Posters anarchisten verwijderd wegens “majesteitsschennis”

29 april, 2008

Het is weer zover: het Openbaar Ministerie biedt rebellen, of ze zich nu anarchist, trotskist of weet ik wat noemen, een gratis prachtkans om zich te profileren en om Orde en Gezag een nieuwe, welverdiende afgang te bezorgen. Het OM heeft opdracht gegeven om posters van de Anarchistische Aktie Groep (AGA) te laten verwijderen. Welnu, kameraden, waar wachten we op? Grijpen, die kans! Verspreiden die posters – en maar eens kijken hoe snel het deze keer duurt voordat het OM deze keer bakzeil haalt…

Het gaat om posters waarin de AGA oproept voor een benefietfeest met muziek en veganistisch eten aan de vooravond van Koninginnedag. “Dood aan de koningin” staat er, en we zien een schets van de majesteit met strop om haar nek. Het is allemaal overduidelijk een grap, en niemand is verplicht de grap leuk te vinden. Maar het OM spreekt van “majesteitsschennis”.

De redenering is weer eens heerlijk krom. Dit schrijft de NRC: “Volgens een woordvoerder beschouwt het OM de poster als een beledigende uiting over koningin Beatrix als persoon. “Dat is majesteitsschennis.” “ Welnu, als het gaat om een belediging van de persoon Bea, dan is het géén majesteitsschennis, maar gewoon belediging. De term majesteitsschennis duidt immers op de publieke rol van Bea als majesteit, en dus niet op haar persoon. Zitten er bij het OM dan geen eens geschoolde juristen meer die zoiets snappen? Of  zit de NRC-redactie te maffen tijdens het schrijven en bekijken van dit artikeltje? Overigens is Bea “als persoon” op de poster amper te herkennen.

Natuurlijk gaat het  de mensen van het OM niet om deze juridische zaken. Al te scherpe teksten tegen orde en gezag – waar de koningin het symbool van is – díe zijn doelwit van het verwijderen van de posters. Het lijkt op eerdere pogingen om kritische opstandige posters van de muren te  krijgen. Eind 2005 hadden we de prachtige prenten van Rita’s Reisbureau. Daarmee stelden actievoerders de rol van Rita Verdonk in de Schipholbrand – waar 11 mensen zonder verblijfsvergunning omkwamen in een cellenbrand – aan de kaak. De poging van justitie om deze poster te onderdrukken liep vast: mensen gingen de poster met groot enthousiasme juist extra ophangen, en de staat kreeg uiteindelijk nog grotendeels geen gelijk van een Haagse rechtbank ook.

Eerder dit jaar hadden we een nog snellere afgang. Toen verspreidden de Internationale Socialisten posters met “Wilders Extremist”. Twee keer hielden politieagenten verkopers van deze posters aan, eerst op de Dappermarkt, daarna op de Dam. De tweede keer zaten daar niet alleen IS-ers bij, maar ook een GroenLinks-kamerlid. Binnen twee dagen maakte burgemeester Cohen bekend dat hij de aanhoudingen onzin vond, en al heel snel daarna krabbelde het OM terug. Het was onduidelijk wat sneller ging: de afgang van het gezag of de groei van de verkoop van de poster de weken erop.

Deze succesformule voor rebellen kan nu ook weer gehanteerd worden. Hoe meer van die AGA-posters – misschien in aangepaste versie, want het benefiet waar de poster over gaat vindt vandaag plaats en heeft geen poster-aankondiging meer nodig – er her en der opduiken, hoe lastiger de gezagsfanaten het krijgen, en hoe groter de kans dat ook deze aanval van Justitie op de kritische meningsvrijheid krijgt wat ze verdient: een eervolle plek op de mestvaalt. Of je nou anarchist bent of niet – verspreiden die hap!

Advertenties

Afscheid van het Leninisme? Ofwel:niet schrikken, kameraden;-)

27 april, 2008

Onlangs beëindigde ik mijn lidmaatschap van de Internationale Socialisten (IS), een organisatie waarin ik bijna 20 jaar lang als lid actief ben geweest. De organisatie staat in de Leninistische traditie. Dat werpt de vraag op, voor mezelf maar wellicht ook voor mensen die mij als revolutionair socialist in de IS hebben leren kennen, of mijn afscheid ook betekent dat ik mij losmaak, of al losgemaakt heb, van die Leninistische traditie. En dát werpt weer de vraag op wat dat Leninisme nu eigenlijk voor mij inhoudt. Over deze vragen, en wat die vragen naar boven brengen, ga ik op dit weblog de komende tijd af en toe wat losse aantekeningen neerzetten. Misschien maak ik er, als ik verder ben, wel iets meer van. Ik zal wel zien.

Een eerste opmerking: ik ben geen Marxist en Leninist geworden in de IS. Ik wás op dat moment al Marxist en Leninist [opm.: dat laatste zinnetje heb ik, voor de duidelijkheid, op 30 mei 2008 aan de tekst toegevoegd]. Ik was, lezenderwijs, pratenderwijs, denkenderwijs in de jaren 1986-1987 tot de conclusie gekomen dat de anarchistische ideeeën waarmee ik me in die tijd verwant voelden, geen adequaat antwoord boden op de vraag hoe we van de gevestigde orde afkwamen, en waardoor we die orde dienden te vervangen. Dat werd me duidelijk bij het voorbereiden van mijn doctoraalscriptie over de Amerikaanse anarchist Paul Goodman, een figuur waarvan trouwens heel veel van valt te leren op allerlei tereinen, van kunskritiek tot levenskunst. Maar dat is stof voor een ander verhaal.

Paul Goodman zag  anarchistische trekjes op allerlei plekken. Arbeiderszelfbestuur had een anarchistische inslag, directe actie tegen atoombommen, sit-ins om de racistische aparte faciliteiten in cafetaria’saf te dwingen ook. Maar zelfstandige ambachtslieden konden er ook mee door, en het vrijemarktbeginsel zoals een politiek econoom als Adam Smith mocht er uit anarchistisch oogpunt ook best wezen, volgens Goodman. Het soort maatschappij dat hij graag zag ontstaan was feitelijk een lappendeken van communes en collectieven, kleinschalige bedrijven, in particulier bezit en/ of onder arbeidersbestuur, door de betrokkenen zelf bestuurde onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en een staat die zich beperkte tot die dingen die werkelijk beter centraal gedaan konden worden, het regelen van een spoorwegnet bijvoorbeeld(1).

Twee vragen drongen zich op, en het lezen de marxist Ernest Mandel hielp mij zeer bij het opsporen ervan. De eerste was: als de maatschappij een netwerk was van allerlei kleinschalige eenheden, zoals boven beschreven – wat was dan het mechanisme dat de boel bij elkaar hield? Kwam de vrije uitwisseling tussen losse productie-eenheden niet aal heel gauw neer op de markt als sturend mechanisme? En gold dat niet de kritiek die vanuit marxistische richting daarop werd uitgeoefend niet ook voor Goodman’s visie? Zou je niet via de achterdeur de succesvol opererende ondernemingen boven zien komen drijven – met de bijbehorende ongelijkheid? Ik zeg het nu in woorden die ik vermoedelijk destijds niet gebruikte (ik maakte in 1986 nog geen weblog, ik kan het niet nagaan)… Maar daar kwam mijn twijfel toch wel op neer.

De tweede vraag – ook daarop dienden zich vanuit de marxistische traditie steeds helderder antwoorden voor mij aan – was: hoe komen we van hier naar daar? Zou de veelheid van locale initiatieven – om zelf een collectiefje te beginnen, om actie te voeren tegen onrecht, oorlog, machtsmisbruik – zomaar spontaan samengaan en de weg vrij maken voor zo’n vrije libertaire maatschappij zoals Goodman voor ogen stond? Of was er iets meer nodig – slagvaardigheid, coördinatie, het op de spits drijven van alle revoltes tot iets groters – een revolutie? Alweer bracht het lezen van marxisten – vooral Mandel, en vooral zijn op interveiws gebaseerde prachtboek “Revolutionary Marxism Today” – flink wat verheldering. Een deel ervan vond ik on-line: “Revolutionary Strategy in Europe – a Political Interview”.

Een derde belangrijke invoeld was het werk dat in vanaf voorjaar 1986 – toen ik net met die Goodman-scriptie bezig was – deed in het Anti Militaristies Onderzoeks Kollektief, AMOK. Daar werkten mensen die vanuit marxistische analyse – denken en zoek in termen van klassen en klassentegenstelling – de machtsverhoudingen analyseerden, vooral dan de militaire en anderszins gewapende dimensies ervan. Ik hielp daar bij het archief van krantenknipsels, maar in samenhang ermee voerde ik ook steeds discussies over de samenhangen achter wát ik nu eigenlijk aan het opbergen was. Twee mensen met wie ik die tijd zeer veel discussieerden,  zelf veteranen in de linkse beweging, leerden me feitelijk de kneepjes van het marxistische vak. Hen beschouw ik nog steeds als mijn mentoren. Nee, ik noem geen namen, de AIVD leest met ons mee, en er is ook nog zoiets als privacy, nietwaar? Maar mij dank is groot en vuurrood.

Deze mensen brachten me ook op het spoor van wat later de IS zou worden. Ze raadden met een maandblad aan, de Socialist Worker Review, blad van de Socialist Workers Party. Vanaf begin 1987 kocht ik dat  veelvuldig, bij de Rooie Rat. Zo kwam ik in aanraking met de IS-politiek, een samenstel van opvattingen waarin arbeidersstrijd wereldwijd gezien werd als we zijze waarop we van het kapitalisme af konden komen. En ‘wereldwijd’ betekende: west én oost: ook de Stalinistische staten waren volgens deze traditie een vorm van kapitalisme, een inzicht waar ik niet meteen voor gewonnen was, maar wat me tegelijk erg geruststelde: van enige softheid of vergoelijking van de Stalinistische wandaden was hier geen sprake. Antistalinist was ik, deels door anarchistische impusen en invloeden, maar ook nog eens aangewakkerd door een bezoek aan een drietal Oostblokstaten in 1985, toch al. Op een vakantie in herfst 1987 in Groot-Brittannië bezocht ik daar diverse linkse boekhandels, en ik kwam met een flinke handvol IS-lectuur terug. Dat hielp ook. In de late winter en het vroege voorjaar van 1988 kwam ik dan de mensen tegen die de Groep Internationale Socialisten vormden, de voorloper van de IS. Na een maand vergaderbezoek, discussies en een keertje met ze mee naar  een demonstratie, sloot ik me aan. Ik was thuisgekomen na een lange politieke reis, zo voelde het. Van die reis heb ik geen spijt, van het langdurig verblijf in dat politieke thuis in essentie trouwens evenmin. Maar ik loop op zaken vooruit.

Voordat ik me daadwerkelijk aansloot bij de IS stond voor mij het volgende vast al: we hebben een revolutie nodig om van het systeem af te komen; dat moet een wereldwijde revolutie zijn, gedragen door de arbeidersklasse; die revolutie wint niet puur spontaan, daar is een soort van sturing, coördinatie, leiding voor nodig – iets partij-achtigs, al wist ik niet precies wat en hoe. En die revolutie richt zich tegen alle vormen van onderdrukking, en óók tegen het als socialisme vermomde kapitalisme aan de andere kant van et Ijzeren Gordijn. Ik herkende mezelf, al vóór ik IS-er werd, als een soort van leninist, een soort Trotskist. De mensen van de GIS gingen met groot enthousiasme de discussie met mij aan. De mensen van de SAP (toen nog de Socialistiese Arbeiderspartij, de andere Trotskistische groepering in Nederland die zichtbaar was voor mij) uit die tijd hadden niet zo’n gretige houding om een nieuw zoekend iemand voor hun organisatie te winnen. Ook daarom ging de buit naar de (G)IS.

Waar dit verhaal op neerkomt: ik kwam als Marxist en Leninist de organisatie binnen. En – om vast een geheimpje prijs te geven – ik ben als Marxist en Leninist er weer uit gestapt, en ben dat nog steeds. Degenen die in mij een diep in het Leninisme teleurgestelde ex-Trotskist menen te ontwaren moet ik teleurstellen, degenen die de oude anarchist in mij tegen hopen te komen, omgevormd tot stenengooier als onderdeel van één of ander Black Block, eveneens – en dat is níét omdat ik daar niet kwaad genoeg voor ben trouwens. Maar degenen die denken dat daarmee de Leninistische traditie zoals gehanteerd door de IS wat mij betreft ook buiten schot blijft, vergissen zich ook. Er is wel degelijk een probleem met dat Leninisme – het is mij namelijk op een bepaalde manier zowel te Leninistisch als niet Leninistisch genoeg. Is dat geen mooie cliffhanger?

(1) Ik zou het graag met een uitvoerig citaat hebben laten zien wat Goodman precies zegt, maar de link die ik vond werkt niet en het boek waar ik het citaat in kan vinden heb ik niet bij de hand. Misschien voeg ik het alsnog ergens toe.


Hier en daar een staking

23 april, 2008

Vandaag is een dag van stakingen en geruchten van stakingen. Vandaag is daarmee weer eens zo’n dag die ons helpt herinneren wat ook alweer de centrale breuklijn in de maatschappij is. Niet regering versus onderdaan, niet een ongedefinieerde elite tegen een even schimmige massa. En ook niet links tegen rechts. Al die tegenstellingen zijn slechts afgeleiden van de echte breuklijn, die latent altijd aanwezig is, en af en toe zichtbaar een voelbaar wordt: de breuklijn tussen ondernemers en werkers, tussen kapitaal en arbeid. Stakingen laten dat zien: daarin immers laten arbeiders voelen dat zij de kapitaalsmacht uitdagen, er op zijn minst grenzen aan stellen, voor hun rechten op komen.

Zo brachten postbodes vandaag in Den Haag geen post rond, behalve rouwkaarten en medische poststukken. Het gaat om een CAO-loonconflict: vakbonden weisen 3,5 procent, het bedrijf biedt het eerste jaar 1,5 en het jaar daarop nog eens 1,5 procent. Op de achtergrond speelt ook om een dreiogende reorganisatie, die een “versobering van de arbeidsvoorwaarden” gaat inhouden, die volgens TNT Post noodig is om te kunnen concurreren. Bij zulke versoberingen kunnen we denken aan lager loon, onzekerder rechtspositie enbanen die gevaar lopen.

Vandaag zijn 300 personeelsleden van Atos Origins in staking gegaan voor een betere CAO. Dit is de eerste staking van een volle dag in een automatiseringsbedrijf, en daarmee een soort mijlpaal in arbeidersstrijd. Ook hier draait het om loon: de bazen bieden 2 procent, de bonden komen op voor 3,5 porocent. eerder waren er al lunchbijeenkomsten en werkonderbrekingen bij diverse veesigingen van het bedrijf dat in totaal  9000 personeelsleden in Nederland telt.

Vandaag werd bekend dat er acties komen van grondpersoneel va het bedrijf Menzies bij Schiphol. Alweer een loonstrijd: bazen bieden 1,5 procent, de vakbond FNV Bondgenoten eist 3,5 procent. Wanneer de stakingen bij het 450 personeelsleden tellende bedrijf gehouden worden, staat nog niet vast.


Obama krijgt onterechte steun van links

22 april, 2008

Bijna alles wat progressief is in de VS – en trouwens ook ver daarbuiten – vestigt momenteel hoop op Barack Obama, presidentskandidaat voor de Democratische Partij. Te begrijpen is dat wel. Terecht is het echter niet. Wederom dreigen grote delen van links in een hele oude valkuil te stappen.

Onder de recente steunbetuigers voor Obama vinden we enkele opvallende namen. Joan Baez, zangeres en sinds jaar en dag activiste voor vrede en sociale rechtvaardigheid bijvoorbeeld. Bruce Springsteen, rockzanger en iemand die zich tegen het beleid van Bush heeft uitgesproken. En nu ook filmmaker Michael Moore, die met zijn documentaires de ‘Oorlog tegen Terrorisme’, maar ook het neoliberale beleid van winst-boven-alles, effectief en voor een miljoenenpubliek op de hak heeft genomen.

Met name Moore zou beter moete weten. In 2000 zette hij zich in voor de campagne van Ralph Nader, die destijds als kandidaat van de Groene Partij een progressief alternatief tegenover de twee zakenliedenpartijen, de Democratische en de Republikeinse, naar voren bracht en nog aanzienlijke aantallen stemmen won ook. Deze keer valt hij, net als teveel anderen ter linkerzijde, voor de aloude logica van het ietsje mindere kwaad.

Dat Moore het voor Obama opneemt tegen die andere Democratische kandidaat Hillary Clinton, dát is op zichzelf prima. Clinton speelt in op de angst voor witte kiezers voor een zwarte kandidaat, oftewel: Clinton gebruikt racisme tegen haar rivaal. Opkomen voor Obama op dát punt is terecht en nodig. Maar dat is geen reden om dat ook zijn kandidatuur te ondersteunen als een soort van progressief alternatief.

Dat Obama vergeleken bij de voilstrekt cynische machtspolitica Clinton een verademing is, zal ik niet bestrijden. Dat hij met zijn toonzetting, zijn eindeloos herhaalde oproep tot ‘verandering’ een breed levend gevoel verwoordt, een hang naar, inderdaad, verandering na acht jaar Bush – het is allemaal wel waar. Maar hoop aanboren met retoriek is één ding. Die hoop ook maar enigszins in vervulling doen gaan is iets heel anders. Wie denkt dat Obama als president werkelijk een breuk met het huidige beleid gaat doorzetten, wacht een immense teleurstelling.

De reden daarvoor ligt niet eens in de man zelf, al heeft ook hij een reeks standpunten die hem helemaal geen serieus progressief politicus maken. “Obama is niet links en niet progressief”, een artikel in het blad Grenzeloos brengt dat aardig in kaart. Maar het diepere probleem ligt in de partij waarvoor hij kandidaat wil zijn. De Democratische Partij is niet de Amerikaanse SP, niet de Amerikaanse PvdA, niet eens het Amerikaanse D66. Als we de Republikeinen als een soort van Trots op Amerika kunnen kenschetsen, dan zijn de Democraten een soort CDA/VVD-combi. Dat de Democraten nu een wat minder rechts figuur tolereren als kandidaat, geeft aan dat de bazen in die partij slim zijn. Ze hopen van de weerin tegen Bush te profiteren om hun eigen partij weer in het Witte Huis te krijgen. Maar die eigen partij is net zo goed verweven met de toppen van het grote bedrijfsleven als de Republikeinse.

En ook op oorlogsgebied is de Democratische partij niet wezenlijk beter dan de Republikeinse. De Vietnamoorlog: geëscaleerd onder de Democraten Kennedy en Johnson – afgebouwd onder de Republikeinen Nixon en Ford. De Korea-oorlog: begonnen onder de Democraat Truman, gestopt onder de Republikein Eisenhower. En dan de laatste Democraat in het Witte Huis, Bill Clinton. Die sloopte de Bijstandswet, zette een keihard neoliberaal handelsbeleid door, en voerde oorlog na oorlog: Somalië, Bosnië, Kosovo, moordsancties tegen Irak afgewisseld met tweemaal per week wat bommen her en der op dat land. Het om zeep helpen van honderdduizenden Irakezen is niet louter een Republikeins tijdverdrijf.

Nu mag Obama een wat andere toon aanslaan dan zowel Bush als Hillary Clinton. Die ruimte krijgt hij om stemmen ter linkerzijde te binden aan de Democratische Partij, en dus aan het establishment als zodanig. Eenmaal in het Witte Huis zal weer blijken wie aan de touwtjes trekken: degenen die de campagnes en de partij financieren om hun belangen te behartigen. Of Obama het nu leuk vindt of niet, hij is dan boegbeeld en spreekbuis van de ondernemersklasse van de VS en zal hun belangen behartigen, zoals iedere Democraat dat voor hem ook deed.


Uruzgan: Nederland blijft verliezen, Afghanen verliezen méér

18 april, 2008

Twee Nederlandse militairen kwamen  vandaag om in Uruzgan, Afghanistan. Een explosie van een bermbom kostte hen het leven. Eén van hen was de zoon van de kersverse commandant Peter van Uhm. Twee andere Nederlandse militairen raakten gewond.

Het is het zoveelste teken dat de Nederlandse missie neerkomt op oorlog – en dat Nederland na jaren van deelname aan die oorlog niet bepaald aan het winnen is. Eerdere signalen daarvan stapelen zich op. “Taliban veel sterker dan gedacht”, schreef de Volkskrant in een verslag over een Nederlandse patrouille waarbij twee Nederlandse soldaten door eigen vuur opkwamen -evenals trouwens twee Afghaanse regeringssoldaten. Met een beetje zoeken kom je het ene na het andere bericht tegen over de kracht, de ongrijpbaarheid van het “veelkoppig monster” Taliban – of van welk gewapend initiatief ook dat in de oorlogschaos tot Taliban wordt uitgeroepen.

Hoe intensief de oorlog woedt, erkende ook vertrekkend commandant Dick Berlijn in een interview met de NRC. “‘We wisten niet dat we zó vaak moesten knokken'”  luidt zijn uitpraak die door de krant als kop is gebruikt. Hoe vaak dan wel? Niet minder dan 648 keer waren er ‘vuurontacten’, zoals dat zo netjes heet. NIet minder dan 648 keer schoten Nederlandse militairen, of gooiden ze met explosieven op plaatsen waar ze Taliban-strijders waarnamen, of vermoedden.

Hoeveel slachtoffers dat aan de kant van tegen de Nederlandse NAVO-soldaten vechtende strijders kostte, vertelt Berlijn niet. De NRC doet wel een gooi: “Afgaande op het aantal vuurgevechten moeten dat er vele honderden zijn.” Berlijn zegt wel: “Als je een bom gooit in een rij bomen van waaruit gevuurd wordt, weet je echt niet of daar één, twee of tien Talibaanstrijders zitten.” Op die manier krijg je inderdaad honderden slachtoffers, en bepaald niet alleen onder de Taliban zelf.  Balkenende is  uiteraard “diep geraakt” over de dood van de twee militairen. Ik wacht nog steds op vergelijkbare uitingen van geschoktheid vanwege de dood van honderden Afghanen, mede door Nederlandse kogels en bommen, week na week na week.

Winnen zal de NAVO en Nederland deze, op zichzelf toch al onrechtvaardige, oorlog op deze manier niet. De dood van de twee gesneuvelde Nederlandse militairen vandaag onderstreept dat nog eens op tragische wijze. Terugtrekking van alle NAVO-troepen, onvoorwaardelijk en onmiddellijk, is het enige rechtvaardige en menselijke antwoord op het steeds heviger oorlogsgeweld in dat al zo kapotgeschoten land. Zo’n terugtrekking redt nog Nederlandse mensenlevens ook.


Teveel politici?

16 april, 2008

Soms denk ik wel eens: met zo ’n links dat Nederland heeft, hebben we nauwelijks nog rechts nodig. Overigens is dat gevoel ook op andere landen van toepassing. Zonder bijvoorbeeld de vrijwel totale ruggegraatloosheid van het overgrote deel van links had Berlusconi nooit – voor de derde keer, godbetere het – de verkiezingen in Italië gewonnen. Maar daar wilde ik het nog niet eens over hebben. Vandaag is de Partij van de Arbeid, of wat daar nog van over is, mijn doelwit, althans één van hun parlementsleden.

Het gaat om Tweede Kamerlid Pierre Heijnen. Die heeft een opiniestuk op de Volkskrant-site gezet, onder de titel: “Er zijn teveel politici”. Daarin knoopt hij aan bij het streven van de regering om het aantal ambtenaren met 12.000 te verminderen. Hij zegt: minder ambtenaren, een kleinere overheid, waarom dan ook niet minder politici? Concreet: Heijnen stelt voor om het aantal ministers en wethouders te verminderen, gemeentelijke herindeling makkelijker te maken (zodat er minder gemeenteraardsleden en wethouders voor nodig zijn), het fuseren van provincies makkelijker te maken (minder provincies, dus minder Statenleden, zal het idee zijn). Maar het meest stuitend vind ik zijn idee om het aantal gekozen volksvertegenwoordigers – parlementsleden, Statenleden, gemeenteraadsleden en en waterschapsleden – tien procent lager te maken. Een Tweede Kamer met 135 leden, een Eerste Kamer met 90 leden, dat werk.

Het hele stuk ademt de geest van de Nieuwe Politiek, dat funeste levenswerk van wijlen de heer professor doktor generalissimo Fortuyn, zo vol verve voortgezet door de fameuze filmmaker Geert Wilders en de Moeder des Moederlands Rita Verdonk (de Vader des Vaderlands, Willem van Oranje, had destijds tenminste nog het fatsoen om te Zwijgen).

Het hele ‘weg met de politici’-sentiment komt bij Heijnen in een subtiele vorm terug. Net als de gangbare versie van ‘weg met de overheid’ zit hier een naar luchtje aan. Juist revoluitionairen met een volkomen terechte afwijzing van de gevestigde orde moeten hier nauwkeurig en kritisch mee omgaan. Ja, de huidige staat moet weg, en ik droom van een wereld die helemaal géén politici en staatsbestuurders meer heeft – omdat wij dan allemaal samen de maatschappij besturen en er voor beroepspolicici geen plek meer is.

Maar op weg naar die toekomst zijn de oprioepen voor een kleinere overheid en minder politici een oproep voor stappen terug en niet vooruit. Het doel is namelijk een efficiëntere gestroomlijnde overheid. De 12,000 ambtenaren minder betekene niet dat de staat zwakker wordt. Het betekent eerder dat de staat zich meer beperkt tot haar kerntaken: haar gewapende macht, politie, leger, justitie, gevangeniswezen. De versiering – de dingen waar gewone mensen soms nog eens iets aan hebben – díé gaat eraf. Minder ambtenaren betekent langer wachten op afhandeling van aanvragen en formulieren, langer in de rij staan bij loketten, slechter onderzoek naar gevolgen van beleid op bijvoorbeeld het milieu. Een stérkere hardere staat, met mínder sociale franje, tehen lagere kosten zodat de rijken minder belasting hoeven te betalen – dat is de dynamiek achter het geroep om minder overheid en minder politici. Tegemoetkomen aan die oproepen maakt de staat, onze vijand, niet zwakker maar eerder sterker, hoe tegenstrijdig dat ook mag klinken.

Natuurlijk zullen voorstanders van afslanking zeggen dat efficiency-maatregelen juist verbetering aanbrengen, waardoor afslanking verantwoord is. Maar als dat zo is, waarom kan dat dan niet met het huidige aantal ambtenaren? Efficient werken met 12.000 mensen erbij, dan krijg je toch meer gedaan?

Maar ernstiger nog is het verminderen van het aantal gekozen politici. Juist die hebben nog énige druk van kiezers, juist díé staan nog enigszins onder democratische copntrole. Minder kamerleden betekent dat hetzelfde werk tegenover ministers en hun ambtenarij door minder mensen moet worden verricht. dat verzwakt de positie van de volksvertegenwoordiging tegenover de regering. Minder ministers en ambtenaren aan regeringskant compenseert dat dan – maar dat betekent onvermijdelijk minder goed voorbereide antwoorden van ministers op kamervragen, en meer excuses van regeringszijde in de zin van “we hebben de menskracht niet”. Het beetje democratie in ‘parlementaire democratie’ komt verder op de tocht te staan.

Een tweede argument is de drempelverhoging tegenover kritische geluiden die ervan uit gaat. Hoe minder parlementsleden, hoe meer stemmen er nodig zijn om een zetel te winnen. Dat blokkeert de toegang voor kleine, vaak kritische en dissidente, partijen. Maar het maakt ook de fracties van de grotere partijen kleiner, waardoor ze minder kracht kunnen vormen tegenover een toch al oppermachtige uitvoerende macht.

Zelfs al is het ‘maar’ een afname van 10 procent van Kamerleden etcetera, dan nog is het een stap in de verkeerde, antidemocratische, richting. Het gaat niet zover als Verdonk, die het aantal Tweede-kamerleden maar liefst wil halveren. Maar het ademt dezelfde kwaadaardige geest.


Een mooi dagje Marxisme Festival

13 april, 2008

Zaterdag 12 april was ik op het Marxisme Festival 2008, de  nieuwste editie van het discussie- en lezingengebeuren dat de Internationale Socialisten (IS) jaarlijks organiseren. Het was voor het eerst in het bestaan van dit gebeuren dat daar als niet-lid bij was. Dat maakte het voor mij tot een wat merkwaardige, soms lichtelijk onwezenlijke ervaring. Maar ik ben blij dat ik ben gegaan, het was de moeite waard en nog gezellig ook.

Zometeen iets over de bijeenkomsten zelf. Maar eerst ga ik even mopperen. Wie bedenkt toch van die rare titels voor zo’n evenement? ‘Marx Reloaded’- moet arme Karl zoveel jaren na zijn dood opnieuw opgeladen worden of zo? Lijkt me eerder dat socialisten bij Karl Marx in de leer, aan de oplader, moeten. En waarom een reeks  discussie- en forumbijeenkomsten een ‘Festival’ moeten heten is mij al enige jaren nogal onduidelijk. Ik ben best voor een festival, maar dan denk ik toch aan iets anders. Ik zal wel een geheel verkeerde kijk op de tijdgeest hebben , en op wat ‘aansluit’ bij de belevigswereld van de moderne mens. Ik hou gewoon niet van dit modieuze verpakking, en ik geloof niet dat het bijdraagt aan een hoger bezoekersaantal of aan een beter niveau van discussie. En aan een reëel verwachtngspatroon draagt zoiets al helemaal niet bij.

Genoeg hierover – voor even. De bijeenkomsten die ik bijwoonde waren wisselend van kwaliteit, maar allemaal de moeite waard. Ik kwam binnen toen Pepijn Brandon zijn inleiding over ‘oproer, rebellie en opstand in de Nederlandse geschiedenis’ net was begonnen. Daarin maakte hij gehakt van het wijdverbreide idee dat er in Nederland door de eeuwen heen  maar weinig van revolte en protest sprake was. Hij ging uitgebreid in op de vroegmoderne geschiedenis – vanaf de Nederlandse Opstand (de 80-jarige oorlog van de schoolboekjes) tot aan de Patriottentijd en de Bataafse Revolutie aan het eind van de achttiende eeuw. Daardoor had hij minder tijd over voor de moderne tijd, waarin arbeiders als klasse nadrukkelijk op het toneel verschijnen. Maar juist  over die vroegmoderne tijd horen we relatioef weinig, dus het acent daarop was niet onterecht.

De volgende bijeenkomst die ik bezocht was een filmvoorstelling. Documentairemakers Suzanne Hoogendoorn en Mark Kulsdom lieten hun mooie creatie ‘We Will Block You’ zien. Daarin volgden zij twee groepen actievoerders tgen de G8-top in Heiligendamm, in juni 2007: één  groep van de Universitaire Activisten (een actienetwerk van studenten in Amsterdam), en één van de Internationale Socialisten. Ik was bij die  tweede, en vond het erg mooi om het in volle glorie terug te zien. Hoe we als onderdeel van duizenden actievoerders een politiemacht van 16.000 agenten voor schut zetten en de G8 met blokkades vrolijk ontregelden. Ik heb daar zelf uitvoerig verslag over gedaan.

De documentaire is trouwens genomineerd voor de publieksprijs van Holland Doc. Mensen kunnen er op stemmen, zodat de kans dat ‘We Will Block You’de prijs ook wínt. Dat gun ik niet alleen de makers van harte, het is ook goed voor de reikwijdte van rebelse geluiden zoals we die met onze blokkades hebben laten klinken en die we – actievoerders van allerlei slag – nog vaak genoeg zullen laten klinken. Dóén dus, zou ik zeggen.

De meeting daarna was een vrolijke chaos. Het betrof een forum over media en de (vooral Irak-)oorlog, maar het ging al snel over veel meer dan oorlogsberichtgeving. Martijn de Rooi, van het initiatioef Openheid over Irak, maar eerder ook verslaggever voor het RTL-nieuws, sprak, evenals NRC-correspondent Frenk van der Linden. Vervolgens ging de discussie over alles tegelijk en niets in het bijzonder: wíllen mensen wel kritisch nieuws, en zo nee moeten journalisten daar dan genoegen mee nemen, en zo niet, wat dan? Wat is de rol van journalisten? Wat is de rol van van redacties en directies in de media? Het hobbelde opgewekt alle kanten op, werd nu en dan redelijk verhit. Maar erg veel focus viel er niet te bespeuren, en dat was jammer. Belangstelling voor het onderwerp was er voldoende, de zaal zat lekker vol.

Daarna heb ik geluisterd naar Jelle Klaas, die in een krachtig betoog een korte geschiedenis en analyse van het fascisme gaf. De opkomst van Mussolinie en Hitler, het gevaar van uiterst-rechts momenteel. De discussie richttte zich, mede door mijn toedoen, op de vraag of Geert Wilders als fascist getypeerd diende te worden. Ik vind van wel, zoals ik al herhaaldelijk blogmatig heb betoogd. De man bouwt  via islamofobie een massa-aanhang op, zoals Hitler via antisemitisme destijds ook deed. En Wilders heeft geen interesse in coalities en deelname ana het gebruikelijke parlementaire spel, hij stelt zich op als uiterst-rechtse rebel daartegen – met de arbeidersklasse als uiteindelijk doelwit. Een activistische massabeweging is zo ongeveer het enige wat nog ontbreekt, maar al zijn gestook en geprovoceer heeft als functie alvast een massa-aanhang op te bouwen. Daar komt mijn argumentatie – waar ik in de meeting maar onderdelen van kon weergeven – op neer.  Jelle Klaas vindt Wilders (nog) geen fascist, al erkent hij dat er bij hem een dynamiek gaande is in die richting. Maar een fascist is hij niet, omdat een wezenlijk ingrediënt voor een fascistische beweging in het kielzog van Wilders vooralsnog ontbreken: knokploegen die de arbeidersbeweging kunnen terroriseren. Het was een scherp, maar naar mijn idee nuttig en op kerngezonde wijze gevoerd debat. Dat heb ik helaas ook wel eens anders meegemaakt…

De laatste bijeenkomst was niet de meeste relevante van de dag, maar wel heel erg leuk. Dirk van Miert legde, aan de hand van muziekfragmenten en een glashelder betog uit, hoe de overgang van ee feodale naar een kapitalistische maatschappij een stempel drukte op de muziekontwikkeling. Bariookmuziek – met als voorbeeld: Bach, gedijde in een traditionele, feodale, context. De klassieke muziekstijl – met als voorbeeld: Mozart, kwam op in een burgerlijke, kapitalistische context. Waar Bach werkte voor een feodaal herrser, werkte Mozart in zijn laatste jaren feitelijk als ‘freelancer’ (Dirk van Miert’s typering), die werkte voor een markt. Zoals het hier ingetikt wordt, klinkt het wellicht als een schematisch cliché van dogmatische marxisten. Dirk haalde de dogmatiek eruit en gaf een prachtvoorbeeld van levende marxistische analyse van kunstvormen. Juist dít soort bijeenkomsten maakt zoiets als een Marxisme Festival toch een heel klein beetje tot een feestje…

Een paar algemene opmerkingen nog. Ik zag veel mensen die ik niet kende, naast veel mensen met wie ik jaren in dezelfde IS had gezeten. Kennelijk is het de IS gelukt om veel mensen van buiten de eigen organisatie naar het evenement te trekken, en dat is positief. Wel vond ik dat teveel van de discussie nogalrichtingloos verliep, en hoorde ik juist IS-ers zich te weinig in de debatten mengen. Een organisatie die de ambitie heeft politiek richting aan te geven, mag zich echter best iets meer laten gelden in zulke debatten die ze nota bene zelf heeft georganiseerd. Bescheidenheid siert de mens, maar je kunt ook overdrijven. 

Ik zag graag een scherper inhoudelijk profiel vanuit de organiserende groepering. Daarvoor in ruil mag er best iets af van het buitenkant-profilering, waar de ergerlijke festival-betiteling van het evenement waar ik het al over had een voorbeeld van is. Wat overeind blijf is echter een goed gevoel over mijn bezoek aan een goed en nuttig gebeuren. Morgen gaat het nog een dag door, maar die dag daar laat ik over aan anderen.