagne, met grote menigten op straat, zowel voor Mousavi als Ahmedinejad, felle kritiek over en weer, en zelfs de vertoning dat Rafsanjani, invloedrijk ex-resident en nu supporter van Mousavi, naar de rechter stapte omdat Ahmedinejad – toen presidentskandidaat maar ook nog altijd zittend president! – hem van corruptie beschuldigde (een beschuldiging die overigens niet oingegrond was, maar als president had hij ich beter kunnen concentreren op corruptie in ijn eigen bestuursapparaat). Juan Cole geeft een mooie schets van de gebeurtenissen en de zinderende sfeer in de verkiezingsstrijd, en ook Lee Sustar, in Socialist Worker (VS) is hier verhelderend. Alleen de verkiezingsstrijd zélf was al belangrijk: vele honderdduienden mensen hebben door hier actief aan deel te nemen (en niet enkel een stem uit te brengen op verkiezingsdag zelf!) als het ware geróken aan democratie, aan actíéve democratische inzet. Dat maakt deze mensen sterker en weerbaarder, hoe de verkiezingsuitslag en de nasleep ook uitpakt.

De verkieingen zelf brachten vier kandidaten in de race. Er was een conservatieve ex-aanvoerder van de Revolutionaire Garde, een zekere Mohsen Rezai. Over hem heb ik het hier verder niet, hij speelde slechts een mini-rol. Er waren twee liberale hervormers: Mehdi Karoubi en  Mir Hossein Mousavi. De eerste, een geestelijke, was parlementsvoorzitter geweest. De tweede had er een carrière als politicus opzitten , en wel als premier van het land tussen 1980 en 1988. Dat waren de jaren van de felste onderdrukking, en van de oorlog tussen Iran en Irak. De man heeft dus nogal wat bloed aan zijn handen, in ieder geval indirect. Geen wonder dat de Raad van Wachters hem toeliet in de race om het presidentschap. En dan was er nog de zittende president, Mahmoud Ahmedinejad, die opging voor een tweede ambtstermijn.

De hervormers stonden voor drie zaken. Een mildere toon ten aanzien van het buitenland, vooral de VS: aan de noodzaak van het kernprogramma op zich is geen twijfel onder kanidaten, maar wel aan de retoriek eromheen. Mousavi nam bijvoorbeeld scherp afstand van Ahmedinejad’s stompzinnige uitspraken waar in hij de holocaust in twijfel trok.

Een tweede punt bestond uit de economie: de hervormers gaan hier verder op het pad dat Khatami wilde inslaan: economische liberalisering, meer marktwerking dus. Ze zoeken een opening naar de wereldeconomie, hetgeen tevens hun mildere toon ten aanzien van bijvoorbeeld de VS verklaart. Het is géén politiek waar arme mensen iets aan hebben. Die plegen van privatisering en dergelijke het slachtoffer te worden: óf ze raken hun baan kwijt, óf ze moeten harder werken om de productiviteitsrace met de concurrent bij te houden. Hier ligt een verklaring voor het feit dat onder arme Iraniërs het enthousiasme voor mensen als Mousavi bepaald lauw tot afwezig is. Op dit punt zijn de liberale kandidaten bepaald niet links, niet progressief.

Maar ze zijn wél voor meer culturele vrijheid, en zelfs voor iets meer politieke vrijheid. Mousavi bijvoorbeeld “bepleit het toekennen van meer rechten aan vrouwen”. Dit zijn positieve zaken, het verdedigen waard. Maar in de handen van een liberaal als Mousavi is het toch vooral bedoeld om de economische liberalisering als het ware te omlijsten, de betrokkenheid van mensen bij het bestaande bestel te vergroten, en te voorkomen dat frustraties zich zodanig ophopen dat mensen teveel zelf in beweging komen.

Opvallend was de rol van zijn vrouw in de verkiezingscampagne. “Ze mobiliseerde vrouwelijke kiezers voor haar man met de toezegging dat hij vrouwen op topposities zal benoemen.” Ex-president Khatami steunt hem. De andere liberale kandidaat heeft een soortgelijke politiek.

Tegenover hen stond dus Ahmedinejad. Hij staat voor cultureel conservatisme, hij leunt ook sterk op de gewapende staatsinstellingen, en hij staat ook voor een stevige houding tegenover de aanhoudende Westerse druk. Met name rond de kerntechnologie waar Iran zich op richt. Op dat eerste punt  verdient hij geen sympathie, op het punt van zijn houding tegenover het Westen ligt de zaak anders. Zijn retoriek is soms verwerpelijk, maar zijn houding is in essentie niet misplaatst: Iran heeft het recht energie op te wekken zoals het dat wil, de VS heeft niet het recht om Iran daarin te dwarsbomen. Het is een kwestie van zelfbeschikking. Waar het westen leek te hopen dat Ahmedinejad zou verdwijnen om voor een plooibaarder iemand plaats te maken, kunnen linkse mensen dat argument om tegen Ahmedinejad te zijn niet onderschrijven.

Dan is er nog een wezenlijk punt dat veel steun voor Ahmedinejad verklaart: zijn sociale beleid. Hij beloofde in 2005 geld voor de arme bevolking. En hij hééft ook geld gestoken in projecten waar arme mensen baat bij hadden. De NRC – geen propagandist voor Ahmedinejad – schrijft: “Ahmedinejad omschrijft zichzelf als een man van het volk. Zijn politiek van materialistische voorspoed heeft wellicht geleid tot hoge inflatie, maar ook tot een stijging van lonen, pensioenen en projecten in economisch achtergestelde gebieden.”

Aan het autoritaire karakter van het beleid doet dit niets af. Het volk mocht verbeteringen in ontvangst nemen. Zodra groepen uit het volk zelf voor hun rechten opkwamen, was de oproerpolitie doorgaans echter snel ter plekke. Maar dat heel veel mensen een programma van staatssteun voor de armen prefereren boven de onzekerheid die economische liberalisering doorgaans biedt, lijdt weinig twijfel.

Overigens deed Mousavi in de campagne ook pogingen om in te spelen op grieven van arbeiders, kennelijk in een poging om Ahmedinejad niet alle ruimte te laten. Maar er zijn grenzen aan wat zelfs radicale hervormers op dit punt aandurven. De middenklasse, waar ze veel van hun steun aan ontlenen, zal niet bepaald blij zijn als armen zelfstandig voor hun rechten op komen. Sommigen van die armen zijn letterlijk personeelsleden van die middenklasse:  de eerder geciteerde 28-jarige vrouw uit Noord-Teheran heeft samen met anderen een werkster uit de arme zuiden van de stad. De sociale basis van van hervormers als Mousavi zet een rem op de mate waarin zij werkelijk de armen kunnen helpen voor zichzelf op te komen.

Eigenlijk zien we hier een tragische verdeling: democratische eisen die op zich rechtvaardig zijn, worden bij mensen als Mousavi gekoppeld aan een rechts neoliberaal beleid. Steun aan de armen, op zich welkom, wordt bij Ahmedinejad losgekoppeld van democratische rechten waarmee armen  zelf hun rechten kunnen halen. Het zoeken is naar een politiek waarin de  materiële belangen, maar tegelijk ook de  rechten van arbeiders en andere onderdrukten om voor die belangen op te komen, de spil van zijn.

We weten inmiddels: Ahmedinejad is tot overwinnaar uitgeroepen, met een opvallend grote voorsprong: 63 procent voor Ahmedinejad, 34 procent voor Mousavi, volgens de BBC. Ik had dat ook niet verwacht, ik had gedacht dat er meer steun voor de liberale kandidaten zou zijn. Toch is de verklaring voor de liberale nederlaag in veel van het bovenstaande te bespeuren. Ahmedinejad heeft een beleid waar arme mensen iets aan hebben. Mousavi staat voor een beleid waar voral de middenklasse iets in ziet. En ook in Iran is het aantal arme mensen groter dan de totale omvang van de middenklasse.

Maar er is meer. Mousavi en zijn aanhangers geven de schuld aan een andere factor: fraude. Ik sluit niet uit dat dit een rol speelde, er zijn wel aanwijzingen die kant op. Er zijn berichten van grote tekorten aan stembiljetten. Sommige uitslagen zijn ook wel erg curieus, zoals het feit dat Karroubi, de andere liberale kandidaat, in zijn thuisbasis Oligudarz minder dan half zoveel stemmen kreeg als Ahmedinejad, althans volgens Radio Free Europe. Maar dat juist deskundigen uit Westerse denktanks, verbonden met een establishment dat haar vijandschap jegens Ahmedinejad niet verbloemt, zo snel ‘fraude’ roepen, dat is wel een beetje verdacht.

Veel aanhangers van de oppositie zeggen in  begrijpelijke teleurstelling, dat Ahmedinejad de verkiezingen gewoon heeft gestolen. Ik wil echter nog wel iets meer informatie, voordat ik die conclusie in totaliteit overneem. Dat er op flinke schaal is gefraudeerd lijkt me echter aannemelijk, de straatprotesten vandaag vanwege uitslag en verkiezingsfraude zijn niet vreemd, en de onderdrukking ervan deugt niet. Als Ahmedinejad namelijk gewoon écht heeft gewonnen, dan hoeft hij ook helemaal niet zo agressief te laten optreden tegen enkele duizende teleurgestelde aanhangers van de oppositie die hun woede tot uiting willen brengen?

Komende dagen worden belangrijk en spannend. Als de fraude inderdaad zo grootschalig is als veel mensen van de oppositie zeggen, en als de woede daarover grotere vormen aanneemt dan enkele duizenden demonstranten in een miljoenenstad als Teheran, dan zou de hele verkiezingsstrijd  nog wel eens een voor Ahmedinejad  zeer ongunstige staart kunnen krijgen. Of we daar, gezien het de koers die oppositieleiders als Moussavi voordtaan, en gezien het enthousiasme dat Westerse politici sinds 2001 voor ‘regime change’in Iran aan de dag leggen, onverkort blij mee kunnen zijn? Ik vraag het me af. Toch kan ik nu niet anders dan mijn sympathie en bewondering voor de betogers die de krachten trotseren van de politiestaat die Iran óók is, uitspreken.