Enkele gedachten over de opstanden in Noord–Afrika en het Midden-Oosten

31 maart, 2011

Hieronder volgen enkele beschouwingen over de opstanden in Noord-Afrika en Het Midden-Oosten, op basis van een inleiding die ik afgelopen zaterdag 26 maart gaf op een informatiebijeenkomst van de Anarchistische Groep Amsterdam (AGA). Het is geen letterlijke tekstweergave, en het is ook flink ingekort. De vier ‘case studies’, Egypte, Tunesië, Bahrein en Libië, heb ik in onderstaand verhaal bijvoorbeeld niet zo uitgewerkt als ik dat in de inleiding wel deed. Een tot artikel omgewerkte, en stevig ingekorte, versie van mijn inleiding is wat hier volgt. Het artikel is, geïllustreerd en wel, ook te vinden op de website van Doorbraak.

Er zijn een tweetal houdingen jegens de opstanden in het Midden-Oosten en Noord-Afrika die begrip van wat er gebeurt in de weg staan. De eerste bestaat uit het bouwen van een muur tussen de mensen hier, en de mensen daarginds. Het idee is als volgt: de mensen in die regio zijn zo anders, van cultuur, religie, mentaliteit, traditie, dat de opstanden daar zo ongeveer een exotisch verschijnsel zijn dat je kunt bewonderen of kunt afwijzen, maar waar geen gemeenschappelijkheid mee kan zijn. De Arabische ziel, de islamitische context, de cultuur van woestijnvolkeren, wat het ook is: het is daar helemaal ánders dan hier. Begrip is nauwelijks mogelijk, verbondenheid al helemaal niet. Dit heeft vriendelijke vormen: respect van wat daar gebeurt in al zijn eigenaardigheid. Het heeft onvriendelijke vormen: het zijn moslims, ook na vervanging van dictators blijven het daar gevaarlijke moslims. Maar zowel de vriendelijke als de afwijzende varianten gaan uit van een ondoordringbare muur. Wat daar gebeurt kun je bewonderen of afwijzen. Ermee communiceren is al bijna zinloos, er gemeenschappelijkheid in ervaren al helemaal niet.

Deze houding is ongefundeerd. Mensen die daar in opstand komen, doen dat voor heel herkenbare dingen. Ze willen meer vrijheid, minder corruptie, banen die past bij hun opleidingen, een behoorlijk bestaan. Tamelijk universele dingen, soms geuit in retoriek waarin plaatselijke religieuze en culturele tradities doorklinken, maar dat betreft niet te kern. En inmiddels is de opstandigheid allang niet meer beperkt tot de Arabische wereld, of tot landen waar de meeste mensen moslims zijn. Er is opstand is Swaziland, in zuidelijk Afrika, in een land waar mensen christelijk zijn of plaatselijke religies aanhangen. Er is opstand in Armenië, waar bijna iedereen christelijk is. Er is opstand in het overwegend katholieke Kroatië. De revoltes gaan niet over cultuur en religie, maar over politieke en economische grieven. Er is geen muur tussen hen en ons.

De tweede houding is andersom. Het is een houding van zodanige bewondering dat mensen er hun eigen idealen en opvattingen in herkennen, en de bewegingen daar vrijwel inlijven in hun eigen ideologieën en theorieën. We zien demonstraties, rellen, aanvallen op politiebureaus, gevechten met de politie, revolte… en we denken: dit zijn de plaatselijke versies van kraakrellen of andersglobaliseringsprotesten hier, het betreft hier links verzet, autonome revoltes, anarchistische revoluties of zoiets. Daarmee doen we echter de bewegingen daar onrecht. We claimen dan dingen tot de onze, eigenen ons de opstanden ideologisch min of meer toe, en respecteren daarmee niet de werkelijke strevingen van de opstandigen daarginds. Het is juist nodig om de opstandsbewegingen te proberen te verstaan vanuit wat mensen zélf willen, nastreven en bedoelen en als verlangens naar voren brengen. Evengoed kunnen we dan kijken of daar raakvlakken zijn met wat we bijvoorbeeld als anarchisten nastreven, en de hoop uitspreken dat die raakvlakken sterker worden, dat er libertaire dynamieken zich versterken, en kijken hoe we dat kunnen bevorderen. Maar doen alsof een anarchistisch streven nu al de hoofdstroom van de opstanden uitmaakt, is onjuist.

We kunnen de opstanden analyseren op drie niveau’s, in een soort gelaagdheid. Er is de vraag wat mensen drijft, wat de motivaties zijn voor grote aantallen mensen om in verzet te komen. Er is de vraag wat mensen bewust nastreven, wat hun eisen zijn, hoe ze de maatschappijen veranderd willen zien. En er is de vraag wat mensen allemaal dóén vanuit hun nmotivaties, en in hun pogingen om hun doelen te bereiken. Motivatie, politiek programma en wijze van optreden: het zijn drie lagen in de analyses. En we zullen zien dat er tussen die lagen soms spanningen bestaan, die voor een analyse vanuit anarchistische insteek van belang zijn.

Eerst de diepere drijfveren. Die betreffen allereerst een lang onderdrukte vrijheidsdrang. Men protesteert tegen dictatuur, tegen eeuwig aanblijvende presidenten, tegen noodtoestanden en uitzonderingswetten, tegen politiewillekeur en overal aanwezige geheime diensten. Men protesteert tegen de repressie, de onvrijheid, die in een veelheid van vormen de mensen neerhoudt en knevelt. Het is een woede over onvrijheid die in vrijwel alle delen van de bevolkingen van die landen opspeelt, van de allerarmsten die elk protest neergeslagen zien worden door politie, tot en met de bovenlagen die aanlopen tegen censuur, wanbestuur en incompetentie van topfunctionarissen die geen enkele kritiek dulden, ten guste van de dictator en zijn kliek. Het is een zeer breed levende motivatie.

Iets anders ligt dat met de andere grote drijfveer in de opstanden: protest tegen uitsluiting en armoede. Het gaat dasn om de hoge werkloosheid, vooral onder jongeren. Het gaat om het feity dat tientallen procenten van de bevolking leeft van een dollar per dag, en nog eens tientallen procent van misschien anderhalve of twee dollar. Dit alles tegenover een steenrijke toplaag. Een diep gevoel van sociaal onrecht, sociale uitsluiting, drijft met name mensen uit de volksklassen, arbeiders, krottenbewoners, arme boeren, tot protest. Klassenstrijd is binnen de opstandsbewegingen duidelijk als aanjager aanwezig. Een opvallende rol speelt hier het feuit dat in deze maatschappijen wel grote aantallen jongeren hogere opleidingen en diploma’s krijgen, maar geen banen die ook maar een beetje bij die opleidingen passen. Er ontstaan een enorme spanning tussen de hoop , verwachtingen en ambities van hoogopgeleide jongeren enerzijds, en een tamelijk uitzichtloos bestaan, een toekomst zonder toekomst als het ware, anderzijds. Dat is een grote aanjager van de opstandigheid, gesymboliseerd in de jonge academicus in Tunesië die zich in brand stak omdat de politie hem dwarsboomde toen hij in leven probeerde te blijven met de ver koop van groenten en fruit. De protesten daartegen groeiden uit tot de Tunesische revolutie.

De politieke en de sociaal-economische motivaties komen dan samen in de afkeer van de corruptie. Die corruptie drukt zowel iets economisch als iets politieks uit. Het gaat dan over de verstrengeling tussen bedrijven en politici, vette contracten voor de vriendjes van de president en dergelijke. Maar het gaat ook over alledaagse afpersing: mensen die moeten betalen om kans te maken op ene overheidsbaantje of een opleidingsplek; mensen die aangehouden door politie, mogen kiezen: mee naar de cel voor een dubieuze aanklacht, mogelijk om mishandeld te worden bovendien; of anders de ‘boete’ maar betalen. Dit type corruptie raakt vrijwel iedereen. Het is een vorm waarin juist ook mensen met weinig geld nog eens éxtra worden uitgeknepen. Woede wegens de corruptie is daarmee een onderliggend thema dat de diverse drijfveren, politiek en economisch, verbindt.

In welke richting vertalen mensen deze motivaties in bewuste verlangens, eisen, een soort van programma? Heel veel wijst erop dat mensen ‘gewoon’ democratie willen, i de liberale, westerse zin van het woord. Politieke vrijheid, meningsvrijheid, pers- en mediavrijheid. Het opheffen of minstens inperken van de geheime dienst en het opheffen van noodtoestandswetgeving en dergelijke past daarin. Maar ook verkiezingen die niet bij voorbaat gefrauduleerd worden, waaraan meerdere partijen vrij kunnen meedoen. Politici die via zulke verkiezingen in vrijheid worden gekozen. Een onafhankelijke rechtspraak. Een parlementaire democratie, in de brede zin van het woord, dat is het bewuste strevenn van ten minste de hoofdstroom van de opstanden.

Maar het gaat toch om ietsje méér dan dat. Ik noem het streven daarom democratie-plús. En dat zit in twee dingen. Enerzijds is er de grote bereidheid om stappen naar democratie keer op keer te ondersteunen met nogal radicale actie. In Tunesië bléven mensen demonstreren na de val van Ben Ali. Daarmee maakten ze de handhaving van figuren van het oude bewind in de regering zeer moeilijk en dwongen ze steeds nieuwe concessies af. In het streven naar democratie blijven mensen zélf actief. Het gaat om méér dan het uit handen geven van de eigen macht aan gekozen politici. Het is democratie-plús. En dat geldt ook voor de strevingen, de programmatische kant. De gangmakers van de actiedag op 25 januari in Egypte hadden nadrukkelijk een hoger minimumloon als één van de eisen opgenomen. Eisen voor hogere lonen, voor meer banen en dergelijke, zijn wel degelijk deel , niet alleen van de m motivaties maar ook van veel van de bewuste doelstellingen, van de protesten. De nagestreefde democratie is een democratie met een stevige component van sociale rechtvaardigheid. Ook in deze zin is het democratie-plús, sociaal-democratie, maar dan in een vrij letterlijke betekenis..

We zien dus dat betrekkelijk radicale, diepliggende motivaties – afkeer van onvrijheid op alle niveaus, woede over grootschalige armoede en sociale uitsluiting – vertaald zijn in een betrekkelijk gematigd programma van liberaal-democratische signatuur. Daar zit al een spanning tussen. Die spanning wordt nog veel voelbaarder als we de derde laag in de niveaus van analyse erbij halen. Hoe traden mensen vanuit hun motivaties daadwerkelijk op? Wat déden mensen zoal, en hoe organiseerden ze zich? Dán valt onmiddellijk op dat er van betrekkelijke gematigdheid weinig meer overblijft. We zagen om te beginnen reeksen van verboden demonstraties, feitelijk van burgerlijke ongehoorzaamheid om gigantische schaal. We zagen allerhande vormen van directe actie, stakingen en sit-ins, die na de val van dictaturen ook nog eens door gingen, tegen de kleine dictators in de fabrieken in instellingen in de hele maatschappij. Dat valt vooral op in landen waar de dictator al is verdreven, in Tunesië en vooral in Egypte. Daar was stakingsstrijd al jaren vrij stevig aanwezig, iets dat achteraf als aanloop naar de revolutionaire ontknoping van januari en februari gezien kan worden.

In Bahrein en Libië was specifieke arbeidersstrijd veel minder manifest, al was die in Bahrein bepaald niet afwezig: daar was een staking, waarin vooral leraren van zich deden spreken. Maar een zo zelfstandige rol als in Tunesië en Egypte spelen arbeiders in Libië en Bahrein niet. Dat hangt samen met de verschillende structuren van die landen. In Bahrein is een groot deel van de arbeidersklasse geen Bahreins staatsburger, maar migrant-arbeider uit Zuidaziatische landen. Deze mensen zijn uiterst kwetsbaar vanwege de angst voor uitzetting. Tot nu toe staan ze in de opstandsbeweging buitenspel. Het is zaak dat dit alsnog verandert, ook a in andere staten van het Arabische schiereiland waar een soortgelijk verschijnsel – een flink deel van de arbeidersklasse dat uit vrijwel rechteloze migranten bestaat – plaats vindt. Dit speelt ook in Libië, waar honderdduizenden Afrikaanse en Aziatische migranten werkzaam zijn, of beter gezegd wáren. Bij het uitbreken van de opstand, en de onderdrukking daarvan, reageerden deze mensen, zeer begrijpelijk, met: wegwezen hier! Er was onder Kadhafi al racisme gegroeid tegen deze migranten. Nu uitte dit racisme zich ook in de opstandsgebieden, waar Afrikaanse migranten maar al te makkelijk werden aangezien voor huurlingen van Kadhafi, en soms geweld te verduren kregen van opstandelingen. Het is een aspect van een, op zichzelf rechtmatige, opstand dat bepaald onfris is. Maar het wortelt in de sociale structuur van Libië waarin een groot deel van de arbeidersklasse van dat land een soortgelijke onderklasse-positie had als in Bahrein. Samen met Libische opstandigen strijden tegen Kadhafi’s bewind was voor deze migranten helaas geen voor de hand liggende reactie, en de opstelling van opstandelingen maakte dit samen strijden nog moeilijker. Door dit alles ontbreekt de dimensie van arbeidersstrijd die in Tunesië en Egypte zo sterk is, in Libië vrijwel geheel.

Er was niet alleen een veelheid van zélf-doen, zélf in beweging komen, van directe actie; mensen begonnen zich ook op allerlei manieren zelf te organiseren. Op het Tahrir-plein in Cairo begonnen mensen zelf taken te verdelen, voedselvoorziening, schoonmaak, cultuur en entertainment, maar ook bewaking van de toegangen, zelf te organiseren. Op de Pearl Rotonde in Bahrein gebeurde zoiets ook; een krant uit het naburige naburige Verenigde Arabische Emiraten sprak zelfs van een “werkende anarchie, niet in de zin van chaos, maar in de betekenis van afwezigheid van centrale autoriteit”. En in Benghazi, in Libië, begon de plaatselijke gemeenschap het dagelijkse leven te organiseren via de vorming van comités, nadat mensen er het Kadhafi-bewind daar verdreven hadden. Anderen regelen de dingen niet meer voor ons? Dan zullen we het zelf moeten doen. Mensen begonnen hier min of meer via directe democratie zichzelf te besturen. Ze gingen daarmee veel verder dan de vertegenwoordigende democratie die ze op ideologisch niveau nastreefden. Mensen praatten als linkse liberalen. Maar mensen handelden zo ongeveer als anarchisten… om de links-liberale droom dichterbij te brengen. Er was dus wel degelijk een libertaire dynamiek in de gebeurtenissen herkenbaar.

Maar het was een dynamiek die zich vrijwel nergens van zichzelf bewust was. Mensen zagen de zelfbestuursstructuren in Benghazi, de zelforganisatie op het Tahrir-plein, niet vanzelf als het begin van ene nieuw soort maatschappij. Mensen zagen deze zelforganisatie als tijdelijk iets, om de strijd zelf te organiseren, en het gat te vullen zolang er nog geen democratisch gekozen nieuw bestuur was. Toen Mubarak verdwenen was, verdwenen ook de comités om de protesten op het plein zo goed mogelijk gaande te houden. En nu de tijdelijke comités ondergeschikt worden aan een Nationale Overgangs Raad die zich inmiddels als interim-regering profileert, horen we ook steeds minder van die comités. De naamgeving geeft het al aan: Nationale Overgangs Raad. Overgang naar wat? Naar ‘normale’ democratische bestuursverhoudingen. Zelfbestuur is geen doel van de protestbewegingen. Zelfbestuur is ene middel om de democratische doelen van die bewegingen dichterbij te brengen. Maar het zelfbestuur wijst tegelijk impliciet op de mógelijkheid om veel méér vrijheid en rechtvaardigheid te brengen dan binnen een liberaal-democratisch kader, met al haar indirectheid en beperktheid, mogelijk is. Liberale democratie opent ruimte, na jaren van dictatuur. Maar uiteindelijk doet ook liberale democratie gene recht aan het fundamentele verlangen naar vrijheid en rechtvaardigheid dat de opstanden aanjaagt.

Dat impliciete potentieel tot veel diepere bevrijding helpen tot werkelijkheid te maken is iets waar anarchisten kunnen bijdragen. Erop wijzen dat je die comités ook permanent kunt maken, er de kiem in aanwijzen van een nieuwe vrije maatschappij, dat is iets wat anarchisten kunnen doen – hier maar vooral ook daar. Zoals een Syrische anarchist het formuleert: “De Lybische volkscomités zouden de basis van een nieuw leven moeten zijn, en niet slechts een interim-maatregel.”  Als dat idee, en de bijbehorende praktijk, voet aan de grond krijgt binnen de opstandsbewegingen, dan kunnen ze uitgroeien tot revoltes, ja revoluties, die waarlijk als anarchistisch getypeerd kunnen worden.

Wat kunnen revolutionairen, anarchisten onder hen, in bijvoorbeeld Nederland doen om te helpen? Niet heel erg veel, gezien de geringe aantallen. maar er zijn enkele punten. Ons inzetten tegen wapenhanden vanuit Nederland met de regimes in Noord-Afrika en het Midden-Oosten is er één van. dat klan de vorm aannemen van een petitie, niet omdat daar grote druk van uitgaat maar omdat daarmee tenminste de kritiek een beetje aan het gonzen komt. Steviger en verdergaande acties tegen medeplichtige bedrijven zijn denkbaar, waarbij een onderscheid tussen profiterende directies enerzijds, en het personeel dat er werkt en dat we als potentiële bondgenoot dienen te benaderen, belangrijk is. Een tweede punt is: opkomen voor migranten en vluchtelingen, juist nu. Europa en Libië wekten goed samen in het tegenhouden van Afrikanen die naar Europa proberen te komen. dat was deel van het bondgenootschap tussen Kadhafi en onder meer Berlusconi. Opkomen tegen deze brute vorm van grensbewaking is deel van een politiek die terecht sowieso alle grenzen en migratiebeperkingen aanvecht. Er is nog een punt: wie westerse interventie volstrekt afwijst – en ik denk dat we dit moeten doen – moet onder ogen zien dat Kadhafi alsnog een slachting in opstandsgebieden aanricht. het minste dat we, in combinatie met het stoppen van luchtaanvallen, moeten eisen is dan óók: iedereen die op de vlucht slaat, wordt een veilig heenkomen en fatsoenlijke opvang geboden, ook al verhuist de complete bevolking van Benghazi dan naar Europa.

Andere bijdragen die we kunnen leveren zijn het bieden van morele steun, hoe beperkt ook, aan opstandigen en specifiek aan geestverwanten onder de opstandigen. Als een groepering in Cairo een solidariteitsverklaring vanuit een groepering in Amsterdam of zo krijgt, dat motiveert dat mensen, het steekt ze hopelijk een hart onder de riem. Daarnaast, en in veel bredere zin, is het werken aan een breed verspreid bewustzijn dat de revoltes in Noord-Afrika en het Midden-Oosten onze sympathie en steun verdienen, van belang. Als er een publieke opinie zou zijn die het nadrukkelijk voor de opstanden opneemt, dan zal vanuit opstandige kringen de neiging om dáár – en niet bij regeringen met hun legers, kruisraketten, NAVO en VN – steun te zoeken. Niet de hypocriete en van belangenpolitiek doordrenkte operaties die Westerse staten nu uitvoeren boven Libië, maar authentieke steun, geworteld in solidariteit.

Advertenties

Tussenstand revolutieland (1): Libië, Bahrein, Jemen

22 maart, 2011

De revolutie in Libië staat er niet goed voor. De opstand staat nog steeds tegenover keihard optredende militairen van het bewind. Westerse luchtaanvallen verzwakken het militaire apparaat van dat bewind, maar dat raakt de  talloze scherpschutters, doodseskaders en dergelijke nauwelijks. Ook tanks die opstandige steden zijn binnengetrokken, zijn daar relatief veilig voor luchtaanvallen: het risico dat bij bommen erop juist ook burgers en opstandelingen geraakt worden zorgt daarvoor. Het vliegverbod is sowieso tamelijk zinloos als bestrrijding van Kadhafi’s terreur. Die vindt voor het overgrote deel niet vanuit de lucht plaats, en wordt door een no-fly zone dan ook maar weinig gehinderd. Het echte doel van de luchtaanvallen is dan ook niet het werkelijk steunen van de opstand, maar het afhankelijk maken ervan, en langs die weg de ontwikkelingen in pro-Westers, contrarevolutionair vaarwater dirigeren.

Dit is een antwoord van westerse mogendheden, niet alleen op de gebeurtenissen in Libië zelf maar op de revolutiegolf die enkele maanden geleden op gang is gekomen. Dictators rechtstreeks de hand boven het hoofd houden, zoals Frankrijk en de VS aanvankelijk probeerden, bleek niet te werken. Dus wordt nu langs andere weg geb probeerd de ontwikkelingen te manipuleren. Dat er in Libië ook nog eens veel olie zit, speelt een rol. Maar de Westerse doelenhebben een diepere strategische reden. Die is gelegen in het bedwingen van het revolutionaire proces zelf, en in het herwinnen van morele krediet door te poseren als beschermer van kwetsbare mensen tegenover terreur van een dictatuur. Meer dan poseren is het nauwelijks. Van echt effectieve bescherming is, zoals we eerder zagen, niet veel sprake. En dan zijn er nog de burgers die onvermijdelijk om het leven komen door Westerse bommen en raketten.

Intussen blijft de revolutionaire golf wel aanhouden. De Libische catastrofe zuigt weliswaar nogal veel aandacht weg van ontwikkelingen elders, maar dat maakt die ontwikkelingen niet minder interessant en relevant. Er is ruim voldoende aanleiding voor een tussenstand in een voortdurend uitdijend revolutieland. In twee landen woedt de opstand week na week voort. In het ene, Bahrein, is er sprake vann een zware terugslag. In het andere, Jemen, boekt de revolutie opmerkelijke voortgang, tegen zware onderdrukking in.

Bahrein is het toneel geworden van militaire interventie van Saoedi-Arabië en Golfstaten, die gecoördineerd in de Gulf Cooperation Council het bewind van de Al Khalifa-familie te hulp zijn gesneld. Een uitgaansverbod werd vervolgens ingesteld, veiligheidstroepen veegden met inzet van tanks en helicopters op 16 maart de Pearl Rotonde, middelpunt van de protesten, schoon. De onderdrukking kostte minstens zes mensen het leven. Een dag later kkwam de melding dat zes mensen van de oppositie waren gearresteerd. Ze zouden onder meer contact hebben gehad met “buitenlandse agenten”. Geweldige dubbele moraal: contacten met ‘buitenlandse agenten’ is nu precies wat de heersers van Bahrein immers zelf deden, alleen waren de ‘agenten’ dan staatshoofden, regeringsleiders en dergelijke. De protesten namen onder druk van het staatsgeweld geleidelijk af, en intussen matigde een coalitie vanuit de oppositie haar voorwaarden voor onderhandelingen door niet langer het aftreden van de vorst en dergelijke te eisen voordat die beginnen.

Iran, vlakbij gelegen aan de overkant van de Golf, zegt tegen de onderdrukking in Bahrein op te komen. Maar het is steun die geen positieve waardering verdient. Afwijzing van repressie door het Iraans bewind is hypocriet, gezien de onderdrukking van demonstraties in dat land zelf. Protest vanuit de Iraanse staat tegen onderdrukking van sjiiten door de soennietische mminderheid aan de macht dreigt de opstand veel sterker een dynamiek van religieus sectarisme, van sjiitisch tegen soennietisch te geven, meer dan de roep tot vrijheid en rechtvaardigheid vanuit een onderdrukte bevolking die het in de kern is. Van die bevolking maken ook soennieten deel uit. Dat is ongunstig en verzwakt het revolutionaire karakter van de strijd. In de derde plaats dreigt Iraans enthousiamsme voor de protesten de opstand ook nog tot speelbal te maken van de strijd tussen Iran en Saoedi-Arabië om invloed in die regio, met de VS achter Saoedi-Arabié die ook nog de Vijfde Vloot heeft liggen in… Bahrein. Sreeram Chaulia bespreekt genoemde factoren in dit conflict, in een weinig vrolijk stemmend stuk in de Asia Times. Alles bij elkaar is de revolutie in Bahrein op de terugtocht gedwongen, met intimidatie en groot geweld.

Dat geldt bepaald niet voor Jemen! Aan grof geweld en intimidatie was daar de laatste tijd weliswaar bepaald geen gebrek. Maar de opstand is daar sterker geworden, en heeft inmiddels opvallende successen bereikt. Maar eerst was er een schoklkend bloedbad. Sluipschutters van het bewind schoten op demonstranten, en ze schoten klaarblijkelijk gericht. Dat kostte 45 mensen het leven. Dat was afgelopen vrijdag, 18 maart, vlak nadat de VN-Veiligheidsraad groen licht gaf voor het vliegverbod en de daarmee samenhangende militaire aanvallen op de troepen van Kadhafi. Van een schietverbod, gericht tegen het bewind  in Jemen, werd uiteraard door dit eerdbiedwaardige orgaan niet gerept, net zo min als trouwens van een vliegverbod tegen de helicopters die Bahrein tegen betogers inzette. Het tekent de hypocrisie: het ene bloedbad is het andere niet, het ene mensenleven is voorwendsel voor ingrijpen, het andere niet.

Als het bewind echt dacht dat zo’n bloedbad hara positie zou versterken, dan heeft dat bewind zich kennelijk vergist. President Saleh kondigde meteen de noodtoestand af, ontkende dat veiligheidstroepen die doden hadden veroorzaakt, en verbood mensen om nog langer wapens te dragen. Maar gisteren bleek hoe weinig steun hij nog heeft. Drie hoge officieren kozen de kant van de oppositie, tanks namen stelling in de straten om demonstranten tegen niet geweld te beschermen. Volgens een schatting van de hoofdredacteur van de Yemen Post staat nu zestig procent van het leger aan de kant van de protesten. De lijst van ambassadeurs en andere invloedrijke personen die inmiddels het bewind de rug hebben toegekeerd is lang. En de baas van het staatsinformatiebureau heeft er intussen de brui aan gegeven. Het zijn allemaal tekenen van een bewind dat uit elkaar rafelt onder druk van de aanhoudende betogingen, symptomen dus van de kracht van de revolutie in dat land.


Revolutie op het Arabisch schiereiland

27 februari, 2011

Twee staatshoofden zijn met volksopstanden verdreven, Mubarak en Ben Ali. De positie van een derde, Kadhafi, wankelt onder druk van een felle revolutie die extreme onderdrukking heeft weten te trotseren, desondanks op een ovcerwinning afstevent, maar tegen een enorm hoge prijs. Dat speelde en speelt zich af in Noord-Afrika. Maar intussen steekt de revolutie steeds duidelijker de kop in steeds meer landen op het Arabische schiereiland. Een overzicht, plus wat opmerkingen. Op het Arabische schiereiland bevinden zich zeven staten. In vijf ervan is al opstandigheid gaande, of gaande geweest. In de andere twee zijn al tekenen van protest. Eerst Jemen, dan Oman, en kort de Verenigde Arabische Emiraten, Qatar, en Koeweit. Dan Bahrein. Tenslotte Saoedi-Arabië.

Om te beginnen is er Jemen, aan de zuidrand van het schiereiland. Dit is een republiek, met pakweg 23 miljoen inwoners, en gemiddeld het armste land van de regio. De staat is een bondgenoot van de VS in de strijd tegen Al Qaeda-netwerken, er zijn herhaaldelijk luchtaanvallen van de VS in het land geweest. Het land wordt geregeerd door een president die al sinds 1990 regeert in hgeel Jemen. In dat jaar werden Noord- en Zuid-Jemen, tot dan toe twee staten, verenigd. In Noord-Jemen was dezelfde Saleh al sinds 1978 de chef. Dat is één van de dingen waar mensen vanaf willen: van die eindeloos doorregerende president. Andere grieven van demonstranten zijn de bekende dingen: corruptie, repressie, armoede.

Al in januari vonden protestdemonstraties plaats. Toen al waren er speculaties over de kansen dat die uit zouden groeien tot een revolutie. Dat werd door experts aanvankelijk niet waarschijnlijk geacht. “Er is geen reden voor deze protestbeweging om zich te ontwikkelen tot een beweging die een moeilijkheden voor het bewind. De politie is zeer verantwoordelijk en terughoudend geweest. Als ze zo doorgaan is dat een goed teken”, aldus een politieke analist in Jemen. Hij pleit voor dialoog, en concessies vanuit het bewind. Eebn Jemen-deskundige aan de Princeton-universiteit in de VS zegt: “Alhoewel [de protesten van vandaag] zeker een echo van Tunesië zijn, weg te gaan voordat we het niveau van onrust zien dat de regering van Ben Ali ten val bracht. Een wezenlijke aanwijzing zal zijn als we menigten van deze omvang zien die zich organiseren in meerdere steden verspreid in jemen uiten de paraplu van de oppositie.” Dat stond allemaal te lezen in een artikel in de Christian Science Monitor op 27 januari.  Op die dag demonstreerden al enkele tienduizenden mensen in de hoofdstad, en eisten daarmee het vertrek van de president.

W zijn nu een maand verder, en precies de tekenen dat het wél richting revolutie gaat, zijn toegenomen. Er is keer op keer politiegeweld, naast flinke gewelddadigheid van opgetrommelde regeringsaanhangers, tegen demonstranten. Op 14 februari waren er demonstraties, nietn alleen in de hoofdstad Sanaa, maar ook in in Taaz en in Aden. Daar bestormden havenarbeiders het kantoor van de Yemen Gulf of Aden Port Corporation. Ze namen de voorzitter van het bedrijf en andere functionarissen gevangen, uit protest. “We hebben het gehad met corrupte functionarissen en het is tijd om ze te vertellen dat ze moeten vertrekken. Wat in Tunesië en Egypte is gebeurd, motiveerde de arbeiders om hun rechten te eisen”, zo legt een havenarbeider uit. Sociaal-economische en politieke grieven gaan weer hand in hand, net als in Tunesië en Egypte. Het is een teken dat de opstandigheid niet oppervlakkig is, niet makkelijk ondervangen zal kunnen worden met een enkele concessie of verschuiving aan de top alléén. Het gaat om opstandigheid van revolutionaire proporties en dynamiek.

De demonstraties gaan door, het geweld van staatswege en van regeringsaanhangers ook. Het weblog Angry Arab heeft interessante gegevens over de botsende krachten. Een getuige heeft hem verteld van het verschil tussen het kamp dat oppositie-demonstranten hebben ingericht enerzijds, en het kamp van regeringsaanhangers. In het regeringskamp tamelijk luxe tenten, maar slechte organisatie, en het kamp stroom ’s nachts goeddels leeg. Er is geen vrouw te bekennen. In het kamp van protesterenden anderzijds zijn voordurend flinke aantallen mensen. De tenten zijn niet luxe, maar de organisatie van voedselvoorziening, communicatie en dergelijke is goed georganiseerd, op een manier die doet denken aan de gang van zaken op het Tahrir-plein in Egypte tijdens de opstand tegen Mubarak. En in het kamp van de oppositie zijn wél vrouwen aanwezig. Geen grote aantallen, maar ze spélen een rol in de opstand. Angry Arab heeft ook een overzichtje van leuzen uit de protesten in Jemen.  Hier zijn er een paar: “Geen dialoog, geen dialoog, treedt af of vlucht”; “Oh Ali, vertrek, de stoel onder je is aan het roesten”; “Oh God, oh God, dood aan Ali”, “Revolutie, oh mensen, van het noorden tot het zuiden”, “Gisteren Tunesië, vandaag Egypte, morgen opent Jemen de gevangenis”; “Duizend groeten aan Aljazeera”… Het is maar een greep, het overzichtje zelf geeft een veelvoud.

De opstand wordt intussen niet kleiner, eerder groter. Tot nu toe speelden vooral studenten een grote rol, het universiteitsterrein in Jaama was vaak plek van acties. Maar gisteren werd bekend dat twee stammen, belangrijk in de verhoudingen in jemen, de kant van het protest kiezen. De aankondiging werd begroet met het roepen van de inmiddels zo befaamde revolutieleus: “de mensen willen de val van het bewind”. Intussen kost het geweld van politie en van knokploegen van regerinsgaanhangers mensenlevens: op 22 februari was het aantal doden al opgelopen tot mogelijk 14. Alleen al op vrijdag 25 februari vielen in Aden vier doden en rond 40 gewonden bij een politieaanval op een demonstratie. De president houdt zijn poot nog stijf en duidt protesten aan als een ‘samenzwering’. Het beeld van 27 januari van mensen die zeiden dat het met die revolutie in jemen zo’n vaart niet liep, is inmiddels tamelijk achterhaald: de opstand groeit, en het bewind staat onder zware druk.

Zo slepend als de revolte in Jemen is, zo plotseling explosief is de opkomst van protest in Oman, ten oosten van Jemen. Dit land wordt aartsconservatief bestuurd, door sultan Qaboos. De Volkskrant sachrijft: Hij kwam in 1970 aan de macht toen hij bij een staatsgreep zijn eigen vader afzette. Qaboos regeert met harde hand, maar is voor het westen een belangrijke bondgenoot.” Dictatuur en westerse connecties, het vertrouwde patroon. Bij die connectie speelt de ligging een rol: “Oman beheert samen met Iran de Straat van Hormuz. Ongeveer veertig procent van de olietankers in de wereld vaart door deze waterweg aan de monding van de Perzische Golf”, schrijft de NRC. Ja, in zo’n land zullene Westerse machten extra prijs stellen op een bondgenoot aan de macht. De sultan heeft de touwtjes in handen, maar er is wel een gekozen raadgevend orgaan. Volgens de BBC was het beleid populair, opbrengsten van olie worden bijvoorbeeld in infrastructuur en dergelijke gestoken.

Maar kennelijk is er er iets misgegaan in het land van deze weldoenende vorst. Vorige week was er al een demonstratie van enkele honderden mensen. Gisteren en vandaag was er meer en feller protest. In Salalah werd betoogd. In Sohar, een industriestad, schoot de politie met rubberen kogels op demonstranten. Dat kostte twee betogers het leven. Aljazeera meldt dat volgens een onbevestigde bericht ook al een politiebureau in de fik is gezet. Demonstranten eisen politieke hervormingen, maatregelen tegen corruptie, meer vrijheid, maatregelen tegen prijsstijgiongen, hogere lonen en dergelijke, zo vertelt een deelnemer aan een protestactie volgens Aljazeera.

O ja, de regering had al studiebeurzen verhoogd, en het minimumloon. En “de sultan heeft zes ministers vervangen en nieuwe adviseurs aangetrokken om de protesten in zijn land een halt toe te roepen”, aldus het NRC-bericht dat ik al citeerde. Het soort tekenen van zenuwen in het bewind dat we ook zagen in Bahrein, in Saoedi-Arabië, en elders. Daar hielp het ook niet om de zaak rustig te houden. Maar niets doen terwijl de ontevredenheid onrustig opborrelt, dat vinden de heersers ook geen veilige optie meer. Wat een dilemma’s voor de heersers. Wat een hoop voor de steeds opstandiger bevolking.

We gaan naar de volgende paar landen, maar nu wat korter. De Verenigde Arabische Emiraten. De economie draait er op olie, maar de laatste jaren ook op bouwprojecten in het kader van toerisme en luxe consumptie voor rijke mensen uit de wijde omtrek. Het land is ietsje minder onvrij dan veel buurlanden, maar van erkende zeggenschap vanuit de bevolking is geen sprake. Sjeiks regeren die diverse emiraten waar het land uit bestaat, één ervan is president van het geheel, en een voor de helft door de bevolking gekozen raad heeft slechts een adviesrol. Het land zag eind 2009 een enorme financiële crisis, met name in Dubai waar de bouw van megaproject na megaproject stil kwam te liggen. Maar opstandigheid wordt er amper waargenomen. Ik ben benieuwd hoe lang dit nog zo blijft. Een rol daarin zou de positie van allerlei groepen arbeiders kunnen spreken. Zo kaartten bijvoorbeeld leraren van Indiase afkomst – heel veel van het werk in het land wordt door migrantarbeiders verricht – aan dat zij veel lager betaald krijgen dan docenten van Britse herkomst aan andere scholen. Ze willen gelijktrekking van salarissen. Dit soort onvrede over discriminatie op de arbeidsmarkt kan wel eens een tikkende sociale tijdbom zijn onder de zo rustig ogende oppervlakte. Als dat samen gaat vloeien met eisen voor meer vrijheid, mede geïnspireerd door wat er in buurlanden gebeurt…

Qatar dan. Ik weet heel weinig van Qatar, maar ik vermoed dat ik dat euvel snel ga verhelpen. Wat summiere informatie, geplukt van de BBC-website: er regeert een emir, die de macht in 1995 met een staatsgreep van zijn vader heeft overgenomen. Er zit enorm veel olie, vijftien procent van de wereldvoorraad, volgens de BBC. Er heerst wat meer vrijheid dan in andere landen in het gebied. De staat – en dus de emir en zijn familie – heeft ook een media-bedrijf: het welbekende Aljazeera. Volgens sommigen is het niet helemaal toevallig dat deze zender zoveel, en zulke positieve, aandacht heeft voor Libië en Egypte; het zou hiermee de aandacht wat afleiden van protesten die gpolitiek gesproken iets dichter bij Qatar liggen. Angry Arab maakt dit punt. Overigens heb ik de indruk dat deze eenzijdigheid, als die geldt, vooral de Arabischtalige verslaggeving betreft, en veel minder die Engelstalige waar het niet enorm opvallend is. Intussen is er, jawel, een Facebookoproep voor protest in Qatar zelf. Voor in de revolutionaire agenda: 16 maart.  Volgens het bericht van Press TV, een aan de Iraanse staat verbonden zender overigens, eist de oproep met name een eind aan de betrekkingen tussen Qatar enerzijds, Israël en de VS anderzijds. Een binnenlands thema ontbreekt gelukkig niet: men wil de emir weg hebben. We zullen zien wat Aljazeera dáár mee gaat doen.

Nog drie landen te gaan. Koeweit stip ik enkel aan. Daar wasr een paar weken protest van staatsloze mensen, waar politie hardhandig tegen op trad. Veel heb ik daarna niet meer uit dit land gehoord. Maar met heftige demonstraties in buurland Irak, en met protesten in vrijwel elk omliggend land, zijn volgende uitbarstingen van onvrede vermoedelijk een kwestie van (niet al te lange) tijd.

Snel verder naar Bahrein intussen, een land dat vanwege de vlootbasis die de VS-marine er heeft extra gewicht heeft. Daar is een revolutie gaande, een revolutie die op 14 februari op gang kwam met protestdemonstraties. Politie viel betogers aan, de begrafenis van daarbij gevallen doden werden een nieuwe demonstratie, wederom aangevallen door gewapende gezagsdragers. De demonstratie werd een grote manifestatie op de Pearl Rotonde in de hoofdstad. Die werd ’s nachts aangevallen, met wederom dodelijk gevolg. Slachtoffers van dát geweld werden de dag erop begraven, waarbij de stoet tegelijk een boze demonstratie was. Toen een aantal van de demonstranten naar de Pearl Rotonde gingen, volgde een nieuwe aanval van politie en militairen, wederom met dodelijke gevolgen. De dag erop – zaterdag 19 februari inmiddels – bezetten duizenden betogers de rotonde opnieuw, tegenover een met traangas schietende maar zich terugtrekkende politiemacht. Enkele dagen later, op 22 februari, vond er een geweldig grote protestbetoging plaats,. Volgens de New York Times deden daar 100.000 mensen aan deel. In een land met bijna 600.000 burgers, en tegen de 1,3 miljoen inwoners – een meerderheid van de bevolking is migrantarbeiders zonder de burgerrechten van Bahreini’s – is dat immens.

De opstand richt zich tegen de macht van het vorstenhuis, de Khalifa-familie, en het daarmee verbonden establishment. De bovenlaag is overwegend soennietisch, een meerderheid van de bevolking is sjiitisch. Die meerderheid wordt achtergesteld, en dus klinkt protest tegen discriminatie. Dat de staat bijvoorbeeld ‘geschikte’ en ertoe opgeleide mensen van soennietische herkomst laat immigreren, versneld burgerrechten geeft en inzet als veiligheidstroepen tegen de ‘eigen’ bevolking, dat zet kwaad bloed. Maar daarmee is de opstand geen sjiitische opstand tegen soennieten als zodanig. “Noch Shia noch Soenni, maar Bahreini”, is een centrale leus. Het gaat betogers om meer vrijheid, een einde aan de arrogante onderdrukking vanuit het vorstenhuis en de bijbehorende staat. De eisten zijn intussen radicaler geworden, ook hier weerklinkt nu “De mensen willen de val van het regime”. Maar ook: “Weg met de koning, weg met de Khalifa’s”. Dat was bij het begin van de protesten – toen eisen naar hervormingen nog domineerden – anders. Het tekent de revolutionaire stemming, ook hier. Een kleine groep legerofficieren heeft meegedemonstreerd. “We besloten dat het onze baan is om mensen te beschermen, niet om ze in elkaar te slaan. Wapens die tegen het volk gebruikt worden zijn wapens van schande“, aldus één van hen.

Ook in Bahrein spelen in de opstand arbeiders in georganiseerd verband een rol. Leraren demonstreerden mee, en leraren staakten afgelopen week enkele dagen uit solidariteit. De GFBTU, vakbondsfederatie in Bahrein, riep tot een algemene staking op maar blies die snel erna af. Aan de eisen – tanks terugtrekken, demonstranten vrijuit laten demonstreren – was volgens de vakbondscentrale tegemoetgekomen. Maar de secretaris-generaal van de vakbondsfederatie legde ook uit dat betrokkenheid van de vakbonden bijh de protesten niet vreemd was. “Een van hun eisen is het aanpakken van de werkloosheid. Dat is iets wat we altijd zullen steunen”, zei hij.

De GFBTU beweegt zich wel in het gematigde deel van de protestbeweging, en probeert zioch in te zetten voor dialoog. Maar ze brengen ook klachten van arbeiders naar buiten. Die zeggen dat bedrijven salaris willen inhouden als arbeiders wegens deelname aan demonstraties wegblijven van hun werk. De GFBTU vindt dat in ieder geval arbeiders die deelnamen aan de staking van 20 februari waar de federatie toe had opgeroepen, gewoon doorbetaald zouden krijgen. Het lijken geen grote dingen, en de opstelling van de vakbondsfederatie is zelf niet bepaald revolutionair. Maar juist de wisselwerking van thema’s – meer politieke vrijheid, de strijd voor arbeidsrechten, de strijd tegen werkloosheid, is – ik zeg zulke dingen vaker maar ze doen er dan ook toe toe – twel ekenend voor de diepgang van een revolutie-in-wording. Over aanloop en achtergronden van de revolutie, over diverse oppositionele stromingen, gematigd en radicaler, heeft MERIP trouwens een mooi artikel.

Ten slotte Saoedi-Arabië. Van de gebeurtenissen in dat land hangt heel veel af. Het koningshuis aldaar is ruggensteun voor regimes in de buurt. Het feit dat koning Abdallah na terugkeer van een verblijf in het buitelnand wegens ziekte vrijwel meteen ging overleggen met de vorst van Bahrein, is veelzeggend. Revolutie in Bahrein is slecht nieuws voor het Saoedische bewind dat ongetwijfeld het overslaan van protesten vreest. Militair ingrijpen vanuit Saoedi-Arabië tegen die revolutie is een mogelijkheid, een dreiging voor de vrijheidsstrijd in Bahrein. Er waren al berichten dat de aan onderdrukking in de eerste opstandsweek daar Saoedische agenten deelnamen. Als de revolutie in Bahrein aan kracht blijft winnen zal de neiging tot militair ingrijpen vanuit Saoedi-Arabië wel eens kunnen toenemen. Pepe Escobar schetst in de Asia Times de verwevenheid van de gebeurtenissen in de twee landen in een artikel over de revolutie in Bahrein. Zo ’n Aaoedisch ingrijpen zou trouwens wel eens erg meedogenloos, erg bloedig, erg bruut kunnen worden. Saoedische militairen zullen minder rem voelen om op burgers uit Bahrein te schieten dan op burgers uit Saoedi-Arabië In dat tweede geval zouden ze immers moeten schieten op mensen die immers hun familieleden zouden kunnen zijn. Zoe iets doet eerder terugdeinzen. Mubarak kan de uitkomst van dat proces uitleggen…

Dit maakt de ontwikkelingen in Saoedi-ASrabië extra belangrijk. Opstand in dat land zelf bemoeilijkt militair ingrijpen over de grenzen heen. Hoe eerder er een Saoedische revolutie uitbreekt, hoe beter de kansen voor de revolutie in Bahrein en andere omloggende landen.. Saoedi-Arabië is een regionaal bolqwerk van reactionair initiatief, van steun aan andere conservatieve regimes en bewegingen – fiananciële steun, militaire steun. Het is ook nog eens een zeer belangrijk bondgenoot van de VS in de regio, één van de steunpilaren voor haar hegemonie in het Midden-Oosten. En er zit nogal wat olie. De val van het koningshuis Saud en het bijbehorende bewind zou een dreun zijn, niet alleen in de regio zelf maar eentje die het wereldwijde kapitalisme zal doen beven. De revolutie in Libië doet de olieprijzen al omhoogvliegen. De val van Mubarak heeft dictators van heinde en verre en hun sponsors al de stuipen op het lijf gejaagd. Deze effecten kunnen wel eens bleek afsteken tegen de effecten van een daadwerkelijke revolutie in Saoedi-Arabië.

Er zijn tekenen dat het in hoog tempo die kant op gaat. Er duiken berichten op dat groepjes sjiiten herhaaldelijk gedemonstreerd hebben voor de vrijlating van sjiitische gevanngenen die langrdurig zonder proces vastzitten. Na een eerdere van zulke demonstraties volgde vrijlate ing van een drietal gevangenen. Sjiiten vormen in het land een minderheid, maar wel een forse, en een achtergestelde minderheid bovendien. De dominante godsdienst is een strenge variant van de soennitische islam, het Wahabisme. Die stroming moet van de sjiitische islam niets hebbenb. Sjiiten wonen ook nog eens in het oosten van het land, niet ver van het onrustige Bahrein, en in een gebied waar olie zit.

Er speelt veel meer. Socialist Worker had afgelopen week een zeer vrolijk stemmend oogetuigenverslag over stakingsactie op een bouwproject, met 3000 hele kwade arbeiders die staakten en demonstreerden op de werkplek. Beveiligingspersoneel kreeg de arbeiders niet kalm, politie kreeg stenen naar het hoofd – en naar de politieauto die geraakt werd. Tot een bedrijfsbezetting kwam het niet, arbeiders hervatten het werk na een toezegging. Ze kregen extra geld uitbetaald, en hun woonverblijven zouden verbeterd worden. Arbeiders zetten wich vervolgens in om ook elders stakingen op gang te krijgen, en inderdaad vonden meerdere stakingsacties plaats. Ontwikkelingen van sociaal explosief belang, hoe versnipperd de protesten tot nu toe ook nog zijn. Intussen is er echter ook de vrijwel onvermijdelijke internet-oproep. Pakken we de agenda er weer eventjes bij? Er is een “Dag van Woede” aangekondigd via Facebook. De geplande datum is op 11 maart. Maar misschien haalt het tempo van gebeurtenissen dat sooert plannen we helemaal in…


Internationale revolutionaire golf

17 februari, 2011

Mohamed Bouazizi was academicus, had geen baan, , hield zich in leven door op straat fruit en groente te verkopen. Toen autoriteiten hem daarin grof dwarsboomden – ze hadden eerder zijn kar met koopwaar in beslaggenomen en hem geslagen – stak hij zichzelf in brand. Het gebeurde in Sidi Bouzid, in Tunesië, op 17 december. Met zijn desperate daad gaf hij in feite het startschot voor wat uitgroeide tot de Tunesische revolutie, vrij snel daarop gevolgd door de nog veel dramatischer revolutie in Egypte. Inmiddels kunnen we vaststellen dat we in de beginfase zitten van een grote internationale revolutionaire golf.

Lees de rest van dit artikel »


Dubai: de echte catastrofe

27 november, 2009

He, da’s nou vervelend. Net nu er tekenen zijn dat de wereldeconomie niet langer wegzakt, net nu de recessie in veel landen ten einde was of leek, net nu het ergste dus voorbij leek –  juist in die tijd brengt een dreigend bankroet van een steenrijke stadsstaat de aandelenbeuren in een ouderwetse neergang. De gebeurtenissen zijn weer eens leerzaam, en – zoals het vaker gaat met dit soort zaken – zowel angstaanjagend als bij vlagen lachwekkend.

Het was een ramp die er aan zat te komen. Dubai, een onderdeel van de Verenigde Arabische Emiraten, heeft zich de laatste jaren in hoog tempo ontwikkeld tot hypermodern land. Het ene gigantische bouwproject na de andere werd op gang gebracht. Kunstmatige eilanden voor de kust, een hypermodern metro-netwerk, de hoogste wolkenkrabber ter wereld. Het kon allemaal niet groot, flitsend en gek genoeg. Geld genoeg, immers? Nou ja, geldschieters genoeg, want het gebeurde met geleend geld. Maar ja, in een snelgroeiende economie zouden die projecten rendabel verkocht kunnen worden en waren die schulden dus geen punt van zorg. Nietwaar?

Totdat vorig jaar de kredietcrisis tot een heuse recessie uitgroeide. Bouwprojecten werden stilgelegd, en Abu Dhabi, ook deel van de Verenigde Arabische Emiraten, moest bijspringen met kredieten. Abu Dhabi had vooral veel olie, anders dan Dubai dat vrijwel door de plaatselijke olievoorraad heen is. Twintig miljard dollar had Abu Dhabi al in Dubai gestoken, nog maar een paar dagen terug schoof de staatsbank van Abu Dhabi 5 miljard als lening richting Dubai.

Maar het was niet genoeg. De investeringsmaatschappij Dubai World maakte op 24 november bekend dat het alle afbetalingen van schulden een half jaar lang stopzet. Dit bedrijf is de spil van de economie, en het staatshoofd, sjeik Mohammed Bin Rashid al Matoum, is er de baas. Eigenlijk is het dan ook Dubai als zodanig dat zijn schulden – een slordige 53 miljard euro, waarvan 39 miljard voor rekening van Dubai World – niet meer betaalt. 

Feitelijk staat daarmee Dubai zelf op de rand van bankroet. Het zou vor het eerst sinds 2001 zijn dat een land  betalingsverplichtingen op een dergelijke manier stopzet. De laatste staat die dat deed, was Argentinië. Herinnert iemand zich nog de beelde van de opstandige massa’s, toen mensen opeens niet meer bij hun beetjes geld op de bank konden?

Dat is schrikken voor de internationale financiële wereld, die net in rustiger vaarwater gekomen dacht te zijn. En daar gingen de beurskoersen: De Britse beurs: 3,2 procent omlaag, de grootste val sinds maart. De Franse beurs, 3,2 naar beneden. Duitsland: 3,4 procent neerwaarts. En Amsterdam registreerde een verlies van 2,3 procent.

De hele toestand is om meerdere redenen van belang. Om te beginnen laat het de wwaanzin van ongebreideld winstbejag – en dus van de dynamiek van de marktecfonomie – nog eens zien. Allemaal rijke mensen en kapitaalkrachtige bedrijven die geld steken in projecten waarvan e dachten dat die winstgevend zouden zijn. Vervolgens blijkt – zoals steeds weer gebeurt – de markt verzadigd te kunnen raken en blijkt er dus teveel geïnvesteerd te zijn.  Projecten komen stil te liggen, schulden kunnen niet meer worden afbetaald, de boel crasht.

In dit geval waren het grtootschalige glinsterende bouwprojecten. In 2000 waren het investeringen in internetbedrijven. In 2007-2008 waren het investeringen in hypotheken die in ondoorzichtige pakketten werden verhandeld. De vorm is anders, maar de val is elke keer weer even onontkoombaar. Het is de markt aan het werk.

Het feit dat het in Dubai een staatsmaatschappij was die de investeringen deed, maakt geen wezenlijk verschil: ook deze maatschappij opereerde op een internationale financiële markt. De absurde dynamiek was in essentie hetzelfde: een ongeplande jacht op winst zorgt op het ene moment voor te weinig, het andere ment voor teveel, maar nooit voor genoeg.

De gebeurtenissen laten ook zien hoe onzeker het herstel van de wereldeconomie is, hoe kwetsbaar het internationale financiële gebeuren is. Als in één land erg veel geld is geïnvesteerd, dan straalt dat ver over de grensen van dat land uit. Als het mis gaat, is dat dus ver buiten dat land voelbaar. Ook  uit Nederland is geld aan Dubai geleend. En de Guardian vraagt zich al af: “Dubai: beperkte tegenslag in speelplaats van de rijken – of eerste domino van nieuwe crash?” Goede vraag.

Wat in de berichtgeving nauwelijks aan bod komt is de sociale ramp die zoiets teweegbrengt. Met de sheik en zijn geldproblemen hoeven we geen medelijden te hebben. Maar er zijn andere slachtoffers. Dat wordt zichbaar als we iets meer lezen over die gloednieuwe metrolijnen waar ik het al even over had.

Dar metrostelsel is in ijltempo, in drieëneenhalf jaar, gebouwd. De kosten kwamen 80 procent hoger uit dan beraamd, zoals te doen gebruikelijk is bij dit soort projecten. In september ging een deel ervan open. Bij opening was er één grote angst: tekort aan reizigers! Hoe dat zo?

Aan de prijs kan het niet gelegen hebben: een gewoon kaartje kost één euro. Er zijn ook duurdere kaartjes voor luxere onderdelen, maar dat terzijde. Om het geld hoef je het dus niet te laten. Mar wie gan er met de metro?

Niet de burgers van het land – dertig procent van de bevolking. De Volkskrant: “De inwoners voelen er niet voor om in 40 graden Celsius naar  een metrostation te lopen en koesteren hun luxueue SUVs die dankzij de goedkope en zwaar gesubsidiëerde brandstof óók spotgoedkoop zijn.” Hint voor de regering van Dubai: die subsidie afschaffen. Dat bespaart geld, en motiveert mensen misschien om toch in de metro te gaan. maar zoiets veronderstelt een rationeel en sociaalvoelend soort van bestuur.

‘De inwoners’ gaan dus niet met de metro, althans de rijke inwoners met burgerrechten en luxe auto’s niet. Dan zijn er echter ook nog de mensen die traditioneel niet meetellen: de mensen die het vuile werk doen, en van en naar het werk moeten kunnen reizen. In Dubai zijn dat migrant-arbeiders, zeventig procvent van de bevolking.

Althans: zo wás het. Want met het stilliggen van al die bouwprojecten zijn heel veel van die mensen noodgedwongen vertrokken uit Dubai. dat, en niet de rijkendie geld in Dubai hebben gestoken en er misschien niets van terugzien, zijn mensen wiens lot we ons wél mogen aantrekken. Zij hebben met hun werk al die gebouwen neergezet. Zij zagen er al niets meer van terug dan erbarmelijke lonen voor zwaar werk. En nu zijn ze ook dat erbarmelijke loon nog kwijt. Dat, niet de verliezen op de aandelenbeurzen, is de echte catastrofe.

Tenslotte: een prachtig beeld van het kapitalisme in Dubai schetste Mike Davis, één van de beste Mrxisten die er vandaag de dag rondlopen, al in 2006 in de New Left Review: “Fear and Money in Dubai”. Juist nu het (her)lezen weer waard.


Linkse groep Doorbraak over Islamisme: problematisch stuk

30 januari, 2009

De linkse groep Doorbraak heeft begin december afgelopen jaar een flinke tekst op haar website geplaatst over de verhouding tussen links en het Islamisme (“Moslimfundamentalisme” in het woordgebruik dat Doorbraak hanteert). Het is nuttig dat linkse mensen nadenken over deze lastige zaak, en dat ze hun kaarten op tafel leggen. De relatie tussen links en het Islamisme keert immers steeds terug als twistappel en discussiethema, zodra er solidariteit georganiseerd moet worden tegen  bijvoorbeeld islamofoob racisme in Nederland, of tegen Israëlische en/of Amerikaanse agressie in regio waar de Islam de belangrijkste godsdienst is.  De Israëlische slachtpartij in Gaza – die enkele weken nadat Doorbraak haar stuk plaatste  van start ging – is zo’n voorbeeld, vanwege de prominente rol die Hamas in het verzet tegen Israël speelt.

Doorbraak snijdt dus een belangrijk thema aan, en doet dat op doordachte wijze, in de vorm van een aantal vragen rond het onderwerp. Het stellen van dit soort vragen en het proberen er antwoorden erop te vinden valt toe te juichen, wat ik ook van de antwoorden denk. Maar wat dénk ik dan van de antwoorden?

Welnu, veel van het stuk bevat zinnige observaties en stof tot nadenken. Maar uiteindelijk ben ik niet overtuigd van de algemene stellingname. Doorbraak vindt dat er onder geen enkele omstandigheid samengewerkt mag worden met fundamentalistische groeperingen. Feitelijk stelt ze Moslimfundamentalisme op één lijn met wat Doorbraak “rechtspopulisme” noemt: het gifmengsel van Verdonk en Wilders. Mij lijkt dat tactisch én analytisch onjuist, in Nederland maar vooral internationaal.

Wat ’s volgens Doorbraak trouwens “fundamentalisme”? Een echte definitie krijgen we niet voorgeschoteld, wel een soort omschrijving. “Veel orthodoxe moslims doen ook aan  machtsvorming in het publieke domein. Dan zijn ze in onze ogen te kenschetsen als fundamentalisten.” Fundamentalisme is de stroming die politieke en maatschappelijke machtsvorming nastreeft op basis van een orthodoxe Islam, zo  zou de werkdefinitie kunnen luiden. In dezelfde alinea noemt Doorbraak het streven naar een Islamitische staat, opvattingen en praktijken waarin vrouwen, homo’s en lesbo’s, andersdenkenden worden onderdrukt, opheffing van de scheiding tussen georganiseerde religie en staat, en dus aantasting van seculiere politieke verhoudingen, als kenmerk.

Ik denk dat deze definitie hanteerbaar is voor de discussie, maar opvallend is wel de breedte ervan. Niet alleen de keiharde Salafisten die soms in Nederland voor heisa onder AIVD en Kamerleden zorgen, vallen eronder, maar – neem ik aan – ook een veel bredere groepering als Millis Gorüs. Niet alleen Al Qaeda en de Taliban, maar ook Hamas en de Moslim-Broederschap, en uiteraard de politieke elite van geestelijk leiders in Iran, zijn inbegrepen. En Hezbollah? Die heeft het streven naar een Islamitische staat  al tijden opgegeven, omdat ze ziet dat haar basis – de Sjiitische bevolking van Libanon – daarvoor te smal is. Een mooi artikel in International Viewpoint uit november 2006 laat de groei, en tevens de verandering van karakter, van Hezbollah goed zien. Fundamentalisme? Of niet? En de regeringspartij van Erdohan in Turkije? Die opereert ongeveer als een CDA in een meerpartijenstelsel. Het streven is hier geen Islamitische staat, maar wel een grotere rol en ruimte voor de Islam in het openbare leven. Fundamentalisme? Of niet? Ik vermoed dat Doorbraak vindt van wel. Zelf vind ik het, voor deze discussie althans, best – als er dan maar de erkenning bij zit van de veelvormigheid, en veranderlijkheid, van datgene wat we soms wel erg gemakkelijk onder dat griezelige etiket van ‘fundamentalisme’ plakken. En die erkenning mis ik in het artikel wel.

Doorbraak heeft gelijk waar ze wezenlijke elementen van de fundamentalistische ideeënwereld falikant afwijst. Seksisme, onderdrukking van homoseksualiteit, het afwijzen van gelijke rechten ongeacht geloofsovertuiging, de theocratische afwijzing van democratie als beginsel, en van de scheiding tussen geloof en staat – links heeft er altijd tegen gestreden, en dient dat te blijven doen. De vraag is alleen hoe je dat doet. Simpele afwijzing volstaat naar mijn mening niet.

Waar Doorbraak volgens mij de plank misslaat is het idee dat bovenstaande nare ideeën het belangrijkste zijn van wat fundamentalistische  groepen nastreven. Ik denk dat dit heel vaak niet het geval is. Mensen worden lid – actief lid, soms gewapende strijder, en niet alleen sympathisant of kiezer – van bijvoorbeeld Hamas of de Taliban om een veelheid van redenen. De allerbelangrijkste zou wel eens kunnen zijn: die clubs véchten tenminste tegen de bezetter!

Dat ze tegelijk een ideologie hebben die aansluit bij geloofsopvattingen die potentiële leden en sympathisanten al hadden, is voor zulke mensen waarschijnlijk mooi meegenomen. Maar zijn mensen werkelijk aangesloten bij Hamas of de Taliban omdat ze een hekel hebben aan vrouwen, homoseksuelen van gebouwen willen smijten of andersdenkenden in de cel willen gooien? Ik betwijfel het ten zeerste.

Als het waar is dat mensen zich bij dit type bewegingen aansluiten omdat ze zich tegen imperialisme en Zionisme willen keren – en dat denk ik – dan is echter daarmee hun reactionaire gedachtengoed natuurlijk niet verdwenen. Maar er is dan wél een opening voor links om, tactisch en met behoud van de ruimte tot kritiek, samen te werken tegenover een gemeenschappelijke tegenstander. Dat is lang niet altijd mogelijk: een samenwerking tussen links en de Taliban of Al Qaeda zal stuklopen omdat beide groeperingen  voor geen enkele samenwerking van dat  type openstaan. Linkse mensen worden door deze groepen eerder vermoord dan begroet als bondgenoot, en samenwerking zoeken wordt dan al gauw een weg naar de ondergang. Maar met Hamas en tegenwoordig ook Hezbollah ligt dat beduidend anders: vertegenwoordigers van deze groepen hebben eerder het podium gedeeld met vertegenwoordigers van links, op bijeenkomsten zoals de Caïro Conferentie, een samenkomst van anti-imperialisten die al een handvol jaren achtereen gehouden is in de Egyptische hoofdstad. In 2007 spraken daar, naast socialisten uit Egypte maar ook uit Groot-Brittannië, woordvoerders van Hamas, Hezbollah en de Moslim Broederschap, zo lees je in een verslag ui9t de Socialist Worker (UK) uit die tijd.

Nu kun je zeggen dat je zoiets niet eens moet willen, vanuit links – en daar komt de houding van Doorbraak op neer. Zelfs discussie met fundamentalisten is geen goed idee. Reden: “Niet omdat we daarvoor terugschrikken, maar omdat het zinloos is, gezien de principiële tegenstellingen tussen hen en Doorbraak.” Om maar eens een moderne kreet te gebruiken: duuuhhhh! Als er geen geschilpunten waren, dán was discussie pas zinloos, want dan was je het eens. Dat de geschilpunten principiëel zijn, maakt discussie moeilijker, maar niet minder mogelijk, en ook niet minder nodig. 

Waarom zo terughoudend? Gaat Doorbraak er bij voorbaat van uit dat mensen niet te overtuigen zijn van haar denkbeelden? Gaat politieke beïnvloeding bij voorbaat verkeerd, is er een soort besmettingsgevaar, waardoor mensen in discussie eerder van links naar rechts gaan dan andersom? Ik begrijp deze frontale blokkade-bij-voorbaat niet. Ik discussieer met iedereen die serieus wil discussiëren, en ik zou het gezond vinden als dat een gangbare houding van linkse mensen en groepen zou wezen. Hoe en wanneer je dat doet, is een tactische, maar geen principiële zaak.

En er is een aanknopingspunt voor serieuze discussie tussen links en deze stromingen: allebei verwerpen ze  het Westerse imperialisme en de Zionistische bezetting. Vanuit dat aanknopingspunt kun je duidelijk maken hoe de reactionaire filosofie van Islamisten dat doel blokkeert. Je krijgt geen vrij Palestina als vrouwen in de strijd daarvoor geen volwaardig aandeel hebben. Je verslaat de staat Israël niet als je alle burgers ervan tot vijanden maakt, en christenen, joden, atheïsten en niet-orthodoxe moslims al bij voorbaat een tweederangs burgerschap van het vrije Palestina in het vooruitzicht stelt. De elementen van antisemitisme die Hamas helaas heeft, zijn niet alleen kwalijk; ze zijn contraproductief voor dat doel van Hamas zelf: een einde aan de Israëlische bezetting.

Maar mensen zullen pas naar zulke argumenten luisteren als links beklemtoont dat zo´n vrij Palestina, zo´n Midden-Oosten bevrijd van het imperialisme, het gezamenlijke doel is van beide stromingen. Links kan beweren dat het een betere weg heeft naar die bevrijding, en ook dat de bevrijding zoals fundamentalisten die brengen geen echte vrijheid brengt. Maar er zal pas naar links geluisterd worden als links bereid is zij aan zij te staan met fundamentalisten tegen de gezamenlijke vijand. Samenwerking voor dit doel kun je beter niet uitsluiten, zolang je maar zelf je eigen kritiekpunten nadrukkelijk kunt blijven maken.

Doorbraak gaat er ten onrechte van uit dat in dit soort samenwerking links bij voorbaat de verliezer is. Ik lees het volgende. “Maar kan links niet beter het gras voor de voeten van de moslimfundamentalisten wegmaaien, en zich verder onthouden van kritiek op die stroming? Bijvorbeeld door vooral strijd te gaan leveren voor een vrij Palestina, Irak en Afghanistan.” En dan het antwoord: “Dat soort voorstellen komt meestal van linksen die  de tegenstellingen met fundamentalisten niet willen benoemen, en die de mogelijkheid van bondgenootschappen willen openhouden.” De mogelijkheid om voor een strijd tegen bezetting van Palestina etc. samen te werken maar tóch kritiek te leveren waar relevant, wordt in de vraag en in dit deel van het antwoord al weggewerkt. Maar waarom zou je geen gezamenlijke demonstratie voor een vrij Palestina kunnen houden waarin Millis Görus iets beweert over de rol van de Islam, en Doorbraak iets geheel anders? En wie zíjn trouwens die “linksen die de tegenstellingen niet willen benoemen, en die de mogelijkheid van bondgenootschappen willen openhouden”? Denkt Doorbraak aan specifieke organisaties of personen? Voor een serieuze polemiek is het wel zinnig om degenen waar je kritiek op levert, wat nader aan te duiden. Dat schept helderheid, en een mogelijkheid tot verweer.

Maar het antwoord gaat verder, en dan wordt het echt zorgwekkend. “Maar het overnemen van de mobilisatiethema’s van de fundamentalisten leidt er niet automatisch toe dat hun potentiële achterban de linkse kant op komt. Het valt eerder te verwachten dat die zal kiezen voor het fundamentalistische origineel en niet voor het linkse afgietsel.”

Ik wist amper wat ik zag toen ik déze woorden zag. Links afgietsel, fundamentalistisch origineel? Mobilisatiethema’s van de fundamentalisten?! Sinds wanneer laat links zich de kaas zo beschamend van het brood eten, en dat met terugwerkende kracht!? Sinds wanneer zijn afwijzing van bezettingen – van welk land dan ook – geen linkse thema’s, maar slechts afgietsels?  Was de afwijzing van de bezetting van Nederlands-Indië door toenmalig links ook een afgietsel van het thema van nationalisten?! En de afwijzing van de bezetting van Vietnam, was dat slechts een afgietsel van het plaatselijke Boeddhistische origineel of zoiets? Links wijst de bezetting van Palestina, Irak en Afghanistan af uit principe, omdat nu eenmaal geen volk vrij is dat een ander onderdrukt, omdat de internationale solidariteit dat van ons eist. Dat fundamentalisten, om hun eigen redenen, ook tegen deze drie bezettingen zijn, geeft aanknopingspunten voor een tactisch bondgenootschap. Niet meer, maar ook niet minder. Binnen zo’n bondgenootschap moet links aantonen dat haar weg naar bevrijding effectiever is, dat de bevrijding op fundamentalistische basis doodloopt, geen echte vrijheid brengt. Maar de strijd tegen bezetting is links principe, geen afgietsel.

Een blik op de geschiedenis van het Midden-Oosten, en de daarmee samenhangende solidariteitsbeweging, laat zien hoezeer Doorbraak in de knoei is met de chronologie. Ik was voor het eerst op een Palestina-demonstratie in juni 1987: twintig jaar bezetting van Gaza en de Westoever. De eis was: erkenning van de PLO als vertegenwoordiger van het Palestijnse volk (een niet geheel probleemloze eis, zo vond ik destijd al en zo vind ik nu nog. Maar dat is een ander onderwerp). Het was een linkse demonstratie, zoals de solidariteit met de Palestijnse strijd in die jaren een links actiethema was.

Eind van dat jaar, 1987 dus, begon de Intifada. Weer was het links dat de straat op ging, veelal in het toen nog karakteristieke actie-tenue met veel leren lassen en steeds meer Palestijnensjaals, en in vrij groten getale en keer op keer. Ik was er herhaaldelijk bij. Erg veel fundamentalisten zag je daar niet: buiten de Iraanse ambassade  waren fundamentalisten sowieso bijzonder zeldzaam.

Hetzelfde zag je in 1990-191, toen een hele verzameling van overwegend linkse tot uiterst linkse groepen protesten organiseerden tegen de Amerikaanse aanval op Irak, waar ook Nederland militaire steun aan gaf. Ik was, vanuit de Internationale Socialisten waar ik destijds lid van was (toen nog met “Groep” voor de naam), actief in het comité, het Komitee Anti Golf Oorlog (KAGO) geheten. En ik herinner me allerlei linksigheden, en serieuze inzet van witte activisten om tot samenwerking met migrantengroepen te komen, en andersom. Van aanwezigheid van serieuze aantallen fundamentalisten herinner ik me echter helemaal niets: het waren linkse groepen van allerlei kleur die zich bundelden in het protest.

Dat fundamentalisten zich met toenemend succes op deze thema’s  hebben geworpen is waar. Maar dat zou er, in de logica van Doorbraak,  op duiden dat zij een afgietsel van een links thema hanteren, eerder dan andersom. Of hebben we hier de curieuze toestand dat het afgietsel eerder kwam dan het origineel? In werkelijkheid is geen van beide het geval: beide stromingen hanteren deze thema’s om eigen redenen. Maar het is wél een thema dat onder sommige omstandigheiden gemeenschappelijke acties mogelijk maakt en soms zelfs vereist.

In de regio zelf zie je hetzelfde. De belangrijkste Palestijnse verzetsorganisatie was Fatah, van PLO-voorzitter Yasser Arafat. Dat was een seculiere organisatie, met een uitstraling die aanvankelijk verwant was met de diverse linksige guerrillabewegingen en – leiders van die tijd. Nee, Arafat was nooit een Che Guevara. Maar hij was deel van hetzelfde politieke  universum. En naast Fatah waren er de openlijk linkse groeperingen als het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PLFP) en het Democratisch Front voor de Bevrijding van Palestina (DFLP). De Palestijnse vrijheidsstrijd was een thema van links. Hamas bestond helemaal nog niet, tot aan het begin van de Intifada, in de winter van 1987-1988.

De toestand veranderde doordat links het, juist op dit thema, schromelijk liet afweten. Daarvoor is vooral een specifieke vorm van linkse politiek verantwoordelijk: het Stalinisme, in de breedste zin van het woord. Die stroming zocht keer op keer naar matiging van de strijd, en bondgenootschappen met delen van de plaatselijke bovenlaag die het etiket “progressief” kregen opgeplakt, omdat ze bereid waren tegen de VS in te gaan en samenwerking met de Sovjetunie niet uit te sluiten. Achtergrond was dat de hoofdsponsors van dit soort stromingen staten waren, machtige, in essentie kapitalistische staten – de Sovjetunie voorop. En die staten zochten bondgenoten in de Arabische wereld, en maakten daaraan de strijd tegen imperialisme en Zionisme ondergeschikt. Toen zulke staten steeds verzoenender werden jegens Israël, kreeg links het bindend advies daar slechts verbaal kritiek op te leveren, maar niet te ver te gaan. En toen de Sovjetunie bezweek in de wedloop met de VS die ‘Koude oorlog’ heet, stond deze vorm van links machteloos en zonder kleren aan. De hele terugtocht van links wereldwijd, na de val van de Berlijnse muur en het einde va de Sovjetunie, hielp ook niet bepaald. De delen van links die niet stalinistisch waren en de strijd tegen het imperialisme  zónder staatsillusies en ondergeschiktheid aan stukjes kapitalistenklasse wilden voeren, waren te klein en te versplinterd om veel tegenwicht te bieden.

Maar de behoefte onder vooral jonge mensen om te vechten tegen Westerse overheersing en Zionistische bezetting was daarmee niet weg. Die zoch nu andere kanalen, een andere bedding. Die vonden ze steeds meer in fundamentalistisch-Islamistische stromingen. Dáárom is Israël uit Libanon getrapt – terécht uit Libanon getrapt – door het fundamentalistische Hezbollah, en niet door de rode arbeiders- en boerenmilities van Libanon die zowel Doorbraak als ik ongetwijfeld liever hadden gezien. Dáárom is Hamas  – en niet  één of andere linkse groepering – de hoofdstroming geworden in het Palestijnse verzet.

Links heeft tot taak het verloren gegane terrein te herwinnen. Daar zijn meerdere redenen voor. Er is allereerst de inhoud van de bevrijding die wij als linkse mensen voorstaan: niet alleen nationale, maar tegelijk democratische, sociale en culturele bevrijding. Een vrij Palestina, Irak, Afghanistan (en Eam Tamil, en Tibet, en Sinkiang en Tsjetsjenië, en…. ga zo maar door ) waarin de meerderheid het gezamenlijk voor het zeggen heeft, waar homo’s en lesbo’s gelijke rechten hebben, waar vrouwen gelijke rechten hebben als mannen, waarin je mag geloven wat je wilt, inclusief helemaal niets. Bij de invulling van het begrip ‘bevrijding’ staan we dan ook lijnrecht tegenover de Islamistische invulling ervan. Daarom moet links zich versterken.

Het gaat echter nog verder. Islamisten zijn in hun strijd tegen bezetting op dezelfde manier halfslachtig als de stalinisten van destijds: ze zien hun doel als een staat bínnen de wereldwijde staatsorde, een kapitalistische staat tussen de anderen. Ze zoeken dan ook vroeg of laat steun en bondgenootschappen bij andere kapitalistische staten – en lopen daarmee voortdurend het risico om van die staten afhankelijk te raken. Zolang het nuttig is voor Syrië om Israël te jennen – om druk uit te oefenen om de bezette Golan-hoogte terug te krijgen bijvoorbeeld – , krijgt Hamas steun uit dat land. Maar als Syrië straks de Golan-hoogte terugkrijgt gaat het Hamas-kantoor in Damascus net zo gemakkelijk dicht. Zelfs de puur-nationale bevrijding van Palestina, zoals Hamas die voorstaat, is kwetsbaar voor dezelfde druk richting compromis en uitverkoop die Fatah fataal is geworden.  De revolutionair linkse nadruk op de strijd zélf, en de door deze vorm van links bepleite onafhankelijkheid van welke diplomatie en steun van gevestigde staten ook, líjkt een moeilijker weg. Maar het is uiteindelijk een veel betrouwbare route.

Maar op die weg zal links haar relevantie, de geldigheid en bruikbaarheid van haar opvattingen en werkwijzen keer op keer moeten aantonen, moeten bewijzen in de praktijk. Dat doen we maar beter niet uitsluitend door andere opvattingen alleen maar systematisch aan te vallen – ook al is ook dát heel vaak nodig. Dat doen we het beste door onze kritiek van een context te voorzien: gezamenlijke strijd tegen een gezamenlijke vijand.

Er is nog veel meer te zeggen over het stuk van Doorbraak. Misschien kom ik er binnenkort op terug. We zullen zien. Het bovenstaande geef ik echter graag alvast bloot aan kritische lezersoogjes.


Demonstratie Amsterdam: deel van internationale protestgolf tegen Israëlische staatsterreur

2 januari, 2009

Morgen is de dag van de, hopelijk overweldigend grote, demonstratie tegen de Israëlische aanvallen op Gaza. Inmiddels heeft Israël met haar terreur vanuit de lucht zeker  410 tot 425 mensen omgebracht; het aantal gewonden bedraagt meer dan 2000. Enkele honderden buitenlanders en Palestijnen met een tweede paspoort  mochten de Gaza-strook verlaten – hetgeen erop kan wijzen dat een aanval op de grond op handen is (NRC, 2 januari). De noodzaak voor groot en fel protest is glashelder.

De demonstratie morgen in Amsterdam is onderdeel van een internationale golf van protesten tegen de Israelische misdaden op Gaza. Ook in Londen vindt dan een demonstratie plaats, waartoe onder meer door de Stop the War Coalition – mee verantwoordelijk voor de gigantische demonstratie van 1 tot 2 miljoen mensen op 15 februari 2003 tegen de naderende Irak-oorlog – wordt opgeroepen. Op dezelfde dag staan demonstraties in andere Britse steden gepland: Glasgow, Edinburgh, Exeter, Hull, Leeds, Plymouth en ortsmouth (Socialist Worker(UK), 30 december 2008).

De acties van morgen komen na een week vol protesten in allerlei landen (Nieuws.nl, 2 januari) . Vandaag waren er betogingen in veel landen van het Midden-oosten. Iran: zesduizend mensen die Israëlische vlaggen in brand staken en “Dood aan Israël en aan Amerika” riepen. Iran heeft echter een officiële lijn die sowieso fel tegen Israël is; de demonstranten verwoordden op een wat kort-door-de-bocht-manier nauwelijks meer dan het regeringsstandpunt. Iets degelijks gold voor de betogingen die in Syrië plaats vonden, onder meer van 2000 Palestijnse vluchtelingen. Zonder toestemming van hogerhand zouden deze acties nooit ongehinderd hebben plaatsgevonden in de dictatuur die Syrië nog steeds is. Deelnemers aan deze betogers zijn ongetwijfeld oprecht in hun woede en solidariteit, maar van een onafhankelijke protestbeweging is hier toch niet echt sprake.

Veel hoopgevender zijn de proteste in landen die bevriend zijn met Israël. Turkijke bijvoorbeeld, dat nauw met Israël samenwerkt: daar betoogden duizenden mensen tegen Israël’s aanvallen. Jordanië, dat een vredesverdrag gesloten heeft met Israël: daar  waren duizenden mensen op straat en eisten dat de regering met Israël te breken. Egypte: ook daar merdere betogingen, deels aangevallen door de oproerpolitie. De Egyptische regering is terecht doelwit van betogers in en buiten het land: juist de vrede die Egypte met israël sloot, geeft Israël enorm veel extra speelruimte om de Palestijnen ongestoord te terroriseren.

Heel belangrijk zijn de protesten in een land vér van het Midden-Oosten, dat echter van het grootste belang is in deze crisis: de Verenigde Staten. Dat land steunt Israël door dik en dun, en zal dat onder de nieuwe president Obama ook blijven doen tenzij immense protesten hem een betere kant op duwen. Juist in dát land is zichtbare georganiseerde solidariteit met de Palestijnen tegenover Israëls aanvallen zo enorm belangrijk.

En die solidariteit ís er. Op 30 december waren er acties in een reeks steden: 2000 betogers in San Francisco bij het Israëlische consulaat; 3000 actievoerders bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in Washington; 1000 demonstranten in Los Angeles, eveneens bij het Israëlische consulaat; 200 in Boston; 500 in San Diego; 500 in Portland; 300 in Toledo (Socialist Worker (VS), 2 januari, dat details geeft over deze en nog meer acties). In New York protesteerden op 28 december bijna 1000 mensen (International Viewpoint).

De demonstratie die we morgen houden in Amsterdam is duidelijk deel van een snel opgekomen, brede beweging van internationale protesten en solidariteit. En die opkomst stemt toch, op een grimmige manier, hoopvol in deze kille dagen.