Crisis rond Georgië: levensgevaarlijk

28 augustus, 2008

In de nasleep van de oorlog die Georgië en Rusland eerder in augustus rond  Zuid-Ossetië uitvochten, ontstaat momenteel een buitengewoon griezelige situatie. Bij de Georgische kust varen momenteel Russische oorlogsschepen vlakbij een Amerikaans marineschip. Die laatste brengen hulp aan Georgië, de eerste zijn deel van het militaire apparaat dat zojuist tegen Georgië vocht. Het is lang geleden dat Rusland en de VS zo rechtstreeks militair tegenover elkaar stonden, letterlijk binnen schootsafstand.

Intussen regent het in Westerse hoofdsteden felle veroordelingen en waarschuwingen richting Rusland. De Europese Unie overweegt sancties tegen Rusland. De NAVO kwam al eerder met een verklaring en bood noodhulp aan Georgië. George Bush verweet Rusland dat het Georgië “treitert”, en voegde eraan toe dat de territoriale integriteit en soevereiniteit van dat land gerespecteerd moeten worden. Het is fijn om te weten dat er tenminste één land is waarvoor dat volgens de VS geldt; andere landen – Irak, Afghanistan, Somalië – zijn minder gelukkig. Maar die worden dan ook door de VS ‘getreiterd’, en niet door Rusland.

Bij al deze kritiek op Rusland zou je bijna vergeten hoe deze oorlog ontstond, wat de wortels er van zijn, en hoe kwalijk de Westerse rol is. De oorlog begon met een Georgische aanval op Zuid-Ossetië, en niet met een Russische aanval op Georgië. Dat is punt één. Zuid-Ossetië was, in de tijd van de Sovjetunie, een autonome regio binnen Georgieë dat deelrepubliek was van die Sovjetunie. Toen Georgië de weg insloeg naar onafhankelijkheid, wilde Ossetië op haar beurt los van Georgië komen. Hetzelfde gold voor Abchazië, een andere autonome regio binnen Georgië. Abchaziërs en Osseten hadden een vergelijkbaar wantrouwen tegen Georgische overheersing als Georgiërs hadden tegen Russische overheersing. Wie het Georgische recht op afscheiding erkent, ontkomt er niet aan een soortgelijk recht op Osseetse en Abchazische afscheiding te erkennen.

Georgië deed dat echter niet en probeerde de regio’s in haar greep te houden. Rusland steunde die twee regio’s wel, niet omdat ze principieel afscheidingsrecht voor autonome regio en minderheden erkent – vraag maar aan de voor onafhankelijkheid srtrijdende Tsjetsjenen, die een enorme Russische overmacht tegenover zich vonden. Reden voor de Russische steun aan Abchazen en Osseten was het dwarsbomen en verzwakken van Georgië, pure cynische machtspolitiek.

In de eerste helft van de jaren negentig van de vorige eeuw woedden rond Abchazië en Zuid-Ossetië felle oorlogen. Met stevige Russische steun maakten beide regio ’s zich los van Georgië. Er kwam voor Ossetië een soort akkoord waarbij Russische troepen erkend werden als een soort ‘vredesmacht’. Hoe hypocriet dat ook was, van een principiële afwijzing van de Russische rol door Westerse staten was destijds geen sprake.

In 2003 kwam protest op tegen het corrupte en autoritaire bewind van de toenmalige leider Sheverdnadze. Woede over armoede en corruptie dreef  het verzet aan. Maar de regie ervan lag in handen van een groep pro-Westerse politici, aangevoerd door Shaakashvili. Stevige Amerikaanse steun hielp deze groep in het zadel in wat de ‘rozen-revolutie’werd genoemd. Shaakashvili werd president, en sloeg een pro-westerse koers in, richting NAVO-lidmaatschap. De NAVO bundelde altijd staten tegenover het zogeheten ‘Russische gevaar’, en het is dan ook niet vreemd dat Rusland dit alles met grote argwaan bezag. Georgië ligt immers pal tegen Rusland aan. Shaakashvili deed nog iets anders: hij beloofde de autonome regio’s Abchazië en Zuid-Ossetië weer onder Georgisch gezag te brengen. Daarmee probeerde hij op nationalistische basis zijn positie te verstevigen.

De Georgische aanval op Zuid-Ossetië was de uitkomst van deze politiek. Georgisch nationalisme verbond zich met de verwachting van Westerse steun, in een daad van agressie. Het is trouwens nauwelijks denkbaar dat Georgië tot de aanval overging zonder dat de VS dat wist en acceptabel vond. En hoe verwerpelijk de  manipulaties die Rusland via Osseten en Abchazen tegen Georgië voert ook zijn, ze rechtvaardigen geen beschieting van de Osseetse hoofdstad, met de daarbij gevallen burgerslachtoffers. De aantallen daarvan zijn trouwens omstreden: de 2000 die Rusland al snel noemde is hoogstwaarschijnlijk enorm overdreven, Recenter berichtgeving spreekt van tientallen doden, al is ongetwijfeld lang niet elk stoffelijk overschot al gevonden en geborgen.

Rusland sloeg onmiddellijk keihard terug, bombardeerde Georgische gebieden en viel het land binnen. En waar de Georgische aanval op Ossetië volstrekt verwerpelijk was, een daad van agressie, daar was het Russische optreden dat eveneens. Ook daarbij vielen tientallen doden, waarschijnlijk aanzienlijk meer. Human Rights Watch bericht dat Rusland clusterbommen heeft gebruikt in haar oorlogsvoering.

In deze oorlog was Georgië fout, zoals bijvoorbeeld Michael Neumann uitlegt in een verhelderend stuk op Counterpunch. “Georgië begon een oorlog, niets minder” , en het had daarvoor geen geldige reden. Maar hij schiet door waar hij het Russische antwoord feitelijk acceptabel vindt. Eenmaal aangevallen had Rusland het recht heel veel uit de kast te trekken om die oorlog te winnen, zegt hij. Gezien de rol die Rusland speelt, haar spelletjes via Ossetische en Abchazichse verlangens Georgië te dwearsbomen en haar greep op de Kaukasus te verstevigen, kan ik dat laatste niet met hem eens zijn. De Russische rol is verwerpelijk, net als de Georgische.

Na de Russische aanval kwam de Westerse diplomatie op gang. Via vooral Frankrijk werd er een bestand tussen Georgië en Rusland afgesproken, dat voorzag in Russische terugtrekking. Rusland doet dat hoogst onvolledig, en dat is verwerpelijk. Westerse staten gebruiken dat feit om steeds dreigender taal tegen Rusland te spreken, en er vaart dus al een Amerikaans oorlogsschip rond bij Georgië. Ook dat is verwerpelijk en bovendien levensgevaarlijk. Een incident tussen Amerikaanse en Russische marine is gauw genoeg ontstaan in deze gespannen sfeer, en dan heb je in beginsel een oorlog tussen kernmacht VS en kernmacht Rusland.

Intussen heeft Rusland de onafhankelijkheid van Abchazië en Ossetië erkend.  Weer schreeuwen Wersterse leiders hun woede van de daken: grenzen van een soeverein land zijn eenzijdig door Rusland gewijzigd! Maar eerder dit jaar erkenden Westerse landen de onafhankelijkheid van Kosovo, eerder een autonome regio binnen Servië. Dat land moest de greep op Kosovo opgeven nadat de NAVO in 1999 twee maanden lang bommen op Servië had gegooid en steun had verleend aan het het UCK, een Kosovaarse guerrillagroep. Servische onderdrukking van Albanezen in Kosovo verschafte het voorwendsel voor NAVO-oorlog en uiteindelijk onafhankelijkheid van Kosovo – net zoals de Georgische aanval op Ossetië nu het voorwendsel verschafte voor Russische oorlogsvoering en erkenning van de Ossetische onafhankelijkheid. En in beide gevallen worden de kersverse ‘onafhankelijke’ staatjes speelbal van een grote mogendheid. Dat er allerlei specifieke verschillen in de beide situaties zijn – zoals Martijn Roessingh in Trouw probeert aan te tonen, met gedeeltelijk succes – doet aan de kern van de parallel niets af.

Op de achtergrond in deze ernstige internationale crisis spelen economische en strategische motieven. Door Georgië loopt een voor Westerse staten belangrijke gaspijpleiding. In de Kaukasus en Centraal-Azië bevinden zich grote olie-en gasvoorraden. Met het ineenstorten van de Sovjetunie en het onafhankelijk worden van voormalige Sovjetrepublieken heeft de VS haar invloed in dit gebied stelselmatig uitgebreid. De Amerikaanse steun aan Shaakashvili in Georgië is daarvan maar een voorbeeld. Via steun aan bevriende regeringen en via militaire aanwezigheid in die landen probeert de VS haar rivaal Rusland en vooral China als het ware onder schot te houden.

Dat Rusland tegen deze bedreiging van haar invloedssfeer optreedt mag je verwerpelijk vinden – net zo verwerpelijk als de politiek van de VS die van een voormalige Russische invloedssfeer een Amerikaanse invloedssfeer probeert te maken, niet helemaal zonder succes. Het is deze rivaliteit tussen grote mogendheden, dit gevaarlijke getouwtrek om olie, gas, pijpleidingen en strategisch overwicht, dat ten grondslag ligt aan de huidige crisis.

Links moet hier niet in de bekende valkuilen trappen. Steun voor ‘arm klein  Georgië’ is hier volslagen misplaatst. Maar van enig idee dat Rusland beter is omdat het Amerikaanse ambities dwarsboomt mag evenmin sprake zijn. Een radicale afwijzing van beide strijdende partijen Rusland en de VS plus hun pionnen en bondgenoten, en het opkomen voor slachtoffers van de oorlog aan alle kanten van de frontlijnen – dat is nu wezenlijk. Voor wie in Nederland, een bondgenoot van Georgië en de VS, woont, mag echter de nadruk bij deze afwijzing niet gelijkmatig verdeeld zijn. Tegen het koor van anti-Russische geluiden horen we nu allereerst een afwijzing van de Amerikaanse-, NAVO- en EU-politiek rond Georgië te laten klinken.

Advertenties

Afghanistan: opium is godsdienst van de oorlog

26 augustus, 2008

“Voor het eerst sinds 2001 is de papaverteelt in Afghanistan licht gedaald”, zo schrijft de NRC vandaag. “Er is dit jaar een duidelijker verband tussen papaverteelt en de strijd van de Talibaan. Dat blijkt uit het jaarlijkse rapport van de VN.”  Papaver is de grondstof  waarvan opium en heroine wordt gemaakt.

Wie dit leest zou misschien denken dat de pogingen van NAVO-staten om die papaverteelt te bestrijden, en daarmee een geldbron van de Taliban aan te pakken, succes afwerpen. Wie dat denkt, zou zich wel eens kunnen vergissen, om meerdere redenen.

In de eerste plaats is, teerwijl de totale hoeveelheid papaveroogst iets is gedaald, het gebied waarop die wordt verbouwd weliswaar meer gedaald – maar de productiviteit is intussen gestegen. In de tweede plaats vindt er een verschuiving plaats van papaverteelt naar het verbouwen van cannabis. Dat leidt dan weliswaar tot een minder ongezond soort van drugs, maar levert op soortgelijke manier geld op aan de boeren én aan degenen die daar belasting over heffen. Je mag aannemen dat het voor de Taliban evengoed een  inkomstenbron is.

In de derde plaats is er niet echt verband aangetoond tussen NAVO-beleid en afname van papaverteelt. “De productiedaling is (…) het resultaat van gioed provinciaal bestuur en van  de huidige droogte die heeft geleid tot hogere tarweprijzen, terwijl de prijs van opium is gedaald door de hoge productie.” Kijk, dat is nu marktwerking. De grap is natuurlijk dat bij dalende tarwe- en stijgende opiumprijzen diezelfde marktwerking weer zal leiden tot stijiging van de papaverteelt…

Over dat goede provinciale bestuur vertelt het artikel verder niet veel. Over wat in ieder geval géén goed beleid is echter wel. “De vernietiging van papaver ‘was niet effectief maar wel erg duur in termen van mensenlevens'”. En de meeste papaver werd verbouwd in die provincies waar de Taliban sterk is en de strijd daartegen hevig woedt. De grootste uitbreiding van het gebied waar papaver wordt verbouwd is trouwens, jawel, Uruzgan, waar de Nederlandse militairen zitten.

De relatie tussen Taliban en papaverteelt wordt in het NRC-bericht gelegd. Maar de andere kant ontbreekt. Alle gepraat over “goed provinciaal bestuur” doet niets af aan het feit dat de Aghaanse staat zélf doordrenkt is van drugs. “Is Afghanistan a narco-state?” vroeg Thomas Schweich zich onlangs af, eerst in de International Herald Tribune. “Terwijl het waar is dat Karzai’s vijanden, de Taliban, zich financieren door de drugshandel doen veel van zijn medestanders hetzelfde. (…) De moeilijkheid is dat het onwaarschijnlijk is dat de strijd ophoudt zolang de Taliban zichzelf kunnen financieren door drugs – en zolang de regering in Kaboel afhankelijk is van opium om hun greep op de macht te handhaven.”

Schweich weet wel iets van het onderwerp: hij was een hoge Amerikaanse functionaris betrokken bij drugsbestrijding in Afghanistan. Conclusie van dit alles: opium is godsdienst van deze oorlog.


Nee tegen kraakverbod, en blijf van Cramer af

26 augustus, 2008

Rechts is op oorlogspad tegen de Jaren tachtig, tegen de linksradicale beweging uit die jaren, wat er van over is en er aan doet herinneren. Twee berichten van vandaag maken dat duidelijker.

Het eerste bericht betreft minister Cramer van VROM. De NRC vertelt vandaag dat zij in 1986 een oproep heeft ondertekend waarin 178 mensen het opnamen voor het actieblad Bluf! In dat blad  waren documenten die na inbraak bij het MInisterie van Economische Zaken, plus adressen van betrokken ambtenaren, openbaar gemaakt. Cramer was toen directeur van Milieudefensie. Wijnand Duyvendak is over deze zaak al ten val gebracht de afgelopen weken, nadat hij bekend maakte bij die inbraak betrokken te zijn geweest. Uit het feit dat nu Cramer genoemd wordt als iemand die het voor Bluf! opnam mogen we opmaken dat rechst nu ook háár bloed ruikt en haar kop wil zien rollen. Los daarvan heeft het bericht immers geen enkele nieuwswaarde die een prominente plek op de website van de NRC rechtvaardigt.

Op een soortgelijke prominente plek, bij NRC en Volkskrant, zien we een ander bericht: CDA, CU en VVD zinnen op kraakverbod”. Daarin lezen we onder meer: “Als het aan CDA’er Jan Ten Hoopen ligt, gaan krakers in de toekomst ruim twee jaar de cel in”. Om het wetsvoorstel niet al te asociaal te laten lijken, komt er ook iets in over gemeenten die binnen negen maanden zelf een bestemming voor leegstaande panden kunnen regelen. Zo kunnen speculanten dus ten minste acht maanden en 29 dagen (of 27, als februati in de acht maanden zit…) hun gang gaan. Het is een wetsvoorstel dat weer eens openlijk het bezitsrecht boven het gebruiksrecht (in dit geval woonrecht, een vrij fundamentele eerste levensbehoefte) stelt.

De aanval op Duyvendak en nu impliciet ook Cramer is een aanval op het verleden, op datgene en diegenen die het radicale activimsme van de jaren tachtig symboliseeren omdat ze er destijds aan deelnamen of er hun steun voor uitspraken. De dreigende kraakverbod is een aanval op datgene en diegen die vanuit de radicale strijdvormen van de jaren tachtig door zijn gegaan met zich te verzetten. Allebei laten ze zien dat rechts de strijd van de jaren tachtig nog steeds als een soort bedreiging ziet, waarmee maar eens  stevig afgerekend moet worden.

Links moet de handschoen oppakken en eens een stevig begin maken met terugvechten. Wat rechts niet bevalt aan Duyvendak, Kramer en vergelijkbare mensen is niet hun positie van nù, en niet het gedraai van bijvoorbeeld Duyvendak om afstand te scheppen tussen zijn houding van toen en die van nu. Het is óók geen echte verontwaardiging over het, bepaald niet probleemloze, karakter van onderdelen van het inbraak-plus-publicatie-gebeuren uit 1985-1986.

Nee, het is afkeer en afwijzing van links verzet dat rechts drijft. Afkeer van strijd die, in welke vorm dan ook, aanknopingspunten kan vormen voor oplevingen van strijd vandaag de dag. Vandaar dat juist ook de b kraakbeweging aangevallen wordt – een beweging waarbinnen – met alle problemen van isolement en ontactische actievormen die dat isolement versterken – mensen actief waren, zijn en steeds weer worden, die een heel fundamentele afwijzing van deze kapitalistische autoritaire ‘orde’ voorstaan.

Rechts vecht niet tegen dat wat er problematisch was aan het activisme van de jaren tachtig en wat daar aan doet denken. Rechts vecht juist tegen datgene wat er góéd aan was – en is. En precies dáár moet links dwars tegen ingaan. Handen af van Jacqueline Cramer, en een breed en snoeihard néé tegen elke stap richting kraakverbod. Dat zou het geluid moeten zijn op elke website en elke uitgave van welke organisatie dan ook die zich nog links noemt.

(kleine tekstwijzigingen aangebracht op 29 augustus)


Obama wil racist Biden als kandidaat vice-president

25 augustus, 2008

Barack Obama, Democratisch presidentskandidaat in de VS, is hard bezig om het progressieve deel van zijn achterban in het gezicht te spugen. Helaas is een flink deel daarvan ten volle bereid het speeksel van het gezicht te vegen en te roepen om méér van dit onsmakelijke vocht. Dat  artiesten – niet alleen Madonna, maar zelfs Randy Newman en  Bob Dylan, die toch echt beter kunnen weten – hun steun uitspraken voor Obama, is sowieso al naar genoeg. Maar artiesten zijn geen politieke activisten. Veel erger is de steun die Obama van veel te veel linkse commentatoren en kopstukken in de VS nog steeds krijgt.

Als Obama de verkiezingen nog kan winnen – en een peiling vorige week gaf zijn Republikeinse tegenstander McCain een voorsprong – dan wint hij door zich, met wat variaties, net zo rechts te profileren als McCain. Maar zoiets is weinig kansrijk, en – mocht het lukken – geen enkele reden tot vrolijkheid.

De tekenen dat er niets progressiefs aan een presidentschap van Obama zit, stapelen zich op. Hij wil geen einde aan de oorlogen van de VS in Irak en Afghanistan; hij wil slechts andere prioriteiten: minder troepen in Irak, juist meer in Afghanistan. De achterliggende logica waarmee Bush die oorlogen lanceerde accepteert hij. Ook hemelt hij de staat Israël op als een “wonder”, dat tot iedere prijs Amerikaanse steun blijft verdienen. Tegenover Iran houdt hij “alle opties op tafel”, om het “kernwapenprogramme” (een onbewezen iets) van dat land te blokkeren. En zelfs over de terugtrekking van gevechtstroepen uit Irak – sowieso niet álle troepen – zwabbert hij. Volgens zijn programma gaan die in 16 maanden weg uit Irak, maar volgens een latere toelichting hang dat maar net af van de actuele situatie. Het kan dus allemaal nog op de lange baan geschoven worden ook.

Niet alleen op het theme van oorlog is Obama niet de progressive politicus waarvoor tevelen hem aanzien. Hoe hij zich keerde tegen dominee Wright was tekenend. Die man sprak harde waarheden over het diepgewortelde racisme in de VS: “God verdoeme Amerika” vanwege de voortdurende discriminatie. Eerst nam Obama afstand van dit soort uitlatingen, en na enige tijd zelfs van Wright zelf. Zo probeert hij kennelijk rechtsere witte kiezers gerust te stellen dat een harde afrekening met racisme niet op het programma staat wat Obama betreft. Dat sommige van de uitspraken van Wright domheden bevatten en géén steun verdienden, doet daar niets aan af.

Zo is er steeds minder over van de linksige uitstraling van Barack Obama. Het enige dat hem nog onderscheidt van McCain is langzamerhand zijn huidskleur. Een donkere president zou, op symbolisch niveau, weg degelijk een doorbraak zijn in een van racisme en slavernijverleden doortrokken Verenigde Staten. Al is dat op zich geen enkele reden om de man te steunen: voor Somaliërs en Afghanen zal het feit dat degene die straks opdracht geeft hun dorpen vanuit de lucht dodelijk te bestoken een zwarte man is, geen troost zijn.

Maar zelfs de symbolische doorbraak die een zwarte president zou beteken, wordt ongedaan gemaakt door de concessies aan racisme die Obama nu al doet. Hoe hij Wright liet vallen is al tekenend. Zijn keus voor het vicepresidentschap is op dit gebied ook onthutsend. De man heet Joe Biden, en Obama’s keus voor hem wordt alom verstandig genoemd. En inderdaad, als je rechtse kiezers bij McCain wilt weghalen is dat misschien nog waar ook. Maar een Republikeinse kandidaat rechts inhalen is al heel lang geen Democratische presidentskandidaat gelukt.

Dat Biden geen linkse man is, bleek al uit de steun die hij in de herfst van 2002 aan Bush’ politiek tegen Irak gaf. Hij stemde uiteindelijk ook voor de oorlog tegen dat land, en latere kritiek op de politiek van Bush en zijn oorlogsbeleid maken dat niet ongedaan.

Tegelijk – en dat krijgt ongetwijfeld weer eens weinig aandacht – heetf Biden een handvol nare, racistische uitspraken op zijn naam staan. De ‘fraaiste’ gaat over Obama zelf. Biden over hem: “Ik bedoel, je hebt de eerste  mainstream Afro-Amerikaan die duidelijk en welbespraakt is, helder en schoon, en een vent die er leuk uitziet…” Andere Afro-Amerikanen in de mainstream – ik noem er maar een paar: Oprah Winfrey, Bill Cosby, Eddy Murphy – zijn kennelijk niet welbespraakt, niet helder, zien er niet goed uit, en/of vooral: ze zijn niet schoon, begrijp je wel. Natuurlijk had Biden het  niet zo bedóéld… Arthur Silber heeft op zijn weblog al op 31 januari van dit jaar uitvoerig geschreven over teken van racisme in het optreden van Biden. Dat uitgerekend deze man nu Obama mag verzellen op zijn toch naar het Witte Huis, maakt de hele campagne nog weerzinwekkender dan die sowieso al is.


Losse flodders uit Groenland en Italië

23 augustus, 2008

Even een paar losse flodders uit de actualiteit die ik zojuist aantrof. Op zich hebben  ze niets met elkaar te maken maar ze laten een beetje zien hoe de wereld vandaag draait. We gaan naar Groenland, en daarna naar Italië.

Eerst Groenland. Dat noordelijke eiland, bewoond door 56.000 mensen, is een onderdeel van het koninkrijk Denemarken,  maar heeft zelfbestuur (eeen beetje zoals Aruba binnen het Koninkrijk der Nerderlanden, al heb ik het idee dan Groenland meet echte zelfstandigheid heeft).

Tientallen jaren lang gebruikten de Verenigde Staten het gebied voor een netwerk van militaire bases. De wijze van ontmanteling daarvan, nadat de koude oorlog voorbij was, zet nogal wat kwaad bloed, zo valt in de Christian Science Monitor te lezen. Sowieso heeft het misbruik van het gebied door de Amerikaanse militaire machine nogal wat littekens achtergelaten. Zo wordt er rond een fjord bij de Thule luchtmachtbasis verhoogde radioactiviteit aangetroffen. Niet zo gek: in 1968 verongelukte daar een Amerikaans vliegtuig, met vier waterstofbommen erin. Eéén ervan is nooit teruggevonden. Mensen die hielpenhet afval van de vliegramp op te ruimen zeggen gezondheidsproblemen te hebben gekregen.

Een ander schrijnend probleem is de weigering van de VErenigde Staten om na ontmanteling van hun basis op het schiereiland Dundas ook de achtergebleven rommel op te ruimen. De VS zegt daartoe niet verplicht te zijn, dus vertikt het land het.  De basis was immers eegn gezamenlijke bijrdrage aan de Verdediging van de Vrijheid… De echte reden is echter angst: “Ze zeiden dat als ze zelf hun rommel achter zich moesten opruimen, ze met soortgelijke eisen te maken zouden krijgen in de Filippijnen, Japan en elders in de wereld. Ze wilden dat precedent niet zetten.” Zo omschreef een Deense ex-minister  van milieu de Amerikaanse houding. Etra wrang is het feit dat voor zo’n basis in 1953 een heel dorpp onrijwillig is ontruimd: tientallen mensen hebben maandenlang in tenten moeten verblijven – ik mag hopen dat het hier zomermaanden betrof, en niet de ijzige Groenlande winterperiode.

Een ander wrang bericht komt it Italië. Ik heb vaker op dit weblog bericht over hoe dit land gereegrd wordt door een stel rechtse politici, met hele en halve fascisten daar tudden. Die regering voert een zeer onderdrukkend beleid, waarbij het deporteren van mensen zonder verblijfsvergunning, en het gedwongen registreren via vingerafdrukken van Roma er uitspringen als grove racistische maatregelen.

De oppositie hiertegen is halfzacht tot vrijwel afwezig. Maar nu klinkt er dan toch een kritisch geluid – uit een katholiek familieblad nota bene, Famiglia Christiana. Dat blad sprak bezorgd de hoop uit dat “het fascisme niet in een andeere vermomming “terugkeerde in ons land”. Het blad kreeg voor deze stellingname bijval van… de paus. Die sprak zich uit tegen “‘recente voorbeelden van racisme’en hielp Katholieken eraan herinneren dat hun plicht was om anderen weg te houden van ‘racisme, intolerantie en het uitsluiten van anderen'”, aldus de Guardian (gevonden via het weblog Empire Burlesque). Hoe diep moet links nog zinken – dat het een reactionaire oppergeestelijke als Benedictus XVI moet zijn die de afkeer van groeiend racisme in Italië het meest promionent verwoordt?


Duyvendak aangevallen – de ene taart is de andere niet

20 augustus, 2008

Wijnand Duyvendak heeft zijn boek gepresenteerd, en kreeg een taart in zijn gezicht. Tegelijk strooide de nazi-groep Voorpost pamfletten door de zaal. Van te voren waren er al dreigtelefoontjes binnengekomen, waarna er politiebewaking kwam. De aanval laat zien dat tenminste delen van rechts niet bezig zijn met een serieus politiek debat over actiemiddelen, maar met een haatcampagne. Die haatcampagne wordt niet ingegeven door kritiek op een specifieke actie uit 1985, maar simpelweg door afkeer van élke vorm van buitenparlementair en wetsoverschrijdend activisme. Of je het nu eens bent met al Duyvendaks acties van destijds of niet (ik niet), of je het nu eens bent met zijn huidige ultra-legale houding of niet (alweer: ik niet) – iedere serieuze linkse actievoerder heeft vandaag die taart in het gezicht gevoeld.

Natuurlijk staan rechtse commentatoren klaar om mensen die boos zijn op de taart in Duytvendaks gezicht te herinneren aan eerdere taarten tegen rechtse politici als Fortuyn. Maar in de eerste plaats is de ene taart de andere niet. Het maakt nogal wat uit of een politicus die van plan is het antidicriminatie-artikel uit de grondwet te schrappen, de grenzen dicht te gooien voor migranten en die bij voortduring de Ismatitische cultuur voor achterlijk uit te maken, het doelwit is – of een zojuist onder rechtse druk áfgetreden politicus die zijn afkeer van geweld – en helaas ook van iedere vorm van onwettigheid – van de daken schreeuwt. Fortuyn leverde een reeële dreiging op voor hele bevolkingsgroepen. Van Duyvendak kun je dat moeilijk beweren. De taart in het gezicht van Fortuyn van een – onberaden en onverstandige – daad van diepe, op zichzelf volslagen terechte zorg over een serieuze aanval op bevolkingsgroepen en democratische rechten. De taart in het gezicht van Duyvendak was gewoon een laffe daad van intimidatie.

Natuurlijk was die taart tegen Fortuyn niet slim. Maar al degenen die zeggen: het begon met een taart en het eindigde met moord, dus taarten = terrorisme – zoiets is onzin. Negenennegentig taartacties van de honderd worden níét gevolgd door moord, er is domweg geen serieuze samenhang. En áls rechtse commentatoren dit serieus geloven, dan geldt het natuurlijk óók voor de aanval vandaag op Duyvendak. Dan dienen ze dat, om precies diezelfde reden, ten stelligste af te keuren. Wie toen boos was op de Fortuyn-taart, en nu niet boos op de taart in Duyvendaks gezicht, heeft óf iets uit te leggen (iedereen kan van mening veranderen, ook de verkeerde kant op), óf is gewoon hypocriet.

Terug naar vandaag. Links dient het niet te laten bij een koor van afkeurende woorden tegen de taartgooier(s), hoe nodig ook dát nu is. Juist nu Duyvendak en Groenlinks-aanvoerster Femke Halsema er een schepje bvovenop doen en een welhaast blinde loyaliteit aan de legaliteit en de officiële politieke precedures aan de dag leggen, dient een serieus links de noodzaak van buitenparlementaire strijdvormen beargumenteerd van de daken te schreeuwen. Daarmee verbonden wordt het tijd dat we de bewegingen van de jaren tachtig – ook en júíst de kraakbeweging in haar hoogtijdagen – in een positief daglicht stellen. Niemand die destijds op de barricaden stond – vaak heel letterlijk – en knuppels, traangas en zelfs tanks moest trotseren, hoeft zich daarvoor te schamen, laat staan te verantwoorden.

En waar er wérkelijk sprake was of is van actiemiddelen die niet deug(d)en is dat iets waar links door onderlinge discussie uit moet komen. Van de taartgooier(s) en Voorposters van vandaag hebben we in dat opzicht niets te leren, van rechtse politici van VVD en VVD die dit vuur demagogisch aanblazen al evenmin. Binnen links voeren we discussie over tactiek en strategie. Tegenover rechts sluiten we maar beter de rijen.


Dictator Musharraf vertrekt – feest!

20 augustus, 2008

Musharraf, de militaire dictator van Pakistan, is afgetreden, en dat hoort reden te zijn voor grote vrolijkheid van iedere democraat en dus van iedere serieuze socialist. In schril contrast met die houding staan de standaardreacties in de Nederlandse pers. Die blinken weer eens uit door halfslachtige zouteloosheid, een beetje van dit en een beetje van  dat. Zo van: ja, de man was autoritair en zijn vertrek was nodig – maar hij deed zo zijn best tegen het terrorisme en tegen Moslim-extremisme. Ja, zo’n staatsgreep waarmee hij de macht greep was niet netjes,  de ontmanteling van de rechterlijke macht en de noodtoestand van november 2007 evenmin. Maar hij was toch zo’n bondgenoot van de VS. En de politici die tegen hem optraden zijn zelf corrupt, en kunnen zij die strijd tegen de Taliban en hun vrienden wel aan? Dat soort halfzachtheden dus. Het dagblad Trouw geeft een goed voorbeeld ervan.

Kletspraat is het grotendeels, bedacht door mensen voor wie loyaliteit aan de VS en islamofobe obsessies met terrorisme hoger staan dan loyaliteit aan democratische principes. Daartenen dienen enkele punten centraal te staan. Het eerste is: de val van de dictator is dóór en door goed, juist en terecht. De man heeft de macht gegrepen met een militaire staatsgreep, zich gehandhaafd met onderdrukking van democratische rechten en ondermijning van dat beetje staatsinstelling dat nog enige onafhankelijke rol tegenover de militaire top speelde: de rechterlijke macht.

Die  onderdrukking van rechters – gesymboliseerd door zijn uiteindelijk mislukte poging om opperrechter Chaudhry opzij te  zetten en tijdens de latere noodtoestand zelfs op te pakken – leidde tot een brede democratische protestbeweging. Advocaten liepen voorop, maar het werd al snel een brede volksbeweging. Angst dat hij het tegen die beweging zou afleggen, dreef Musharraf tot zijn noodtoestand in november 2007. Maar de protesten – met nu vooral ook studenten in een belangrijke rol – gingen door, vaak kleinschalig, maar erg dapper, gezien de repressie. Na de terugkeer van de oppositieleidster Benazir Bhutto en de moord op dit op zichelf niet erg geloofwaardige symbool-tegen-wil-en-dank van democratische verlangens van de arme meerderheid kwamen er parlementsverkiezingen. De partij van de dictator verloor die, en goed ook. Er kwam een coalitieregering die meer democratische geloofwaardigheid had – vanwege die verkieingen waaraan ze haar meerderheid ontleende – dan Musharaf met zijn coup-verleden. En die regering zette stappen richting de afzetting van Musharraf.

Democratisch protest bevorderde een anti-Musharraf-stemming, verkiezingen vertaalden dat in een anti-Musharraf-parlement, en de daarop gevormde regering maakt het karwei af en dreigde de dictator weg te sturen. Die wachtte niet af, en smeerde hem. Een loepzuivere overwinning van democratische kracht op een arrogante dictatuur. Daarbij past geen halfslachtige reactie, daarbij past doodgewone, ongecompliceerde en openlijke feestvreugde.

Maar al die bezorgde commentaren dan? Over corrupte politici die enkel bijeengebracht zijn door gezamenlijke afkeer van Musharraf, en elkaar nu wel in de haren gaan vliegen? Over de toch al zo moeizame ‘strijd tegen terrorisme’ die onder een nieuwe regering er hachelijk uit lijkt te zien? Wat moeten we daarvan denken? Ze kloppen ergens – en tegelijk slaan ze de plank goed mis.

Ja, de politici die nu de regering domineren zijn niet te vertrouwen. Corruptie, machtsspelletjes, allemaal aan de orde. Maar juist de val van de dictatuur én de wijze waarop – door druk via een democratisch volksprotest – schept ruimte voor die krachten die ook dee politici de wacht kan aanzeggen. Onafhankelijke media, vakbonden, allerlei organisaties die buiten de greep van het officiële gezag vallen -juist díé krijgen nu meer ruimte, en juist die zullen zich door de val van de dictator gesterkt voelen in hun zelfvertrouwen. Daar ligt de kracht tot radicalere veranderingen in democratische richting – en verder. “De hoop moet zijn dat het gevoel van feestvreugde dat Pakistan overspoelde  toen de dictator zijn laatste ademtocht uitblies nu nieuw leven kan blazen in de bewegingen van arbeiders en de armen”, schrijft de Socialist Worker deze week. Zo is het – afgezien van die ‘laatste ademtocht’ want Musharraf is niet overleden – inderdaad.

En die ‘Oorlog tegen Terrorisme’? Die verdient geen enkele legitimatie of erkenning. Die oorlog bestaat voor een flink deel uit onderdrukking van milities in gebieden waar Pashtuns wonen – dezelfde bevolkingsgroep waaronder de Taliban, even over de grens met Afghanistan, haar belangrijkte machtbasis heeft en de meete van haar aanhanger wint. Voor veel Pashtun in Pakistan is steun aan de Taliban niet een kwestie van stoken bij de buren of exporteren van een islamitiche omwenteling. Het is steun van mensen van de eigen bevolkingroep die toevallig aan de andere kant van een grens wonen die veel bewoners van dee gebieden toch al niet al rechtmatig bechouwen. En waarom zouden ze ook? Die grens is door de koloniale mogendheid getrokken, en is op geen enkele manier een product van wat volkeren in die regio ooit elf hebben bedacht.  Strijd tegen bewegingen die – onder Islamitiche vlag, zoals de Taliban – Pashtun-verlangens naar voren brengen tegenover een Pakistan en een Afghanistan die deze bevolkingsgroep vrijwel buiten spel zetten heeft niets democratisch. Daar helpt een eindeloze herverpakking als  ‘strijd tegen terrorisme’ niets tegen.

Verwante, maar toch andere vormen van Islamitisch activisme, vergen een iets andere analyse. Er is de Pakistaane veiligheidsdienst ISI die vrolijk door is gegaan met het steunen van de Taliban in Afghanistan. Reden voor die steun ligt niet in enig Islamitisch principe, maar is pure machtspolitiek: de regering van Karzai in Afghanistan heeft redelijk goede banden met India; Pakistan en India zijn rivalen, dus is er binnen de ISI steun aan groeperingen die tegen die pro-Indiase regering vechten – zoal de Taliban. Vandaar ook dat een woordvoerder van Karzai meteen Pakistan de schuld gaf na een bomaanslag op de ambassade van India in de Afghaanse hoofdstad Kaboel.

Bovendien is de houding binnen de ISI een een erfenis van de Amerikaanse steun aan Afghaanse Islamistische groepen tegen de Russische bezetting van 1979 tot 1989. Later hielp Pakistan – met geld uit Saoedi-Arabië en zelfs bedekte steun vanuit de VS – de Taliban in het zadel. Die steun liep onder meer via de ISI, en die banden zijn niet verdwenen. Dáár liggen wortels van een deel van de huidige gewapende Islamistische bewegingen. Nú vechten een groot deel van de Pakistaanse staat, gesteund door de VS, weliswaar tegen dit soort bewegingen. Maar ze wortelen in delen van diezelfde Pakistaanse staat, eerder gesteund door diezelfde VS. Tussen  deze staat en déze vorm van Islamistisch activisme valt niets te kiezen, en van steun aan de strijd daartegen kan al helemaal geen sprake zijn.

De zaak wordt nog weer anders waar het de steun vanuit delen van de bevolking voor dit Islamisme betreft. Die steun is niet eer groot maar ís er wel. En met elke Amerikaanse bom op een Afghaans dorp groeit die steun. Afkeer van de Amerikaanse ‘Oorlog tegen Terrorisme’ voedt dus de steun aan precies die bewegingen waar die ‘Oorlog tegen Terrorisme’ zich tegen zegt te keren. Nóg een reden aan die oorlog geen steun te verlenen, en om dus niet mee te gaan met het gejammer dat die oorlog wellicht na de val van Musharraf (nog) minder overtuigend gevoerd wordt.

Maar de kern van het verhaal is en blijft waar ik mee begon. Het aftreden van de dictator verdient een veel feestelijker onthaal dat het in teveel kringen heeft gekregen.