Griekenland gaat ons allemaal aan

28 april, 2010

De financiële crisis van de Griekse staat heeft zich weer eens verscherpt. Aandelenbeuzen ondervinden de impact ervan en kelderen. De zorg op de financiële markten betreft allang niet aleenmeer Griekenland. Ook andere landen hebben problemen met het in de hand houden van begrotingstekort en staatsschuld. Intussen komt het werkelijk constructieve antwoord van arbeiders en andere mensen aan de onderkant in Griekenland. Dat constructieve antwoord heet: staken, demonstreren, met grote felheid protesteren en verzet bieden.

Eerst maar eens wat tekenen van financiële crisis maar eens langslopen. Standard & Poor (S & P), een firma die de kredietwaardigheid van landen beoordeelt, verlaagde de inschatting van Griekse obligaties tot de status ‘junk’. Vrij vertaald: waardeloos. “S & P houdt er rekening mee dat beleggers 30 tot 50 procent van hun inleg terug krijgen. In totaal zouden beleggers daarmee 200 miljard aan inleg kwijt zijn.” De gevolgen: de rente die de Griekse staat moet bieden om zulke obligaties (staatsleningen, manier voor Griekenland om aan geld te komen) ging verder omhoog – en aandelenkoersen gingen in een reeks landen prompt omlaag.

Achtergronden van de financiële staatsnood: “Griekenland kampt met een begrotingstekort van 13,6 procent van het bruto binnnlands product en een staatsschuld van 115 procent.” De rente de Griekenland intussen moet betalen voor langlopende staatsleningen is intussen ruim 9 procent. Het vertrouwen dat de Griekse regering haar begroting op orde krijgt, en dat de noodleningen die het land via IMF en EU krijgt de boel beheersbaar houden, is minimaal.

Intussen is de Griekse crisis bezig een Europese crisis te worden. “De Griekse schuldencrisis sloeg woensdagochtend over op de aandelen van Europese financiële concerns.” Onder die bedrijven: de ING. Die heeft 3 miljard aan Griekse staatspapieren,  en mag zich dus een klein beetje zorgen maken. Het aandeel van het bedrijf ging 5,4 pocent omlaag vandaag.

Niet alleen de zorgen over de Griekse crisis spelen een rol. Het volgnde crisisland dient zich steeds nadrukkelijker aan: Portugal. Ook dat zag de waardering voor haar staatsschulden verlaagd door Standard & Poor: van  A+ naar A-. Vraag me niet wat het precies betekent, maar het is geen blijk van vertrouwen in de Portugese staatsfinanciën. Het ING heeft trouwens ook Portugese staatsobligaties, ter waarde van 1,9 miljard. Andere landen die inmiddels genoemd worden als mogelijke zwakke plekken in de Europese financiële wereld: Spanje en Italië. Zo is en Griekse financiële ramp bezig uit te groeien tot een Europese crisis.

Intussen wordt er druk onderhandeld binnen en tussen EU en IMF over de invulling van het steunpakket dat na een aanvraag vanuit de Griekse regering in werking gaat. Op dit moment gaat het nog om 15 miljoen van het IMF en 30 miljoen van de EU. Maar volgens Duitse parlementsleden, die gesproken hebben met de IMF-directeur, kan het bedrag de komende drie jaar wel eens oplopen tot 100 of zelfs 150 miljard euro. Voor de 15 miljard die de EU-landen uit willn lenen moet Griekenland trouwens wel 5 procent rente betalen. We mogen aannemen dat iets soortgelijks voor al het andere aan Griekenland uitgeleende geld gaat gelden.

Staten en financiële instellingen verwachten, éísen dan ook van de Griekse regering dat die doorgaat met bezuinigingen. Precies dat is de Griekse staat toch al keihard van plan, al pruttelt een minister wel eens tegen dat er teveel wordt gevergd vanuit Europa en de financiële wereld. Maar de Griekse bankpresident wil wel. “Griekenland moet de financiële markten positief verrassen door het tekort dit jaar verder terug te dringen dan eerder aangekondigd. Dat zei de president van de Griekse centrale bank, George Provopoulos,  dinsdag.” Het Griekse regeringsdoel was 4 procentpunt van het begrotingstekort af, de bankpresident wil er meer dan 5  procentpunt vanaf halen. Dat ligt in lijn met wat de EU ook eist: nog meer bezuinigen.

Het komt heel eenvoudig neer op het volgende. Omdat de Griekse staat meer uitgeeft dan ze binnenhaalt, en omdat het verschil groeit, omdat bedrijven in de financiële sector hun uitgeleende geld met rente terug willen zijn en er weinig vertrouwen in hebben dat dit ook gebeurt, moet de bevolking van Griekenland – die het al niet breed heeft, geen wezenlijke invloed had en heeft op het beleid waardoor de Griekse staat in geldnood geraakt, en bijvoorbeeld niet profiteert van de decadente uitgaven die Griekse regeringen intussen deden – wapens kopen in Frankrijk, om maar iets te noemen – bloeden  met aantastingen van werkgelegenheid, pensionen en salarissen op grove schaal. Het Griekse en het internationale kapitaal en hun politici aan de ene kant; de Griekse arbeidersklasse aan de andere kant.

Die arbeiders in Griekenland laten dit gelukkig niet over hun kant gaan, en reageert met staking na staking, protest na  protest. Tussen de acties zitten hele opvallende. “Honderden piloten van de Griekse luchtmacht zeiden dat de maandag te ‘ziek’ waren om te vliegen, in wat volgens veel functionarissen een georganiseerd protest was tegen hogere loonsverlagingen om het land uit een schuldencrisis te halen.” Honderden trainingsvluchten gingen niet door, als gevolg van wat kennelijk een protestactie was. Als het protest tegen bezuinigingen al tot in het personeel van het militaire apparaat is doorgedrongen, is dat veelzeggend over de breedte en diepte van de woede.

Intussen komt er weer een grote landelijke staking aan. Voor komende woensdag, 5 mei, hebben de twee grote vakbondsfederaties, ADEDY (publieke sector, ambtenaren en dergelijke) en GSEE (particuliere sector) een 24-uursstaking aangekondigd. Samen tellen deze vakbondskoepels 1,3 miljoen leden. We mogen ervan uitgaan, denk ik, dat 5 maiei een volgend hoogtepunt in de arbeidersstrijd in Griekenand wordt. En vermoedelijk wordt de Eén Mei-viering komende zaterdag in Athene ook weleen tamelijk indrukwekkend gebeuren.

Deze strijd in Griekenland gaat ons allemaal aan. Arbeiders hier en overal hebben er belang bij dat de Griekse arbeiders de bezuinigingsmaatregelen kapotstaken. Als de Griekse regering namelijk slaagt in het doordrukken van hara beleid, dan laat dat aan andere gregeringen zien dat het mogelijk is om zelfs van een strijdbare arbeidersklasse t e winnen. Dan is het hek qua bezuinigingen nog verder van de dam dan het toch al is. het is in ons belang dat dit niet gebeurt, en daarom moeten de arbeiders in Griekenand het winnen van hun regering, het IMF, de EU-regeringen, noem maar op.

Arbeiders en solidaire mensen hebben een specifieke verantwoordelijkheid bovendien in deze zaak. De Griekse regering wil zich momenteel maar al te graag profileren als slachtoffer van buitenlandse druk. De Griekse vankbondstop gaat daar soms impliciet in mee. Uit de vakbondsoproep voor de staking van 5 mei:  “We willen een blokkade tegen de eisen van de Europese Unie, de Europese Centrale bank en het IMF die de rechten van werknemers vernietigen.” Over de eisen die vanuit de Griekse staat zelf – bijvoorbeeld van die bankresident die nog sneller wil bezuinigen – lezen we weinig tot niets.

Zo kan de Griekse regering zich verschuilen achter overmacht: Griekenland als klein zwak landje tegen de boze imperialistische financiële buitenwereld. Dit is nationalisme, en maakt het de regering makkelijk om zichzelf als machteloos voor te doen – en de bezuinigingen als ook door haar ongewenst, maar onvermijdelijk. in werkelijkheid ordt dit bezuinigingsbelid echter doorgedrukt zowel vanwege  internationale financiële belangen als vanwege de ambitie op de positie van het Griekse kapitaal te versterken. Klassse tege klasse dient het wachtwoord te zijn, en niet: Griekenland tegen de rest van de wereld.

Welnu, om te laten zien dat die rest an de wereld niet hetzelfde is als EU, regeringen, IMF en dergelijke, is het nodig dat we ons laten horen. Dat doorbreekt de verkeerde dynamiek van natie tegen natie, en haalt de dynamiek van klasse tegen klase naar boven. Griekse arbeiders hebben in andere landen – in álle landen als het goed is – in arbeiders en solidaire mensen bondgenoten die zich uit zouden kunnen spreken en zich te laten gelden.  Die kant moeten we op. 

Solidariteitsacties met het Griekse verzet, protesten tegen de steeds verder opgevoerede bezunigingsdruk – ze zijn nodig, hoognodig. Om onze Griekse maten te helpen – en tegelijk om onszelf te helpen tegen ondernemers en staat hier. De vijand die arbeiders in Griekenland drijft om voor hu bestaan te vechten, staat immers ook hier tegenover ons, en voert dezelfde meedogenloze koers. Die koers verdient meedogenloze bestrijding.


Rusland 1921-1928: nog arbeidersstaat, of al kapitalisme?

27 april, 2010

In eerdere stukken op dit weblog heb ik geschreven over de Russische revolutie, de rol van de Bolsjevistische partij en Lenin, en de breuk die er tussen het nieuwe bewind enerzijds, arbeiders en boeren anderzijds, ontstond. Al vanaf 1918 werden sovjets gedomineerd door  Bolsjevieken, of zij bij verkiezingen (als die nog plaatsvonden) nog een meerderheid kregen of niet. Het neerslaan van de opstand in de marinebasis Kronstadt in 1921 vormde als het ware een symbolische bekroning van die breuk.

Over al deze zaken, en over andere gebeurtenissen in de periode 1921-1928, heb ik nog veel meer te schrijven. Zo mag Machno, de anarchistische aanvoerder van partisanenstrijd in de Oekraine, in deze vertellingen niet ontbreken. Hetzelfde geldt sowieso voor de rol die anarchisten in de periode 1917-1921 probeerden te spelen, en de botsing tussen veel – niet alle – anarchisten en de Bolsjevistische (beter: steeds Bolsjevistischer…) staat. Dat ik de laatste maanden weinig tot niets over deze zaken op dit blog heb neergezet komt niet omdat het onderwerp me niet meer bezighoudt. Andere onderwerpen drongen zich echter op in mijn aandacht, en intussen was en is meer leeswerk over het onderwerp ook niet overbodig.

Van belang in dit verband is ook hoe het in Rusland verder ging, ná 1921. Ook daar is een stevig meningsverschil tussen de Trotskistische traditie waar ik uit kom en mijn huidige opvattingen. Het traditionele standpunt van Trotskisten kom ongeveer neer op het volgende:

  • Na een succesvolle arbeidersrevolutie in 1917 kwam er een revolutionair bewind tot stand, gedragen door gekozen sovjets met daarin  meerderheden voor Bolsjevistische kandidaten;
  • Dat bewind ontaardde in bureaucratische richting, onder de enorme druk van interventie- en burgeroorlog en economische ineenstorting, en in afweezigheid van revoluti in andere landen die onontbeerlijkwaren voor het overleven van  de Russische revolutie.   De arbidersklasse verzwakte enorm, een groot deel van de voohede van die klasse nam posities in in het administrative apparaat en het Rode Leger. In plaats van arbeiders die hun maatschappij beheerden, kwam steeds meer een bureacratische staat dat de zaak voor volledige desintegratie behoedde en ook nog een brute oorlog moest winnen.
  • In 1921 was die oorlog dan gewonnen; maar onvrede van de boerenmeerderheid – tot uiting komend in de opstand in Kronstadt – dreigde het bewind weg te spoelen; forse consessies aan de markteconomie waren nodig, om de economie aan de praat te krijgen en om de ineenstorting van het revolutionaire bewind te voorkomen;
  • Die concessies, in de vorm van de NEP, de Nieuwe Economische Politiek – behelsden een herstel van marktverhoudingen op het platteland, waar de boeren hun opbrengsten vrij mochten verhandelen na belasting afdracht, maar ook in de steden, waarin veel bedrijven geleased werden aan privé-ondernemers, en ook de staatsbedrijven volgens criteria van winst en verlies, als ondernemingen dus, bestuurd werden.
  • Deze economische concessies aan boeren en kleinere kapitalisten, en aan de markt als zodanig, werden gecombineerd met een verdere inperking van politieke speelruimte:  het fractieverbod binnen de partij in 1921, het definitief oprollen van georganiseerde Mensjevistische, Sociaal-Revolutionaire en anarchistische activiteit dateren uit deze periode. Dit werd ingegeven door de angst van de Bolsjevistische leiding dat grotere politieke speelruimte in een periode waarin men  marktwerking zoveel ruimte moest geven, de klassen die van die markt profiteerden -de iets grotere boeren, kleine en middelgrote ondernemers – die klassen de wind in de zeilen kon geven. Dat zou de macht van de partij – gezien als soort van garantie voor het nog enigszins soclialistische karakter van het bewind – in gevaar brengen.
  • Bij dit alles bleef voor Trotskisten één ding overeind: hoe bureaucratisch en autoritair het bewind, ook in de tijd van Lenin en Trotsky, ook was, het bewind was revolutionair, het verdedigde verworvenheden van de revolutie, en het was het beslissende obstakel tegenover contrarevolutie, interventie en volldig kapitalistisch herstel in zijn meest brute vorm. De formulering die Lenin voor de Russische staat hantereerde: een arbeiders- en boerenstaat, met bureaucratische deformaties – werd de formulering die Trotskisten voor deze periode tot de hunne maakten, in een ingekorte vorm en zonder de boeren. Rusland was, in de Trotskistische woordkeus, een gedegenereerde arbeidersstaat. De degeneratie verdiende analyse en kritiek, het feit dat het een arbeidersstaat was betekende echter een verwordvenheid die verdediging verdiende.

Dat is, kort geschetst, de analyse zoals je die – met flinke onderlinge verschillen trouwens – bij Trotskistische auteurs tegen komt. Kritiek op specifieke stukken Bolsjevistisch beleid ontbreekt vaak niet. Ernest Mandel bijvoorbeeld gaat daarin verfrissend ver, in zijn mooie tekst “October 1917: Coup d’etat or Social revolution?”, nummer 17/18 van de Notebooks for Study and Research. Voor hem was bijvoorbeeld de oprichting van de Tsjeka, de veiligheidsdienst, bijvoorbeeld gewoon verkeerd, net als het volledig buiten de wet stellen van Mensjevieken en Sociaal-Revolutionairen. Over Kronstadt geeft hij beide kanten van het argument in een voetnoot – zonder een keus te maken.

De meeste andere Trotskisten gaan veel minder ver in hun kritiek. Echt verkeerd vinden ze doorgaans het fractieverbod dat op aandrang van Lenin in 1921 binnen de partij werd doorgevoerd. Maar in die afwijzing kunnen ze zich, keurig orthodox, beroepen op Trotski zelf, die daar in de jaren dertig ook heel voorzichtig afstand van nam. Maar de uitschakeling van andere politieke stromingen en het onderwerpen van Kronstadt wordt, als noodmaatregel, acceptabel geacht.

Heel ver in de verkeerde richting ging af en toe Tony Cliff. In een interview uit 1970, onlangs prominent door de Internationale Socialisten gehaald in hun maandblad en op de website, zegt deze grondlegger van de Socialist Workers’ Party onder meer: “De Bolsjevieken werden geconfronteerd met een afschuwelijke tragedie. Hun enige fout, als ze al een fout maakten, was dat ze nogal eens van de nood een deugd maakten.” Dat is apologie, geen kritische analyse, en het is het Trotskisme op zijn smalst.

Maar ook de breedste, meest open Trotskistische analyse accepteert  de revolutionaire legitimiteit van het Bolsjevistische bewind tot minstens een eind in de jaren twintig. Pas met de overwinning van  het Stalinisme valt het doek – en ook niet eens voor alle Trotskisten. Voor de richting waar Mandel een kopstuk van was, blijft Rusland tot de val van de Sovjetunie een, steeds zwaarder gedegenereerde, arbeidersstaat die tegen ‘kapitalistische restauratie’ verdedigd moest worden terwijl de bureaucratische dictatuur waar die arbeidersstaat onder zuchtte, bestreden moest worden.

De richting waarvan Cliff een aanvoerder was, onderkende dat het Stalinisme aan de macht de totale onderwerping van de Russische economie aan dwangmatige, exploitative kapitaalsaccumulatie op basis van loonarbeid was. Korter gezegd: Rusland was volgens hem vanaf 1929 kapitalistisch. De staat was de kapitalist, de bureaucratie bezat de staat, bureaucratisch staaskapitalisme was de formulering die Cliff koos voor de Russische maatschappijstructuur. Zo apologetisch als Cliff uit de hoek kwam voor de periode 1917-1921, zo kritisch en zinnig waren veel van zijn inzichten in Stalinistisch Rusland – al zijn er met zijn analyse van dat Stalinisme ook wel problemen. Maar dat is voor een andere keer, wellicht.

Maar Mandel en Cliff en andere Trotskisten accepteren Rusland in ieder geval tot ver in de jaren twintig als een soort revolutionair regime, een arbeidersstaat in weliswaar sterk ontaarde vorm. Precies dat ben ik niet langer met hen eens. Ik zie de grote verschillen tussen Rusland 1921-1928 enerzijds en de verschrikkingen daarna. Ik erken dat er  in de jaren twitig sprake was van een vrij sterke en weerbare positie van arbeiders tegenover directies en bewind, en ik zie dat in dat bewind tal van functionarissen actief waren die als werkelijke revolutionairen hun sporen verdiend hadden in 1917, en ook nu nog probeerden er het beste van te maken. En ik zie dat zowel de positie van arbeiders als  de aanwezigheid van serieuze Bolsjevieken die de erfenis van 1917 symboliseerden, door het opkomende Stalinisme totaal werden weggevaagd. Er vond in de late jaren twintig een drastische, contrarevolutionaire breuk plaats. Zeker.

Maar het ging hier om een breuk binnen een regime, en binnen een sociale formatie die op dat moment al essentiële trekken van een kapitalistische maatschappij bezat. Rusland was al vóór 1929 allang geen arbeidersstaat meer, áls je dat – in essentie foutieve, want waar arbeiders baas over hun leven zijn, is de staat verdwenen  – begrip al wil hanteren. Arbeiders als klasse waren de macht die ze in 1917-1918 min of meer (ook dat ligt complexer dan ja of nee) bezaten, allang kwijt. Het machtsapparaat bracht – ongeacht de vaak revolutionaire bedoelingen van veel van haar functionarissen – kapitalistische prioriteiten tot uiting. De economie funcioneerde als markteconomie, op basis van loonarbeid, met bedrijven die geacht werden om winst te maken.

Laten we eens kijken naar een gloednieuw artikel dat ingaat op deze periode, uit het kersverse nieuwste nummer ven International Socialism Journal, uitgegeven door de SWP. Het is een recensie van een boek van Simon Pirani, “The Russion Revolution in Retreat, 1920-1924: Soviet Workers and the New Communist Elite”. De recensie is geschreven door kevin Murphy, auteur van een mooi boek: “Revolution and Counterrevolution: Class Struggle in a Moscow Metal Factory”, waarin hij een beeld geeft van de manier waarop arbeiders in één fabriek voor hun rechten bleven opkomen in de periode van 1917 tot vroeg in de jaren dertig. In dat boek laat hij zien dat de speelrumte voor arbeiders in de jaren twintig nog heel anzienlijk was, de druk die ze op de partij- en staatsleiding uit konden oefenen eveneens. Met de overwinning van he Stalinisme verandert dat drastisch, en wordt de verregaande onderwerping van arbeiders een feit. Murphy staat dudelijk binnen de Trotskistische traditie, en betoont zich hier een geestverwant van de richting die Cliff hierbinnen aangaf.

In zijn recensie van Pirani’s boek blijkt dat ook. Piranis’s boek – dat ik niet heb gelezen – is volgens Murphy een eenzijdige en niet goed onderbouwde aanval op de Bolsjevistische politiek, die als veel repressiever wordt omschreven dan die in werkelijkheid is. Het onderdrukken van stakers bijvoorbeeld, kwam slechts vrij sporadisch voor, stakingen leidden heel vaan tot concessies, en ook sovjets waren nog niet volkomen de wassen neus die Pirani ervan maakt.  Volgens Murphy is Pirani’s boekeen onterechte toegeving aan de gangbare ‘liberal’ versie van de geschiedschrijving over post-revolutionair Rusland – een versie waarin de Russische revolutie wel wordt onderkend als massale volksrevolutie, maar waarin de bOlsjevieken systematisch hun eigen macht, uit eigen belang, zochten te versterken ten koste van de arbeiders. Vandaar de titel van Murphy’s artikel: “Conceding the Russian Revolution to the liberals”.

Het kan heel goed zijn dat Murphy’s feitelijke kritiek op Pirani’s boek solide en terecht is. Sterker: dat lijkt me heel aannemelijk. Murphy lijkt me als historicus een serieus en betrouwbaar figuur, ik heb zijn boek met aandacht en genoegen gelezen, en er veel van opgestoken ook. Maar de manier waarop hij Prani weerlegt, laat zelf zien hoe weinig de arbeidersklasse nog voorstelde als machtsfactor, hoe sterk en geconsolideerd de Bolsjevistische staat al  was – en hoezeer kapitalisme de name of the game was.

Een paar voorbelden. Murphy laat zien hoe sterk de arbeidersklasse zich nog voelde, en hoezeer het bewind de hete adem van arbeiders voelde. Hoe wist het bewind echter van de houding van arbeiders? “Zoals duizenden gepubliceerde GPU-rapporten over onvrede van arbeiders  in fabrieken in de hele Sovjet-Unie laten zien, waren dissidente stemmen van arbeiders weerklonken in de fabrieken vrij levendig tijdens de hele NEP.” Wel wel! GPU-rapporten maken duidelijk hoe groot de onvrede is, en hoe wijdverbrijd de geluiden die daarop wezen! Je zou toch denken dat een staat die werkelijk op de arbeidersklasse leunt, geen GPU-rpporten nodig heeft om erachter te komen wat er onder arbeiders leeft. Je zou zelfs denken dat zo’n staat er geen GPU op nahoudt om aan informatie te komen over wat er leeft in de fabrieken.

Voor wie het niet weet: de GPU was de veiligheids- en inlichtingendienst, de opvolger – weliwsaar met tijdelijk ingeperkte bevoegdheden – van de gevreesde Tsjeka uit de eerste (contra)revolutionaire jaren. Het pure bestaan, en de machtspositie, van deze GPU is al zeer veelzeggend: het laat de afstand, de tegenstelling, zien tussen bewind en bevolking, tussen Bolsjevistische machtstructuur en de arbeiderklasse waaraan ze haar legitimatie aan ontleend. Nee, een bewijs dat het hier om een klassentegenstelling ging is dit op zichzelf niet. Maar een veelzeggende indicatie in die richting is het wel.

Zo zijn er meer dingetjes. Murphy laat zien dat stakingen in de periode van de NEP maar weinig met repressie beantwoord werden, en vaak tot concessies – hogere lonen – leidden. ik zou dan denken: mooi – maar wat is er zo wezenlijk anders aan deze stakingen dan de  loonstrjd die we in zoveel andere landen – doodgewone kapitalistische landen – zien? De  meeste stakingen in Nederland eindigen ook niet met arrestaties van stakingsleiders. Het is prima om te laten zien dat Rusland in de jaren twintig nog niet de totalitaire nachtmerrie was die Rusland in de jaren dertig was geworden. Maar het feit dat arbeiders veelvuldig naar het stakingswapen – het wapen van de klassenstrijd – grepen, is – alweer – een indicatie dat we hier met iets van klassentegenstelingen te maken hebben.

Murphy gaat ook in op de poging van Sirani om aan te tonen dat de vakbonden in de perionde van de NEP slechts werktuigen van het bewind waren. Niet waar, zegt Murphy, arbeiders wendden zich wel degelijk tot de vakbonden om hun rechten te verdedigen. Laten we er, voor het moment in ieder geval,van uit gaan dat Murphy, en niet Pirani, hier gelijk heeft. Daarmee weten we dan dat arbeiders, via hun vakbonden, voor hun rechten opkwamen. Prachtig! Maar kennelijk was het dus nodig dat arbeiders – in een staat die op één op andere manier van die arbeider was – hardnekkig en keer op keer voor hun rechten moesten opkomen om niet onder de voet gelopen te worden. Is dat, alweer, ook niet vrij veelzeggend over het klassenkarakter van de maatschapij?

Nog een hele fraaie. Murphy over Pirani’s boek:  “de tekst verwijst herhaaldelijk naar  de ‘uitbuiting van arbeiders’ door het bewind, zonder te vermelden dat de meeste Sovjet-ondernemingen in werkelijkheid met verlies draaiden gedurende een groot deel van de NEP-periode.” Alweer: wat Murphy feitelijk beweert kan heel goed correct zijn, sterker, ís hoogstwaarschijnlijk correct. Maar een paar punten verdienen dan toch aandacht.

Om te beginnen: kennelijk dééd verlies en winst er dus toe in de Russische economie van die jaren. De economie draaide op commerciële criteria, en dat zegt weer iets over het karakter van de maatschappij als in essentie allang kapitalistisch. Wat we hier zien is: warenproductie, wezenskenmerk van  het kapitalisme. Dat de economie in het voldoen aan die commerciële criteria niet bijster succesvol was – zoals die meerderheid van verliesgevende bedrijven laat zien – mag waar zijn. Maar dat zegt op zich weinig over die criteria zelf, en over de vraag of arbeiders werden uitgebuit zegt het evenmin veel. Bedrijven lijden ook in het Westerse kapitalisme wel eens verlies – namelijk als de spullen die door arbeiders worden gemaakt, en die méér waard plegen te zijn dan de arbeidskracht die er in op is gegaan, niet of onvoldoende verkocht kunnen worden.

Arbeiders zijn dan evengoed wel uitgebuit, alleen weet de kapitalist het resultaat van die uitbuiting niet te gelde te maken op de markt. Uitbuiting vindt plaats ín het bedrijf, in de sfeer van de productie. Winst wordt gerealiseerd op de markt, in de sfeer van de distributie. Die twee dingen zijn verbonden, maar ze zijn niet hetzelfde. Zeggen dat de meeste Sovjet-bedrijven verliesgevend waren, is dan ook op zichzelf helemaal geen weerlegging van Pirani’s punt dat arbeiders ook al onder de NEP uitgebuit werden.

Precies het verliesgevende karakter van flinke stukken Russische economie kan gezien worden als symptoom van de permanente crisis van de Russische economie onder de NEP. Het Stalinisme zocht een uitweg uit deze crisis, onder meer door arbeidersrechten nu finaal en totaal te breken, zodat arbeiders niet meer voor hogere lonen en dergelijke konden opkomen.  In dit verband is ook een andere uitspraak van Murphy vermeldenswaardig. Hij schrijft, kennelijk over de fabriek waarnaar hijzelf onderzoek deed voor zijn boek: “Zo sterk was de vakbondsorganisatie dat de fabrieksdirecteur klaagde dat in 1925 vakbondsvertegenwoordigers, meer dan het management, de werkelijke macht in de werkplaatsen hadden.”

Dat soort klachten komen me echter bekend voor. Het is alsof je hier een Britse manager in de vroeg jaren zeventig beluistert, of een Italiaanse directeur in de late jaren zestig tijdens de hete herfst van stakingen in dat land. Zo klagen directies van kapitalistische bedrijven nu eenmaal als ‘hun’ arbeiders zich al te stevig laten gelden. Zo gaat dat wel eens in een kapitalistische maatschappij als arbeiders stevig aan hun ketenen weten te rukken. En precies dát deden arbeiders in Rusland, met een revolutie achter zich en nog altijd een stevig daaraan ontleend zelfvertrouwen.

Precies die positie, en dat zelfvertrouwen, werden doelwit van het opkomende Stalinisme. Zoals de komst van Thatcher zich tegen de assertieve, de managersmacht ondermijnende, arbeidersmacht van de jaren zeventig in Groot-Brittannië richtte, zo deed  Stalin en zijn stroming dat in Rusland. Dit was een drastische verschuiving – maar binnen een kapitalistische context. Het gebeurde in Rusland allemaal op een basis die in de jaren twintig allang kapitalistich was.

De NEP zag weliswaar een nog wankel kapitalisme, een situatie waarin arbeiders uit hun revolutie nog een stevige positie hadden overgehouden om voor eigen rechten te blijven opkomen. Maar ook een wankel kapitalisme is kapitalisme. Murphy laat, in zijn wellicht wat al te zelfverzekerde weerlegging van Pirani, dat onbedoeld maar overduidelijk zien.


Marxisme Festival: nog wat observaties

26 april, 2010

Nog wat meer indrukken van, en observaties  naar aanleiding van, het ene dagje Marxisme Festival waar ik, afgelopen zaterdag, bij was. Een tweetal bijeenkomsten waar ik aan deelnam heb ik nog niet besproken. En er zijn nog wat gedachten her en der die, op de dag zelf en vooral naderhand, bij me loskwamen.

Eén van de twee meetings had als titel: “Van proteststem tot pluche: waar gaat de SP naartoe?” Spreker peyman jafari, van de Internationale Socialisten, leidde de discussie in. SP-Kamerlid Ronald van Raak, die ok zu komen spreken, was verhinderd wegens… inderdaad, het SP-congres afgelopen weekend.

Peyman traceerde de ontwikkeling van de SP tot linkse sociaal-democratische partij vanuit de niet helder verwerkte Maoistische wortels van de SP in de jaren zeventig. Ja, de SP had afstand genomen van China als model voor een socialistische maatschappij. Maar van een echte theoretische verwerking van het Stalinisme – waarvan het Maoisme een vorm is – was geen sprake. Hieruit zou dan, volgens Peyman, deels te theorie-armoede van de partij te verklaren zijn, plus de neiging om politiek van economie te scheiden, en in de politieke benadering een wat Peyman economistische benadering noemde erop na te houden. Materiële eisen – beter loon, hogere uitkeringen – kregen voorrang. Meer culturele kwesties – vrouwenrechten, de strijd tegen racsme – kregen erg weinig specifieke aandacht.

De SP zag  – nog steeds volgens Peyman – kans de ruimte deels op te vullen die ter linkerzijde vrijkwam door het steeds verder loslaen door  de PvdA van haar sociaal-democratische beginselen. De SP kritisieerde vanaf de jaren negentig het neoliberalisme, en groeide op deze basis in de vrijgekomen rumte gestaag. Dat ging, met SP-inzet  tegen de diverse oorlogen onder Bush, deelname aan de andersglobalistische protesten en stelngname tegen de EU-grondwet in het referendum in 005, door tot de verkiezinszege van 2006. De successen keer op keer gaven de partijleiding ook nog eens een enorm krediet en gezag in de partij.

Toen kwam er de klad in. De partij koos voor een keurige aanpak, in de hoop dat daarmee de kans op regerngsdeelname groter werd. Die deelname was ze in 2006-2007 misgelopen, en dat wilde de partijtop een volgende keer voorkomen door zich verder naar het midden te bewegen. Tegenover Wilders werd maar nauwelijks een stevig tegengeluid voortgebracht. de rol van anti-establishentpartij gleed steeds meer weg uit SP-handen, en kwam bij de keiharde rechtse oppositie van de PVV terecht. Gestaag verdwenen veel kiezers in de peilingen.

Waar Peyman vooral ook een punt van maakte was de geringe bereidheid van de SP om samenwerkingsverbanden met andere stromingen aan te gaan. Dat maakte verzet moeilijker, en ondermijnde ook de profilering van de SP als protestpartij. Peyman betreurde dat, en ziet graag dat de SP zowel naarlinks gaat in haar opstelling als een opener houding qua samenwerking aangaat.

In de discussie viel vooral een bijdrage op van een IS-er die de vroegste tijden van de SP nog bewust had meegemaakt, en veel zinnigs zei over de doorwerking van de Maoistische wortels van de partij. Hij wees met name op het Maoistische concept van de “massa-lijn”, waarin de “juiste ideëen” geacht werden rechtstreeks “uit het volk” te komen. Hiermee was en is de neiging van de SP om te vinden wat de achterban vindt, en zich op die basis  populair te maken, verklaard. De sociaal-democratische opstelling van de SP  is dan gene product van onverwerkt Maoisme, maar van dóórgaand Maoisme in een andere vorm. Zinnige observatie, naar mijn mening.

In de discussie gingen mensen door over de tamme opstelling van de partij, het feit dat met de grote Kamerfractie vanaf 2006 en de vele gemeentelijke bestuurders veel actef partijkader werd weggezogen, zodat het actievoeren verwaarloosd werd, over de crisis waar de partij zich in bevindt. Zelf vroeg ik me in een bijdrage in de discussie af of er wel zo’n crisis is: parlementare partijen hebben wel eens vakereen electorale dip, en krabbelen dan weer op. daar bracht iemand tegenin dat SP-ers zelf, volgens gesprekken diehij had, wel degelijk een crisis ervoeren. ik spreek weinig  SP-ers, dus ik vermoed dat hij er iets meer zicht op heeft dan ik.

Een ander punt dat ik maakte ging over SP-stemmers. Mensen stemmen op de partij om de partij groot te maken – zodat die kan gaan regéren!  Dat was het idee in 2006, dat is het ook nu. Wie niet wil dat de SP inderdaad gata regeren, moet geen SP stemmen en daartoe ook niet oproepen.Wie SP stemt, wie oproept om SP te stemmen, en niet wil dat de partij eventueel gaat regeren, die is niet erg consequent. Op de vraag die Peyman – tijdens mijn bijdrage, erg ongedisciplineerd (zeker voor een Leninist :-D) mij toeriep – “wat is het alternatief?”, of woorden van die strekking – antwoordde ik dat naar het standpunt om SP te stemen, nog maar eens heel kritisch gekeken moest worden…

Peyman rondde de discussie af door – nogmaals, hij had dat in zijn inleiding  ook al gedaan – mensen op te roepen een stem op de SP uit te brengen, tegelijk kritisch te blijen op die partij, maar niet “ultralinks” tegen de SP te doen. Wat dat precies betekent volgens hem, “ultralinks”, werd niet echt verklaard, maar ik vermoed dat niet-op-de-SP-stemmen eronder valt. Welnu, ik ben op mijn ouder dag graag besmet met de diverse linkse kinderziekten, I was so much older then, I’m yonger than that now, zong Bob Dylan al eens.

De laatste meeting waar k bij was heette “Chris Harman –  historicus van het volk”. De inleiding werd gedaan door Marcel van der Linden, directeur onderzoek van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en een zeer humoristisch mens. Harman is een november vorig jaar overleden vooraanstaand lider van de Socialist Workers Party (SWP), zusterorganisatie – of moederorganisatie, zoals de spreker het treffend noemde – van de IS. Harman heeft, naast een reeks andere werken, een prachtboek nagelaten: “A People’s History of the World”. Daarover, maar vooral ook over het verschijnsel “geschiedschrijving van het volk”, “geschiedenis van onderaf”, ging de bijeenkomst.

De spreker schetste hoe geschiedschrijving in de loop van de laatste eeuwen was geëvolueerd. Aanvankelijk was het vooral gschiedenis van Grote Persoonlijkheden (vooral mannen), die verhalend werd gebracht: de machtigen van de aarde, koningen, presdenten, noem maar op. Met de opkomst van links, van de arbeidersbewegingen werden aan die Grote Mannen de aanvoerders – nog steeds mannen trouwens, zo vermeldde de spreker subtiel – van linkse partijen en organisaties en dergelijke toegevoegd.

Vanaf de jaren dertig ontstond dan in Engeland een traditie van ‘people’s history’, vanuit hstorici die lid waren (en soms bleven, maar soms ook niet) van de Communistische Partij. We hebben het dan over mensen als Eric Hobsbawn, Christopher Hill, John Saville en E.P. Thompson. Er kwamen ook andere vergelijkbare tradities op, ook in andere landen, en het idee “geschiedenis van onderop” won veld. Een mijlpaal werd het boek van Howard Zinn: “A People’s History of the United States”, van historicus én linkse activist Howard Zinn, begin van dit jaar op hoge leeftijd overleden. Het boek van Harman staat in deze traditie.

De spreker ging vervolgens in op kracht en tekortkomingen van het werk. Het was iets teveel vertellend, te weinig verklarend, maar gezien de enorme omvang van het project  – een zelfmoordmissie, volgens  Marcel van der Linden – overheerste toch welwillendheid en respect voor de prestatie die Harman had geleverd, en die een lezenswaardig boek had opgeleverd.

In de discussie ging het allerlei kanten op. Er werd gesproken over de trend richting een steeds apoltieker benadering van geschiedenis-van-onderop. Het draait vaak uit op een verzameling wetenswaardigheidjes zonder veel evidente relevantie. De spreker had er in de inleiding al op gewezen dat geschidenis-van-onderop niet an zonder inzicht in wat er van-bovenaf gebeurt en bedacht wordt. Er kwam een vraag waarom in Nederland geschiedschrijving van de arbeidersbeweging zo vaak de vorm aannam van biografieën, iets waar Marcel van der Linden juist wel van gecharmeerd bleek te zijn.

Er werd ook gesproken over Harman zelf, zijn  boek en andere bijdragen. Er ware verschillende inzichten over zijn gebruik van de metaforen ‘basis’en ‘bovenbouw’ in de marxistische analyse. Aanwezige IS-er vonden dat Harman toch wel meer analytische verdiensten liet blijken in het boek waar de meeting draaide dan de spreker aangaf. Zelf wees ik op de rol die harman jaar na jaar speelde bij het aanscherpen en up-to-date houden van inzichten van Trotskistische revolutionairen. Keer op keer was het bij nieuwe ontwikkelingen Chris Harman, die door middel van een gedegen en onderbouwd achtergrondstuk in de International Socialism Journal, kwartaalblad van de SWP, een analyse gaf die veel oriëntatie bood. Voorbeelden: stukken Islam-fundamentalisme, globalisering, de perestroika in Rusland en de omwentelingen in oost-Europa die daarop volgden. Hoe ik er politiek nu ook over dacht, dat was waardevol.

Juist die laatste bijeenkomst – en hiermee verlaat ik de bijeenkomsten zelf en kom ik tot wat observaties – wekte vooral achteraf een dubbel, wat weemoedig gevoel bij me. Enerzijds de verbondenheid met een politieke traditie waar ik me meer dan twintig jaar in thuis heb gevoeld, en de sterke banden die ik met allerlei aspecten ervan – maar vooral met personen erbinnen met wie ik te maken heb (gehad) – nog steeds voel. Anderzijds de, de laatste zeven maanden snel gegroeide afstand die ik momenteel voel ten opzichte van deze traditie. Ik vind het Trotskistische project – de opbouw van een revolutionaire partij om de arbeidersklasse aan de macht te leiden – inmiddels misplaats, verkeerd, riskant. Tegelijk is de onderliggende drive voor dit project – een wereldwijde revolutie tegen het kapitalisme vooruithelpen – ook mijn drive , hetgeen de afstand tegelijk minder maar ook schrijnender maakt. Het project is onjuist, die revolutie moet op ándere manieren dichterbij gebracht worden. Maar het dichterbij brengen ervan is noodzakelijk, steeds noodzakelijker.

Terugblikkend op de hele dag: het viel me mee. De bijeenkomsten waar ik was, waren degelijk en nuttig en in sommige gevallen – vooral de inleiding van Pepijn brandon over geschiedschrijving over de Russsische revolutie – ongebruikelijk van opzet en daardoor verfrissend. Ze waren ook – op die over de SP na; daar zag ik teveel lege stoelen – redelijk tot goed bezocht, hetgeen er misschien mee te maken had dat het totale aanbod aan meetings om uit te kiezen iets minder groot was dan andere jaren.

Dingen die me de afgelopen jaren stoorden, zaten me nu trouwens minder dwars. Dan denk ik bijvoorbeeld aan de rare titel van het gebeuren: marxisme Festival. Bij een festival denk ik echt aan iets anders dan aan een reeks seminars. het was nuttig, maar feestelijk vond en vind ik het allemaal geenszins. Dat dit, en andere typerende IS-dingetjes (het overal verkopen van de krant van de IS, de erg gestroomlijnde vorm van het evenement ook) me minder dan ooit stoorden, heeft vast te maken met die eerder genoemde afstand: het is niet langer mijn ortanisatie, mijn traditie, en dus ook niet mijn verantwoordelijkheid, dus ik maak me over die kanten niet meer druk. Ik ben geen deel meer van de collectieve gastheer, ik ben zelf te gast. Als zodanig voel ik me welkom, als zodanig neem ik deel n doe ermee mijn voordeel – en dat blijf waarschijnlijk in de toekomst ook wel doen.


Marxisme Festival: impressies van enkele meetings

25 april, 2010

Zo, even terugblikken op een dagje Marxisme Festival, het jaarlijkse lezingen- en discussiegebeuren van de Internationale Socialisten (IS). Het duurt vandaag nog voort, maar ik vind een dagje wel voldoende. Dat dagje was echter de moeite waard. Natuurlijk vanwege het weerzien en bijkletsen met leuke mensen die ik vaak al lang, vaak te lang, niet had gesproken. En ook vanwege de bijeenkomsten waar ik aan deelnam. Wat impressies.

De eerste meeting die ik volgde ging over het  Trotskisme zoals zich dat na de dood van Troktsky had ontwikkeld, met name over de bijdrage van Tony Cliff aan dat Trotskisme. Na Trotsky’s door hielden veel van zijn aanhangers vast aan een drietal voorspellingen die Trotsky had gedaan: 1. de Sovjetunie zou de Tweede Wereldoorlog niet overleven maar ten val komen; 2. de speelruimte in het Westen voor sociaal-democratische hervormingen bestond niet: permanente crisis stond dat niet toe;  3. in de landen van wat de Derde Wereld ging heten – de koloniën en voormalie koloniën – was landhervorming en nationale onafhankelijkheid onmogelijk zonder arbeidersrevolutie. Alle die voorspellingen bleken ongegrond: de Sovjetnunie kwam als grote mogendheid de oorlog uit; het Wese ging een periode van lange economiche bloei in; en er kwamen in China en Cuba staten op die wel degelijk landhervorming en zelfstandige economische ontwikkeling op gang brachten. Cliff probeerde in de jaren veertig en vijftig van de vorigeeeuw een samenhangende reeks analyses naar voren te brengen om dit teverklaren. Hij onderkende dat Rusland een vorm van kapitalisme was: staatskapitalisme sinds 1928, volgens hem. Hij probeerde te laten zien dat wapenuitgaven de neiging tot crisis tegenwerkten en langdurig uistelde; de theorie van de permanente bewapeningseconomie ; en hij analyseerde het soort revoluties dat de regimes Mao en Castro  voortbracht: de theorie van de afgektste permanent revolutie. Het bevatte voor mij niet hele veel nieuws, maar dat had ik ook niet echt verwacht. De uiteenzetting leek erg op die van Cliff zelf, in uitvoeriger vorm bijvoorbeeld te vinden in zijn “Trotskyism after Trotsky”.

In de discussie ging het over die theorie van staatskapitalisme. Was daarvan, zonder concurrentie binnen Rusland zelf, wel sprake? Een ander punt – iets dat ik naar voren bracht: voor het verschil tussen productiewijzen (feodalisme, kapitalisme) is vooral ook de vorm waarop het meerproduct, het surplus, uit de directe producenten wordt geperst, bepalend. Heb je slavernij (werkers die eigendom zijn van bezitter)? Heb je – maatgevend in het feodalisme – grondgebonden arbeid (werkers die als het ware aan het land vast zitten en een deel van opbrengst of tijd aan de bezitter moeten afstaan)? Of heb je loonarbeid (werkers die hun arbeiderskracht voor bepaalde periodes verkopen aan de bezitters)?  Ook in Rusland was er van loonarbeid sprake, en juist dat laat het kapitalistische karakter van die maatschappij al zien. Ik stelde er alleen wel een vraag achteraan: vóór 1928 was er óók al loonarbeid in Rusland. Waarom was er toen, volgens de spreker, dan niet van kapitalisme sprake?

De antwoorden, van diverse leden van de IS, waren standaard en onbevredigend. De één wees erop dat je de loonarbeid niet in één klap kon afschaffen en het socialisme niet in één ruk na de revolutie kon invoeren – alsof ik dat had beweerd.  De ander wees erop dat er onder Stalin vanaf 1928 een volledig einde aan alle restanten van rbeidersinvloed werd gemaakt, en dat de Bolsjevistische partij zelf zodanig werd gezuiverd dat iedereen die in de Oktoberrevolutie van1917  iets betekende, wed omgebracht en dergelijke. Dat was mij echter al bekend, en het laat zien dat er in de late jaren twintig inderdaad iets drastish, contrarevlutionairs, gebeurde. Maar het is geen antwoord op de vraag of er ook vóór 1928, niet toch sprake was van een vorm van kapitalisme, een mengsel tussen staats- en marktkapitalisme met inderdaad nog sterke restanten van arbeidersinvloed. Volgens mij is het antwoord op die vraag: ja, Rusland was allang kapitalistisch voorat Stalin  de laatste resten revolutie opruimde. Zoals je binnen het kapitalisme wel vaker een drastische switch hebt tussen meer democratische en volslagen autoritaire bestuursvormen, met bijbehorende afbraak van arbeidersrechten. Duitsland, 1933, bijvoorbeeld. Niemand zal echter uit de machtsgreep van Hitler, het verbieden van linkse partijen en vakbonden en het instellen van een volslagen dictatuur afleiden dat er vóór die tijd níét van een vorm van kapitalisme sprake was…

Maar aan deze tegenwerpingen kwam in in de discussie niet toe, er waren meer mensen die het woord wilden, en dat hoort dan voorrang te krijgen. Alles bij elkaar was het wel een levendige bijeenkomst, met echte discussie, redelijk druk bezocht ook. En ik heb nu Martin Smith, kopstuk van de SWP, de zusterorganisatie van de IS, nu eens zien spreken. Zo blijft men leren en ervaringen opdoen 😉

Vervolgings ging ik naar een bijeenkomst met de titel “Waar blijft het antwoord op Wilders?” Dat bevatte veel leerzaams. Er waren drie sprekers: Anne-Ruth Wertheim ging in op de soort van racisme waar Wilders zich sterk voor maakt. Ze onderscheidde uitbuitingsracisme, gericht tegen groepen die het zware werk moeten doen en op wie neergekekn wordt; en concurrentieracisme, gericht tegen groepen die als bedreiging, indringers, rivalen werden gezien. Antisemitisme is bijvoorbeeld zulk concurrentie-/ cultureel racisme.

Wertheim betoogde dat er veel parallellen zijn tussen Wilders’ racsme tegen moslims en dat antisemitisme. Volgens haar is Widers’ racisme een mengvorm van het uitbuitingsracisme en hetcncurrentieracisme. Ze was niet optimistisch, en voorzag uiteindelijk grootschalig geweld tegen moslims. Van de huidige dip in Wilders’ aanhang was ze niet onder de indruk.

Mohammed Rabbae, voormalig fractieleider van GroenLinks, had een opvallend bijdrage. Hij ging, zoals we van hem gewend zijn, fel tekeer tegen Wilders, en zette hem neer als harde racist. Maar hij deed meer. Hij legde een verband tussen Wilders’ oproep dat moslims het land uit moesten, en zijn extreme pro-Israël-politiek. Volgens hem  is Wilders zo ongeveer de spreekbuis in Nederland van de uiterste rechterzijde in Israël. Die staat krijgt groeiende PR-problemen, veel mensen keren zich tegen het Israëlische beleid tegen Palestijnen. Dat heeft te mken met de grotere aanwezigheid van mensen uit het Midden-Oosten in landen als Nederland, en hun groeiende deelname aan de hoofdstroom van de maatschappij. Om het debat weer ten gunste  van Israël te keren, moeten Europese landen dus van hun moslims af, en wie in Nederland predikt precies dat? Inderdaad: Wilders! Hiermee is volgens Rabbae de warme pro-Israël-houding van Wilders én zijn islamofobie, in samenhang verklaard.

De derde spreker was Karwan Fatah-Black, van de IS.  Hij had – arme jongen! – zijn vrijdagavond doorgebracht met het lezen van het verkiezingsprogramma van de PVV. Hij liet met citaten zien hóé rechts het programma was, niet alleen wat betreft moslims en dergelijke, maar juist ook op sociaal-economische thema’s. Mij viel, toen ik dit beluisterde, erg op hoezeer de media dan nog een overdreven aandacht voor de paar sociale punten – handen af van WW en studiefinanciering en van de AOW-leeftijd – hadden. Alle veel rechtsere, ultra-VVD-ideeën, bleven in de media-aandacht onder- of helemaal onbelicht. Het was erg goed dat Karwan juist deze zaken met nadruk naar voren haalde. Ik ga er binnenkort ook nog op in, op de PVV, haar programma, haar vooruitzichten en dergelijke.

Ik heb de meeting luisterend doorgebracht en niets ingebracht in de discussie. Bedenkingen had ik wel, vooral bij Rabbae’s betoog. Parallellen zien tussen rechts in Israël en de PVV hier is zinnig. Maar de suggestie dat dit verklaard zou worden door geheime Israëlische geldelijke steun – een suggestie die Rabbae indirect deed – is hachelijk. In de eerste  plaats is het een onderschatting van Wilders’ zelfstandigheid. De PVV keert zich om eigen machtspolitieke redenen tegen moslims, speelt de racistische kaart gewoon om macht te vergaren. Wilders is veel méér dan een pion van Israëlisch rechts of van wie dan ook. In de tweede plaats bekruipt mij, bij verwijzingen naar geheim Israëlisch geld in welke richtig dan ook, toch een lichte huivering. Van Israelisch geld als bron van kwaad naar joods geld en invloed als bron van alle kwaad – klassieke antisemitiche drogreden –  is niet zo’n hele grote stap, en van dit type van complotdenken dient links verre te blijven.

In de derde meeting gaf Pepijn Brandon, van de IS ook, een weergave van debatten door de jaren heen over de Russische revolutie en de ontwikkelingen daarna. Zoals vaste lezers van dit blog wel weten, hebben hij en ik hier inmiddels een flink verschillende mening over, hetgeen een extra reden was om juist deze bijeenkomst bij te wonen. En ik heb geen spijt, we werden onthaald op een zeer  heldere presentatie over de diverse richtingen en stromingen die het debat onder historici kent.

Pepijn wees eerst op de standaard-Koude-Oorlogsversie: de Oktoberrevolutie was een staatsgreep. Lenin leidde rechtstreeks tot Stalin, en Lenin had het allemaal al in “Wat te Doen” aangekondigd, in 1902.  Daar tegenover stond wat hij de ‘kritische traditie’ noemde, van mensen die vooral door Trotsky beïnvloed waren en zijn. Elementen daaruit: Oktober was een echte brede revolutie, economische ineenstorting en burgeroorlog deden het post-revolutionaire bewind ontaarden tot een bureaucratische dictatuur, het uitblijven van revolutie elders – met name in Duitsland – wordt de Russische revolutie dan noodlottig, en Stalins regime bekrachtigt eind jaren twintig dat noodlot. Van een continuïteit tusen Lenin en Stalin was echter geen spreke, en het bewind bleef aanvankelijk open voor druk van haar eigen basis. Een derde richting, de revisionistische, die opkwam nadat er steeds meer bronnen in Rusland beschikkbaar wamen, gaf de kritische richting op veel punten gelijk. Maar intussen heeft het debat weer een rechtsere wending gekregen, met een postmoderne nadruk op cultuur en retoriek – waarbij Pepijn erop wees dat voor dubbele bodems en kwalijke bijbedoelingen van Bolsjevieken wel oog was, terwijl de uitspraken van opponenten van die Bolsjevieken niet op dezelfde kritische manier als dubbelzinnig werden ingeschat.

Al met al haalt Pepijn uit de geschiedschrijving over deze periode een beeld van een post-revolutionair Rusland waarin een bewind functioneerde dat open stond voor druk vanuit haar basis, dat zeker geen totale dictatuur is, maar waarin bureaucratisering een steeds groter gewicht kreeg, en gewicht waaraan de revolutie uiteindelijk bezweek. Keuzes van het bewindspeelden overigens wel een rol in het verloop van dit  proces, en de kansen die er nog waren voor verzet en dergelijke. Het isolement van de revolutie werd de revolutie echter fataal, en opende de weg naar de consolidatie van het Stalinisme waarmee aan elke arbeidersdruk van onderaf, elk restant van revolutionaire dynamiek, een einde komt.

In de discussie werd stevig de degens gekruist. Twee mensen, waaronder ik, brachten de breuk naar voren die er ook al in de begintijd tussen regime en arbeiders ontstond. Het tot iedere prijs vasthouden aan de staatsmacht, deels  door omstandigheden maar deels ook door de ideologische vooronderstellingen van bijvoorbeeld Lenin ingegeven, droegen hieraan bij. Dat de revolutie in isolement niet kon winnen, klopte. Maar nu kreeg de nederlaag ook nog eens vorm in een bewind dat uit naam van de verdediging van de revolutionaire idealen tegenover de klasse van waaruit dat bewind was opgekomen, kwam te staan. De macht opgeven en verder vechten voor een comeback sámen met de onderliggende klassen, als deel van die klassen,  was beter geweest. 

Vooral tegen dat laatste idee werd scherp ingegaan, ook door Pepijn in zijn afronding. “Als de Bolsjevieken de burgeroorlog hadden verloren, was fascisme een Russisch en geen Italiaans woord geweest”, zo hield hij, Trotsky citerend, zijn gehoor voor.  Misschien – zo denk ik, terugblikkend op de meeting – maar vasthouden aan de macht tot iedere prijs dient niet de revolutie maar uiteindelijk enkel die macht zelf. De uitkomst van dat proces was uiteindelijk wel degelijk Stalin. Ik blijf erbij dat revolutionairen, gesteld voor de keus tussen onze klasse en de staatsmacht, onder alle omstandigheden voor onze klasse moeten kiezen. De discussie was best stevig, maar verviel niet tot het goedkope puntenscoren waar ik van tevoren een beetje bang voor was. Nuttige mooie meeting.

Misschien dat ik nog wat over de andere twee bijeenkomsten schrijf, vandaag of morgen. Misschien ook niet. Voor nu vind ik het even genoeg. Zon en muziek wenken.


Staakresultaat voor volhardende schoonmakers

22 april, 2010

Schoonmakers hebben met hun langdurige staking de bazen in de schoonmaaksector tot een loonsverhoging bewogen die boven het oorspronkelijke bod van die ondernemers lag. Dat betekent – zo is mijn indruk op basis van de eerste berichten – een gedeeltelijke overwinning voor de schoonmakers in hun bewonderenswaardige strijd.

Het voorlopige akkoord bevat een loonstijging van 3,5 proent, stapsgewijs doorgevoerd. Dit jaar juli een procent, 1 januri volgend jaar nog een procent, volgend jaar juli 0,75 prcent, en een eindejaarsuitkering van 0,75 procent eind 2011. Dat is niet de volle 4 procent die de vakbond eiste, en de verhoging gaat ook niet voortvarend genoeg en blijft zo helemaal maar amper vóór op de inflatie. Maar het zit ruim boven de 2 procent die de bazen boden. Het verhaal van ondernemerskant dat er niet meer geld was voor loonsverhoging is dus keurig weggestaakt.

Verder is afgesproken dat er een convenant, een soort afspraak, komt tussen vakbond, schoonmaakbedrijven en pdrachtgevers. Dat doet ertoe, want juist het streven naar een zo goedkoop mogelijk contract voor het schoonmaakwerk werd door de schoonmaakbedrijven aangevoer als excuus om een ruimere loonstijging voor onmogelijk te verklaren. “In dit convenant, dat de komende maanden verder wordt uitgewerkt, is ondermeer afgesroken dat opdrachtgevers mede verantwoordelijk zijn voor de schoonmakers” , aldus de NRC. In die nog vage formulering zit nog ruimte voor conflictstof genoeg. Maar het biedt een handvat voor schoonmakers om opdrachtgevers onder druk te zetten. Aan het excuus van opdrachtgevers – NS, Schiphol, universiteiten, Heineken, noem maar op – dat schoonmakers niet bij hen moesten zijn maar hooguit bij de bazen van de schoonmaakbedrijven, de schoonmaakbedrijven, komt op deze manier een eind. Ook dat is een  stap vooruit.

Het akkoord moet nu nog door vakbond en ondernemers aan hu  achterbannen worden voorgelegd. Meer details worden ongetwijfeld komende uren en dagen bkend, waarmee ook een preciezer analyse van plussen en minnen van het resultaat mogelijk wordt. Dat het een soort van overwinning is, lijkt me echter wel duidelijk.

Het belangrijkste positieve resultaat is echter de strijd zelf! Het was een lange staking: negen weken,  de langste staking in Nederland sinds 1933. Het was een aanzwellende staking, met uiteindelijk 1000 stakers, volgens de NRC. Het was een hele dynamische staking, met groepen enthousiast-boze actievoerders die voor de deur van opdrachtgevende bedrijven – de ene keer Schiphol, de andere keer Heineken – opdoken om die onder druk te zetten, met een vijfdaagse sit-in in de stationshal van CS Utrecht als tussentijds hoogtepunt. Het was ook een staking waarin de betrokken arbeiders een relatief grote eigen inbreng hadden, via het zogeheten organising-model – een concept waarover Globalinfo een kritisch interview met betrokkenen deed, maar waar nota bene ook het dagblad Trouw een paar dagen geleden een vrij uitvoerig artikel aan wijdde: “Nieuw: de Doe-het-zelf-actie”. Zo héél nieuw is het concept weliswaar niet, maar daaar gaat het nu eventjes niet om. ‘Doe-het-zelf-actie’, inderdaad: dat is precies wat we nodig hebben, en wat de schoonmakers in een aantal opzichte ten beste gaven.

Het was ook een vrij grimmige staking van ondernemerskant, met intimedatie en de inzet van stakingsbrekers. Het was vooral ook een staking die een opvallende hoeveelheid solidariteitsacties van allerlei delen van links opriep. De SP sprak op diverse manieren steun uit voor de schoonmaakactievoerders. De Anarchistische Groep Amsterdam hield samen met Vrije Bond en Klasse! een picketline. Zowel de Internationale Socialisten als Doorbraak betuigden steun, hielpen mee en deden verslag.  Er kwam een solidariteitscomité Steun de Schooonmakers van de grond. Het is maar een greep.

Dit was meer dan zomaar een staking. Dit was een bredere sociale strijd vol vuur en elan. Het gedeeltelijke succes ervan biedt een hoopgevend voorbeeld, voor andere groepen vertrapte arbeiders met vergelijkbare  problemen, en uiteindelijk voor ons allemaal.


Geen soldaten naar Afghanistan – en ook geen politiemensen aub

21 april, 2010

D66 en GroenLinks krijgen hun zin: een meerderheid van 80 Kamerleden is voorstander van tenminste onderzoek naar een politiemissie in Afghanistan. De vraag of er militairen meegaan, en of de missie in Uruzgan of elders plaats vindt, ligt nog open. dat hielp met name de PvdA over de streep. Maar ook zonder militairen erbij is het sturen van agenten als trainers een heilloos plan dat krachtige tegenwerking verdient.

GroenLinks  en D66 kwamen oorspronkelijk met het idee om 200 tot 250 soldaten te sturen om 50 politietrainers te sturen. Dat idee maakt geen onderdeel uit van de motie die de twee partijen  ter stemming bachten. Die behelst nu met name de vraag aan het kabinet om de mogelijkheid van een politiemissie te onderzoeken. maar Maxime Verhagen is sowieso al blij. Hij sprak van een “‘een heel helder signaal’ dat Nederland de Afghanen niet in de steek wil laten.” Wat vooral helder is, dat is Verhagens opluchting dat Nederland toch op één of andere manier mee blijft doen aan de Westerse gewapende operaties in Afghanistan. Degenen die boven alles niet in de steek gelaten mag worden van Verhagen zijn niet ‘de Afghanen’, maar de VS en de NAVO. GroenLinks   en D66 laten met hun v motie vooral zien hoe zwaar oor hun dat kwaadaardige bondgenootschap met VS in NAVO-verband weegt.

De SP geeft geen steun aan het plan, en dat is maar goed ook. Maar de afwijzing heeft wel een misplaatste beperking. Op de SP-website staat dit: “Volgens Van Bommel  onderzoekt de minister nu al of  er extra politietrainers naar Afghanistan gaan. “Dat heeft de regering al in een brief aan de Kamer gemeld en daar is ook niks tegen. Waar we bezwaar tegen maken is om met die politietrainers ook militairen mee te steunen. Daarmee gaat GroenLinks een stap verder dan wat de regering zegt te willen. Op die wijze is sprae van een voortgezette militaire missie, eventueel zelfs in Uruzgan. Daar zullen we niet mee instemmen.” De motie zoals die uiteindelijk werd ingediend spreekt weliswaar nietvan militairen. Maar SP-kamerlid Harry van Bommel ziet goed dat de deur voor het mee sturen van militairen met de motie wel komt oen te staan.

Met militairen in Uruzgan gaat de SP dus terecht niet akkoord. Met politietrainers echter ten onrechte wel. Sterker: “Nederland levert op dit moment, met steun van de SP al enige tijd 20 politietrainers voor een opleidingsmissie van de Europese Unie. Later dit jaar komen er nog 6 trainers bij.” Ziedaar het gevaarlijke hellende vlak.

Het sturen van politiemensen – en ook het steunen van de aanwezigheid van de 20 die er al zijn – is verkeerd. De eerste reden is de gevoelde noodzaak om die politiemensen dan ook van bescherming te voorzien. Zo werk je het meesturen van soldaten in de hand. Ja, je kunt ook zeggen: dan leveren andere landen die militairen maar. Dat betekent echter geen principiële, maar slechts opportunistische, weigering van eigen militairen. Als het erom gaat dat er geen Westerse soldaten naar dat land toe moete, dan maakt het niet wezenlijk uit of het nu Nederlandse soldaten zijn, of Canadese, of Australische. Wie de Westerse militaire rol afwijst, kan geen genoegen nemen met de vervanging van Nederlandse door bijvoorbeeld andere NAVO-soldaten. Elk soort missie dat die militaire beveiligingsnoodzaak oproept, dient daarom van de hand gewezen te worden.

Een tweede reden om het sturen van politietrainers af te wijzen ligt in het wezen van die Afghaanse staat die hiermee gesteund wordt. Die is corrupt en doordrenkt van bijvoorbeeld drugshandel. De politie doet ook nog eens dienst om een regering te verdedigen wiens president zijn baan te danken heeft aan de VS die hem invloog na de Amerikaanse aanval van 2001, en aan frauduleus verlopen verkiezingen, onder meer afgelopen zomer. De Afghaanse politie opbouwen betekent: de Afghaanse autoritaire corrupte machthebbers helpen, hunhandelswijze misschien enigszins opkalefateren zonder dat er wezenlijks verandert. Dat verdient het om totaal gedwarsboomd te worden.

Geen militairen sturen dus naar Afghanistan – en de daar nog aanwezige militairen onmiddellijk terughalen! – maar ook geen politietrainers. En de 20 die er, met een misplaatst goedvinden van de SP,  al zijn, dienen per direct terug te komen. Dat een door sommigen nog steeds als ‘links’ beshouwde partij als GroenLinks met een nieuwe oorlogsmissie in Afghanistan aan komt zetten, is een schande. Dat de SP een Nederlandse politierol in het land niet afwijst is echter óók helemaal niet in de haak.


Femke Halsema op weg naar het pluche

20 april, 2010

Met kiezersbedrog kun je niet vroeg genoeg beginnen, als je als een serieuze kans op regeringsdeelname wil maken. Zou dat de gedachtengang zijn in de top van GroenLinks? Het heeft er veel van weg.

Zo las ik de over lijsttrekker Femke Halsema in De Volkskrant: ‘Ze  hoopt op minstens 15 zetels en belooft daarmee ‘de cultuur van gekonkel in achterkamertjes te stoppen.'” Valt zoiets ernstig te nemen? Als er van de 150 kamerzetels 15 naar groen links gaan, of zelfs 20 – danweten w zeker dat de ander 135, of 130 – nooit meer achter de schermen een motie bekokstoven?dan weten we zeker dat CDA, VVD, PvdA zich transparant – zo heet dat toch – gaan opstellen? Uit angst voor de 15 of 2o GroenLinksers in de Kamer, die zelf uiteraard boven iedere verdenking van gekonkel verheven zijn (de rooieravotr wenst namelijk niet van smaad beticht te worden door Femke)? Past hier iets anders dan langdurig hoongelach, waarna we – om in motie-taal te spreken – overgaan tot de orde van de dag?

Iets serieuzer is de houding van Halsema ten aanzien van een uitspraak van het partijcongres van GroenLinks. Daar werden een flinke reek amendementen aangenomen. Eén daarvan richtte zich tegen het opnemen van het streven naar een referendum in het partijprogramma. Daarvan kun je van alles denken, maar daar gaat het me nu niet om. Het congres van  deze partij besluit democratisch dat het standdpunt gewijzigd wordt, van pro-referendum naar anti-referendum. Je zou denken dat een partijleiding en een lijsttrekker dat hetzij loyaal uitvoeren,  hetzij er een drama van maken en zeggen: dan wens ik deze partij niet meer te leiden.

Maar nee hoor. “Halsema wil referendum niet overboord gooien”, vertelt Nu.nl. De partijtop wil er nog eens een goeie discussie voeren over in de partij, en dee meerderheid tegen het referendum was op toch eigenlijk wel heel krap. Kortom: wat de leden ook vinden, de partijleiding drijft haar zin door. En als er mensen zijn voor wie dit standpunt een reden zou zijn om GroenLinks  te stemmen, dan weten die dat er met die reden door Halsema niet noodzakelijkerwijs rekening gehouden gaat worden.

Mocht zij een andere politicus nog eens aan niet nagekomen verkiezingsbeloften wil helpen herinneren, dan heeft ze daarin bij voorbaat al veel geloofwaardigheid verloren. Maar voor eventuele regeringsdeelname is haar gedraai en hooghartigheid jegens eigen achterban – pardon, haar realisme en flexibiliteit – ongetwijfeld een aanbeveling. Op naar de achterkamertjes!