Occupy internationaal: repressie noopt tot verheviging en uitbreiding

4 november, 2011

Vrijdag 4 november

Onderstaand artikel schreef ik voor de site  van Doorbraak; daar staat de geïllustreerde versie te lezen. O ja, het ‘gisteren’ in de eerste zin duidt inmiddels op eergisteren oftewel 2 november.

Gisteren legden Occupy-activisten door middel van stevige demonstraties een aanzienlijk deel van het economische leven in de Amerikaanse stad Oakland plat. Actievoerders hadden voor die dag opgeroepen tot een algemene staking uit protest tegen het grove politiegeweld waarmee vorige week het Occupy-kamp in die stad was weggevaagd. Een echte algemene staking is het niet geworden. Een heel stevig protest werd het echter wel, met onder meer een demonstratie van 5000 mensen. Zo waren duizenden actievoerders rond het havenbedrijf aan het betogen; het bedrijf legde de haven voor de zekerheid stil. Demonstranten voerden actie bij banken, meest vreedzaam, hier en daar met groepen die graffiti schilderden ruiten probeerden in te gooien, en een enkel vechtpartijtje tussen die groepjes en anderen. Opvallend was dat er op de straten van Oakland amper politie te zien was. Kennelijk besloot het gezag dat het verder uitdagen van de boe betogers de opstandigheid alleen maar verder zou aanwakkeren. Maar vandaag was de politie terug. Met traangas… Lees de rest van dit artikel »

Advertenties

Over tweede dip en andere crisis-toestanden

1 augustus, 2010

Er zijn flinke aanwijzingen dat het economisch herstel na de diepe recessie van 2008-2009 alweer stokt. De angst voor een tweede dip groeit, na verontrustende cijfers uit diverse landen, en na verontrustende taal van Bernanke, president ven de Federal Reserve, de centrale bank van de Verenigde Staten. De crisis is bepaald niet voorbij, in veel opzichten moet het ergste nog komen. Dat laatste geldt vooral in sociaal opzicht, met grootschalige bezuinigingen in uitvoering of minstens in aantocht.

Eerst wat cijfers die in de richting van een nieuwe neergang wijzen. Vrij weinig aandacht kregen enkele feiten over de toestand in Japan. Daar is de werkloosheid opgelopen tot 5,3 procent. Sinds vorig jaar november was dat niet meer zo hoog. Er zijn 3,4 miljoen mensen zonder baan. Hat aantal beschikbare banen per honderd werkzoekenden is teruggevallen. Er was in juni ook een terugval in de industriële productie van 1,5 procent. De Japanse economie staat er dus niet goed voor, en Japan doet er – ook na de opkomst van China als economisch krachtpatser – nog steeds toe.

Opvallende onrust deze week werd veroorzaakt door berichtgeving uit de Verenigde Staten. Een aantal weken terug berichtte Bernanke, de baas van het centrale bank-stelsel daar, nog dat de Amerikaanse economie stevig de goeie kant op ging. “Het herstel van de Amerikaanse economie is gestoeld op een goede basis”, zo omschreef De Volkskrant zijn standpunt nog op 9 juni. Maar vorige week klonk hij beduidend anders. Weer samengevat door De Volkskrant: “Het stelsel van Amerikaanse centrale banken (Fed) staat klaar om het haperende economische herstel in de Verenigde Staten te ondersteunen met nieuwe monetaire maatregelen. Dat heeft Fed-voorzitter Bernanke woensdag gezegd in een toespraak tot de bankencommissie van  de Amerikaanse Senaat.” Het herstel zet wel door, volgens Bernanke, maar het is klaarblijkelijk wel “haperend herstel”. Hij spreekt ook van “ongebruikelijk onzekere vooruitzichten”. Beursexperts reageerden bezorgd. Logisch: als Bernanke alweer aangeeft om klaar te staan om met een flinke smak geld bij te springen, dan is  er kennelijk toch iets niet in de haak. “Iedere hulp van de Fed is een sterk signaal dat  we er slechter voorstaan dan we denken”, zegt één van hen. De beurzen in New York ging na de toespraak naar beneden, en sloten die dag met een procent verlies.

Inmiddels zijn er nieuwe cijfers die de “ongebruikelijk onzekere vooruitzichten” onderstrepen.  De groei op jaarbasis van de economie is teruggevallen van 3,7 procent in het eerste kwartaal van 2010, naar 2,4 in het tweede kwartaal. Dit soort groeivertraging is in de fase van economisch herstel ongebruikelijk: na eerdere recessies kwam er in een vergelijkbaar stadium van de conjunctuur juist vaart in de economische groei, zo merkt econoom Gerald Lyons, werkzaam bij Standard Chartered, op. Er is “angst dat de Amerikaanse economie op een dubbele-dip-recessie afstevent”, aldus  The Guardian.

Intussen komen uit hoge financiële beleidskringen tegenstrijdige geluiden. Er is de bereidheid van Bernanke om de geldkraan maar weer open te draaien. Er is tegelijk echter de golf van bezuinigingen in Europese staten. Eergisteren nam het Italiaanse parlement een bezuinigingspakket ter waarde van 32 miljard dollar aan. Bevriezing van salarissen in de openbare sector, stevig snijden in budgetten avn ministeries en gemeenten, plus steviger aanpak van belastingontduiking, kennelijk om de pijn aanvaarbaarder te maken door te laten zien dat ook rijken niet buiten schot blijven.

Frankrijk kreeg intussen een beetje op zijn kop van het IMF. Dat IMF waarschuwt dat  de Franse regering ervoor moet zorgen dat de harde bezuinigingen stevig worden volgehouden. “Volgens het fonds lukt het Frankrijk dankzij al eerder aangekondigde bezuinigingsmaatregelen wel om het tekort volgens jaar terug te schroeven tot 6,1 procent. Het fonds denkt echter dat daarna de klad erin komt”, waardoor de doelstelling – terugdringing van het tekort tot  maxia maal 3 procent – pas in 2015 zou worden bereikt.

Regeringen moeten dus bezuinigen, vinden ze zelf, en vindt één van hun financiers-in-nood, het IMF. Maar datzelfde IMF toont zich tegelijkertijd bezorgd over … bezuinigingen. “De drift van overheden in de eurozone om de begrotingsteklorten en de investeringen terug te brengen, kan de komende jaren een rem gooien op de  economische groei, waarschuwde  het Internationaal Monetair Fonds woensdag.” Het IMF eist dus bezuinigingen, en waarschuwt tegelijk voor de schadelijke effecten ervan. Het tekent in een handvol woorden een wezenlijke tegenstrijdigheid in de kapitalistische economie, en een fundamenteel dilemma van burgerlijke beleidsmakers die deze economie op orde proberen te houden.

Om dit wat duidelijker te maken is het handig om de crisis eens wat nader te ontleden. Dat maakt het tevens mogelijk om iets meer te zeggen over de verantwoordelijkheid voor de crisis, en de soorten van antwoord die mensen aan de brede onderkant van de maatschappij tegenover die crisis naar voren moeten brengen. Is er bijvoorbeeld sprake van een “rekening” die we “retour” kunnen sturen, waarna we overgaan tot de orde van de dag? Of is er iets meer aan de hand?

Het is in sommige linkse kringen gebruikelijk om te zeggen dat de recessie de schuld is van rijken, speculanten, ondernemers en bankiers, die met hun goklustige winstbejag de economie richting afgrond hebben gejaagd. En ja, hebzucht en winstbejag zijn drijfveren van de rijken en machtigen der aarde. Maar het is verkeerd om daarin meer te zien dan een oppervlakkig symptoom. Het is eveneens verkeerd om deze mensen de ‘schuld’ te geven, alsof het hier om bewust wanbeleid gaat, alsof deze mensen denken: kom, laten we de economie nu eens naar de bliksem jagen met onze speculatieve hebberigheid. Schuldig zijn deze mensen als zodanig niet. Maar verantwoordelijk – als machtigen in een economie waarbij zij goed gedijen over onze ruggen… ja, verantwoordelijk zijn ze wel.

Hoe werkt het mechanisme? Recessies brengen werkloosheid, massaontslag, verarming op grote schaal te weeg. Maar de oorzaak van recessies is niet een soort vastbeslotenheid van ondernemers om ons al deze nare dingen aan te doen. Eerder het tegendeel! Ondernemers in een florerende economie zien winstkansen en dus investeringsmogelijkheden. Bij wijze van modelvoorbeeld: vijf PC-bedrijven vermoeden allemaal dat de markt  volgend jaar verdubbelt. Alle vijf willen ze een zo groot mogelijk deel van de markt. Directies geven opdracht om daarvoor enorm te investeren. Zo hopen ze winst te maken, en ze verwachten dat ze daar ook meer mensen voor in dienst te moeten nemen. Ze zullen zelf dus ook nog denken dat hun beslissingen goed zijn voor de werkgelegenheid, en dus erg sociaal. Misschien zitten er wel aardige bazen tussen die denken dat ze met hun investeringen hun neef, hun oom en hun buurvrouw van vroeger aan een aardige baan kunnen helpen. Zelfs een ondernemer is ook maar een mens. En, hoe cynisch sommige ondernemers ook zijn, hun investeringen beogen groei, geen krimp, profijt, geen verlies.

Maar als vijf bedrijven allemaal zoveel mogelijk van die 100 procent groei willen plukken, en alle vijf bijvoorbeeld hun capaciteit met honderd procent uitbreiden – dan is er als die investeringen computers beginnen af te leveren, veel méér dan 100 procent productiegroei bereikt. Een flink deel van de gemaakte computers worden niet, of tegen verliesgevende dumpprijzen, verkocht. Winsten komen onder druk te staan, een paar van de vijf bedrijven maken opeens zelfs verliezen. Er gaat een grote streep door nieuwe investeringen, bedrijven beginnen mensen te ontslaan. Het hele mechanisme werkt door naar toeleveranciers die opeens minder ordersd krijgen, maar ook naar bijvoorbeeld supermarkten die minder omzet krijgen omdat veel van hun klanten opeens werkloos, en dus een stuk armer, zijn geworden.

Zo breekt een recessie uit: allemaal afzonderlijke bedrijfsbeslissingen deie op groei gericht zijn, worden zonder onderlinge coördinatie vooraf, door concurrenten, genomen, en blijken opeens onbedoeld tot krimp te leiden. Aan het eind van het proces is de uitkomst van die beslissingen een totaal andere dan de beoogde resultaten ervan. De recessie is door niemand gewild, het is niemands persoonlijke ‘schuld’. Een bedrijf dat niet zou inspringen op de verwachte groeimogelijkheden, en niet investeert, verliest de race bij voorbaat en vist achter het net. Investeren is in de logica van concurrentie waar de kapitalistische economie van doordrenkt is, geen keus maar een heilig moeten. Kapitaal moet zichzelf vermeerderen, en dat lukt alleen door arbeid aan het werkt te zetten, om spullen te maken, om te verkopen. Dat dit uiteindelijk, door het recessie-mechanisme, vaak misloopt, doet aan de dwangmatigheid van dit proces niets af.

Hoe werkt dit in de huidige crisis? Vervang ‘computers’ uit het bovenstaande voorbeeld door ‘woningbouw’, en dan ben je er al voor een flink deel. Er is in de jaren tot 2007 veel geïnvesteerd in huizen. Maar daar kwam iets bij: er zijn heel veel leningen, hypotheken, verstrekt aan mensen, zodast die ook huizen konden kopen. Die hypotheken werden vervolgens, in allerlei pakketten, weer verhandeld. Sommige hypotheken waren relatief veilig. Maar heel veel hypotheken waren verstrekt aan mensen met weinig geld, bij wie slechts geringe tegenslag tot betalingsproblemen zou leiden. Dit soort riskante hypotheken werden samen met andere hypotheken in pakketten tot speculatieve handelswaar gemaakt. Je zou kunnen zeggen: er ontstond een overproductie, niet alleen van woningen – terwijl er nog altijd mensen dakloos waren! – maar vooral ook in schuldpapieren. Toen het aantal mensen dat nuiet tijdig kon afbetalen, en daarmee het aantal huuisuitzettingen, begon te groeien, ontstond er paniek. De angst dat banken een deel van hun verstrekte leningen nooit zouden terugzien, greep om zich heen. Overproductie van leningen leidde tot wat eerst een kredietcrisis heette, en vervolgens een grote, wereldwijde recessie werd.

Die recessie werd nét geen depressie. Dat kwam omdat regeringen meteen honderden miljarden in de wankelende banken begonnen te pompen. De economie werd gaande gehouden door enorme financiële injecties. Dat was geléénd geld, geleend van kapitaalverschaffers, banken en andere financiële instellingen. En daar zien we de huidige economische problemen, en de bezuinigingslogica, aankomen. Wat voor een regering namelijk een lening is, dat is voor zo’n kapitaalverschaffer een investering, een belegging. Banken belegden in de Griekse staatskas, omdat ze verwachtten dat ze hun geld met een flinke rente terug zouden krijgen. En het leek een veilige belegging bovendien. Staten gaan minder gauw failliet, en zijn moeilijker uit hun huizen te zetten.

In feite is dit hetzelfde mechanisme als de hypotheekcrisis van 2007-2008 – met dezelfde risico’s. Want zodra er serieuze vraagtekens opduiken of het uitgeleende geld wel met rente terugkomt, is er paniek in de tent. Twijfels over de Griekse kredietwaardigheid was in 2010 een vergelijkbare trigger voor crisis als betalingsmoeilijkheden van arme huis- en hypotheekbezitters dat enkele jaren eerder waren. Was er in 2007 een overproductie van hypotheken, in 2010 werd Europa getroffen door een overproductie van staatsleningen.

Maar er is een wezenlijk verschil. Bij de eerdere kredietcrisis kon de staat, via subsidies aan banken, de economische nergang afremmen en keren. Dat gebeurde echter met geleend geld. Nu is die oplossing er echter niet zomaar, omdat de staatskredietcrisis nu juist volgt uit het grootschalig lenen door regeringen om die eerdere kredietcrisis te bestrijden. Nog méér geld lenen om staatsleningen af te betalen wordt door kredietverschaffers aan steeds strengere voorwaarden – onder meer hoge rentes – onderworpen. De geldschieters willen garanties dat hun geld ook eens terugkomt, ze hebben hun beleggingen in regeringskassen immers niet uit filantropische overwegingen gedaan.

Regeringen worden dus door het internationale financiële zakenleven, banken, het IMF, onder enorme druk gezet om het geld ergens anders te gaan halen – uit de zakken van de bevolking, van arbeiders, mensen met een uitkering, mensen op school en universiteit.  De huidige bezuinigingen  vinden  hier hun oorzaak. Griekse arbeiders raken hun pensioenrechten kwijt om de Griekse regering in staat te stellen Griekse en internationale banken hun geleende geld met rente terug te betalen. De bezuinigingen zijn tegelijk voorwaarden, gesteld door onder meer het IMF maar ook door EU-regeringen… voorwaarden waaraan voldaan moet worden om nieuwe leningen af te kunnen sluiten. Oftewel: Nederlandse belastingbetalers hoesten geld op dat de Nederlandse regering verstrekt aan de Griekse regering, zodat die Griekse regering kan doorgaan haar schulden met rente af te betalen aan internationale, ook Nederlandse, banken…

De bezuinigingslogica wortelt dus in de huidige diepe economische crisis. In één of andere vorm zijn ze, vanuit het kapitaalsbelang, werkelijk nodig om de kapitalistische economie weer voldoende winstgevend te maken. Tegelijkertijd – dat ziet zelfs het IMF, zoals we zagen! – dragen bezuinigingen, doordat arme mensen minder uit kunnen geven, ook bij tot recessie-neigingen. Het kapitalistische medicijn heeft bijwerkingen die sterk lijken op de ziekte waartegen dat medicijn wordt ingezet. Dat is de tegenstrijdigheid in het hart van de huidige kapitalistische crisis.

Dit hele gebeuren heeft revolutionaire implicaties, op twee manieren. Het kapitalisme moet, vanuit haar logica, drastisch bezuinigen om weer gezond te worden. Bezuinigen is, voor de ondernemersklasse, dus geen keus, geen kwestie van verkeerde prioriteiten. Het offensief van de Griekse, Italiaanse, Franse, Spaanse en straks ook Nederlandse regeringen mag, vanuit het gezichtspunt van het kapitaal, niet mislukken. Doet het dat wél, dan opent dat de weg naar een veel fundamenteler crisis van het kapitalisme zelf, dat zijn winstgevendheid structureel in gevaar ziet komen. Het is erop of eronder voor de ondernemersklasse en de bijbehorende politiek.

Dat betekent voor het verzet tegen bezuinigingen en de logica erachter wel iets belangrijks. De regeringen zullen, omdat het erop of eronder is, niet na een handvol beperkte acties van de kern van hun beleid afzien. Een reeks  grote landelijke ééndagsstakingen in Griekenland hebben geen serieuze concessies van regeringszijde losgekregen, en alle stakingen, demonstraties en rellen eromheen evenmin. Het protest, het verzet, zal dus naar escalatie in de breedte en de diepte moeten werken. Als reeksen van stakingen en demonstraties en rellen nog niet genoeg zijn, dan is er klaarlijkelijk zo ongeveer een opstand nodig, met bijvoorbeeld stakingen van onbepaalde duur tot de bezuinigingen weg zijn. Als de regering van geen wijken wil weten, dan moet die regering klaarblijkelijk ten val gebracht worden, willen de bezuinigingen stopgezet worden.  En wat nu voor Griekenland geldt, dat gaat morgen op voor Italië en Frankrijk en overmorgen wellicht voor Nederland. Het stopzetten van de bezuinigingspolitiek vereist een revolutionaire opstelling vanuit het verzet, vanuit een steeds opstandiger bevolking.

Die revolutionaire opstelling is gebaat bij een helder inzicht in de aard en wortels van de ecopnomische crisis. Het maakt hier uit of we, simplistisch en onjuist, bankiers en speculanten, de ‘schuld’ geven van de crisis, of dat we de heersende klasse en de bijbehorende politieke elite  verantwoordelijk stellen, een veel preciezere en juistere formultering. Ondernemers ‘schuldig’ verklaren aan recessies is slordig, zoals we al zagen: recessies vloeien voort uit de werking van het systeem zelf, en zijn dus niemands ‘schuld’. En het zoeken van schuldigen – via parlementaire onderzoek in Nederland of verhoren van bankiers door een senaatscommissie in de VS – suggereert dat recessies te voorkomen zijn als we slechte ondernemers en beleidsmakers door iets betere vervangen, of het hele spul aan wat betere regelgeving onderwerpen. Het leggen van verantwoordelihjkheid bij de klasse die het systreem – op chaotische, onderling concurrerende wijze – aansturen, en daar goed van profiteren – is wél zinnig. het laat zien, wie er als klasse onze vijanden zijn, wiens omverwerping we nastreven, als onderdeel van het opdoel ken van het stysteem waaarvan zij aan het hoofd staan.

Wat moeten we aan met het idee – veelal door rechts gepropageerd – dat recessies het gevolg zijn van te hoge loonkosten, en te weinig flexibele arbeidsmarkt, te sterke vakbonden en dergelijke? Het antwoord hierop is dubbel. Het is namelijk zowel onjuist als in een bepaalde zin ook juist. Het is onjuist, in de zin dat recessies uitbreken, ongeacht hoe hoog of laag lonen zijn, ongeacht hoe sterk of zwak vakbonden zijn, ongeacht hoe makkelijk het voor ondernemers is om arbeiders op straat te gooien. Het boven uiteengezette mechanisme van concurrerend winstbejag dat richting overproductie drijft, vindt sowieso keer op keer plaats. En het is onjuist, onterecht, om de schuld daarvoor bij arbeiders en de resultaten van hun zelfverdediging te leggen.

Maar het wijzen op relatief hoge lonen en een relatief sterke positie van arbeiders als factor die crisis kan bevorderen, bevat tegelijk een hele belangrijke waarheid! Het is namelijk een erkenning dat het kapitalisme functioneert op basis van succesvolle uitbuiting van arbeiders. Waar arbeiders die uitbuiting met succes weten in te perken, daar krijgen ondernemers het moeilijk, daar hapert het winstmaken, en begint het systeem gebrekkig te functioneren.

Nee, arbeiders zijn niet de ‘schuldigen’ aan de crisis. Maar het kapitalisme kan uiteindelijk keer op keer niet leven met een arbeidersklasse die te sterk wordt. Dat is geen veroordeling van onverantwoordelijk optredende arbeiders, met hun looneisen en hun stakingen. Integendeel, het is een veroordeling van een systeem wiens levensvatbaarheid op termijn botst met een klasse op wienst uitbuiting dat systeem draait, een kapitalisme dat een succesvolle strijd tegen die uitbuiting wel als een levensgevaarlijke bedreiging moet opvatten. In die zin draagt arbeidersverzet bij, soms aan deze of gene recessie, maar altijd aan een diepere crisis van het kapitalisme zelf.

Er zijn twee uitwegen hieruit. De eerste is:  de kapitalistische crisis oplossen door de winstgevendheid van het kapitaal te herstellen – maar dit kan enkel op kosten van de arbeidersklasse. Dat is wat het om zich heen grijpende bezuinigingsbeleid beoogt. De tweede is: de crisis niet oplossen, maar steeds verder op de spits drijven door een resolute weigering van de bezuinigingslogica, een besliste en met effectieve arbeidersstrijd onderbouwde afwijzing van iedere poging om winstherstel tot ons doel te maken. Dat brengt het kapitalisme steeds dieper in de narigheid – en brengt de vervanging van dit systeem steeds dichterbij. Het lijkt me dat de tweede optie de enige menswaardige en hoopgevende keus is.


Belangwekkende cijfers uit Japan

12 december, 2009

Wat er in Japan gebeurt, trekt meestal vrij weinig aandacht hier in Nederland, zeker ook bij linkse mensen. Wat er in Japan gebeurt, doet er echter wel toe. Niet alleen is Japan één van de grootste industriestaten ter wereld. Ook hebben de verhoudingen tussen kapitaal en arbeid in dat land maar al te vaak als voorbeeld gediend voor Westerse ‘experts’ om hier een soortgelijke vorm van arbeidsdiscipline en ‘klassensamenwerking’ (in werkelijkheid: inkapselingen onderworpenheid in ruil voor relatieve bestaanszekerheid) van de grond te krijgen. Al moet erbij gezegd worden dat met de chronische stagnatie van de Japanse economie er enigszins de klad in de voorbeeldwerking van het ‘Japanse model’ is gekomen. Van die bestaanszekerheid van arbeiders in Japan is niet zo heel veel meer over, met de opmars van flexwerk en de afbraak van banen-voor-het-hele-werkende-leven.

De chronische stagnatie leek enigszins doorbroken te zijn met voortvarend economisch herstel. Welnu, een recent bericht in de NRC laat ien dat dit herstel nogal tegenvalt. “De op een na grootste economie ter wereld groeide in de periode van juli tot september met 1,3 procent op jaarbasis. Vorige maand werd op basis van eerste inschattingen nog een groei van  4,8 gemeld. Ten opzichte van het tweede kwartaal bedroeg de groei 0,3 procent, terwijl eerder nog een groei van 1,2 procent werd geraamd.” Oorzaak is vooral: tegenvallende inversteringen van bedrijven. Die daalden haast 3 procent in het vorige kwartaal. Er was gerekend op een groei van 1,6 procent. Dit wijst allemaal op stagnerend economisch herstel, en gezien de omvang van de Japanse economie straalt zoiets ook internationaal uit.

In dezelfde week werden echter ook andere, hoopgevender cijfers bekend. Die betreffen het aantal vakbondsleden als aandeel van het aantal arbeiders. “De geschatte vakbonds-organisatiegraad – het percentage vakbondsleden  op het totale aantal werkenden – voor 2009 was 18,5 procent, 0,4 procent hoger dan  het vorige jaar, volgens het Basis Onderzoek over Arbeidersvakbonden, vanuit de regering gedaan, uitgevoerd in juni van dit jaar.” In 2007 stopte de daling van de organisatiegraad al. Terwijl het totaal aantal arbeiders iets is gedaald, is het aantal vakbondsleden nu gestegen. Hoopgevend is vooral ook dat de organisatiegraad onder parttimers fors steeg: met 13,7 procent. Sowieso zijn het blijkbaar om allerlei flexwerkers – doorgaans geen mensen die snel en makkelijk voor vakbondslidmaatschap te porren zijn – die nu wel vakbondslid worden en zo aan de groei van de organisatiegraad bijdragen.

Dit is een bemoedigende trend, na heel veel jaren van verval van de vakbeweging in Japan. In 1949 bedroeg de organisatiegraad maar liefst 55,8 procent, in 1975 nog 34,4 procent. Daarna zette een gestage daling in: de dertig procent werd neerwaarts gepasseerd in 1983, de twintig procent in 2003. Dit pluk in ik allemaal uit een artikel in de Mainichi Daily News dat ik vond via LabourStart.

Het is goed om te zien dat die trend doorbroken is. Hoe beperkt en beperkend de rol van van kbonden in de klassenstrijd vaak ook is, deze groei van vakbonden laat zien dat de weerbaarheid vanuit de arbeidersklasse weer enigszins groeit. Juist in tijden van voortdurende economische stagnatie is zulke weerbaarheid extra nodig.


Hiroshima, Nagasaki en De Bom

6 augustus, 2009

Vandaag 64 jaar geleden gooide een Amerikaanse piloot vanuit een Amerikaanse bommenwerper een atoombom op de Japanse stad Hiroshima. Drie dagen later gebeurde iets soortgelijks op de stad Nagasaki. Meerdere honderdduizenden mensen werden door de twee atoombommen vermoord.

Jaarlijks wordt deze misdaad herdacht. Vandaag kwamen 50.000 mensen daarvoor bijeen in Hiroshima, op 9 augustus wordt in Nagasaki  een soortgelijke herdenking gehouden. Zoiets in nodig en waardevol. Maar een andere vorm om aandacht op de verschrikking van kernwapens te vestigen is eveneens belangrijk en nodig: actie voeren tegen kernwapens vandaag de dag. Vandaag bezetten actievoerders dan ook een verkeerstoren op de militaire basis Volkel, Noord-Brabant. Ze eisten dat de kernwapens die daar opgeslagen zijn direct worden weggehaald.

Intussen is het goed om bij de verschrikking van destijds stil te staan,en kennis te nemen van anderen die dat ook doen. Een tweetal artikelen trokken daarom mijn aandacht. Frida Berrigan schreef een mooi stuk op de website TomDispatch. Daniel Ellsberg schreef een uitvoerig persoonlijk verslag van zijn hoe hij destijds  als 14-jarige op de val vande eerste atoombommen reageerde, en hoe hij daar door de jaren heen mee is bezig is gebleven. Het stuk staat op Truthdig, ik vond het via Counterpunch. Beide stukken zijn absolute aanraders.

Frida Berrigan beschrijft het gooien van de twee atoombommen, compleet met de bijnamen die de ondingen meekregen, en de schokkende aantallen slachtoffers: 70.000 tot 80.000 doden ineens in Hiroshima, 74.000 in Nagasaki. Maar veel mensen bezweken later aan de bommen: in 1950 al waren er nog eens 200.000 doden vanwege de bom op Hiroshima, en 140.000 vanwege die op Nagasaki. Dat zijn 340.000 doden, vanwege twéé bommen. Inmiddels hebben een hele reeks landen duizenden, voor een flink deel nog veel zwáárdere bommen, zoals Elsberg aanstipt. Berrigan vertelt ook hoe zij geraakt is door persoonlijke verslagen van overlevenden, en door een bezoek aan Japan. Dat ga ik hier verder niet samenvatten, dat mag je zelf gaan lezen.

Het stuk van Daniel Ellsberg is werkelijk opmerkelijk. Ellsberg werd in 1971 bekend omdat hij de zogeheten Pentagon Papers naar buiten bracht. Die Pentagon Papers  waren een verzameling documenten vanuit de regeringsbureaucratie waarin functionarissen aangeven hoe en met welke motieven stapsgewijs tot oorlog en escalatie in Vietnam werd besloten. Hij werd vervolgens vervolgd wegens het lekken van vertrouwelijke documenten. Achteraf heeft hij – dat blijkt duidelijk – spijt dat hij niet veel éérder als klokkeluider actief werd.

Hij vertelt over zijn jeugd. Al vóór de atoombom echt viel, zo vertelt hij, moest hij voor school een opstel schrijven over de consequenties die zo’n bom – waar al sprake van was, al dacht men toen nog dat Duitsland er eerder mee zou zijn – zou hebben. Zijn conclusie: zo’n superbom is gewoon te gevaarlijk, mensen zullen daar nooit wijs mee kunnen omgaan. Klasgenoten reageerden soortgelijk. Ellsbergs reactie week hier sterk af van die van heel veel Amerikanen destijds, die vooral dankbaar waren voor een bom die een einde aan de oorlog zou hebben gemaakt. Iets wat Elsberg niet gelooft trouwens, en daarin heeft hij naar mijn idee gelijk.

Ellsberg vertelt van twijfels en zelfs protest van wetenschappers die bij de ontwikkeling van de  atoombom en later de waterstofbom betrokken waren, of daarvan in een vrij vroeg stadium wisten. Hij vertelt over een petitie om af te zin van het gebruik van de atoombom – en hoe die petitie buiten de blik van president Truman werd gehouden. Hij vertelt hoe hij zelf als functionaris in het Ministerie van Defensie, vanwege het idee dat een Russische atoomaanval tegengegaan moest worden, langdurig meedeed in de logica van de afschrikking. Hij stipt aan hoe hij veel later in zijn leven actief werd tégen kernbewapening.

En hij vertelt over zijn vader. Die was als ingenieuw verantwoordelijk voor de aanleg van indi ustriéle complezen. Op 89-jarige leeftijd vertelde hij aan zijn zoon hoe hij een jaar zonder werk kwam te zitten: hij moest een complex helpen ontwerpen voor de vervaardiging van de waterstofbom. Dat wilde hij niet, hij had al twijfels bij de ‘gewone’ atoombom. Waar die twijfels vandaan kwamen? Zijn zoon had hem een boek laten lezen over Hiroshima, en dat had indruk gemaakt. Met die waterstofbom wilde hij daarom niets te maken hebben, en daar gaf hij zijn toenmalige baan voor op.

Ellsberg vertelt er over met een grote betrokkenheid, en met de kennis van zaken van een insider. Het is een lang artikel, vijf internetpagina’s. Maar elke pagina ervan is zeer de moeite waard. Lezen, dat stuk!


Japan: recessie, protest en radicalisering

5 mei, 2009

Ook in Japan slaat de recessie hard toe. En ook in Japan is er arbeidersverzet tegen de gevolgen, en ook politieke radicalisering naar links.

Aljazeera gaf in februari wat veelzeggende gegevens over de Japanse economie . In januari daalde de industriéle productie met maar liefst 10 procent. Die volgde op een daling van 9,8 procent in december. Sinds 1953 was zo’n sterke daling niet meer voorgekomen. Intussen waren de uigaven per huishouden 5,9 procent gedaald vergeleken bij het jaar ervoor. De werkloosheid was weliswaar iets gedaald, van 4,3 naar 4,1 procent. Maar er is reden om aan te nemen dater nogal wat mensen van vaste bane naar tijdelijk werk zijn gegaan, hetgeen het totale werkgelegenheidsbeeld ongunstiger maakt dan deze cijfers doen vermoeden.

Tegen de achtergrond van groeiende werkloosheid, armoede en het omzetten van vast in tijdelijk werk vond in Japan de jaarlijke 1-mei-viering plaats. In de hoofdstad Tokyo was een manifestatie waaraan 36.000 mensen deelnamen, volgens de organiserende vakbondsfederatie Zenroren. De voorzitter ervan, Saikuji Daikoku zei: “Eén Mei is een kans om de stirjd tegen armoede en werkloosheid te verbreden, en om op te roepen voor betere levensomstandigheden en vrede.” Er waren 1-mei-bijeenkomsten in meer dan 350 plaatsen in het land. Ook een andere vakbondsfederatie hield een manifestatie in Tokyo. Dit pluk ik uit de Mainichi Daily News, uit een artikel dat ik vond via Labourstart.org.

Crisis, werkloosheid en een flexibilisering die mensen van vaste arbeidscontracten wegjaagt naar tijdelijke contracten en daarmee bestaansonzekerheid: het is een realiteit die veel mensen in Japan naar links doet radicaliseren. Dit komt tot uiting in een opvallende groei van de Communistische Partij in dat land. De BBC bericht erover.

Zo is de partij met haar 400.000 leden intussen half zo groot als de Liberaal-Democratische partijl traditioneel de dominante regeringspartij in Japan. Het verschil is dat de LPD haar ledental ziet dalen, terwijl de Communistische Partij groeit als kool: met zo’n 1000 leden per maand.

Een vrouw van 34, nog niet zo heel lang partijlid, legt uit: “In het kapitalisme worden we beheerst door  de kapitalisten of het kapitaal. Ik denk dat we in een communistische maatschappij kunnen denken aan het geheel van de maatschappij en onze economische activiteiten op een democratische manier kunnen bepalen.” Akira Kasai, parlementslid voor de Communistische Partij, schetst de aanpak: “Natuurlijk is het einddoel een socialistische of communistische maatschappij in Japan, een overwinning op het kapitalisme. Maar voor het zover is kiezen we een stap-voor-stap-aanpak. het eerste stadium is het oplossen van de problemen rond arbeid en de levensstandaard volgens de eisen van het volk.”

 Zoals uit deze laatse woorden al een beetje doorklinkt ins de Communistische Partij werkzaam langs de weg der geleidelijkheid. En verkiezingen en parlementair werk zijn de spil van de strategie. Wie denkt dat er in Japan 400.000 revolutionairen zich via deze partij gebundeld hebben, vergist zich helaas.

Het gaat bij deze partij om een, in traditioneel-Communistische verpakking gestoken, sociaal-democratische organisatie. Maar het pure feit dat in deze partij gesproken wordt over socialisme, niet als beperkte aanpassing maar als vervánging voor het kapitalisme, én het feit dat zo’n partij zoveel steun trekt, beschouw ik als een positief verschijnsel.


Japan: recessie, rebellie en radicalisering

18 december, 2008

Japan staat bekend als een op sociaal gebied betrekkelijk rustig land, geen land waar het zindert van protest en stakingen. Maar de laatste tijd verandert dit, onder druk van groeiende economische crisisverschijnselen en de sociale gevolgen daarvan.

Dat de recessie ook Japan raakt, blijkt uit cijfers. Een paar dagen geleden schreef de BBC dat het vertrouwen bij ondernemers in Japan keldert, al vier kwartalen achtereen. De laatste daling ging van min drie naar min 24, en een economisch analist bij Capital Economics verwacht een verdere daling tot min 36. Intussen kromp de Japanse economie in het derde kwartaal met 1,3 procent, en verwachten meerdere economische commentatoren dat Japan in een diepe en langdurige recessie terecht komt.

Al langer staat het systeem van arbeidsverhoudingen waar Japan bekend om staat, onder druk, en de recessie zal dat verergeren. In veel bedrijven was het de gewoonte dat mensen in principe een arbeidsplaats voor hun hele werkzame leven hadden. Arbeiders hadden zo zekerheid qua werk; ondernemers konden rekenen op loyaal personeel met een hoge productiviteit. Een van hogerhand gecultiveerd imago dat het bedrijf een familie was, met de ondernemer als goede zorgzame vader, was uitdrukking van deze arbeidsverhoudingen. Hierbij paste rust, en weinig stakingen – tot groot voordeel van de kapitalistenklasse van Japan.

Diezelfde klasse ondermijnt echter deze gang van zaken. Steeds meer arbeiders doen hun werk onder flexibele arbeidsvoorwaarden, omdat ondernemers concurrerend, winstgevendw, illen blijven. Het aantal mensen met niet-permanente banen is in tien jaar met 50 procent gestegen en bedraagt 17,3 miljoen mensen. “Arbeiders zonder vast contract die geen flat kunnen huren slapen in Internetcafes. De rangen van de zogeheten ‘freeters’ – tijdelijke arbeiders die gedwongen worden van baan tot baan te gaan – in de 30 en 40, groeien… veel Japanse arbeiders vinden hun werk niet bevredigend en zijn ongelukkig over hun lage inkomen en hun onzekere status wat hun baan betreft.” Dat schrijft een Japanse krant, geciteerd door de World Socialist Website (WSWS) waaraan ik de gegevens over deze flexibilisering ontleen.

De WSWS noemt ook politieke gevolgen. Kanikosen, een roman van tientallen jaren oud die gaat over uitbuiting van arbeiders, en hun verzet daartegen, aangewakkerd door een Chinese communist, en die jaar na jaar hooguit 5000 ecxxemplaren verkocht, wordt opeens een bestseller: een half miljoen exemplaren in dit jaar.

En de Japanse Communistische Partij groeit momenteel als kool: elke maand komen er pakweg 1000 leden bij, overwegend jonge mensen. de partij telde in 2000 een 375.000 leden; dat zijn er inmiddels 415.000. Overigens is de JCP een gezapige, parlementaire partij, en beslist geen principiele antikapitalistische strijdorganisatie. Maar de aanwas van de JCP is, net als de  snel gegroeide verkoop van Kanikosen, een teken dat veel mensen in japan naar links beginnen te kijken en verandering willen.

Arbeiders protesteren ook tegen de groeiende onzekerheid die ze te verduren krijgen. “Honderden arbeiders, vakbondsleden, gingen dinsdag in Tokyo de straat op om te protesteren tegen grootschalig schrappen van arbeidsplaatsen. Ze beschuldigden de grootste bedrijven ervan dat ze banen opofferden om winsten te beschermen”, schrijft AP, in een overigens ongedateerd stukje (maar aan het bijschrift bij de foto’s te zien gaat het om dinsdag 16 december, eergisteren dus)). “Wij accepteren geen banenverlies uit naam van de economische crisis. Schande over Japanse bedrijven die arbeiders dumpen alsof het dingen zijn.” Dat zei  Kazuko Furuta, van de Vrouwenbond van het Nieuwe Japan, een groepering die het protest mede had georganiseerd. Demonstranten riepen: “Sony, stop de ontslagen op grote schaal!”, en “Toyota, stop het schrappen van seizoensarbeiders! Wij arbeiders zijn geen wegwerpartikelen!” Arbeiders in Japan betonen zich hier pas echt loyaal – niet aan een of ander bedrijf dat hen als oud vuil dumpt, maar aan elkaar.