Trotski in Nepal

15 november, 2009

Nepal is al vele jaren het toneel van intens verzet vanuit de straatarme bevolking. Dit verzet kende door de jaren heen diverse vormen: demonstraties, een langdurige guerilla, meerdere stedelijke opstanden waarvan de laatste, in 2006, bijna tot een revolutionaireomverwerping van de hele machtsstructuur leidde. De laatste dagen zijn er wederom grote straatprotesten.

De achtergrond van dit alles is diepe onvrede , veelal gekanaliseerd via de Maoistische Communistische Partij van Nepal. Die begon in de jaren negentig een guerilla tegen de monarchie, de machtige grootgrondbezitters en de politieke kliek die de belangen van de rijken trouw diende, en de politieke baantjes verdeelde via verkiezingen die wenig tot niets veranderden voor de arme meerderheid. In 2005 riep de koning de noodtoestand af om de oorlog des te effectiever te kunnen voeren. De buitenspel gezette gevestigde politieke partijen – de Congrespartij en meerdere Communistische Partijen (feitelijk milde sociaaldemocraten, hooguit) – keerden zich nu tegen het bewind. De Maoisten maakten een afspraak met deze partijen om enerzijds de guerillastrijd te onderbreken, anderzijds samen met die partijen de straat op te gaan tegen de monarchie.

Dat laatste gebeurde – op grotere schaal dan de poltieke leiders waarschijnlijk verwachtten en beoogden. Felle massademonstraties, gevechten met de veiligheidstroepen, barricaden… het scheelde weinig of een menigte had het koninklijk paleis bestormd. Dat was in april 2006. Er kwam een politiek akkoord, de koning haalde bakzeil, er kwamen verkiezingen voor een grondwetgevende vergadering, en uiteindelijk ruimde de monarchie het veld.

Daarmee was veel gewonnen – maar veel ook niet. Verkiezingen maakten van de Maoisten de grootste partij. Die partij ging regeren, samen met anderen. Maar er waren conflicten: volgens afspraak zouden de guerrillastrijders opgenomen worden in het nationale leger, maar de opperbevelhebber werkte dat tegen. Daarom ontsloeg de Maoistische premier de generaal. Maar de president, van een andere partij dn de Maoistische, maakte dat ontslag ongedaan. Kort daarna verlieten de Maoisten – wie het feitelijk regeren zo ongeveer onmogelijk werd gemaakt door dit soort militaire en politieke tegenkrachten – de regering. Na een lange guerilla-oorlog, een half doorgeette revolutie, en een verkiezingsoverwinning stonden de Maoisten nog altijd buiten de poorten van de macht.

Nu hebben die Maoisten opnieuw straatprotesten op gang gebracht. “Tienduizenden Maoistische betogers hebben het hoofdkrartier van de Nepalese regering voor de tweede dag geblokkeerd”, meldt Aljazeera. Het is de climax van tien dagen straatprotest, waaronder een demonstratie die botste met de oproerpolitie: 20 gewonden.

Met de straatblokkades van gisteren en vandaag sluiten de Maoisten deze actieperiode af. Ze geven, aldus één van hun leiders, de regering hiermee de tijd naar hun eisen te kijken. Die komen, zo valt te lezen in Ben Peterson’s verhelderende, maar wel tamelijk onkritisch pro-Maoistische stuk: “Nepal: The People’s Movement” neer op het vertrek van de regering. Peterson bericht over de omvang en diepte van de protesten: “Er zijn al demonstraties en blokkades van diverse bestuursgebouwen her en der in het land geweest. In sommige gebieden zijn berichten over alternatieve plaatselijke besturen die ingesteld worden.”

Als dat inderdaad zo is, dan is de onderbreking van de protesten niet erg slim: het geeft de regering tijd om op adem te komen en een tegenaanval tegen de verzetsbeweging  voor te gaan bereiden. Veel beter toch om die beweging gaande te houden, en er deze keer een echte revolutie van te maken?

Maar de houding van de Maoistische leiding is wel tekenend voor hun politiek. Die komt namelijk niet neer om ene consequente revolutionaire houding. Protesten, guerrilla en stedelijke opstand zijn in het Maoistische beleid tactieken, pressiemiddelen, om hun leiding in de regering te krijgen. Het gaat er om de feodale structruren af te breken, en een terugkeer naar de monarchie te blokkeren. Maar het gaat er niet om de arme massa’s van arbeiders en boeren élf in het zadel te brengen. In het Maoistische, aan het Stalinisme ontleende jargon: het gaat om een nationaal-democratische revolutie, niet om een socialistische. Daarom waren de maoisten op het hoogtepunt van de revolte van april 2006 niet van plan de zaak op de revolutionaire spits te drijven, maar sloten ze een vredesaccoord. daarom speelden ze het parlementaire spel in alle ernst, tot rechts hun dat onmogelijk maakte. En daarom onderbreken ze de huidige opstand vóór die tot een complete revolutie uit groeit. Het is een tragische koers, die wéér een revolutionaire mogelijkheid verkwanselt, in de hoop op machtsposities binnen dit bestel.

Toch zijn er tekenen van hoop. In de eerste plaats blijkt uit de massale deelname aan de protesten dat de strijdlust van grote aantallen mensen in Nepal bepaald niet gebroken is. De Maoistische leiders mogen de massa’s proberen te behandelen als figuranten in een drama waarin slechts de leiding het script schrijft en de massa’s net zo snel weer van het podium kan dirigeren als ze erop hebben mogen klauteren. Onder die massa’s zijn echter ongetwijfeld mensen die dat slechts met tegenzin doen – of helemaal niet. Het is bepaald niet uitgesloten dat onder demonstranten discussies woeden over hoe het verder moet, en of het niet beter zou zijn nu eens door te zetten en tot het uiterste te gaan, of het Maoistische hoofdbestuur dat nu goed vindt of niet.

Daarbij vinden kritische delen van de protestbeweging politieke aankopingspunten in discussies die intussen binnen de Maoistische partij plaatsvinden. Die partij wortelt in een hard Maoisme, een vorm van Stalinisme waarin de boeren een grote rol in het revolutionaire proces toegedicht krijgen en een partijleiding de touwtjes zeer strak in handen houdt. Maar de partij is niet eensgezind, en juist de impasse waarin het Maoistische verzet zich bevindt, roept vragen op.

Die discussie heeft een heel interessant aspect. Wat niet erg gebruikelijk is in Stalinistische organisaties gebeurt hier: de opvattingen van Trotski, Stalins criticus in de jaren na de Russische revolutie, krijgen positieve aandacht in de partijleiding. Bhattarai, een lid van het politburreau van de Maoistische partij, korte tijd minister van Financiën toen de partij mocht tereren, maar ook een theorieticus van de partij, schreef in een partijblad (geciteerd op de website In Defence of Marxism): “in de huidige context is het Trotskisme om de zaak van het proletariaat vooruit te helpen relevanter geworden dan het Stalinisme.” Trotski, zo luidt de redenering, zag de noodzaak van een internationale revolutie – iets dat in een tijd van globalisering van het kapitalisme een belangrijk inzicht is.

Deze positieve houding ten opzichte van Trotski is omstreden in de Maoistische partij. een andere partijleider, Kushal Pradhan, vindt het helemaal niet nodig om Trotski’s inzichten te hilp te roepen. De partij is bepaald niet als geheel omgezwaaid in Trotskistische richting.  

Erkenning van de noodzaak van internationale revolutie is bovendien slechts één element in Trotski’s erfenis waar maoisten iets aan kunnen hebben. Er is veel meer. Trotski’s theorie van de permanente revolutie  – het idee dat een revolutie niet bij democratische, antifeodale taken halt moet houden maar in één moeite door de arbeidersklasse aan de macht kan helpen en ene socialistische koers kan inslaan – is in Nepal minstens zo belangrijk als het hameren om internationale revolutie.

Permanente revolutie als theoretisch inzicht zou de Maoisten het theoretische handvat verschaffen om de protestbeweging inderdaad volle ruimte te geven een aan te jagen tot een complete overwinning. En dan is er nog de erkenning van democratie binnen de partij, waarin Trotskisten niet vlekkeloos zijn, maar wel drastisch, kwalitatief,  en positief van Maoistisch Stalinisme verschillen. 

Of Bhattarai die aspecten van Trotski’s politiek in zijn artikel deze aspecten van Trotski’s inzichten naar voren brengt, is me niet helemaal duidelijk. Maar dat het taboe op Trotskisme in wellicht de sterkste Maoistische beweging ter wereld is doorbroken, is al een hele, en een hele positieve, stap.

Advertenties

Nepal: politieke crisis en impasse

18 mei, 2009

In Nepal is een al weken woendende politieke crisis de laatste dagen verder aangescherpt. Parlementariërs van de Communistische Partij van Nepal (Maoistisch), kortweg ‘de Maoisten’  blokkeerden en bestormden vandaag het parlementsgebouw. Daarna maakten zij een bijeenkomst van dat parlement onmogelijk. In die vergadering zou besloten worden over een nieuwe coalitieregering van 22 partijen, een regering die geleid ou worden door een politicus van… de Communistische Partij van Nepal (Marxistisch-Leninistisch). Voor wie denkt dat Nepal het decor is van een moderne versie van The Life Of Brian, en voor andere lezers, is wat context, en een aanloopje, misschien niet verkeerd.

Wat de Maoisten doen – een parlementaire bijeenkomst tegenhouden waar een meerderheidsregering in het zadel geholpen zou worden – lijkt ondemocratisch. Maar die indruk is niet correct. De aanlooop maakt dat duidelijk. De Maoisten vormden tot enkele weken zélf  met anderen een parlementaire meerderheidsregering, nadat ze verkieingen gewonnen hadden. Die verkiezingen kwamen er, nadat Maoisten – die sinds 1996 een guerrilla hadden gevoerd – en de toenmalige regering van wat toen nog een monarchistische semi-dictatuur was, een vredesakkoord hadden gesloten. Dat akkoord kwam er nadat een volksopstand in het voorkaar van 2006 een revolutionaire situatie had geschapen. Hof, generaals en de machthebbers eromheen konden kiezen: verregaande democratische hervormingen, accepteren dat de Maoisten eventueel via verkiezingen aan de regering konden komen, en het vooruitzicht dat de monarchie zou verdwijnen – of een revolutie die niet alleen de monarchie, maar de hele machtsstructuur van Nepal op zijn kop ou zetten. De machthebbers kozen voor het eerste, en er kwam een akkoord.

Onderdeel van dat akkoord was de verkiezing van een grondwetgevende vergadering. Die is er geweest, en heeft de monarchie afgeschaft. Onderdeel van het akkoord was ook dat de guerrillastrijders van de Maoisten deel zouden gaan uitmaken van het, niet langer koninklijke, leger van Nepal. En dáár ontstond een conflict.

De bevelhebber van het leger, generaal Rookmangud Katawal, werkte het opnemen van voormalige guerrillastrijders stelselmatig tegen. De Maoistische premier, Pushpa Kamal Dahal, was dat zat en ontsloeg de generaal. En waarom niet? In een democratie, zelfs in de beperkte democratie die het kapitalisme in Nepal en in Nederland tolereert, staat de legerleiding ónder de politieke, op verkieingen gebaseerde, leiding. Als een generaal niet gehoorzaamt aan het regeringsbeleid, dan is ontslag van zo’n generaal wel het minste.

Maar zo ging het niet in Nepal. Eerst stapten coalitiepartners van de Maoisten uit de regering. Daarna maakte de president van Nepal – géén Maoist – het ontslag ongedaan, een nogal ondemocratische maatregel. Dat was voor de Maoistische premier aanleiding om op te stappen. Daarmee was de politieke crisis – waar de nieuwe coalitiepoging én de Maoistische blokkade ervan onderdeel zijn – een feit.

Het gelijk ligt hier, democratisch gesproken, bij de Maoisten. Maar er is wel een probleem. De politiek van hun partij was sinds jaar en dag gericht op verregaande veranderingen in Nepal – maar niet op een antikapitalistische revolutie. In de analyse van de partij was Nepal feodaal, gebouwd op grootgrondbeit, met een autoritaire monarchie aan de kop ervan. het grootgrondbezit moest weg, net als de monarchie.  In de plaats ervan moest een democratische republiek komen.

Maar het moest geen socialistische republiek zijn, daavoor was Nepal in de analyse van de maoisten niet rijp. Het kapitalisme moest eerst ruim baan krijgen; maatregelen ten gunste van de armen mochten dan ook niet verder gaan dan wat ondernemers aanvaardbaar achtten. Toen in het voorjaar van 2006 feitelijk een revolutie woedde, beet  de partij niet door, maar ging ze voor een akoord met hun tegenstanders waarmee de revolutie werd ingekapseld en op de terugtocht gedwongen.

De overeenkomst over het invoegen van guerrillastrijders in het leger is daar een symptoom van: de bestaande militaire staatsstructuur blijft gewoon intact, onder goeddeels bestaande leiding. Als de Maoisten werkelijk antikapitalistische revolutionairen waren geweest, hadden ze doorgezet, het leger ontmanteld en vervangen door arbeiders- en boerenmilieties. Dat ze nu eisen dat de afspraken over het leger worden nagekomen, is logisch. Maar het feit dat ze zo’n akkoord sloten, is tekenend voor hun gematigd, in de kern niet-revolutionaire perspectief. Een nuttige analyse van dit perspectief, en van het probleem ermee, geeft Rajesh Tyagi in een fors stuk op Marxist.com, waar trouwens de ontwikkelingen in Nepal de laatste jaren redelijk goed gevolgd werden.

Intussen hebben de Maoisten wel grote steun, vooral onder de arme plattelandsbevolking. En ze verstaan de kunst om die steun te mobiliseren in massa-acties. Als ze zouden willen, kunnen ze de guerrilla hervatten – maar met welk doel? De monarchie is weg, en de weg naar veranderingen binnen het hervormde regeringsstelsel ligt in principe nog steeds open, zolang de verandering maar niet het complete bestel bedreigt. Waarom een oorlog hervatten als je halve oorlopgsdoel al bereikt is, en de andere helft parlementair nog steeds bereikbaar lijkt?

Datzelfde bezwaar geldt nog meer voor die andere, radicalere optie; alsnog kiezen voor een revolutie, zoals die in april 2006 woedde. Dat heeft echter alleen maar zin als je bereid bent vérder gaan dan toen, en met stakingen, demonstraties, muiterijen en uiteindelijk een stedelijke en landelijke opstand de hele bezittende en heersende klasse uit het zadel te lichten. Dat zou een breuk betekenen met de hele Maoistische politiek, en met de wortels van die politiek in de eerdere Communistische beweging waar de Maoisten de linkervleugel van vormen.

Andere Communistische partijen in het land hanteren hetzelfde idee dat socialisme niet op de agenda staat, dat democratisch omlijst kapitalisme het hoogst bereikbare is in Nepal. Het verschil is dat andere Communistische partijen zich beperkten tot parlementaire strategie, regeringsdeelname etcetera, waar Maoisten vonden dat zelfs voor hun nog beperkte doelstellingen hardere actie – massa-mobilisatie en gewapend verzet – nodig waren. De andere Communistische Partijen opereerden feitelijk als milde sociaal-democraten. De Maoisten zijn radicaler. Maar het is vooral een radicalisme in tactisch en strategisch, niet in principieel opzicht.

Alle zich Communistisch noemende partijen wortelden in het Stalinisme. Daar kwam de filosofie van ‘nog-geen-socialisme, maar-enkel-kapitalisme-en-democratie’, vandaan. En om massa-mobilisatie zowel op gang te kunnen krijgen als ook af te kunnen remmen als die te radicale wegen in sloeg, was een vrij sterkte greep van leiding van hogerhand op organisatie nodig, een hiërarchische organisatie waar de massa actief mocht zijn, maar meer als voetvolk dan op eigen initiatief. Guerrilla-verzet – een verzetsvorm die toch een militaire commandostructuur in de hand werkt – voedt dit nog eens extra. Áls er krachten in Nepal zijn – binnen de Maoistische beweging of erbuiten – die wél neigen richting een diepergaande revolutie, dan zullen zowel de burgerlijk-kapitalistische keuzes als ook de hierarchische structuur van die beweging daarin een blok aan het been blijken te zijn.

De Maoisten zelf gaan, lijkt mij, niet kiezen voor een hervating van de guerrilla, en al helemaal niet voor een diepere revolutie. Dat betekent dat ze, na getouwtrek rond parlement, regeringsvorming  en andere politieke gevechten, misschien ook wel na wat stevige mobilisatties van hun aanhang, deel blijven nemen aan het gevestigde politieke gebeuren.

In dat gevecht heeft rechts zich echter wel versterkt: dat een militaire top een hervorming weet te blokkeren, geeft dat aan. Dat rechts daabij aangemoedigd wordt door onder meer de Amerikaanse ambassade, geeft aan dat er in Nepal meer op het spel staat dan alleen het lot van dat land zélf’.

Als rechts haar tegenaanval opvoert, en als maoistisch links haar achterban blijft afremmen en intomen – zoals ze doen, zoals een verhelderend maar voor de Maoistische politiek wel te onkritisch artikel laat zien – dan ontstaat een gevaarlijke situatie waarin zelfs de democratische hervormingen van het moment gevaar lopen. Ik vond het artikel trouwens op MR Zine, en ik heb er flink gebruik van gemaakt. Een diepergaand verzet, voorzien van een werkelijk revolutionaire kijk op de zaken, is hiertegen noodzakelijk. Maar van zulk verzet is op dit moment helaas nog weinig te bespeuren.