“Rechts-populisme” bestaat niet

4 november, 2010

Wilders  en zijn PVV in Nederland, vergelijkbare bewegingen in Europa, het Tea Party-circus in de VS… keer op keer wordt daar het etiket ‘populisme’ opgeplakt, veelal voorzien van het woordje ‘rechts’. Daarmee is een woord in ons politieke vocabulaire doorgedrongen dat verhullend is, en dat het probleem dat uiterst-rechtse massabewegingen opleveren precies situeert daar waar het níét ligt: bij ‘het volk’. ‘Rechts-populisme’ bestaat niet. De bewegingen die ermee worden aangeduid bestaan, in al hun naargeestigheid, echter wel degelijk. Om de strijd daartegen beter te kunnen voeren is een betere begripsbepaling echter wel nuttig.

Juist ook radicaal-links hanteert veelal grotendeels het etiket ‘(rechts-)populisme’. Doorbraak bijvoorbeeld duidt de PVV – en ook de club van Rita Verdonk, sindsdien nogal verdampt – op die manier aan. Bij de Internationale Socialisten zag ik Wilders aangeduid worden als kopstuk van “neoconservatief en populistisch rechts”. En nu komt er een – hoogstwaarschijnlijk op zich trouwens zeer belangwekkende – informatie-avond in Den Bosch, georganiseerd vanuit het linkse Jaarboek Kritiek, “over het rechtspopulisme en het antwoord van Links”.

Wat is er eigenlijk tegen dat begrip ‘rechtspopulisme’? Een voordeel van het woord is dat het tenminste aangeeft dat het gaat om een vorm van politiek die niet zómaar rechts is, niet zomaar érg rechts, maar ánders rechts. Het is een erkenning dat we hier te maken hebben met een politiek verschijnsel dat van linkse kant een andere benadering vereist dan de ‘gewone’ gangbare gevestigde politiek. Veelal worden er formaties mee aangeduid die, soms iets te snel maar vaak ook terecht, als fascistisch of fascistoïde worden aangeduid. Juist om al te voorbarige etikettenplakkerij in die richting te voorkomen – zo kun je redeneren –  is het woord ‘rechtspopulisme’ van waarde. Maar als het er op neer gaat komen dat we ‘rechtspopulisme ‘schrijven maar ‘fascisme’ dénken,  dan kunnen we maar beter gewoon zeggen wat we denken, en onze keus voor het hanteren van het woord ‘fascisme’ toelichten. Dat heeft althans mijn voorkeur. “Rechtspopulisme” als iets welluidender eufemisme voor “fascisme” gebruiken acht ik verhullend, onverstandig en onjuist.

Er is een andere, meer historische en theoretische, reden waarom ik van het woord “rechtspopulisme” niets moet hebben. Het historische populisme was links, vaak radicaal-links. En het woord zelf verwijst naar de kérn waar het een serieuze politiek van bevrijding om te doen zou moeten zijn: ‘populus’, het volk, in de zin van: de massa van de bevolking. Dat begrip gebruiken voor welke soort van reactionaire politiek ook is een erkenning dat rechts op één of andere manier ‘namens het volk’ spreekt – een erkenning die ik veel te veel eer vind.

Twee bewegingen van belang zijn in de geschiedenis aangeduid met het woord Populisme: één in de Verenigde Staten, en één in Rusland, beiden in de tweede helft van de negentiende eeuw. In de VS kwam in die tijd een beweging op van vooral arme boeren en middenstanderss die zich steeds meer bekneld voelden door de snelle opkomst van de grote ondernemers, het grote geld, gesymboliseerd door Wall Street. Er waren dwarsverbanden met de beginnetjes van vakbonden in die tijd. Er werd stevig actie gevoerd, met vaak groot radicalisme. “We should raise less corn and more hell”, zo was een prachtige leus van een Amerikaans populist. Sommige van de latere bekende socialisten in de VS hadden hun achtergrond in dit populisme, of banden ermee. Dat gold bijvoorbeeld voor de grootse figuur Eugene Debs. Die had zich in 1896 ingezet in de campagne van Bryan, die als Populist presidentskandidaat van de Democratische partij was geworden.

Het liep met dat Amerikaanse populisme treurig af. Toen een permanente band met de arbeidersbeweging niet tot stand kwam – voor een flink deel trouwens door afhoudendheid vanuit die arbeidersbeweging! – ontspoorden enkele populisten in een politiek van verdeel-en-heers, in dit geval racisme tegen zwarten. Aanvankelijk echter werd er in de populistische bewegingb serieus gewerkt aan eenheid van álle onderdrukten, ongeacht huiskleur. De radicale historicus Howard Zinn geeft daarvan mooie voorbeelden. De populistische beweging werd ingekapseld in de Democratische partij – het graf voor menig progressief initiatief in de VS tot op de dag van vandaag – en leverde zelfs een presidentskandidaat, de al genoemde Bryan. Maar toen was het Populisme feitelijk allang getemd. De trieste afloop doet aan het fenomeen populisme-als-linksradicalisme echter niets af.

Minstens zo duidelijk is de revolutionaire kern van het populisme in Rusland. Daar had je de zogeheten Narodniki – en Narod betekent Volk. ‘Populisten’ is daarom een gangbare en redelijke vertaling van dat woord. Het ging hier om een stroming die het tsaristische Rusland op zijn kop wilde zetten, waarbij vooral verwezen werd naar de belangen en aspiraties van de overweldigende meerderheid van de bevolking: de straatarme boeren. Die waren tot 1861 nog lijfeigenen, grondgebonden en daarmee onderhorig aan oppermachtige landheren. Hun emancipatie was inzet van veel van het populistisch streven. Daarnaast wilden populisten – zelf veelal dissidente intellectuelen – veelal een soort van democratie, soms in de vorm van een grondwettelijke stelsel, soms ook in veel radicalere vormen.

Er waren allerlei vormen. In 1874 kwam bijvoorbeeld een stroming op die letterlijk “naar het volk” wilde. Duizenden intellectuelen met populistische opvattingen gingen het platteland op, om uiteen te zetten dat boeren in opstand zouden moeten komen. Boeren – straatarm, maar ook nog vervuld van leve-onze-goede-Tsaar-mystiek – liepen naar de politie en gaven de Populisten – dapper maar naief als ze waren, met een nogal verkeerde inschatting van wat er leefde – aan bij de autoriteiten… Daarna kregen andere populistische stromingen de overhand, vooral groepen die aanslagen voorbereidden tegen de Tsaar en andere hoge functionarissen. Maar er ontstonden ook groepen die begonnen te denken en werken richting verzet van onderdrukten – vooral boeren maar later ook wel arbeiders – zelf.

De beweging drukte een sterk stempel op latere revolutionaire stromingen, en kende zeer uiteenlopende figuren. Er was de volstrekt cynische, doel-heiligt-alle-middelen samenzwewerder Netsjajev. Er was Tkatsjev, ook iemand die ondergronds werk van kleine samenzeerdersgroepen bepleitte. Er was Lavrov, die vooral vreedzame agitatie voorstond. Er was  Tsjernishevsky, schrijver van een boekje “Wat te Doen” – waarvan de titel niet toevallig door een latere Russische revolutionair is overgenomen… Sowieso waren de ervaringen van het ondergronds organiseren van verzet van flinke invloed op de organisatievorm van de beginnende Bolsjevistische partij, een handvol jaren later.

Sommige Populisten kunnen gezien worden als voorlopers van anarchistische stromingen. Maar binnen de populistische beweging vinden we ook groepen die geleidelijk marxistische inzichten oppikten. Plechanov, grondlegger van het Russische marxisme, was aanvankelijk een populist, zo laat de trotskist Tony Cliff zien, in zijn boek over Lenin en de Bolsjevistische partij in haar vroege fase, waaraan ik veel van bovenstaande informatie over het Russische Populisme ontleen.. De broer van Lenin zat ook in populistische kringen, hij werd ter dood gebracht omdat hij deel had genomen aan een aanslag. De latere Sociaal-Revolutionaire partij, één van de drie belangrijke linkse partijen naast Bolsjevieken en Mensjevieken, kan gezien worden als min-of-meer parlementaire voortzetting van de populistische traditie. En meerdere latere anarchisten begonnen hun politieke leven als Sociaal-Revolutionair. Dat gold bijvoorbeeld voor Voline, in de Russische revolutiejaren kameraad van de anarchistische aanvoerder van partisanen in de Oekraine, Machno, en vooral bekend geworden als autuer van een mooi boek over de Russische revolutie: The Unknown Revolution. Het Russische Populisme kan dan ook gezien worden als een soort kraamkamer voor links in Rusland, zowel voor de sociaaldemocratische, de revolutionair-marxistische als de anarchistische stroming.

Ja, met de uitkristallisering van diverse linkse richtingen was het met het Populisme als zelfstandig verschijnsel gedaan. Je kunt de diverse richtingen goed zien als aanscherpingen binnen een breder populistisch verhaal. Marxisten zeiden: ‘het volk’ dient geprecizeerd worden, en daarbinnen draait het vooral om de arbeidersklasse. Anarchisten zeiden: de actie moet vooral uitgaan van ‘het volk’ zélf – een volk door individuen, wiens vrijheid wezenlijk was – , zonder bemiddeling, representatie en opgelegde autoriteit. Sociaaldemocraten zeiden: ‘het volk’ moet vooral via de stembus en een grondwettelijk stelsel emancipatie bereiken. Maar ‘het volk’ als uitgangspunt nemen, en tegenover heersers – de elite, eventueel gepreciseerd tot  ‘de heersende klasse’ – stellen, dat is wezenskenmerk van links – en onderscheidt links daarmee wezenlijk van rechts, van élk rechts.  Het begrip ‘populisme’ verwijst naar die, wezenlijk linkse, bevrijdende, essentie. Daarom is rechts-populisme als begrip net zulke onzin als rechts-anarchisme, rechts-communisme, rechts-socialisme, rechts-marxisme, rechts-trotskisme en ga zo maar door.

Ja, verschijnselen die met het woord ‘rechts-populisme’ worden aangeduid hebben óók de gewoonte te verwijzen naar ‘het volk’ als bron van alle wijsheid, en zich te keren tegen ‘de elite’ die de wacht moet worden aangezegd. Meer in dit proces gebeurt iets anders dan in het populistische element dat links zo kenmerkt. Centraal staat in de PVV-benadering niet ‘het volk’; dat mag stemmen, hatelijkheden verspreiden op internet, en verder  zijn kop dicht houden. De hoofdrol is weggelegd voor de leider – een elite van één persoon. Die doet op zijn  beurt het werk dat een iets grotere elite ten goede komt: ondernemers die de PVV gebruiken als breekijzer om aan ‘linkse hobbies’ een eind te maken. De verwijzing naar ‘het volk’ is manipulatie, demagogie. Als we hier het woord populisme willen hanteren, dan zouden we moeten spreken van schijn-populisme.

Ik hoor de tegenwerping al: links kan er qua manipulatie en demagogie en het opkomen voor elites zelf ook wat van. Helaas bevat die tegenwerping een forse kern van waarheid. Zowel sociaal-democratische als leninistische politiek kunnen we zien als een elitaire misvorming van links, een manier waarop authentieke emancipatie wordt verwrongen en gezien wordt als iets waarin een minderheid de massa aanstuurt, en het actieve element van emancipatie wordt. Die minderheid kan de vorm aannemen van voorhoede partij, van parlementsfractie, van een leiding van een guerrillabeweging. Helaas zijn er ook sporen van deze benadering in sommige anarchistische stromingen te vinden, hetgeen dan echter wel tot een inconsistent anarchisme leidt.

Maar in al die gevallen is er sprake van verwringing van de ambitie om de bevolking in het middelpunt te plaatsen, en niet van een totale ontkenning ervan. Daarom bijvoorbeeld slaat het wel ergens op om leninisme en sociaaldemocratie te kritiseren als innerlijk tegenstrijdig, als vijandig aan het beweerde doel: de bevrijdings- of op zijn minst verheffingsambities botsen met de elitaire vorm waarin die ambitie gewrongen is. Een soortgelijke interne kritiek van bijvoorbeeld het fascisme is absurd: enige werkelijke ambitie tot volksverheffing en bevrijding ontbreekt hier, ‘het volk’ is stemvee, voetvolk, kanonnenvoer, en niets meer dan dat. Wilders verwijst herhaaldelijk naar Henk en Ingrid, om wie het allemaal zou gaan. Maar meer dan een demagogiosch truukje waarmee Wilders zich als volksheld profileert en zich vooral afzet tegen Fatima en Mohammed is het niet. Niks ‘populisme’. Demagogie is het, bedrog. En populisme is iets ánders dan demagogisch bedrog.

En wat betreft dat andere ‘populistische’ element in Wilders’ aanpak: ja hij zet zich graag af tegen de linkse en/of multiculturele elite. Maar dat is geen vijandigheid jegens elites als zodanig – integendeel, zijn eenhoofdig leiderschap van de PVV is elite-politiek-pur-sang. Wat hij tegen heeft op de genoemde elites is niet dat het elites zijn maar dat ze volgens hem ‘links’ zijn, oftewel teveel ruimte bieden aan democratische rechten van arbeiders,n andere mensen onderaan en organisaties die (zeggen) voor hen op (te) komen; en dat ze ‘multicultureel’ zijn, oftewel nog enige ruimte laten aan migranten, moslims, vluchtelingen, mensen van een andere culturele achtergrond dan de dominante Nederlandse. Wilders wil een ándere elite, of beter gezegd: in grote lijnen dezelfde, maar dan ‘gezuiverd’ en “van vreemde smetten vrij’ – en met hemzelf aan het hoofd. Niks populisme. Demagogie, van een man met democratisch verpakte maar hoogst autoritaire ambities. Het woord ‘fascisme’ lijkt me voor Wilders, zijn aanpak en zijn PVV echt zo slecht nog niet gekozen.

 

Advertenties

Kronstadter zonder fort: antwoord aan Pepijn

3 februari, 2010

Leon Trotsky heeft in 1938 een werkje gemaakt over de opstand in Kronstadt in 1921. Hij probeert daarin aan te tonen dat linkse critici van de Bolsjevistische onderdrukkng van die opstand – repressie waar Trotski verantwoordelijkheid voor droeg, zoals hij zelf erkent – het mis hebben, dat de het neerslaan van de opstand nodig en terecht was. Hij sluit als volgt af: “De huidge conflicten rond Kronstadt draaien om dezelfde as van klassen als de opstand zelf, waarin het reactionaire deel van de matrozen de proletrische dictatuur trachtte omver te werpen. (…) Deze hedendaagse ‘Kronstadters’ zullen eveneens verpletterd worden, inderdaad, zonder de kracht van wapnen, want  gelukkig hebben zij geen fort.”

Aan deze dijenkletser, waarmee Trotsky zijn op één na slechtste  boekwerk (1) afsluit, moest ik meteen denken toen ik Pepijns reactie bij mijn stuk “Meer over  Lenin, partij, Russische revolutie…” had gelezen. Ja, ik ben inmiddels een ‘Kronstadter’ in de door Trotski bedoelde zin. Uit het artilleriebombarderment van argumenten en literatuurverwijzingen waar Pepijn me mee onder vuur neemt, zou ik echter bijna afleiden dat hij denkt dat ik inmiddels ook al over een heus fort beschik. Helaas… maar vanuit mijn bescheiden egelstelling zal ik hem echter gaarne opgewekt van repliek dienen. Komt-ie 🙂

Pepijn begint met een verwijzing naar een, voor hem en ook voor mij, stimulerende discussie die we in november hadden over de ontwkkelingen na de Russische revolutie van 1917. Met name ging het over het vervangen van een levendige sovjet-democratie door een steeds meer autoritair bewind. Belangrijke kwesties, dat zijn we eens. Pepijn noemt dan mijn stellingname van nu, net als mijn weergave van mijn vroegere stellingname, “een stap achteruit, niet vooruit, qua diepgang en begrip van deze materie.” Tsja. nogal wiedes, denk ik dan. Ik deelde de mening die Pepijn de juiste vindt, en de onderbouwing daarvan. Ik laat dat nu los. Natuurlijk is dat, vanuit Pepijns perspectief, een stap de verkeerde kant op. Als hij dat niet vond, dan zou hij mijn mening waarschijnlijk wel delen, nietwaar? Ik kan evenzeer Pepijns vasthouden aan zijn standpunten  een vorm van “achterblijven” bij betere inzichten noemen. Daar kopen we echter allemaal niet zoveel voor. Dat om te beginnen.

Belangrijker is de tweede alinea. Hij wijst er daar op dat ik mijn verschuivende standpunt niet pas aan publieke ogen prijs geef als ik ‘klaar’ ben, als ik een afgerond verhaal kan presenteren. Nee, ik kies ervoor om brokstuk voor brokstuk, fragment voor fragment, op mijn blog te gooien. Ja, dat zal lastig zijn voor de lezer, zeker als die wil reageren. Maar het is tegelijk een keus en een utdaging. Door specifieke onderdelen, gebeurtenissen (Kronstadt bijvoorbeeld) al aan de orde te stellen, kanttekeningen te plaatsen, met  feiten (of vermeende feiten) te komen die in mijn tot dan toe aangehangen analytisch kader verkeerd of helemaal niet werden weergegeven, nodig ik feitelijk mensen uit om al tijdens mijn zoekttocht mee te denken, me te corrigeren waar nodig is – al ruim vóór ik tot een afgeronde analyse kom. Dat zou de uikomst van de zoektocht kunnen beïnvloeden.  Als mensen bijvoorbeeld al meteen konden laten zien dat ik het feitelijk mis had in mijn stuk over Kronstadt, dan zou mijn denkrichting alsnog veranderd kunnen worden, misschien zelfs in de richtig waar Pepijn nu nog staat, en waarvan ik inmiddels steeds meer afstand heb genomen. Wachten tot ik ‘klaar’ ben, is wachten tot het ‘kwaad’ (vanuit Pepijns perspectief) zich al heeft voltrokken. Mijn klacht over mager Leninistisch-Trotskistisch tegenspel heeft dáár op betrekking. Nee, het analyseren van een afgerond verhaal was nog niet mogelijk. In discussie gaan over ingrediënten daarvan echter wel, en dat beoog ik met mij stapsgewijze aanpak, waarvan ik zelf de uitkomst bij de aanvang ervan ook niet wist en zelfs nu nog niet weet.

Pepijn meent intussen al wel te zien waar mijn zoektocht heengaat: naar de omarming van de anarchistische interpretatie van 1917-1921. Die geef hij naar mijn mening verkeerd weer, en daar wordt meteen zichtbaar dan bij mij van een compleet overnemen van die analyse geenszins sprake is. Hier is Pepijns weergave: “de bolsjevieken ledden de oktoberreevolutie zo ongeveer ondanks zichzelf door de spontane druk van de massa’s, maar hun ‘statisme’/autoritaire voorkeuren brchten hen er (niet als enige, maar wel als zeer prominente factor) toe om zich vrijwel direct na de revolutie zich tegen de massa’s te keren. Vervolgens krijg je de canon van momenten die dit ‘bewijzen’:  de botsing tussen staat en erbeidersklasse in de fabrieken, Makhno (is ons in het vooruitzicht gesteld), en Kronstadt.” Welnu: als weergave van mijn voorlopige standpunt is dit helemaal niet slecht. Als weergave van de gangbare anarchistische analyse van de gebeurtenissen zit het er echter op één punt wezenlijk naast: de rol van de Bolsjevieken in 1917.

Ja, ik zeg inderdaad: niet de partij kaapte de revolutie. De revolutie kaapte de partij! Het radicalisme van veel arbeiders nam de partij voor een flink deel op sleeptouw – en iemand als Lenin vond hierin een extra hefboom om die partij richting opstand te helpen bewegen. Dat zegt, met iets andere accenten, ook Marcel Liebman, in een boek dat Pepijn elders noemt. Dat zegt ook Paul le Blanc in “Lenin and the Revolutionary Party”,  het beste boek dat de Trotskistische traditie over deze hele materie heeft voortgebracht. Precies dát heeft me erg lang in Leninistisch vaarwater gehouden: die aandacht voor het libertaire moment en element in het Bolsjevistische optreden in 197, en ook nog in het begin van 1918 dat de betere Trotskisten hebben.

Anarchisten zeggen hier echter veelal heel iets anders. Ik ben net klaar meet het lezen van Voline’s “The Unknown Revolution”, een anarchistisch werk  waar in libertaire kringen groot respect voor bestaat. Een uitvoerig citaat: “Zij (de Bolsjevistische Partij, PS) verspreidde met al haar energie haar sociale en revolutionaire ideëen. Ze herhaalde elke dag haar  belofte om de Grondwetgevende Vergadering meteen bijeen te roepen en ten slotte om -snel en met succes – alle problemen van het uur op te lossen als haar de macht zou worden gegeven . Voortdurend hamerde  ze op dezelfde s nagel, zonder ophouden en zonder zich te laten intimideren: macht! “Alle macht aan de Sovjets!” schreeuwde ze van ochtend tot avond. gef de politieke macht aan de Bolsjevieken, en alles zal in orde worden gemaakt, opglost, verwezenlijkt.” Hij gaat verderop nog even door: ” … de Bolsjevistische Partij had al in juni 1917 een indrukwekkend macht van militanten,  agitators, propagandisten, organisatoren en mannen van actie. Ze had een moedg centraal comitee aan  het hoofd, geleid door Lenin. Ze (…) voelde zich meester van de situatie.”

Meester van de situatie! Het is bijna of je de Stalinistische versie krijgt, met de Partij als perfect geoliede machine, alleen dan met zorg beschouwd in plaats van met heiligenverering. En het is iets heel anders dan een partij die op sleeptouw wordt genomen door de massa’s. Het is een beeld dat volgens mij niet met de veel chaotischer realiteit overeenkomt. Over 1917 is Voline – en het geldt voor andere prominente anarchistische auteurs eveneens – bepaald niet sterk. Het beeld van het Bolsjevisme als kolkende chaos, improviserend en organiserend, en vaak slechts indirect aangestuurd door iets van  leiding, benadert de werkelijkheid veel beter.

Die onderkenning van libertaire dynamiek in de rol van de Bolsjevistische partij in 1917 brengt mij – wellicht geruststellend voor Pepijn? – ertoe hier afstand te houden van anarchisme-a-la-Voline, en dicht in de buurt van een Liebman te blijven. Waar de wegen tussen het betere Trotskisme-Lenimnisme en mijzelf uiteenlopen is de fase daarna. Trotskisten accepteren veelal dat de koerswijziging die de partij – eenmaal aan de macht en onder  dramatische omstandigheden van oorlog en economische chaos – de libertaire dynamiek wel moest beteugelen. Ik kijk naar de mogelijkheden om juist wél ruimte voor arbeidersstrijd en arbeidersmacht van onderaf te houden – óók waar Bolsjevistische bestuurders meenden die  te moeten inperken of erger. Dat brengt mij weer veel dichter bij anarchistische analyses.

Een volgende zaak. Pepijn vindt mijn weergave van de Trotskistische traditie erg ontoereikend, en getuigend van miskenning van de diepte en nuances die just ook daar over de ondermijning van democratie en de opkomst van een bureaucratisch bewind bestaan. Het klopt dat ik daar inderdaad niet diep op inga. Toch maak ik keer op keer opmerkingen waaruit helder blijkt dat ik de buitengewoon moeilijke omstandigheden als factor die sovjetdemocratie erg moeilijk maken, onderken en er flink gewicht aan toe ken. In “Lenin and all that”, op 25 november: “gezegd moet worden dat omstandigheden – ecconomsche ineenstorting, contrarevolutionaire burgeroorlog, gesteund door buitenlande interventie – het in leven houden van wat voor sovjetbestuur buitengewoon moeilijk maakten.” In “Meer over Lenin, partij, Russische Revoutie…” staat: “Nee, de partij en haar organisatieorm waren niet het enige element in het ntsttaan van een autoritair bewind(…) Het is is één van de elementen in een groter plaatje waarin economie en interventieoorlog van groot gewicht zijn.”

Nee, ik beschouw de uiterst moeilijke omstandigheden waarin Rusland zich tussen 1917 en 1921 bevond, bepaald niet als detail. Ik vind Trotskistische analyses over deze processen en de rol ervan, bepaald geen onzin. Maar ik vroeg en vraag aandacht die, binnen die context, gespeeld werd door de Bolsjevistische partij, haar opstellng en haar  organisatiewijze. Daar zit een flink stuk meningsverschil, en daarom kwam mijn nadruk daar te liggen. Lenin zou gezegd hebben: Trotskisten bogen de stok te veel de ene kant op. Ik buig de stok een flink eind de andere kant op. Dat is wat ik heb gedaan….

Pepijn vindt het niet bevredigend dat ik me in mijn kritiek op Trotskistiche aalyses teveel beperk tot twee propaganda-stukken, één van Harman en één van Rees. Ik snap dat wel, en als ik beweerd had een wetenschappelijk doorwochte verhandeling over deze materie te gevev, dan zou mijn keus van teksten totaal inadequaat zijn. Toch  verdedig ik mijn keus. Juist in propagandateksten moet alles  wel kloppen! Vereenvoudiging mag, in het oog springende feitelijke onjuistheden zijn echter kwalijk. De teksten dienen immers als handvat in discussie voor mensen die vanuit organisaties te werk gaan in discussies. Je moet als militant van de Internationale Socialisten (IS) ervan uit kunnen gaan dat wat Rees en Harman feitelijk beweren, klópt – en dat er geen wezenlijke gebeurtenissen worden weggelaten. Ik heb proberen te laten zie dat over Kronstadt onjuistheden worden verteld – met name de leus ‘Sovjets zonder Bolsjevieken’ was niet de leus die de Kronstedelijke opstandelingen voerden (2). Ik heb dat inderdaad gebaseerd op anarchistische websites, die iets doen wat Leninistische teksten te weinig doen: citeren uit de resoluties die de opstandelingen aannamen, waarin ze hun eisen stelden. Als die teksten vervalst zijn, of als er andere teksten zijn waaruit de onjuistheid van mijn feitelijke conclusies blikt, dan hoor ik het graag. Maar ook Pepijn vecht die punten niet aan [inmiddels op één punt na: zie voetnoot 2].

Ik kan trouwens iemand noemen uit de Trotskistische traditie, iemand die het neerslaan van de opstand juist vind: Brian Pearce. Hij schreef: “Hoewel  ze de zinsnede in kwestie zelf niet gebruikt lijken te hebben, drukt de leus, “Sovjets, maar zonder Communisten’, die voor ze was uitgevonden door Miliukov, de leider in ballingschap van de Consitutionele democraten (cadetten)partij, erg goed één van de belangrijke ideeën van de muiters uit.” Dat laatste is aanvechtbaar, en dat Kronstadt Miliukov nodig gehad zou hebben om leuzen te verzinnen, is een tikje bespttelijk – maar zelfs Pearce erkent dus dat deze leus door de Kronstedelingen in opstand kennelijk níét werd gevoerd. Hij schreef dit in 1961, zeven jaar voor Harman zijn tekst maakte, en 21 jaar voordat Rees zijn inzichten openbaarde. Hebben Rees en Harman in de jaren na 1960 nieuwe gegevens op dit punt gezien? Ik merk er niets van.

En nee, mij gaat het hier niet om ‘selectief citeren’. Mij gaat het om onjuist weergegeven feiten.  En als controleerbare beweringen te vaak onjuist zijn, ondermijnt dat mijn vertrouwen in de rest – en in degenen die zulke teksten verspreiden en als handvat voor propaganda en discussie aanbieden. Je zal bij discussies maar een anarchist tegenkomen die op dit punt wél zijn of haar huiswerk goed heeft gedaan…

Nog even verder over Kronstadt. Pepijn erkent zwwakke plekken in Harmans tekst – zonder ze overigens te noemen. Maar dan zegt hij: “maar zijn argumenten prsenteren als een simpele apologie voor het optreden van de bolsjeveken is zelfs op basis van deze korte tekst ontoelaatbaar.” Want Harman zegt nog meer. Pepijn citeert, ik vertaal even, en kort her en der in: “Kronstadt was een voorteken. Want het trok de hele leidende rol van  de arbeidersklasse in twijfel. Dit werd gehandhaafd, niet door een superieure economische productiewijze, niet door haar hogere arbeidspoductiviteit, maar door fysieke macht/ dwang(force, in het origineel). En deze macht werd niet rechtstreeks uitgeoefend door bewapende arbeiders, maar door een partij die slechts indirect verbonden wasmet de arbeidersklasse, door haar ideeën, en niet direct zoals in 1917.” Tussendoor: een vreemd soort marxisme zien we hier opduken, waarbij iets vanwege haar ideeën een arbeiderspartij kan zijn, al is het slechts tijdelijk. Maar laat ik dat maar eventjes terzijde laten nu.

Ik citeer verder: “Zo’n beleid was nodig. Maar het bevatte weinig dat socialisten onder andere omstandigheden hadden kunnen steunen.” Precies. Maar onder déze omstandigheden blijkbaar wel, en precies dáár schuilt de apologie, die door dit citaat ook nog eens niets van haar eenvoud kwijt raakt. Ik hou mijn conclusie recht overeind.

Pepijn  werpt mij vervolgens voor de voeten: “het is helaas kenmerend vo0r je aanpak dat je de moelijkste argumenten voor de standpunten waartegen je polemiert laat liggen, om veel aandacht te besteden aan in jouw ogen onjuiste voetnoten – onjuistheid die je zoals je toegeeft ook nog eens verronderstelt op basis van een anarchistische weblog, en niet omdat je die zelf in de relevante literatuur hebt gecontroleerd.” Als dit doelt op de onjuistheden die  ik rond Kronstadt bij Rees en Harman aantrof, verwijs ik naar eerdere alina’s. En ik erken, zoals ik al heb lat zien, de “expliciete worsteling (…) met de vraag naar de wortels van degeneratie en terreur” waar trotskisten decennium na decennium mee bezig zijn. Mijn kritiek is niet dat de Troskistische taditie de hele terreur en degeneratie onder de mat veegt. Mijn kritiek is dat op sommige punten te  vaak relevante episodes worden weggelaten (het ontbinden van sovjets waarin Bolsjevieken hun meerderheid verloren, al in 1918), en dat op andere punten onjuistheden worden gepresenteerd die een verkeerd beeld geven (de leuzen en stootrichting van de opstand in Kronstadt).

Dan “dat ene, cruciale argument dat jij weglaat: (…) de cruciale vraag of er een reële mogelijkheid bestond dat kronstadt de aanstoot zou geven voorr een ‘derde revolutie’en een terugkeer naar sovjetdemocratie”. Zo niet, dan was de kans dat Kronstadt een “bruggehoofd voor een heropening van de burgeroorlog van de kant van de Witten was geworden” groot geweest, en de repressie van de opstand door de Bolsjevieken alleszins begrijpelijk en zelfs verdedigbaar.

Welnu, het is waar dat ik aan dit argument – inderdaad wezenlijk – in mijn ene stuk geen aandacht heb besteed. Niet omdat ik die kwestie wil ontwijken, maar omdat ik me in dat artikel beperkte tot enkele feitelijke observaties en wat daar uit voor dee evaluatie van de opstandelingen en hun eisen uit volgt. Niet alles tegelijk, liever minder maar beter! Maar laat ik er nu eens op in gaan. Een paar dingen:

1. De kansen voor zo’n Derde Devolutie in 1921 waren gering. Je had Kronstadt. Je had de anarchistische partisanenbeweging van Machno, maar die stonden er in maart 1921  al beroerd voor. Je had de stakingsbeweging in  in februari 191, maar die was toen Kronstadt revolteerde, juist onderdrukt en afgekocht met concessies (en nee, ik doe niet of dat met die stakingen een “nieuwe ontdekking” is, ik refereer heel exliciet aan de schamele woorden die Rees eraan wijdt…). Er was weinig contact tussen al deze bewegingen. De kans op een samenhangende beweging die de Bolsjevistische staatsmacht zou vervangen dor radendemocratie was niet bepaald groot.

2. Maar is dat een reden om het neerslaan van zulke bewegingen te rechtvaardigen? Steunen revolutionairen alleen bewegingen met minimaal 50 procent winstkansen? Heb ik Pepijn niet eens een vroeg-burgerlijke revolutionair, een zekere Willem van Oranje, horen citeren waar die zei: “men hoeft niet te hopen om te volharden”, en meer van dat fraais? En hoe stond Marx ook maar weer tegenover de Parijse Commune, die arbeidersopstand van 1871? Vlak ervoor waarschuwde hij nog tegen een voorbarige, en naar zijn mening kansloze, opstand. Ten de opstand eenmaal bezig was, koos hij met al het revolutionaire vuur dat in hem was, de kant an die “hemelbestormende Parijzenaars”. Was hij toen vergeten dat ze nauwelijks kans op een victorie hadden? Welnee. Hij vond alleen dat het voor de arbeidersbeweging beter was om strijdend verslagen te woden als de strijd eenmaal was begonnen, dan om zich er bij voorbaat passief onder te laten houden. Hij koos hier de kant van arbeiders in opstand – sowieso. Hoe anders dan de marxist Plechanov na een mislukte gewapnde opstand in Moskou in 1905: “men had de wapens niet op moeten nemen.” Het is, ironisch genoeg, Lenin die in 1907 de revolutionaire houding van Marx en de weinig revolutionaire houding van Plechanov meedogenloos tegenover elkaar stelt. En nee, Kronstadt 1921 was niet Parijs 1871. Maar het argument dat een opstand haar doel niet kan bereiken is op zich geen argument om dan maar akkoord te gaan met het neerslaan ervan.

En ja, Kronstadt zou, bij gebrek aan Derde Revolutie, een herleefde contrarevolutie in de kaart hebben kunnen spelen. Maar dat geld voor heel veel opstanden. Denk aan de Iraanse protesten in de nasleep van de verkiezingen van afgelopen juni. Dat was een authentieke democratische strijd, met revolutionaire dimensies, zeer zeker! Maar denken we echt da dat bijvoorbeeld de CIA van zoiets geen gebruik tracht te maken om een pro-Westers, neoliberaal bewind in Teheran gedaan te kriigen? Voor sommige linkse mensen was dit gevaar reden om het verzet  in Iran niet te steunen. Voor mij is het juist reden voor explicet linkse steun aan zulk verzet – dat maakt de kans op succesvolle rechtse manipulaties kleiner. Dat gold ook in 1921: hoe groter de delen van links die de kant van Kronstadt kozen, hoe minder ruimte voor rechts. Was een flink deel van de Communistische partij óm gegaan, richting Kronstadt en dergelijke, dan hadden de kansen voor een Derde Revolutie er opeens ook heel anders uitgezien. Dát was de hoop van Kronstedelingen. Het liep anders, maar dat deed aan de inzet – en aan de erkenning dat zij onze soldariteitt verdienen met terugwerkende kracht – niets af.

Ten slotte, een kleinigheid ter afsluiting. Pepijn besteedt heel veel woorden aan het feit dat ik een zekere Vladimir Brovkin aanhaal. Hij laat  zien dat deze Brovkin een rechtse koude-oorlog-historicus is, helemaal gen vriend van revoluties en zo. Ik ben helemaal overtuigd, en ja, ik had dat zelf eventjes moeten checken. Maar dan nóg had ik zijn artikel gebruikt, voorzien van een enkel waarschuwend woord over de auteur! Het aanhalen van dat stuk  had namelijk en hele eenvoudige reden: daar vond ik gegevens over het ontbinden van sovjets door Bolsjevieken in 1918 toen die na verkiezingen een Mensjevistische-SociaalRevolutionaire meerderheid zouden krijgen. Ik had dat feit graag aan Cliff of Harman ontleend, maar dat is nu juist mijn punt: die hebben voor deze episodes geen aandacht. Wat ik verder denk over het hele analytisch raamwerk van Brovkin? Nergens uit mijn tekst blijkt dat ik dat kader hanteer of overneem. Wat ik bij hem lees is trouwens een uitstekende versterking van het beeld van chaos in die periode waar juist Pepijn ook zoveel nadruk op legt. Maar voor analyse en totaalbeeld heb die hele Brovkin niet echt nodig. Pepijn polemiseert hier tegen iets dat ik niet zeg.

Als Pepijn kan laten zien dat de feiten waarvoor ik Brovkin aanhaal hetzij niet hebben plaatsgevonden, hetzij dat het Bolsjevistische bestuursgedrag uit omstandigheden of weet ik wat te verklaren en te rechtvaardigen zijn, dan hoor ik het graag. Maar Pepijn komt hier niet heel veel verder dan een, van veel literatuurverwijzingen voorziene. schets van de chaotische situatie, de complexe krachtsverhoudingen, waarin de Bolsjevistische regering opereerde. Van die complexiteit was ik in grote lijnen op de hoogte. Mijn punten betreffen de, steeds minder revolutionaire, rol die de Bosjevistische staat-in-opbouw in dit revoluionaire proces speelde, al vanaf 1918. De literatuurrverwijzende artilleriesalvo’s van Pepijn zijn indrukwekkend, en wel degelijk leerzaam. Maar ze missen hun doel.

(1). Het slechtste werk van Trotski is Terrorisme en Communisme, waarin hij dwangarbeid onder een arbeidersstaat als progressief neerzet en zelfs positieve kanten (productiviteit!) in slavenarbeid weet te vinden…

 (2) Pepijn wees me in een reactie via facebook erop dat Rees de leus van kronstadt weergeft als “Sovjets zonder partijen”, niet als “sovjets zonder Bolsjevieken”, zoals ik in dit stuk te haastig opschrijf – zonder mijn eerdere stuk over Kronstadt even te checken, waar ik Rees wel bekritiseer maar op een andere punt.  Slordig en fout van mij, en dank aan Pepijn voor de correctie. Dit is trouwens wel precies het soort tegenspraak waar ik vrij expliciet om vraag: als dingen die ik zeg niet kloppen, dan hoor ik het graag. Maar een blijft het soort fout dat ik hoor te vermijden… (noot toegevoegd 4 februari, 2.50 uur).

(licht aangepast binnen een uur na plaatsing)

(verder aangepast op 4 februari, tussen 14 en 15 uur; de aanpassing behelst onder meer de doorstreping van enkele woorden en de noot tussen vierkante aanhalingstekens, in verband met wat in voetnoot 2  is gezegd)