Verkiezingen als valkuil

15 juni, 2012

vrijdag 15 juni 2012

Het gonst verkiezingen, dezer dagen, weken en maanden. Eerder dit jaar presidentsverkiezingen in Rusland en Frankrijk, en een eerste ronde in Egypte. Dit weekend twee hele belangrijke: parlementsverkiezingen in Griekenland en de tweede presidentsronde in Egypte. Binnenkort de tweede ronde parlementsverkiezingen in Frankrijk. Later in het jaar op het menu: parlementsverkiezingen in Nederland, en natuurlijk de hoofschotel voor electorale fetisjisten: de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Het is allemaal op een bepaalde manier belangrijk. Maar daar volgt helemaal niet uit dat we moeten doen wat links zo vaak doet: uit alle macht een kandidaat of partij zoeken die gesteund moet worden, ‘kritisch’ natuurlijk en ‘zonder illusies’, maar toch gesteund. Het analyseren van verkiezingen is noodzakelijk: wat daar tot uiting komt doet ertoe. Ons gedragen als supportersvereniging in deze wedstrijd is echter nergens voor nodig. Wie naar de paardenrennen kijkt, hoeft toch aan de bijbehorende weddenschappen niet mee te doen – tenzij je je geld graag kwijt wilt. Lees de rest van dit artikel »

Advertenties

SP-stemmers bedankt :-)

23 juni, 2010

De SP heeft weer eens laten zien waar ze staat: met alle sociale aanvechtingen die haar leden eigen is, staat ze aan de kant van de orde. De vijandige, kapitalistische orde, om precies te zijn. Dat bleek overduidelijk uit een motie die SP-er Ronald van Raak in de Tweede Kamer indiende. Een motie tegen bezuinigingen – maar dan wel tegen bezuinigingen op de politie. Daarmee betoont de partij zich als een voorvechter van een, al dan niet geüniformeerd optredende, vijand van onze vrijheden, van ons verzet. Van Raak lonkt, blijkens het bericht op Nu.nl (23 juni) naar de steun van rechts, en naar de sympathie van politieagenten zelf. Van Raak: “Ik reken op uw stem, dat doen de agenten ook.”

Onverteerbaarder nog is het de facto bondgenootschap dat Van Raak feitelijk met, jawel, PVV-er Hero Brinkman had gesloten. Beiden keerden zich zij aan zij tegen topinkomens van politiechefs. In een context waarin de SP tegelijk opkomt tegen bezuiniging op het politieapparaat is dat sociaal klinkende demagogie. En sowieso dient links  alles wat ook maar lijkt op gezamenlijk optrekken met de PVV, te vermijden. Dat rechtse partijen de PVV van legitimatie voorzien is erg genoeg. Dat de SP zelfs maar de schijn wekt zoiets ook te doen, is, laat ik het beleefd zeggen, een schande.

Dit brengt me tegelijk nog even bij degenen die, met al hun oprechte linkse kritiek, toch maar SP hebben gestemd bij gebrek aan beter, uit strategische overwegingen en dergelijke. Onder hen waren ook mensen met revolutionaire opvattingen en/of bedoelingen. Ik mag vermoeden, en ook hopen, dat deze mensen zich bij boven aangeduide kwalijke moves van een Van Raak wel buitengewoon ongemakkelijk voelen. De fractie waar Van Raak deel van uitmaakt, zit daar mede door hún stemmen, en door de stemmen van mensen die het stemadvies van groeperingen als de Internationale Socialisten en Offensief hebben opgevolgd. Ik mag ook hopen dat deze mensen, en deze groepen, hun kritische onbehagen over dit type SP-opstelling met kracht zullen laten horen. Dat is wel het minste. Het is, vanwege hun opstelling, ook hún fractie, hún verantwoordelijkheid.

Dit is tegelijk ook een goed moment om – na twee weken kabinetsformatie  zonder uitzicht op resultaat – nog even op de discussie over wel of niet stemmen terug te komen die hier voor en rondom verkiezingsdag op dit weblog woedde. Mijn laatste stuk erover leverde wederom een handvol reacties op. Dylan geeft blijk van zijn stemweigering, met hem heb ik hierover geen wezenlijk meningsverschil. Met Jelle Bruinsma – die, met verwijzing naar de kennelijk ook door hem zeer gewaardeerde Howard Zinn – nog wel enig nut ziet in de tweeminuten-gang naar de stembus, is mijn meningsverschil ook slechts miniem. Hij redeneert feitelijk: misschien haalt het ietsjepietsje uit, en baat het niet dan schaadt het ook niet. Ik redeneer: misschien maakt niet-stemmen ietsjepietsje uit, en baat het niet dan schaadt het ook niet. De uitkomst is ietsje anders, maar de onderliggende houding – geen vertrouwen in het parlementaire representatieve gebeuren – is zeer verwant.

Dat is trouwens een algemener punt dat in de hitte van de discussie enigszins buiten beeld is geraakt. Bijna al degenen die, vaak met grote felheid, hier kwamen uitleggen dat die SP-stem toch nut en waarde had, hebben net zo min wezenlijk vertrouwen in de representatieve democratie als ik. Bijna allemaal zeggen zij dat verzet vanuit de maatschappij, van onderop om die zinsnede maar weer te gebruiken, de kern is. sstemmen op de SP is voor hen slechts een ondergeschikte strategische keus. In de kérn zijn deze SP-stem-adviseurs en ik dus geestverwanten, bondgenoten, of zouden dat moeten zijn.

Mijn strategische keus leidt tot niet-stemmen, maar ook dát is slechts ondergeschikt aan een groter verhaal: ik heb ook gezegd dat ik niet heel veel in een niet-stem-campagne zie. Het nut daarvan zit in het onder de aandacht brengen van achterliggende anarchistische opvattingen, niet in de paar thuisblijvers meer of minder die het wellicht oplevert. En daar zit precies mijn probleem met de oproep om op de SP te stemmen. Die paar extra SP-stemmers die het heeft opgeleverd – niet voldoende voor zelfs maar één zetel, misschien amper genoeg voor het pluche erop –  , dat is geen drama. Mijn punt was veeleer het groepsgewijs oproepen om SP te stemmen. Dát geeft de stembus, en de SP-keus, een extra gewicht, dát maakt SP-stemmen tot iets belangrijks, dát versterkt parlementaire, electorale illusies, hoezeer er ook bij gezet wordt dat stemmen natuurlijk niet genoeg is enzovoorts. En dát staat wel degelijk op gespannen voet met het opbouwen van zelfvertrouwen dwars tegen alle gevestigde machtsstructuren – ook de electoraal gelegitimeerde machtsstructuren – in.

Met bijna alle mensen die een stem voor SP (of een andere linkse partij: Buchan bijvoorbeeld noemt geen partij maar maakt wel duidelijk dat hij stemmen belangrijk vindt, ook als revolutionair-gezind persoon) heb ik dus wezenlijke diepere keuzes gemeen: zij willen een revolutie dichterbij brengen, ik ook, en zij zien dat in de kern als iets buitenparlementairs, net als ik. We zijn het dus veel minder oneens dan de felheid van de discussie wellicht doet vermoeden.

Met de reactie van Hans ligt dat wezenlijk anders. Hij noemt het het werken via parlement een de buitenparlementaire activiteit “complementair”, elkaar aanvullend dus. Hij wijst erop dat een afdeling – in dit geval Breda – binnen de SP zich hard gemaakt gheeft voor aanscgharping van het SP-program op het punt van het kraakverbod. Dat is natuurlijk  aardig. Maar hij zegt ook: je moet inzetten op actie én op versterking van het SP-geluid. “Als de SP wat zegt en dat komt op het journaal of je hebt ergens een demo dan beïnvloed je de geesten van mensen. Alleen heeft de eerste meer bereik. Denk daar eens over na, over de effectiviteit van wat je doet en wat je wilt bereiken.”

Beste Hans, ik dénk daar over na, maar we zijn het precies over de methoden om iets te bereiken oneens. Het verschil zit hier. Inderdaad, zowel een SP-uiting als een demonstratie hebben invloed op wat mensen denken. Inderdaad, het bereik van demonstraties is veelal kleiner dan dat van de SP-fractie. Dát actiwevoeren momenteel een kleiner bereik heeft, is echter mede een gevolg van het feit dat teveel mensen vooral energie steken is het versterken van het SP-geluid, ten koste van het geluid van de straat. Uiterindelijk zijn die dingen namelijk niet complementair: je kunt de zelfde tijd en energie maar één keer besteden.

Met een stem op de SP versterk je trouwens slechts de omvang van dat SP-bereik, van de draagwijdte van het SP geluid. Je versterkt dan echter ook de omvang van dat geluid als het een verkéérd geluid is, zoals bij de motie van Van Raak tegen politiebezuinigingen. De inhoud van die SP-stem verander ik niet door op de SP te stemmen. Daarvoor moet ik óf lid zijn van de SP en me daarbinnen doen gelden  – en me daarmee voegen in precies de parlementaire, reformistische strategie die ik afwijs –  óf demonstratief niet stemmen, en luid uitleggen wat mijn bezwaren zijn! Linkse mensen die nadrukkelijk niet (meer) op de SP stemmen, dát geeft de SP heel missschien enig stof tot nadenken. En hoe dan ook, toch blijft er uiteindelijk de enige betrouwbare weg tot wezenlijke antikapitalistische veranderingen: zelf doen, samen doen. Volgens Hans zie ik dit kennelijk “te zwart wit”. Ik denk echter dat ik het vooral rood-met-zwart zie.


Gedachten over verkiezingsuitslag: gevaarlijke rechtse dreun

10 juni, 2010

Rechts heeft met de verkiezingen van gisteren een gevaarlijke dreun uitgedeeld. Parlementair links heeft het daartegenover iets minder slecht gedaan dan het een handvol weken geleden nog leek. Dat is echter tegenover die meerderheid van sloopgeile neoliberalen en randfascisten die ons – nu nog in mediadebatten en verkiezingsfeestjes, morgen wellicht vanuit het Catshuis – aangrijnst, een schrale troost. De politieke crisis gaat, met de vorming van een volgend kabinet een nieuwe, grimmige fase in.

De cijfers zijn helder. VVD grootste partij, kantjeboord maar toch. VVD, PVV en CDA samen een krappe meerderheid in het parlement. Rechts als geheel – VVD, PVV, CDA, D66, CU, SGP – winnen 10 zetels vcergeleken bij 2006 en komen gezamenlijk op 93. Links als geheel – PvdA, SP en GL – komen op 55, of 57 als we de Partij voor de Dieren bij links rekenen. Er is aan deze cijfers, ook voor een revolutionaire niet-stemmer als ik, geen vreugde te beleven. Het aantal mensen dat mee gaat met het idee dat bezuinigingen, grootschalig, nodig en onontkombaar zijn, gecombineerd met ideeën die de schuld van veel narigheid bij migranten, moslims en linkse hobbies leggen, en die dat via de stembus laat weten, is gegroeid. Het aantal mensen dat daartegen, mede via de stembus, op de rem wil trappen en sociale bescherming enigszins overeind wil houden, is afgenomen. De verkiezingsuitslag registreert een verschuiving naar rechts onder flinke delen van de bevolking, juist ook binnen de arbeidersklasse. Dat ontkennen is onszelf zand  in de ogen strooien. Dat onder ogen zien, is een startpunt voor verzet.

Daarmee is het verhaal helemaal niet af. Binnen het rechtse kamp zien we opmerkelijke, en gevaarlijke, verschuivingen. Natuurlijk springt de grote opmars van de PVV er uit. De afgelopen twee maanden zakten Wilders’ gardisten wat weg in de peilingen, tot ruim onder de twintig. Het leek er op dat het, na grote praatjes, niet meebesturen van de PVV in Almere en Den Haag na grote overwinningen daar, een deel van hun kiezers had teleurgesteld. Geharrewar rond omstreden kandidaten, en ook de manoeuvres van onder-opper-leider  Hero Brinkman voor meer democratie in fascistenland, en een jeugdafdeling, leek een deel van de PVV-aanhang toch tot andere gedachten aan het brengen te zijn. De keiharde taal die inmiddels Rutte ook uitsloeg rond immigratie maakte een verschuiving van een deel van die mensen terug naar de VVD aannemelijk. Het feit dat de verkiezingscampagnes vooral gevoerd werden over bezuinigings- en aanverwante economische onderwerpen, leek ook de aandacht wat weg te trekken van het Moslims-treiteren waar Wilders zo mee scoort. Het was opvallend dat Wilders een tweede vijand om hard aan te pakken aanwees de laatste maanden: bankiers.

Feit is dat al deze factoren Wilders niet hebben gestuit. Juist Wilders slaagde er in de slotfase in zich te profileren als een soort SP, maar dan met een veel en veel harder anti-immigratiestandpunt. Wat hij op het slotdebat voor de verkiezingen uithaalde, was een meesterzet: tranentrekkend aanstippen hoe het met de zorg  voor ouderen is gesteld, en van de andere lijsttrekkers eisen dat dit binnen vier jaar verandert. Ja of nee, mijnheer Rutte, mijnheer Cohen?! Pure demagogie – maar ik vrees ook tamelijk effectieve demagogie tegenover politici die daartegenover alleen maar mitsen en maren stellen.

Wilders won met zijn racisme én met zijn sociaal-economische toonzetting. dat verklaart waarom hij styemmen won van de VVD én van de SP. Roemer was, met alle beperkingen die zijn SP typeert en die recht overeind staan , de meest principiële – en de meest sympathieke! – opponent van de rechtse logica van bezuinigingen en bijbehorende onbeschaafdheden van de lijsttrekkers. Wilders was vanuit rechts echter de felste – en de meest effectieve. Hij heeft zich de afgelopen jaren als oppositieleider een machtspositie verworven, en heeft gisteren geïncasseerd. En hoe.

Een tweede ontwikkeling ter rechterzijde betreft het CDA. Eeen electorale afgang, nog wat zwaarder dan zich al aftekende, voltrok zich. Op zich is dat reden voor een brede grijns: de partij is bij uitstek dé partij van de macht in Nederland, en die zie ik graag grondig verzwakt, vernederd, ontredderd. Dat Balkenende meteen zijn leiderschap neerlegde was onontkoombaar en op zichzelf welkom. Dáár zijn we in ieder geval van af.

Maar de nederlaag van het CDA was geen links succes. Het CDA is slachtoffer geworden van drie zaken. In crisistijd winnen hárde verhalen het van vage mitsen-en-maren-politiek. De hardste verhalen kwamen van rechts. Dát heeft het CDA heel veel stemmen gekost. Het CDA is leeggehaald door vooral de VVD, naar mijn indruk. Tussen bedaard maar stevig bezuinigingen met een sociaal randje en keihard, als onontkoombare redingsoperatie verkochte, bezuinigingsbeleid, kozen mensen het tweede.

Tweede factor was de zwakke leiding van het CDA, de verdeeldheid aan de top. Al meteen na de gemeenteraadsverkiezingen wees de CDA-top Balkenende toch meteen aan als lijsttrekker voor de Kamerverkiezingen. Maar snel brak er in regionale partijkringen kritiek uit, en klonk de vraag of dit niet te voorbarig was. Moest er toch niet aan een andere lijsttrekker worden gedacht? Dat zeurde wekenlang door, en zoiets is niet goed voor slagvaardigheid en zelfvertrouwen aan de top. We zagen dan ook een Balkenende die nu en dan krampachtig optrad, af en toe uitgleed. Kort voor de verkiezingen lekte ook nog eens uit dat prominente CDA-ers al niet meer in een overwinning geloofden en al dachten aan wat er dan moest gebeuren. Gisteren zagen we de ontknoping van wat al in de lucht hing.

Derde factor was persoonsgebonden. Balkenende wist bij eerdere gelegenheiden tee scoren als een soort vaderfiguur die het beste met iedereen voorhad, streng waar het moest, beminnelijk waar het kon. Balkenende en zijn CDA werd daarmee een soort vluchtheuvel voor diegenen die scherpe tegenstellingen eng vonden en vooral rust in de tent wilden. Na de moord op Fortuyn versterkte precies die uitstraling zijn positie. Na de moord op van Gogh zag je hetzelfde effect. Maar nu werkte het niet meer, om twee redenen.

De eerste was de felle, toch door sociaal-economische verschillen gedomineerde, polarisatie. Je wilde harde bezuinigingen, dan stemde je rechts. Of je wilde een flink stuk sociale bescherming, met minder en trage bezuinigingen, en dan stemde je links. Dat was de keus, in de beeldvorming. Balkenende horde inhoudelijk bij dat eerste, rechtse kamp, maar zijn uitstraling past meer bij het tweede. Je zag dat hij zich de laatste weken met enige nadruk tegen de “kille sanering” die Rutte beoogde, ging afzetten. Toch kon je aan je water aanvoelen dat hij veel dichter bij Rutte stond dan bij de PvdA. Dat ‘klopte’ niet, en dat deed hem waarschijnlijk geen goed.

Degene die dan ook met de rol van goede huisvader aan de haal kon gaan, was niet Balkenende, maar Cohen. Dat zijn partij de schade wist te beperken tot een verlies van twee zitels – een half jaar geleden zag dat er heel wat ernstiger uit – had dan ook voor een deel daarmee te maken. Mensen stemden op hem, niet zozeer omzat ze hem zagen als links en dat verwelkomden, maar omdat ze hem zagen als iemand die alle kanten recht deed, die ‘de boel bij elkaar hield’. Die rol, die Balkenende eerder speelde, is hij kwijtgeraakt aan de PvdA-leider. Intussen zien we uit welke hoek de wind in het CDA waait. Verhagen is zojuist tot fractieleider gekozen. Daarmee dreigt het CDA de weg omhoog terug te zoeken, niet via gematigde verzoening, maar via Raspoetineske machtspolitiek.

Er komt meer, maar dit is een beginnetje…

(bijgeschaafd 12 juni ’s nachts tegen kwart voor drie)


Over anti-stemadviezen, commentaar op ‘stemadviezigheid’, en bloggen als ‘actiemiddel’…

6 juni, 2010

De stembus houdt de aandacht vast, van de media maar ook van allerlei mensen in verzet, van marxistische en van anarchistische inslag. Het vorige artikel ging vooral ook in op de steun voor de SP vanuit twee trotskistische groepen. Op de reacties die dat stuk opleverde, kom ik verderop nog terug. Nu eerst eens kijken wat er aan anarchistische zijde te vernemen valt.

Op drie libertaire websites vond ik, laten we zeggen, anti-stem-adviezen. De Anarchistische Groep Nijmegen was er tijdig bij, en plaatste al vlak voor de gemeenteraadasverkiezingen een artikel, “Blanco stemmen of gewoon helemaal niet?” deels bestaat het artikel uit een wat technische uiteenzetting over hoe het zit met het effect van blanco-stemmen versus niet-stemmen op opkomstpercentages. Dat percentage wordt door blanco-stemmen hoger, maar verder is het effect van blanco-stemmen op de uitslag nul. Voordeel van niet-stemmen, vanuit anarchistische optiek, is dat ook het opkomstpercentage – en dus iets van de legitimatie van ‘onze’ volksvertegenwoordigers –  erdoor daalt. “Omdat stemmen voor ons voelt als acceptatie van dit systeem, willen wij iedereen oproepen om deze verkiezingen en alle die komen gaan, niet naar de stembus te gaan en in plaats daarvan jezelf te organiseren en een tegengeluid te laten horen, en in ieder geval niet het opkomstpercentage op een voor ons negatieve manier beinvloeden.” De Anarchistische Groep Amsterdam verwijst naarhet artikel, en trekt een zelfde conclusie: niet gaan stemmen, “niet in de valkuil van de parlementaire vertegenwoordiging binnen dit kapitalistische stelsel” te treppen. Dat gebeurt in een korte poëtische oproep: “Doe mee! Stem je stemkaart door de plee!”

Een derde, veel uitvoeriger, artikel is te vinden op de website van de Vrije Bond, een samenwerkingsverband van meerdere anarchistische groepen. De titel zegt het: “Boycot de verkiezingen”. Het mooie stuk zelf legt uit: hoe een heel klein aantal mensen over onze levens meent te mogen beslissen omdat ze een aantal van ons zover gekregen hebben om een stem op hun uit te brengen, hoe dit gebeurt met beloften die ze breken,  hoe de staat bezuinigst op onze bestaansvoorwaarden, en onderdrukking hanteert tegen verzet. “De werkelijkheid is dat de politici in het algemeen in dienst staan van de belangen van de klassen die, omdat zij macht en geld hebben, het voor het zeggen hebben.” Inderdaad.

Dan volgt met nadruk een oproep om niet te gaan stemmen, maar zelf  initiatief te nemen, in actie te komen voor verbeteringen, voor een ander soort maatschappij, ons te organiseren tegenover de goed georganiseerde macht van hogerhand. “De arbeiders moeten net als de heersende klassen zichzelf leren organiseren om zich van hen te bevrijden (…) De anarchisten vragen niet om stemmen. Het  is niet door middel van stemmen dat men een rechtvaardige, vrije, gelijkwaardige samenleving kan bouwen. Juist door  de solidasriteit en wederzijdse hulp van  de onderdrukten kunnen zij dat bereiken.” Alweer: inderdaad!

En dan, met mooie ironie: ” De anarchisten houden teveel van de democratie! Daarom roepen wij mensen op om niet te gaan stemmen.” Tot zover het onder sommige marxisten levende sprookje dat anarchisme in essentie anti-democratisch is. “Stemmen is een soort prik die je voor vier jaar verdooft. Men denkt dat er iets verandert wanneer men stemt, maar veranderingen worden slechts door strijd  bereikt en niet door aangejaagde angst.” Dat verdovende effect geldt overigens lang niet voor iedereen, sommigen van ons – ik tot voor kort ook – stemmen ‘zonder illusie’ en voeren evengoed strijd. Maar de kern van het betoog – verandering bereik je door strijd, niet door dat stembriefje – klopt. De afsluiting is dan weer sterk: “De waren politiek is niet de politiek van controle, hiërarchie en uitbuiting die wij nu kennen, de ware politiek is de strijd en de beëindiging van het onrecht dat daaruit voortkomt.” Daarmee is ook het waanidee dat het anarchisme ‘niet-politiek’ zou zijn trouwens onderuitgehaald: het gaat om een ánder soort politieke benadering dan de staatsgerichte, via stembusstrijd opererende, benadering.

Over het geheel genomen deel ik de houding van bovengenoemde teksten. Ik ga zelf, om het soort redenen die in de stukken staan, om het soort argumenten die ik in mijn vorige stuk over verkiezingen heb aangevoerd, niet stemmen komende woensdag. Maar er vallen bij de stukken wel enige kanttekening te plaatsen. In het stuk van de Vrije Bond bijvoorbeeld lees ik: “Anarchisten denken dat niet stemmen de eerste stap is om echte verandering te bereiken. De tweede stap is dat mensen zelf met elkaar oplossingen moeten zien te vinden.” Ik denk niet dat dit voor alle anarchisten geldt, zeker niet voor mij. De boel komt hier namelijk een beetje op zijn kop te staan.

Voor veel mensen is juist de éérste stap dat mensen het onrecht voelen knagen, en zelf initiatieven beginnen te nemen, actie gaan voeren. Dat ze intussen nog niet van elk geloof in de stembus af zijn, is een soort tegenstrijdigheid. Maar de kérn van het anarchisme, zoals ik dat zie, is niet dat we niet gaan stemmen. De kern van het anarchisme is dat we verandering beogen door mensen zelf, gezamenlijk en individueel, tegen opgelegde autoriteit, uitbuiting en onderdrukking in, en dus tegen zowel kapitaal als staat. Het niet-stemmen is een strategisch en tactisch uitvloeisel van deze kern. Voor mijzelf kwam de conclusie om niet te gaan stemmen nádat ik het eens was geworden met de kern van het anarchisme, als een soort van consequentie – niet als eerste stap maar pas daarna. Ik vermoed dat ik niet de enige ben.

Meer in het algemeen is er een probleem met oproepen om niet te gaan stemmen: het maakt de stembus nog stééds tot middelpunt van het verhaal. Ons heel erg inzetten voor een verkiezingsboycot is deels anti-electoralisme, omdat de argumenten eromheen het vertrouwen in vertegenwoordiging ondermijnen. Maar deels is het ook omgekeerd electoralisme, omdat het de stembus nog steeds een belang toekent die de stembus gewoon niet hoort te hebben. Ik ga niet stemmen, het is beter om niet te gaan stemmen. Maar ik kan prima door één deur met mensen die actie voeren, staken, demonstraties, blokkades en weet ik wat tot een succes helpen maken, en één keer per jaar hun stem op de SP uitbrengen om daarmee hun inzet voor socialwe verandering te onderstrepen. Die stem is misplaatst, maar geen drama. Wat we buiten dat stemhokje doen, in de alledaagse strijd, dát is de kern.

Met de argumentatie in oproepen om niet te gaan stemmen maar zelf in beweging te komen ben ik het verder in hoofdlijnen dus eens. Met een oproep op Indymedia om stemhokjes onbruikbaar te maken met bijvoorbeeld lijm, ben ik het níét eens. Ik zag die oproep op Indymedia, en twijfelde eraan of het als grap bedoeld was. Ik ga er intussen van uit dat de oproep wel degelijk serieus is. Er is bijvoorbeeld al meteen een lijst van stembureaus met adres en al ondergeplaatst. Hopelijk wordt er géén gehoor aan gegeven.

“Stop het verkiezingscircus en haar clowns”, heet de oproep, en het is ludiek ondertekend door het Prutserig Lijmend Aksie Komitee oftewel PLAK. We lezen erin kort een uitleg waarom verkiezingen geen machtsmiddeling tot verandering zijn, maar een bevestiging van de huidige machthebbers. Daar heb ik verder geen problemen mee. Met de aankondiging dat er in de nacht voor verkiezingsdag “sloten van stembureaus dichtgelijmd worden als praktische  directe onderbreking van het liberaal-democratische systeem”  heb ik wel een probleem: het is een vorm van dwang, niet zozeer tegen ‘het systeem’, maar tegen de mensen die in dat systeem gevangen zitten, de potentiële kiezers. Mensen beletten om te gaan stemmen is net zo verkeerd als mensen dwingen te gaan stemmen. Het onklaar maken van stembureaus slaat ergens op als een bewind ons bijvoorbeeld dwingt te stemmen om enige legitimatie voor haar dictatuur te vinden en een dictatuur als democratie te kunne verpakken. Maar niemand dwingt mij te gaan stemmen.

Mij en anderen beletten te gaan stemmen is dwang, opgelegde autoriteit, voorhoedegedrag zo je wilt, van een – volgens mij piepkleine –  groep die voor mij uitmaakt hoe ik mijn strijd wel en niet mag voeren. Ik ga niet stemmen – als vrije weloverwogen daad van een mens die probeert zich vrij te vechten. Maar de vrijheid om al dan niet te gaan stemmen laat ik mij door niemand ongestoord en onweersproken afpakken. Ook dáárin ben ik anarchist! Ik hoop maar dat ik mij vergis en dat het hier toch een soort van grap om discussie te prikkelen betreft. Inzet van discussie is wat mij betreft: helder krijgen hoe we verandering bereiken, en hoe een stem op een politicus daar in de kern niets aan bijdraagt maar onze onvrijheid juist subtiel onderstreept. Mensen overtuigen dat niet-stemmen beter is, als deel van een verhaal wat er dan wel nodig is. Dwang is daarbij verkeerd en contraproductief.

Mijn vorige stembusverhaal heeft intussen een handvol reacties losgemaakt van mensen die een stem op de SP toch nuttig vinden. John bijvoorbeeld, geeft mij gelijk dat zelfs 150 SP-zetels geen fundamentele verandering zouden brengen. Toch vindt hij een stem op de SP beter. “Echter hebben we wel dingen te verliezen, zoals de AOW-leeftijd, het verkorten van de WW en dat soort dingen. Het lijkt me dan toch handiger dat we een grote partij hebben die daartegen is.” Maar ‘we’ hebben helemaal  niet zo’n partij, de partijleiders hebben een partij. Dat is nu juist het probleem: we hebben op parlementaire partijen geen greep, ‘we’ hebben geen partij, geen grote en geen kleine.

Dat de SP haar verzet tegen een hogere AOW-leeftijd, of verslechteringen van de WW, hard maakt als ze zou mogen  meeregeren – daarvoor bestaat geen enkele garantie. Zelfs die AOW-leeftijd is door de SP trouwens niet eens tot ‘breekpunt’ in eventuele onderhandelingen verklaard. Wat nu als partijen de SP tegemoet willen komen op het punt van de extra politieagenten die de SP wil, en het spreidingsbeleid van migranten in oude wijken – in ruil voor een iets hogere AOW-leeftijd…? Er is niets dat we via een SP-stem kunnen doen dat ons daartegen nu beschermt.

En ja, dan is er nog de “wat problematische koers” die de SP ook volgens John heeft. Een grof understatement, zoals ik in eerdere stukken over die partij al wel heb duidelijk gemaakt. Die beloofde extra agenten zijn van die koers al wel een wrang symptoom. Het is een “problematische koers” die door een stem op de SP impliciet wordt ondersteund.   Je kunt op je stembiljet namelijk wel een stemverklaring toevoegen met daarop: ik steun de SP, behalve op punten X, Y en Z.  Maar daarmee wordt je stem dus ongeldig…  Natuurlijk geloof ik John onmiddellijk in zijn belofte dat hij en geestverwanten zich alle dagen van het jaar ook voor actie proberen in te zetten. Maar het punt is en blijft dat de oproep om SP te stemmen met die prioriteit wel degelijk enigszins op gespannen voet staat.

Dan kwam er reactie van Bram. Hij beklemtoont het zelfvertrouwen dat mensen zelfs aan opiniepeilingen, en zeker uit een gunstige verkiezingsuitslag, kunnen ontlenen. Citaat: “Het maakt voor mijn zelfvertrouwen wel degelijk uit of ik samen met een SP van tien of 25 zetels actie voer, ik denk dat dit voor meer mensen geldt.” Dat hangt er maar van af. Er is geen reden om bij voorbaat te veronderstellen dat de mensen die eerst SP stemden maar nu niet meer, niet meer in beweging willen zijn,  passief geworden of zelfs rechts. Ik geloof niet dat de stemming onder arbeiders zo is veranderd.  Veel ontevreden arbeiders zien echter niet veel meer in de SP en blijven gewoon thuis.

Uit recente stakingen – in dezelfde tijd dat de SP elke maand twee zetels verloor – blijkt geen echte samenhang tussen SP-steun enerzijds en zelfvertrouwen om in actie te komen anderzijds.  De uiting van onvrede en veranderingswil is veranderd. Het geloof dat we via officiële kanalen veel kunnen bereiken is verder afgenomen. Voor sommige mensen kan dát juist ook weer een hart onder de riem zijn trouwens: ongeloof in parlementaire representatie is op zichzelf niet perse een slechte zaak! Dat argument van stembusuitslag en zelfvertrouwen is dus niet zo eenduidig als Bram het doet voorkomen.

Vervolgens merkt Bram op dat ook andere actiemiddelen niet altijd succesvol zijn. Hij wijst er bijvoorbeeld op dat ook een demonstratie niet altijd haar doel bereikt. Maar hijzelf erkent zelfs dan nog : “Natuurlijk is een demonstratie vele malen emanciperender dan een verkiezingsoverwinning voor links.” Precies! Een demonstratie ervaar je gezamenlijk, daar word je sterker van. Stemmen doe je individueel, en op het effect – die gekozen vertegenwoordigers – heb je geen controle. Dat verschil is principieel, en het geldt ook als een demonstratie haar doel – zoals heel vaak gebeurt – niet bereikt.

Of demonstraties slagen, of stakingen en blokkades  bereiken wat deelnemers ermee beogen – dat is een kwestie van hoeveel deelnemers er zijn, hoe fel en gemotiveerd de mensen zijn die eraan meedoenhoe effectief de aanpak van de actie is,  hoe sterk de andere kant staat,  en dergelijke dingen meer. Een kwestie van krachtsverhoudingen dus vooral. Dat is allemaal van een principieel andere orde dan het effect van verkiezingsdeelname. De bezwaren – de illusie in individuele schijngelijkheid in een werkelijkheid van grote machtsverschillen; de oncontroleerbaarheid van ‘onze’ vertegenwoordigers; het effect dat mensen vanwege verkiezingen vooral naar boven kijken, naar mensen die dingen namens ons oplossen in plaats van dat we naar onze eigen gezamenlijke kracht kijken – zijn principiële bezwaren, niet afhankelijk van krachtsverhoudingen. Zélfs als je daar eens om dringende redenen overheen wilt stappen, zelfs als er een keer wel een valide reden is om te gaan stemmen, dan  nóg gelden die bezwaren als zeer nadelige bijwerkingen. Dat is wezenlijk anders met demonstraties, directe actie, stakingen – strijdvormen die dit soort bijwerkingen niet hebben. Over dat wezenlijke verschil kijkt Bram ten onrechte heen.

Vervolgens komt Bram met een prachtige duizelingwekkende salto. Hij verplaatst de discussie naar het wel en wee van bloggen als ‘actiemiddel’ ! Nergens in het stuk waarop hij reageert ging het daarover. Hij sleept het er gewoon met de haren bij. De enige reden om erover te beginnen die ik me kan bedenken, is dat het artikel waar hij op reageert, op een weblog staat en gemaakt is door iemand die van het schrijven van weblogstukken momenteel zijn belangrijkste politieke activiteit heeft gemaakt. Het is dus eigenlijk een, overigens heel vriendelijk getoonzet, op de persoon gericht argument: ‘jij kritiseert stemmen als individualistisch, maar dat geblog van jou is ook individualisme hoor!’ Ik vind het grappig hoor. Maar het is wel een zwaktebod.

Maar laat ik er toch eens op in gaan. In de eerste plaats noem ik nérgens weblogs als actiewapen. Ik geloof daar op zichzelf namelijk ook niet in, en van het idee dat internetpetities de voorkeur verdienen boven actie op straat moet ik al helemaal niets hebben. Weblogs zijn een heel klein stukje alternatieve media. Ze kunnen wat informatie bieden, wat meningsvorming ondersteunen en versterken. Puur individueel is het weblogverschijnsel trouwens niet. Weblogs bieden soms ruimte tot discussie die elders ter linkerzijde niet te vinden is: wijs maar eens plekken aan waar anarchisten en marxisten rustig inhoudelijk van gedachten kunnen wisselen zoals ze dat op uitgerekend dit weblogje doen…

Maar een links medium is geen actiemiddel, hooguit een ingrediënt van een groter geheel waartoe dan ook actie behoort. Dat bloggen in specifieke situaties actie wel kan bevorderen, mag overigens blijken uit de Griekenland-actie van 27 mei: die is mede vanuit een oproepje in een stuk op dit weblog op gang gekomen. Over mijn eigen blogwerk ga ik het, mede getriggerd door deze merkwaardige opmerking van Bram, echter nog wel eens uitvoeriger hebben.

Bram maakt nog twee punten. Hij duidt, in navolging van Marx’ bondgenoot en vriend Engels, verkiezingen aan als “een momentopname van het niveau van klassenstrijd”. Dylan heeft daar, in zijn commentaar, al veel zinnigs over gezegd. Ik zou er aan willen toevoegen dat je het niveau van klassenstrijd niet zozeer beïnvloedt door de registratie ervan – de stembusuitslag – te beïnvloeden. Dat wel geloven is de registratie van het verschijnsel verwarren met het verschijnsel zelf. De kamertemperatuur wordt hier ook niet hoger als ik een beetje aan de thermometer zit te knoeien om het streepje van 21 naar 22 graden te brengen, bijvoorbeeld door een warme hand op het ding te leggen… De analogie van Engels heeft enige waarde als onderstreping van het belang van verkiezingsuitslagen: je kunt er iets uit afleiden over water leeft onder grote groepen mensen. Maar daaruit volgt geenszins dat stemmen dus noodzakelijk of nuttig is.

Bram noemt ook nog, net als ik eerder, het feit dat mensen voor stemrecht hebben gestreden als argument om te gaan stemmen. Maar dat gaat – alhoewel ik het onderliggende gevoel begrijp en gedeeltelijk deel ook – niet op. Er is gevochten voor het recht van mensen van hetzelfde gesclacht om  met elkaar te trouwen. Betekent dat echter dat ik dus perse van dat recht gebruik moet maken, als eerbetoon wellicht aan  de inzet van het COC? Er is gevochten voor het recht op echtscheiding. Impliceert dat een soort morele plicht om te gaan scheiden bij de eerste de beste gelegenheid? Rechten zijn precies dat: réchten. Er is geen plicht om van zo’n recht gebruik te maken – en het gebruik van het stemrecht heeft zoveel nadelen, tegenover zo weinig voordelen, dat ik er van afzie.


Stemadviezigheid

2 juni, 2010

Ja lieve mensen, het is weer verkiezingstijd. Af en toe vraagt iemand aan mij wat ik van plan ben, of zelfs wat ik vindt dat een ander zou moeten doen. Nou, ben ik geen Stemwijzer, ik ben wel wijzer 😛 Maar ik ben de laatste tijd al zo obstinaat geweest, laat ik eens enige vriendelijke meegaandheid vertonen en wat stemadviezigheid voor het voetlicht brengen.

De eerste vraag is natuurlijk: gáán we wel stemmen? Dat is voor een democraat misschien minder vanzelfsprekend dan het lijkt – en revolutionairen zijn in een heel wezenlijke zin democraten. Wie overweegt om weg te blijven van de stembus, krijgt allerlei argumenten te horen waarom niet-stemmen zo ongeveer verraad is, medeplichtigheid aan rechts, plichtsverzuim of soortgelijke dingen meer. Laten we eens kijken naar de gangbare pro-stemmen-argumenten. Eerst die van huis-tuin-en-keuken-karakter, daarna ietsje diepgaander.

‘Wie niet stemt moet na verkiezingsdag niet klagen over de regering, het beleid en dergelijke. Wie niet stemt verliest recht van spreken.’ Dat hoor je veel: áls je wilt dat er iets verandert, moet je dat via de stembus laten weten. Misschien niet alléén via de stembus maar óók daar. Zo niet, dan doe je als het ware niet meer mee, dan zet je jezelf buiten spel in het politieke debat.

Het klinkt niet onlogisch. Maar het is op meerdere manieren onzin. In de eerste plaats: het idee bij verkiezingen is, dat je stemt voor datgene wat je ziet zitten. Als jouw voorkeursoptie erbij zit, en je blijft dan toch weg van de stembus… ja, dan snij je in eigen vlees en dan moet je na afloop ook niet zeuren. Wie dol is op de VVD, en op 9 juni toch delist van Rutten niet aankruist, die moet niet jammeren als vervolgens de VVD niet de grootste wordt en niet de premier levert. Wie erg happy wordt van de SP, en er toch niet op stemt, moet niet klagen als op 9 juni Emiel Roemer een fractie van slechts tien Kamerleden om zich heen heeft gekregen en geeneens staatssecretaris van kinderspeelzalen mag worden in het eerste-kabinet-Cohen.

Maar het hele argument vervalt als je voorkeursoptie er niet bij zit, nietwaar? Als geen van de partijen staat voor wat jij wil, als je dus niet via de stembus kunt aangeven wat je zou willen, dan heb je het volste recht om je naderhand te keren tegen een regering en een beleid die wederom dwars tegen jouw mening en belang ingaan. Als de groentenboer alleen maar andijvie en bloemkool levert, en ik lust geen van beiden, mag ik me daarover toch ook beklagen?

Dit gaat nog wat dieper dan de inhoud van de partijen zelf. Inderdaad, tussen de partijen zit er géén die gaat doen wat ik nodig vindt. Er is géén partij die zelf maar belooft om de weg te banen naar het soort maatschappij dat ik wil: een maatschappij waarin de wereld in handen is van ons allemaal, de fabrieken bestuurd wordt door degenen die er werken, de buurten door wie er wonen, een directe democratie als bestuursvorm, gemeenschappelijk bezit als basis van productie. Er is geen partij die de afbraak van het kapitalisme en haar vervanging door een libertair communistische maatschappij zelfs maar belóóft. Er is in de kern alleen maar bezuinigingen en nog meer bezuinigingen. Er is alleen maar andijvie en bloemkool. Ik blief geen van beiden. Waarom zou ik gaan stemmen?

Het gaat nog iets dieper. Het hele idee van het soort maatschappij dat ik benoem als libertair communistisch is niet te bereiken via de stembus. De kern ervan is nu juist: zelf doen, samen doen. De kern van stemmen is echter: een ander aanwijzen die het namens jou in orde gaat maken. Over vier jaar mogen we dan kijken wat er van gebakken is. Greep op vertegenwoordigers hebben we niet. Het breken van verkiezingsbeloften is dan ook standaard. Geen partij die aan dat spel meedoet, is immuun voor dat proces, alle goede bedoelingen ten spijt.

Je richten op verkiezingen kent meer problemen. Niet alleen geven we iets wezenlijks uit handen. We worden, in het proces van ‘verkiezingen’heet, tegelijk ‘betrokken’ bij de macht én op afstand gezet. De betrokkenheid is schijn: de gekozen politici staan onder dagelijkse druk van ondernemers en hoge ambtenaren, terwijkl wij er verder geen grip op hebben. Het op afstand gezet worden is géén schijn. Onze rol is, buiten die twee minuten in het stemlokaal: toekijken, omhóógkijken in feite. Dit is precies niet hoe we samen sterker worden.  Wie gelooft in betrokkenheid van mensen om gezamenlijk voor een betere maatschappij te vechten, heeft hieraan niet veel. Anton Pannekoek wees al rond 1920, in polemisch gevecht tegen het door Lenin beklemtoonde idee dat communisten perse aan verkiezingen deel moesten nemen, op dit funeste mechanisme. “Parlementaire activiteit is het parasdima van strijd waarin slechts  de leidersd actief betrokken zijn en waarin de massa’s een ondergeschikte rol spelen. Het bestaat uit individuele afgevaardigden die de belangrijkste slag uitvechten; dit moet bij de massa’s wel de illusie versterken dat anderen het vechten voor hen kunnen doen.” Van toekijken hoe politici – zelfs ‘jouw leiders’ – het werk doen, wordt je niet actief, van zelf in actie komen wel. Van fietsen wordt je fit. Wordt je conditie ook beter als je de halve zomer naar de Tour de France zit te kijken?

Stemmen is bovendien iets puur individueels. Je gaat in je eentje dat hokje in, en doet je democratische daad. Net als miljoenen anderen dat doen. Ieder voor zich, ongeveer zoals je boodschappen doet. Het is de markt in werking. We lijken allemaal gelijk: ook de miljonair heeft maar één stem. Maar het is schijn-gelijkheid, want de miljonair heeft honderd andere manieren om invloed te hebben – manieren die een arbeider niet heeft. De arbeider heeft als machtsmiddel vooral dit éne: gezamenlijke krascht met haar of zijn collega’s, met name op de werkplek. De illusie van gelijkberechtigd democratisch burgerschap op individuele basis is precies dat: een illusie. Daar ligt onze kracht niet, en doen alsof onze kracht daar wel ligt – door te hameren op verkiezingsdeelname van links, door te beklemtonen hoe belangrijk verkiezingsdeelname is – het is schadelijk.

Er is dan ook – voor wie een communistische, staatloze, vrije maatschappij wil bereiken – een heel valide argument om op 9 juni nuttiger, hopelijk vooral ook leukere, dingen te gaan doen en de stembus te skippen. Maar laten we niet te snel oordelen. Er zijn nog meer pro-verkiezingsargumenten. Eén ervan heeft mij de afgelopen jaren wel degelijk gemotiveerd om, ondanks mijn tegenzin tegen parlementaire politiek, toch wél te gaan. Het komt op het volgende neer: stemrecht is een hard bevochten recht van arbeiders, dwars tegen een establishment in dat de meerderheid van de bevolking buiten de politieke besluitvorming had willen houden maar bakzeil moest halen. Er is voor gevochten, er is voor gestorven, er vechten nog steeds mensen voor effectief stemrecht. Het is een soort van respect voor die strijd, voor die verworvenheid, dat we het stemrecht dienen te gebruiken. Wegblijven voelt respectloos naar die strijdende voorouders en naar degenen die nog steeds voor vrije verkiezingen opkomen.

Het argument bevat een kernwaarheid, maar ook een drogreden. Een staat waarin zekere democratische rechten, waaronder stemrecht op basis van een keus tussen partijen, is veruit te verkiezen boven een openlijke dictatuur. En de beweging van zo’n dictatuur naar zo’n soort van iets democratischer maatschappij is, in politieke zin, een stap vooruit. De strijd van honderdduizend Iraniërs het afgelopen jaar tegen verkiezingsfraude verdient bijvoorbeeld steun: het is een strijd voor iets meer vrijheid. Als we gaan stemmen, dan willen we dat onze stemmen ook géldig zijn, dat de machthebbers er niet ook nog eens mee gaan knoeien. En zelfs al hoef ik zelf niet zo nodig, ik erken en verdedig de vrijheid van anderen om wél aan verkiezingen deel te nemen. Ook iemand als Mïkhail Bakoenin, één van de grondleggers van het anarchisme en een fel tegenstander van verkiezingen-als-socialistische-strategie, was glashelder: “Het is waar dat de meest onvolkomen republiek duizend maal beter is dan de meest verlichte monarchie, want in een republiek zijn er momenten waarin het vokk, alhoewel altijd uitgebuit, niet onderdrukt zijn, terwijl ze in monarchiën nopoit iets anders dan dat zijn. En verder traint de democratische republiek de massa’s stukje bij beetje in het openbare leven,  iets dat de monarchie nooit doet.”

Het soort  kritiek die teveel marxisten tegen het anarchisme in stelling brengen en die erop neerkomt dat anarchisten de staat alleen als abstractie zien, geen oog ehebben nvoor de verschillende staatsvormen, is duidelijk onjuist. Ja, er is verschil tussen vertegenwoordigende democratische staten enerzijds, en dictaturen anderzijds, en de eersten zijn plezieriger oorden om voor verdere verbeteringen te vechten. Maar erkenning daarvan is niet automatisch hetzelfde als een morele plicht om dan ook binnen zo’n democratischer staatsvorm een brave  burger te zijn en te gaan stemmen.

Het alternatief – stemmen, het is je burgerplicht, je arbeidersplicht, je revolutionaire plicht desnoods! – leidt duidelijk tot onaangename absurditeiten. Stel, er is voor revolutionaire democraten – en dát zijn anarchisten, op een heel bepaalde manier ook, net als marxisten op een andere – een soort van morele plicht om hoe dan ook te gaan stemmen, om je stem niet verloren te laten gaan, uit respect voor de kiesrechtsstrijders van het eerste uur of weet ik wat. Wat moet je dan in de VS? Kiezen tussen Democraten en Republikeinen? Onder Bush hadden we Irak en ook Afghanistan. Onder Obama hebben we Afghanistan en ook nog Irak. Bush redde de wapenindustrie en ook banken. Obama redt de banken en ook wapenbedrijven. Bush had wateroverlast met Katrina. Obama heeft olie-overlast met Deepwater Horizon – allebei ook nog in of bij Louisiana. Er valt hier gewoon in grote lijnen niets te kiezen.

Vermoedelijk zijn  onder de lezers die nog niet zijn afgehaakt na het bovenstaande nu mensen die zeggen: dat kan allemaal wel zo zijn, maar je kunt toch minstens tactisch gaan stemmen, voor een beperkter verbetering? In Nederland zijn toch iets meer verschillen tussen partijen dan in de VS? Doorgaans leidt dit dan tot het advies om datgene te doen wat ik jaar na jaar ook het gedaan: een stem uitbrengen tegen rechts, en dus op één van de linkse partijen. Niet zozeer om positieve veranderingen te bereiken, maar om te onderstrepen wat we in ieder geval níét willen: de oppermacht van CDA, VVD en de laatste jaren vooral ook PVV, en alle asociale narigheid waar deze partijen voor staan. Doorgaans leidt deze redering tot een stem voor de SP, een stem zoals ik die ook veelvuldig heb uitgebracht.

De redenering is op zioch niet helemaal onzinnig. Als we stemmen niet zien als dé weg om tot maatschappijverandering te komen maar enkel als tactiek, dan kan een stem om erger te voorkomen h te overwegen zijn. Maar er blijft een probleem. Wát de SP ook aan moois belooft, ze zal het niet uitvoeren, ook al krijgt ze 150 van de 150 Kamerzetels. Het staatsapparaat, en de daarmee verbonden en verweven kapitalistenklasse, zal dat domweg voorkomen. Ondernemers zullen hun ding doen via kapitaalvlucht als de SP maatregelen zou doorvoeren die hun rijkdommen en macht in gevaar brengen. Werkloosheid en instortende aandelenkoersen zullen het gevolg zijn, en de Telegraaf zal er aan bijdragen dat veel mensen de regering en haar ‘onverantwoordelijke’ beleid de schuld geven. Als het beleid radicaler wordt, zal er opeens een NAVO-vlootoefening voor de Noordzeekust plaatsvinden. Oplettende journalisten zien opmerkelijk vaak rechtse politici de Amerikaanse ambassade in en uit lopen. Er zal een gevoel van maatschappelijke crisis aangewakkerd worden vanuit rechts en ondernemersland. En zolang de regering binnen de wettelijke en parlementaire kaders blijft opereren, zal rechts, en als spil ervan de ondernemersklasse, steeds verder op voorsprong komen te liggen. Tot een echte staatsgreep hoeft het dan waarschijnlijk niet eens te komen; de gekozen linkse regering legt het af tegen de machten van het kapitalistische establishment en de bijbehorende structuren.

Dit geldt als de SP radicale antikapitalistische beleidsmaatregelen belooft, en daar kiezerssteun voor vindt. Maar het is nog veel treuriger: de SP belooft geen radicaal antikapitalistisch beleid. Voorzichtige verbeteringen, verder gaat het niet. Tegenover die verbeteringen staan bovendien verslechteringen, bijvoorbeeld het uitbreiden van de politiemacht – de macht die in beweging komt als wij voor onze belangen en vrijheiden opkomen. Een stem op de SP is daarmee op een bepaalde manier een stem voor versterking van onze vijand. En dit soort beleid kan wél op goedkeuring vanuit het establishment rekenen. Moeten we daarvoor onze stem op die joviale mijnheer Roemer uitbrengen?

De SP accepteert bovendien het bestrijden van staatschuld en begrotingstekort als kerndoelen van beleid – waarmee de partij zich loyaal betoont aan de kapitalistische staat en haar gezondheid. Een stem op de SP brengt heel veel van onze verlangens dus niet dichterbij – juist datgene in het SP-programma wat haaks staat op die verlangens heeft kans van slagen. Dat maakt de partij ook nog eens gevoelig voor druk om eventuele progressievere verlangens in te slikken en méér te bezuinigen dan in het verkiezingsprogramma wordt aangekondigd, indiende geldnood van de staat dat zou vragen. En enige stevig machtsmiddel op de SP daarin tegen te houden, hebben we als kiezer niet. Ja, vier jaar wachten en dan via de stembus weer pruttelen, maar dan is het kwaad alweer geschied.

Laten we eens nader kijken hoe linkse groeperingen – die het bovenstaande ook weten en snappen! – toch een stem voor de SP bepleiten. Ik begin bij de trotskistische groep Offensief. “Landelijke verkiezingen: stem SP”– het laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Maar lezen we het aertikel, dan valt de bezorgde toon op. De SP dreigt onder de nieuwe leider “een klein en onbeduidend partijtje te worden als hij zijn koers en aanpak voortzet.” Dat zit hem volgens het artikel vooral in de inzet van de SP voor een coalitie met de PvdA. “Veel kiezers zullen redeneren: als ik op de SP stem, krijg ik toch een coalitie met de PvdA, kan ik net zo goed meteen op de PvdA stemmen.” Dat zou best eens kunnen, en ook ik zie de daar achterliggende, meer op het politieke midden gerichte koers van de SP.

Maar dan doemt de vraag op: wat voor houding nemen we daartegenover in? Offensief bepleit dudelijk een radicalere, antikapitalistische en oppositionele koers voor de partij. Probleem is onder meer dat er tussen plaatsing van het stuk – 9 mei – en verkiezingsdag – 9 juni – precies één maand zat. Daarin krijgt een kleine trotskistische groep de partij niet óm in de gewenste richting, als dit al mogelijk zou zijn, hetgeen ik betwijfel maar dat is weer een ander verhaal. Dat betekent dus dat we met déze SP te maken hebben, met déze, op het midden en een coalitie met de PvdA gerichte koers en een leider die soms best een strijdbaar en links verhaal vertelt, en dat vast ook méént, maar zonder ook maar een moment écht met de bezuinigingslogica te breken.

Offensief roept, of ze dat nu wil en onderkent of niet, op tot een stem voor déze, keurige, gematigd-sociaaldemocratische partij. Hoe dat de positie van de arbeiders tegenover de meest verregaande bezuinigingen uit de naoorloogse geschiedenis moet versterken, maakt het stuk niet duidelijk. Hard gezegd: volg het stemadvies van Offensief op, en je helpt het eerste kabinet-Cohen.

Oproepen om SP te stemmen en er tegelijk bij roepen dat de SP vooral niet moet willen regeren, heeft trouwens sowoeso als bezwaar dat het weinig consistent overkomt. Mensen stemmen omdat ze denken dat dit wat uithaalt. Mensen stemmen om een partij groot te maken, zó groot dat de partij kan gaan regeren. Dat is nu juist de clou van het verhaal. Wie echt niet wil dat de SP gaat regeren, moet níet op de SP gaan stemmen en daartoe ook niet oproepen. Dat is wel zo consequent.

Dit soort bezwaren gelden ook tegenover het verkiezingsstandpunt van de Internationale Socialisten (IS). Kort voor de gemeenteraadsverkiezingen bracht de IS een stuk uit: “Stop rechts, stem links”. Onm de noodzaak om links – concreet: SP – te stemmen, schetst het stuk eerst een “doemscenario”, met een gevaarklijk oprukkende PVV en de racistische aanvallen op moslims, oplopende werkloosheid, nog groter verschil tussen rijk en arm, grote bezuinigingen. “Met dat doemscenario in het vooruitzicht is niet stemmen of blanco stemmen geen optie.” En waarom dan wel niet? “Ook in het stemhokje kunnen we duidelijk maken dat we Nederland” – wat is dat trouwens, ‘Nederland’? – “linksaf willen zien slaan en niet rechtsaf.” Je, heel misschien kunnen we dat ‘duidelijk maken’. Maar dat vindt dan plaats op het niveau van een opgevoerde opiniepeiling. En het veronderstelt dat de partij waarop we dan stemmen, ook duidelijk ‘linksaf’ wil.

Maar ook de IS onderkent de koers naar het midden, de inzet voor regeringsdeelname, die de SP typeert. Zo heel erg nadrukkelijk linksaf wil de SP niet, als ze dat al zou kunnen langs parlementaire weg. Het artikel bepleit dan ook, naast de SP-stem, het opbouwen van verzet buiten het paerlement. Probleem is echter dat die twee dingen toch met elkaar wringen, om geen sterkere woorden te gebruiken. Roepen: ‘stem vooral SP!’ trekt de aandacht wég van datgene dat boven alles moet gebeuren: zelf gezamenlijk in beweging komen.

Ik zie – dat mag duidelijk zijn na het bovenstaande – dus niets in een stemadvies richting de SP. Zijn er andere electorale opties? Vandaag de dag niet. Ik kan me voorstellen dat ik bij de gemeenteraadsverkiezingen, als ik in Almere of Den Haag had gewoond, op puur tactische gronden en bevangen door een lichte antifascistische paniek, op de PvdA had gestemd – enkel en alleen om eraan bij te dragen dat Wilders’ PVV niet de grootste in de gemeenteraad zou worden. Ik had me zoiets zelfs landelijk kunnen voorstellen. Maar met de huidige race tussen VVD als koploper en PvdA als tweede op afstand, gaat die vorm van paniekvoetbal – want dat is het dus enigszins – ook niet op. GroenLinks stemmen? Op een partij stemmen die een vriendelijker verpakt neoliberalisme heeft omarmd, voor wie bijvoorbeeld de vervanging van studiefinanciering door een leenstelsel – ik weiger daar het woord ‘sociaal’ voor te plakken – een optie is? Ik bedank vriendelijk, maar vastbesloten.

Ik heb eventjes overwogen om op de Piratenpartij te stemmen. Gewoon uit dwarsigheid, om een lange neus te trekken aar de gevestigde politiek, maar ook omdat de inzet van die groepering voor internetvrijheid en privacy mij op zichzelf aanspreekt. Het zijn thema’s die revolutionairen ter harte gaan – of horen te gaan. Internetvrijheid botst met bezitsrechten, en dan weet ik wel waar ik sta. Maar een stem voor deze partij leidt aan hetzelfde euvel als een stem voor welke club dan ook: er is geen garantie, geen grip op gekozen politici. Bovendien spreekt de Piratenpartij zich eigenlijk alleen uit over haar voorkeursthema. Het zou dus zomaar kunnen dat ze akkoord gaat met een hogere pensioenleeftijd of een nieuwe militaire missie in Afghanistan, in ruil voor betere privacybescherming. Ik zou niet graag aan zoiets bij willen dragen met mijn stem, zelfs al zou ik tijdelijk en tactisch van mijn afwijzing van representatie als middel tot verandering afstappen.

Met dit alles kom ik, principieel maar onder de gegeven omstandigheden ook tactisch, dicht in de buurt van het klassieke anarchistische standpunt: stem niet, vecht zelf. Maar een campagne voor niet-stemmen vind ik ook geen briljant idee. Zelfs dát maakt immers stemmen, in een omgekeerde variant, nog veel te veel tot centrale kwestie. Mij gaat het niet eens zozeer om de vraag wat iemand gaat stemmen. Schande spreken over degene die wel stemt, op de SP bijvoorbeeld… waarom zou ik? Zolang er niet gedaan wordt alsof die SP-stem enorm belangrijk is, vind ik het verder geen punt. Mij gaat het erom dat de illusie dat je via stemmen iets wezenlijks bereikt sneuvelt.

Stemmen levert in de kern niets op. Niet-stemmen evenmin. De kern van de strijd ligt nu eenmaal niet bij wat we wel en niet in dat stemhokje doen. De kern ligt bij de strijd zelf. Als iemand mij er van kan overtuigen dat die strijd onder de huidige omstandigheden gediend is met een stem op partij X of Y, dan hoor ik het graag. Zoals het er nu naar uit ziet, blijf ik echter op 9 juni weg uit het stemhokje.


Crisis, bezuinigingen, loonstrijd van arbeiders

8 april, 2010

De komende verkiezingen gaan voor een fors deel over de vraag: hoeveel en wat voor bezuinigingn komen er, en in welk tempo? Rechts staat voor snel en hard bezuinigen, links voor wat trager en wat minder hard. De verschillen zijn kwantitatief, een werkelijke keus tegen heel het bezuinigingsbeleid valt op het stembriefje niet echt te vinden. Het stoppen van het hele bezuiniginsgbeleid doen we dan ook niet in het stembureau. Erger nog: de uitspraak van kiezers over welke omvang, aard en tempo het bezuinigingsbeleid krijg zal volstrekt ondergeschikt zijn aan het wezenlijke gevecht, tussen  arbeid en kapitaal enerzijds, en tussen kapitalistsche belangengroepen onderling anderzijds. Wat wij stemmen is, machtspolitiek gezien, vrijwel irrelevant. Wat we daarbuiten doen is des te relevanter.

Er is nóg een factor van gewicht in het bezuinigingsverhaal: de economie zelf. De wat linksere partijen willen niet te snel bezuinigen, om het voorzichtige economische herstel niet te schaden. Bezuinigingen betekenen lagere inkomens hier en daar – vooral hier bij ons trouwens, veel minder daar bij hun. Dat betekent minder geld in de knip, minder uitgaven aan allerhande consumptiegoederen, minder omzet in allerhande bedrijfstakken, minder economische activiteit en dus verdere groeivertraging, of zelfs een terugval in recessie. Daarom wilde Bos het, toen hij nog minister van financiën was, al rustig aan doen met bezunigingen. Daarom schuift de PvdA een flink stuk bezuinigingen door naar de kabinetsperiode ná de komende. Daarom lezen we in de toelichting bij het SP-programma: “Nu al verdergaande beslissngen over tekortreductie nemen, is onhandig en  onverstandig”, en “te snel en te drastisch bezuinigen kan de samenleving structureel uit balans brengen.”

Er duikt voor het hele voorzichtig-aan-verhaal echter een vrij ernstige complicatie op. Dat  economisch herstel, waarmee een beetje voorzichtig moet worden omgesprongen volgens SP en PvdA, heeft waarschijnlijk sowieso zijn beste tijd alweer gehad. Er zijn allerlei signalen dat het stroef gaat in de economie, dat het herstel tegenvalt. Dat zet álle partijen onder druk, en dat betekent dat álle prognoses en berekeningen en bezuinigingsprogramma al op losse schroeven staan voordat de verkiezingscampagne goed en wel op gang is.

Juist de laatse dagen zien we een hele rij tekenen van tegenvallers in de economie. “Economie  eurozone stagneert onverwachts”, schrijft de NRC. Eerdere cijfers duidden op een groei van 0,1 procent in het laatste kwartaal van 2009; dat blijkt echter een platte nul komma nul te zijn, nadat de economie in het derde kwartaal nog 0,4 procent groeide. Dat komt allemaal griezelig dichtbijeen terugval in recessie. De Duitse economie krimpt volgens de Oeso zelfs weer: met 0,4 procent o jaarbasis in het eerste kwartaal van 2010. Doe Oeso signaleert sowieso afnemende groei in de landen van de G7, de beangrijkset industriestaten, en grotere verschillen tussen landen onderling.

Er is meer onplezierig nieuws. “‘Winstgevendheid banken Benelux blijft onder druk'”, volgens Fitch,  een bedrijf dat kredietwaardigheid beoordeelt geeft. “Hoogste olieprijs in anderhalf jaar”, vertelt de Volkskrant. Leuk voor oliemaatschappijen, minder leuk voor industrietakken die olie als grondstof hebben, en voor consumenten van olieproducten – automobilisten bijvoorbeeld. Zoiets heeft gevolgen: “Hoge benzine draagt bij aan inflatie”, tot een nog bescheiden één procent. Beheersing van inflatie, als die verder oploopt,  kan centrale banken dan weer verleiden tot renteverhogingen, hetgeen ondernemers die geld zoeken om mee te investeren op kosten jaagt. Kopschuwe investeerders, aarzelende investeringen minder economische groei… dat gevaar  ligt alweer op de loer.

Intussen blijft er nervositeit in de financiële wereld, onder meer rond de Griekse schuld en begrotingstekorten. Aandelenkoersen schommelen. Donderdag 1 april: “Wall Street sluit hoger”.  Dinsdag 6 april: “Wall Street sluit vlak”. Woensdag 7 april: “Wall Street sluit lager”. Er is wel degelijk ook positief economisch nieuws te vinden trouwens. “Fors meer bloemen verkocht voor Pasen”, is ongetwijfeld een zeer bemoedigende kop. iets serieuzer: “Vermogens Nederlandse huishoudens herstelt” . Het gaat niet eenduidig richting nieuwe recessie. maar het gaat zeer beslist ook niet eenduidig naar gestaag economisch herstel. IMF- directeur Strauss-Kahn waarschuwt niet voor niets: ” ‘Wereldecnomie nog niet veilig'” .

Deze economische onzekerheid maakt alle prognoses over bezuinigingen, alle financiële paragafen in de verkiezingsprogramma’s, nog onbetrouwbaar dan ze al waren. Zou de balans inderdaad doorslaan naar een nieuwe recessie dan zal dat de politieke crisis in de gevestigde politiek verder op scherp stellen. Zoiets zal zeer tegenstrijdige gevolgen hebben.

Enerzijds zal dan de panische kreet dat de staatskas leeg is en het begrotingstekort uit de hand loopt, tot een waar gebrul aanzwellen waaregen geen geluidswerende wal meer bestand zal zijn. Rechts zal haar bezuinigingseisen dan waarschijnlijk verder omhoogschroeven. Anderzijds zal economische tegenwind de linksere politici een handvat geven om juist voor extra voorzichtigheid te pleiten, nog trager en terughoudender te zijn met bezuinigingen. recessies kunnen met stevig bezuinigingsbeleid ook nog depressies worden, zo zou hun waarschuwing kunnen leiden.

Het lastige is dat het, in termen van de gevestigde economie, allebei waar is. Als winsten onder druk staan, zijn bezuinigingen voor  de ondernemerskasse extra nodig om minder belastingdruk te  hebben. Als winsten onder druk staan zijn bezuinigingen tegelijk ook extra onwenselijk omdat ze uitval van vraag, van consumptieve uitgaven, en dus afnemende afzet van bedrijven, in de hand werken. Deze tegenstrijdigheid werkt dan ook scherpere tegenstellingen tussen de diverse partijen en lobbies in de ondernemerswereld verder in de hand.

Voor arbeiders is het zaak zich niet in deze tegenstellingen op te laten sluiten, maar een eigen lijn te kiezen. We willen immers geen bezuinigingen op ons levenspeil en op onze voorzienigen. We willen die bezuinigingen vandaag niet, en we willen ze morgen evenmin. We willen ook niet een beetje bezuinigingen, gespreid over meerdere kabinetsperiodes. We zetten ons schrap tegen de hele bezunigingspolitiek. en we wijzen de financiële gezondheid van bedrijfsleven en staatsfinanciën als beleidsdoel radicaal en volledig áf. Dat dient de inzet te zijn, naar mijn mening.

Dat schrap zetten, voorzover het nog niet op gang is, begint vandaag, niet op verkiezingsdag. Want nu al wordt er, niet alleen door regeringen maar vooral ook door ondernemers, feitelijk scherp op ons bezuinigd. De recessie heeft bedrijven ertoe gebracht om de lonen stevig onder druk te zetten. “In het eerste kwartaal van 2010  stegen de lonen met gemidded 1,6 procent, tegen 3,6 procent een jaar eerder”, meldt de NRC. De cijfers komen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dat “wijt de afnemende stijging aan de verslechterde situatie op de arbeidsmarkt en de teruglopende inflatie.” Zo weten ondernemers de crisis opgelopen werkloosheid te benutten om loonstijging  sterk af te remmen. Met een inflatie die momenteel 1 procent bedraag, zijn die loonstijging maar een fractie meer dan koophoudbehoud… áls de inflatiecijfers de werkelijke stiging van kosten van levensonderhoud weergeven, hetgeen bepaald niet vaststaat.

Precies op het loonfront vinden dan ook nu al belangrijke gevechten plaats tussen arbeiders enerzijds, ondernemers en staat anderzijds. Precies ook die gevechten dienen centraal te staan, willen we er werkelijk de sloop van ons levenspel keren. Precies daarom is de staking van schoonmakers – de langstlopende staking sinds 1933 – , het meest dynamische loongevecht dat arbeiders op het moment uitvechten tegen ondernemers, zo verschrikkelijk belangrijk. precies daarom is de solidariteit met die staking, zoals het steuncomité voor de stakende schoonmakers “Steun de Schoonmakers” die vorm geeft, zo geweldig belangrijk.


Geen van bovenstaande

4 maart, 2010

Een enkele lezer is het wellicht opgevallen dat ik me niet heb uitgelaten over devraag welke partij mijn stem zou krijgen bij de gemeenteraadsverkiezingen. Doorgaans doe ik zoiets wel, deze keer inderdaad niet. Deels is dat  omdat andere onderwerpen domweg meer prioriteit hadden. Deels is het omdat ik op het punt van verkiezingen en parlementaire politiek anders, radicaler-afwijzend, ben gaan denken, het ook veel minder belangrijk ben gaan vinden. Deels ook omdat ik tot op het laatste moment heb getwijfeld, geen enkel enthousiasme voelde om mijn gangbare keus- toch maar SP, bij gebrek aan beter – van de daken te tetteren. Die gangbare keus heb ik dan ook losgelaten.

Ja, ik ben wel naar het stembureau geweest, neuskapje op tegen de penetrante lucht van politieke verrotting, en naderhand was een douche met desinfecterende zeep en een maagspoeling nog niet eens voldoende om de viezigheid te verwijderen. Ik heb een stembiljet even bekeken, het rode potlood laten rusten,  het papier in de bus gedaan, en met uit de voeten gemaakt. Klaar ermee. Maar niet klaar met de gedachtenvorming en de verwoording ervan.

Traditioneel dacht ik als volgt. Nee, via verkiezingen en parlementaire politiek zijn geen wezenlijke verandering te bereiken. Maar er zijn nu eenmaal partijen die rechtstreeks van  (een deel van) de ondernemersklasse zelf zijn: rechtse partijen. En er zijn partijen die wortelen in, verbonden zijn met, (delen van) de arbeidersklasse en haar organisaties: linkse partijen. Wie voor de arbeidersklasse kiest, dient danook op een partij van die klasse, een linkse partij te kiezen. In Nederland betekent dat: SP, PvdA of GroenLinks. Voor de laatste twee geldt een zwaar voorbehoud: de afstand van GroenLnks en de PvdA tot bijvoorbeeld de vakbeweging  en andere sociale bewegingen die tezamen de arbeidersbeweging in brede zin vormen, is al erg groot. Managerstypen zetten in deze twee partijen de toon. De opvattingen van deze partijen zijn daarom veelal niet eens sociaal-democratisch meer, maar doorgaans hooguit nog sociaal-liberaal.

De SP maakt zich traditioneel een stuk sterker voor vormen van solidariteit. Ze neemt stelling tegen de neoliberale duivelscocktail van bezuinigingen, privatisering en marktwerking die al zo enorm veel schade heeft aangericht. Zeneemt stelling tegen de oorlogen waar nederland aan deelneemt. En ze laat zich met enige regelmaat zien bij acties op straat. Het was en is nog steeds een partij met een herkenbaar links gezicht. Daarom kreeg ze, tot voor zeer kort, mijn stem. Ik verwachtte er weinig van: echte veranderingen komen vanuit acties in bedrijven en op straat, dat vond ik toen en dat vind ik meer dan tevoren. Maar ik gunde rechts de lol niet, ik gebruikte mijn stem op de SP om tegenwicht te bieden. Het was gewoon een kwestie van klasse tegen klasse, electoraal vertaald.

Waarom nu dan opeens deze andere keus? Vanwege meerdere factoren. Eigenlijk, diep in mijn hart, wens ik niet vertegenwoordigd te worden, door wie dan ook. Ik geloof dat dit ook niet  mogelijk is. Bevoegdheden kun je delegeren, aan mensen die je vertrouwt, die je terug kunt fluiten als ze het verkeerd doen, die je tussentijds kunt vervangen. Maar vertegenwoordiging  gaat verder, dieper: je geeft dan werkelijk je stem voor vier jaar uit handen. Enige greep op de gekozene heb je niet. Het is een kwestie van vertrouwen.  En geen van de parlementaire partijen is, precies omdát het parlementaire, uiteindelijk systeemconforme, partijen zijn, dat vertrouwen waard.

Allemaal nemen ze deel aan het spel van besturen van déze, gevestigde orde – een orde die fundamenteel niet deugt. Ja, er zitten betrouwbare personen in diverse politieke partijen. Ik ken daar voorbeelden van, bij  de SP. Maar – niet toevallig – zij staan ergens onderaan de lijst kansloos te  wezen. Ze zouden het nog een nachtmerrie vinden als ze gekozen werden ook, en dat pleit voor deze mensen. Belangrijker: de koers van aprtijen wordt niet uitgezet door individuele leden. De partij – welke dan ook – als zodanig kiest voor machtsdeelname, binnen het huidige bestel.

Nu zou ik me daar uit tactische redenen wellicht overheen zetten, en de eerder genoemde reden om toch SP te stemmen handhaven, áls  de SP zich stevig zou áfzetten tegen de rest, tegen de gevestigde orde. Maar de SP doet dat steeds minder. Bart Griffioen legt in De Socialist, maandblad van de Internationale Socialisten (IS) uit hoezeer de partij steeds meer een middenkoers volgt, acties op straat lang niet krachtig genoeg steunt, steeds meer kijkt naar een plek in bijvoorbeeld een komend kabinet. Tégenstemmen doe je vandaag de dag niet meer via een SP-stem, dat blijkt steeds meer. Overigens weerhoudt deze analyse de IS er niet van om – terwijl ze terecht wijst op de primaire noodzaak van verzet op straat en dergelijke – toch op te roepen om SP te stemmen. Daarin verschil ik dus van mening, maar dat maakt de genoemde analyse niet minder terzake.

Nu zou je nog kunnen zeggen dat de SP tenminste nog een beetje links tegenwicht biedt.  “Wie rechts wil stoppen moet links stemmen”, zo stelt de IS. Ik geloof dat niet meer. Zoiets geldt als je  een verkiezing opvat als een opiniepeiilng, maar dat is een verkiezing nu juist niet. Een linkse stem klinkt goed, maar de stem gaat naar organisaties die we niet controleren, en die deze orde – een orde waarin rechtse belangen domineren, zo is die orde ingericht – helpt handhaven. De SP is de minst onaangename van deze ordehandhavers. Maar orde handhaven doet deze partij wél. Wie rechts echt wil stoppen, botst met alle ordehandhavers, dus ook met de SP als parlementaire, bestuurlijke, partij.

Links – in dit geval de SP – bestuurt zelfs gewoon samen met rechts diverse gemeenten. En het zijn gemeenteraadsverkiezingen waar we het ook nog eens over hebben. Ik stem niet op regeringspartijen. Dat geldt landelijk. Het geldt ook plaatselijk. In Tilburg, waar ik woon, neemt de SP deel aan het College, het dagelijks bestuur van de gemeente. De lijsttrekker daar is al anderhalf jaar wethouder van de stad. Het College bestaat in Tilburg uit PvdA, GroenLinks, SP en… VVD. Rechts stóppen, door op een partij te stemmen die met rechts een stad bestuurt? 

Wie rechts wil stoppen, komt dus juist ook plaatselijk tegenover meebesturend links te staan. Ik wil rechts stoppen. Juist ook daarom zeg ik nu: géén van bovenstaande geniet mijn voorkeur, geen van bovenstaande krijgt mijn stem, rechts stoppen doen we niet via stemmen op politici waarover we geen zeggenschap hebben. Rechts stoppen doen we samen zélf.