De Parlementaire Spelen: winnaars, verliezers, en wij

14 september, 2012

vrijdag 14 september 2012

Eerst hadden we het EK Voetbal. Daarna de Olympische Verkiezingen en de Fietscampagne voor de Gele Trui. De afgelopen weken stonden in het teken van het volgende spektakel: de Parlementaire Spelen, voorafgegaan door exercities in dat nieuwe sportieve onderdeel: het Over de Eigen Schaduw Heen Springen, ook wel als Kunduz-acrobatiek bekend geworden.. Gisteren zijn de medailles van deze Spelen uitgereikt in de stembus. Politiek als kijksport bereikte aldus deze nazomer een nieuw dieptepunt. Toch schrijf ik even iets over die verkiezingen. Het commentaar op de uitslagen is niet van de lucht, en veel van dat commentaar is al net zo misleidend als de verkiezingscampagne zelf. Daar kom ik zo nog op. Eerst wat observaties. Lees de rest van dit artikel »


GroenLinks? OverbodigRechts

14 mei, 2012

dinsdag 15 mei 2012

Na het tot Lente-akkoord omgedoopte bezuinigingsakkoord is er nog een reden bij gekomen om GroenLinks nadrukkelijk de rug toe te keren en aan de vergetelheid prijs te geven: de wijze waarop Tofik Dibi zijn kandidatuur voor het lijsttrekkerschap lanceerde, en de argumenten die hij daarbij aanvoert. Zowel dat akkoord als Dibi’s lancering wijzen er op dat er van linksheid nauwelijks sprake meer is in die club. Of he ‘groen’ uit de naam op meer wijst dan op de kleur van een nare schimmel waaronder voorheen radicaal gedachtengoed schuilgaat, moeten biologen maar uitmaken. Lees de rest van dit artikel »


Bolkesteins racisme en knieval voor antisemitisme

5 januari, 2011

Het is alweer enige tijd geleden, en met de jaarwisseling ertussen lijkt het nog langer terug… Maar een column op de website van het Nederlands Palestina Komitee herinnerde me eraan: uitspraken van Bolkestein over “bewuste joden”, en dat die in Nederland vanwege groeiend antisemitisme eigenlijk nauwelijks toekomst hebben in Nederland. Vanwege die column, maar vooral ook omdat het elders ter linkerzijde vrijwel doodstil is gebleven over Bolkestein’s schandalige opstelling, toch maar even een stukje erover alhier. Beter laat dan nooit.

Waar ging het om? Bolkestein, prominent VVD-er uit de jaren negentig van de vorige eeuw en nog steeds hof-intellectueel van sjiek rechts, kwam begin december in het nieuws met een opmerkelijke uitspraak. “Voor ‘bewuste joden’ is er geen toekomst in Nederland, denkt VVD-prominent Frits Bolkestein.” Zo verwoordt Nu.nl het. Verderop lezen we nog: “De oud-eurocommissaris ziet geen rooskleurige toekomst in Nederland voor hen ‘vanwege het antisemitisme onder vooral Marokkaanse Nederlanders, die in aantal blijven toenemen.'”  ‘Bewuste joden’- kortweg: joden met traditionele kledij en haardracht – konden hun kinderen maar beter adviseren om te verterekken, naar de VS of naar Israël. Kort erop liet Bolkestein weten dat hij niet helemaal goed was verstaan; hij had geen ‘actieve oproep’ tot vertrek gedaan en wist niet eens of hij wel had ingestemd met publicatie van de eerdere uitspraken. maar de toonzetting was duidelijk: er was groeiend antisemitisme, verzet daartegen was kennelijk kansloos, joden konden maar beter de benen nemen – en het antisemitisme was de schuld van Marokkanen, die met steeds meer waren. Tsunami’s van islamisering, we kennen dat.

Een ongeluk komt zelden alleen, ook nu: Bolkestein hanteerde hier maar liefst twee vormen van racisme tegelijkertijd. Enerzijds was zijn uitspraak – of het nu een actieve oproep was of niet – een knieval voor antisemitisme. Immers, als een groep last heeft van discriminatie en pesterij, en je adviseert die groep om voor dde treiteraars op de loop te gaan, dan beloon je de treiteraars – en hun discriminerende ideeén en houding. Joden adviseren om te vluchten voor antisemieten is de antisemieten – en het antisemitisme dat ze tot uiting brengen – belonen. Dat is verderfelijk, verwerpelijk, een knieval voor antisemitisme.

Tegelijk was Bolkesteins uitspraak een aanmoediging voor racisme tegen de Marokkaanse gemeenschap. Bolkestein wees immers “vooral naar Marokkaanse jongeren” als bron voor dat antisemitisme, en omdat “die in aantal blijven toenemen”, was er kennelijk geen kruid tegen gewassen. Dat je de anderhalve antisemiet onder de Marokkaanse gemeenschap best tegenspel kunt bieden als daar enige wil tot bestaat, krijgt bij Bolkestein geen aandacht. Kennelijk is het belangrijker om te somberen over die ‘Marokkaanse dreiging’. Racistisch gestook is het.

Enkele antwoorden zijn hier op hun plek. Het eerste is als volgt. “Joden zijn niet van plan uit Amsterdam te vertrekken. En als Joden herkenbaar op straat willen lopen, moet dat kunnen in een vrij Nederland.” Zo verwoordt Het Parool het standpunt van iemand van de Joodse Gemeente Amsterdam, Ronnie Eisenbaum genaamd. Afgezien van het punt dat een vrij Nederland niet bestaat, is dit precies de houding die we moeten hebben: niemand hoeft hier de benen te nemen voor racisme. En als de joodse gemeenschap gevaar loopt, hebben mensen uit die gemeenschap het recht zich te verweren en verdienen ze daarbij steun en solidariteit. Dat is ook de houding van de column van het Nederlands Palestina Komitee, die de glasheldere titel heeft: “Blijf van onze joden af!” Dat is één.

Tegelijk moet elke poging om het antisemitisme specifiek toe te schrijven aan Marokkanen van de hand worden gewezen als een racistische poging om bevolkiongsgroepen tegen elkaar op te zetten., om Marokkanen in een kwaad daglicht te zetten. Ja, er is antisemitisme in Nederland, onder Marokkaanse en onder andere bewoners van Nederland. Ik heb de indruk dat het inderdaad iets toeneemt, al is er , zoals we zullen zien, ook onderzoek dat dit weerspreekt. Hoe dan ook, antisemitisme dient niet onder de mat geveegd te worden. Uitingen van antisemitisme wortelen nogal eens in volstrekt ontspoorde, stompzinnig verwrongen, anti-Israëlische sentimenten, met een volstrekt misplaatste gelijkstelling tussen ‘Israël’ en ‘de joden’. 

 Het is een onzinnige gelijkstelling, gezien het feit dat de meeste joden niet in Israël wonen, en dat de wandaden van Israël ondenkbaar zouden zijn zonder de immense financiële steun vanuit vooral de VS, maar ook West-Europa en Nederland. Israël’s misdaden zijn een product van een specifieke vorm van Westers kolonialisme, het Zionisme. Dat Zionisme hield zelf een knieval voor antisemitisme in, waar het immer suitging van de onvermijdelijkheid van antisemitisme, hetgeen als argument gehanteerd werd om vertrek richting wat nu Israël is aan te moedigen. Heel veel joden hebben daar nooit iets van moeten hebben, hoezeer veel Zionistische leiders zich ook trachten voor te doen als belangenbehartigers van ‘alle joden’ – hetgeen voer is voor precies de vorm van antisemitisme dat zich als antizionisme camoufleert maar wezenlijk iets anders is. En ik heb over president Obama, de hoofdsponsor van Israël, al veel horen beweren, maar niet dat hij Joods is. Over Bush destijds trouwens evenmin. Linkse tegenstanders van Israël moeten in deze context wel extra nauwkeurig zijn in hóé zij hun verzet verwoorden, om aan dit type antisemitische ontsporingen geen enkel voer te geven. En tegen mensen die de wandaden van Israël aangrijpen om ‘de joden’ aan te vallen, dienen we keihard in te gaan.

Dit geldt allemaal helemaal ongeacht welke herkomst de antisemiten in kwestie hebben, Marokkaans of Tilburgs of wat ook. En daar mag nog wel iets met nadruk bij vermeld worden. Veel van het antisemitisme komt helemaal niet uit de moslim-gemeenschap, zoals Boplkestein met zijn uithaal naar Marokkanen impliceert. “Antisemitisme in Nederland, althans op internet, komt vooral uit de koker van autochtone Nederlanders. Ook neemt het niet significant toe. Dit blijkt uit cijfers van het Meldpunt Discriminatie Internet (MDI).” Dat bericht Trouw, en het bericht geeft ook cijfers die dat illustreren. Het aanvallen van Marokkanen als bij uitstek de bron van antisemitisme is hiermee nog eens extra onderuit gehaald. En Bolkestein staat hiermee extra in zijn racistische hemd.

Het strekt intussen links – mijzelf inbegrepen – intussen niet tot eer dat er uit die – uit ónze – hoek zo weinig over bericht is. Dat maakt de column op de website, notabene, het zo vaak verdacht gemaakte Nederlands Palestina Komitee extra opmerkelijk. Hulde hierom voor het Nederlands Palestina Komitee!


“Rechts-populisme” bestaat niet

4 november, 2010

Wilders  en zijn PVV in Nederland, vergelijkbare bewegingen in Europa, het Tea Party-circus in de VS… keer op keer wordt daar het etiket ‘populisme’ opgeplakt, veelal voorzien van het woordje ‘rechts’. Daarmee is een woord in ons politieke vocabulaire doorgedrongen dat verhullend is, en dat het probleem dat uiterst-rechtse massabewegingen opleveren precies situeert daar waar het níét ligt: bij ‘het volk’. ‘Rechts-populisme’ bestaat niet. De bewegingen die ermee worden aangeduid bestaan, in al hun naargeestigheid, echter wel degelijk. Om de strijd daartegen beter te kunnen voeren is een betere begripsbepaling echter wel nuttig.

Juist ook radicaal-links hanteert veelal grotendeels het etiket ‘(rechts-)populisme’. Doorbraak bijvoorbeeld duidt de PVV – en ook de club van Rita Verdonk, sindsdien nogal verdampt – op die manier aan. Bij de Internationale Socialisten zag ik Wilders aangeduid worden als kopstuk van “neoconservatief en populistisch rechts”. En nu komt er een – hoogstwaarschijnlijk op zich trouwens zeer belangwekkende – informatie-avond in Den Bosch, georganiseerd vanuit het linkse Jaarboek Kritiek, “over het rechtspopulisme en het antwoord van Links”.

Wat is er eigenlijk tegen dat begrip ‘rechtspopulisme’? Een voordeel van het woord is dat het tenminste aangeeft dat het gaat om een vorm van politiek die niet zómaar rechts is, niet zomaar érg rechts, maar ánders rechts. Het is een erkenning dat we hier te maken hebben met een politiek verschijnsel dat van linkse kant een andere benadering vereist dan de ‘gewone’ gangbare gevestigde politiek. Veelal worden er formaties mee aangeduid die, soms iets te snel maar vaak ook terecht, als fascistisch of fascistoïde worden aangeduid. Juist om al te voorbarige etikettenplakkerij in die richting te voorkomen – zo kun je redeneren –  is het woord ‘rechtspopulisme’ van waarde. Maar als het er op neer gaat komen dat we ‘rechtspopulisme ‘schrijven maar ‘fascisme’ dénken,  dan kunnen we maar beter gewoon zeggen wat we denken, en onze keus voor het hanteren van het woord ‘fascisme’ toelichten. Dat heeft althans mijn voorkeur. “Rechtspopulisme” als iets welluidender eufemisme voor “fascisme” gebruiken acht ik verhullend, onverstandig en onjuist.

Er is een andere, meer historische en theoretische, reden waarom ik van het woord “rechtspopulisme” niets moet hebben. Het historische populisme was links, vaak radicaal-links. En het woord zelf verwijst naar de kérn waar het een serieuze politiek van bevrijding om te doen zou moeten zijn: ‘populus’, het volk, in de zin van: de massa van de bevolking. Dat begrip gebruiken voor welke soort van reactionaire politiek ook is een erkenning dat rechts op één of andere manier ‘namens het volk’ spreekt – een erkenning die ik veel te veel eer vind.

Twee bewegingen van belang zijn in de geschiedenis aangeduid met het woord Populisme: één in de Verenigde Staten, en één in Rusland, beiden in de tweede helft van de negentiende eeuw. In de VS kwam in die tijd een beweging op van vooral arme boeren en middenstanderss die zich steeds meer bekneld voelden door de snelle opkomst van de grote ondernemers, het grote geld, gesymboliseerd door Wall Street. Er waren dwarsverbanden met de beginnetjes van vakbonden in die tijd. Er werd stevig actie gevoerd, met vaak groot radicalisme. “We should raise less corn and more hell”, zo was een prachtige leus van een Amerikaans populist. Sommige van de latere bekende socialisten in de VS hadden hun achtergrond in dit populisme, of banden ermee. Dat gold bijvoorbeeld voor de grootse figuur Eugene Debs. Die had zich in 1896 ingezet in de campagne van Bryan, die als Populist presidentskandidaat van de Democratische partij was geworden.

Het liep met dat Amerikaanse populisme treurig af. Toen een permanente band met de arbeidersbeweging niet tot stand kwam – voor een flink deel trouwens door afhoudendheid vanuit die arbeidersbeweging! – ontspoorden enkele populisten in een politiek van verdeel-en-heers, in dit geval racisme tegen zwarten. Aanvankelijk echter werd er in de populistische bewegingb serieus gewerkt aan eenheid van álle onderdrukten, ongeacht huiskleur. De radicale historicus Howard Zinn geeft daarvan mooie voorbeelden. De populistische beweging werd ingekapseld in de Democratische partij – het graf voor menig progressief initiatief in de VS tot op de dag van vandaag – en leverde zelfs een presidentskandidaat, de al genoemde Bryan. Maar toen was het Populisme feitelijk allang getemd. De trieste afloop doet aan het fenomeen populisme-als-linksradicalisme echter niets af.

Minstens zo duidelijk is de revolutionaire kern van het populisme in Rusland. Daar had je de zogeheten Narodniki – en Narod betekent Volk. ‘Populisten’ is daarom een gangbare en redelijke vertaling van dat woord. Het ging hier om een stroming die het tsaristische Rusland op zijn kop wilde zetten, waarbij vooral verwezen werd naar de belangen en aspiraties van de overweldigende meerderheid van de bevolking: de straatarme boeren. Die waren tot 1861 nog lijfeigenen, grondgebonden en daarmee onderhorig aan oppermachtige landheren. Hun emancipatie was inzet van veel van het populistisch streven. Daarnaast wilden populisten – zelf veelal dissidente intellectuelen – veelal een soort van democratie, soms in de vorm van een grondwettelijke stelsel, soms ook in veel radicalere vormen.

Er waren allerlei vormen. In 1874 kwam bijvoorbeeld een stroming op die letterlijk “naar het volk” wilde. Duizenden intellectuelen met populistische opvattingen gingen het platteland op, om uiteen te zetten dat boeren in opstand zouden moeten komen. Boeren – straatarm, maar ook nog vervuld van leve-onze-goede-Tsaar-mystiek – liepen naar de politie en gaven de Populisten – dapper maar naief als ze waren, met een nogal verkeerde inschatting van wat er leefde – aan bij de autoriteiten… Daarna kregen andere populistische stromingen de overhand, vooral groepen die aanslagen voorbereidden tegen de Tsaar en andere hoge functionarissen. Maar er ontstonden ook groepen die begonnen te denken en werken richting verzet van onderdrukten – vooral boeren maar later ook wel arbeiders – zelf.

De beweging drukte een sterk stempel op latere revolutionaire stromingen, en kende zeer uiteenlopende figuren. Er was de volstrekt cynische, doel-heiligt-alle-middelen samenzwewerder Netsjajev. Er was Tkatsjev, ook iemand die ondergronds werk van kleine samenzeerdersgroepen bepleitte. Er was Lavrov, die vooral vreedzame agitatie voorstond. Er was  Tsjernishevsky, schrijver van een boekje “Wat te Doen” – waarvan de titel niet toevallig door een latere Russische revolutionair is overgenomen… Sowieso waren de ervaringen van het ondergronds organiseren van verzet van flinke invloed op de organisatievorm van de beginnende Bolsjevistische partij, een handvol jaren later.

Sommige Populisten kunnen gezien worden als voorlopers van anarchistische stromingen. Maar binnen de populistische beweging vinden we ook groepen die geleidelijk marxistische inzichten oppikten. Plechanov, grondlegger van het Russische marxisme, was aanvankelijk een populist, zo laat de trotskist Tony Cliff zien, in zijn boek over Lenin en de Bolsjevistische partij in haar vroege fase, waaraan ik veel van bovenstaande informatie over het Russische Populisme ontleen.. De broer van Lenin zat ook in populistische kringen, hij werd ter dood gebracht omdat hij deel had genomen aan een aanslag. De latere Sociaal-Revolutionaire partij, één van de drie belangrijke linkse partijen naast Bolsjevieken en Mensjevieken, kan gezien worden als min-of-meer parlementaire voortzetting van de populistische traditie. En meerdere latere anarchisten begonnen hun politieke leven als Sociaal-Revolutionair. Dat gold bijvoorbeeld voor Voline, in de Russische revolutiejaren kameraad van de anarchistische aanvoerder van partisanen in de Oekraine, Machno, en vooral bekend geworden als autuer van een mooi boek over de Russische revolutie: The Unknown Revolution. Het Russische Populisme kan dan ook gezien worden als een soort kraamkamer voor links in Rusland, zowel voor de sociaaldemocratische, de revolutionair-marxistische als de anarchistische stroming.

Ja, met de uitkristallisering van diverse linkse richtingen was het met het Populisme als zelfstandig verschijnsel gedaan. Je kunt de diverse richtingen goed zien als aanscherpingen binnen een breder populistisch verhaal. Marxisten zeiden: ‘het volk’ dient geprecizeerd worden, en daarbinnen draait het vooral om de arbeidersklasse. Anarchisten zeiden: de actie moet vooral uitgaan van ‘het volk’ zélf – een volk door individuen, wiens vrijheid wezenlijk was – , zonder bemiddeling, representatie en opgelegde autoriteit. Sociaaldemocraten zeiden: ‘het volk’ moet vooral via de stembus en een grondwettelijk stelsel emancipatie bereiken. Maar ‘het volk’ als uitgangspunt nemen, en tegenover heersers – de elite, eventueel gepreciseerd tot  ‘de heersende klasse’ – stellen, dat is wezenskenmerk van links – en onderscheidt links daarmee wezenlijk van rechts, van élk rechts.  Het begrip ‘populisme’ verwijst naar die, wezenlijk linkse, bevrijdende, essentie. Daarom is rechts-populisme als begrip net zulke onzin als rechts-anarchisme, rechts-communisme, rechts-socialisme, rechts-marxisme, rechts-trotskisme en ga zo maar door.

Ja, verschijnselen die met het woord ‘rechts-populisme’ worden aangeduid hebben óók de gewoonte te verwijzen naar ‘het volk’ als bron van alle wijsheid, en zich te keren tegen ‘de elite’ die de wacht moet worden aangezegd. Meer in dit proces gebeurt iets anders dan in het populistische element dat links zo kenmerkt. Centraal staat in de PVV-benadering niet ‘het volk’; dat mag stemmen, hatelijkheden verspreiden op internet, en verder  zijn kop dicht houden. De hoofdrol is weggelegd voor de leider – een elite van één persoon. Die doet op zijn  beurt het werk dat een iets grotere elite ten goede komt: ondernemers die de PVV gebruiken als breekijzer om aan ‘linkse hobbies’ een eind te maken. De verwijzing naar ‘het volk’ is manipulatie, demagogie. Als we hier het woord populisme willen hanteren, dan zouden we moeten spreken van schijn-populisme.

Ik hoor de tegenwerping al: links kan er qua manipulatie en demagogie en het opkomen voor elites zelf ook wat van. Helaas bevat die tegenwerping een forse kern van waarheid. Zowel sociaal-democratische als leninistische politiek kunnen we zien als een elitaire misvorming van links, een manier waarop authentieke emancipatie wordt verwrongen en gezien wordt als iets waarin een minderheid de massa aanstuurt, en het actieve element van emancipatie wordt. Die minderheid kan de vorm aannemen van voorhoede partij, van parlementsfractie, van een leiding van een guerrillabeweging. Helaas zijn er ook sporen van deze benadering in sommige anarchistische stromingen te vinden, hetgeen dan echter wel tot een inconsistent anarchisme leidt.

Maar in al die gevallen is er sprake van verwringing van de ambitie om de bevolking in het middelpunt te plaatsen, en niet van een totale ontkenning ervan. Daarom bijvoorbeeld slaat het wel ergens op om leninisme en sociaaldemocratie te kritiseren als innerlijk tegenstrijdig, als vijandig aan het beweerde doel: de bevrijdings- of op zijn minst verheffingsambities botsen met de elitaire vorm waarin die ambitie gewrongen is. Een soortgelijke interne kritiek van bijvoorbeeld het fascisme is absurd: enige werkelijke ambitie tot volksverheffing en bevrijding ontbreekt hier, ‘het volk’ is stemvee, voetvolk, kanonnenvoer, en niets meer dan dat. Wilders verwijst herhaaldelijk naar Henk en Ingrid, om wie het allemaal zou gaan. Maar meer dan een demagogiosch truukje waarmee Wilders zich als volksheld profileert en zich vooral afzet tegen Fatima en Mohammed is het niet. Niks ‘populisme’. Demagogie is het, bedrog. En populisme is iets ánders dan demagogisch bedrog.

En wat betreft dat andere ‘populistische’ element in Wilders’ aanpak: ja hij zet zich graag af tegen de linkse en/of multiculturele elite. Maar dat is geen vijandigheid jegens elites als zodanig – integendeel, zijn eenhoofdig leiderschap van de PVV is elite-politiek-pur-sang. Wat hij tegen heeft op de genoemde elites is niet dat het elites zijn maar dat ze volgens hem ‘links’ zijn, oftewel teveel ruimte bieden aan democratische rechten van arbeiders,n andere mensen onderaan en organisaties die (zeggen) voor hen op (te) komen; en dat ze ‘multicultureel’ zijn, oftewel nog enige ruimte laten aan migranten, moslims, vluchtelingen, mensen van een andere culturele achtergrond dan de dominante Nederlandse. Wilders wil een ándere elite, of beter gezegd: in grote lijnen dezelfde, maar dan ‘gezuiverd’ en “van vreemde smetten vrij’ – en met hemzelf aan het hoofd. Niks populisme. Demagogie, van een man met democratisch verpakte maar hoogst autoritaire ambities. Het woord ‘fascisme’ lijkt me voor Wilders, zijn aanpak en zijn PVV echt zo slecht nog niet gekozen.

 


Gedachten over verkiezingsuitslag: gevaarlijke rechtse dreun

10 juni, 2010

Rechts heeft met de verkiezingen van gisteren een gevaarlijke dreun uitgedeeld. Parlementair links heeft het daartegenover iets minder slecht gedaan dan het een handvol weken geleden nog leek. Dat is echter tegenover die meerderheid van sloopgeile neoliberalen en randfascisten die ons – nu nog in mediadebatten en verkiezingsfeestjes, morgen wellicht vanuit het Catshuis – aangrijnst, een schrale troost. De politieke crisis gaat, met de vorming van een volgend kabinet een nieuwe, grimmige fase in.

De cijfers zijn helder. VVD grootste partij, kantjeboord maar toch. VVD, PVV en CDA samen een krappe meerderheid in het parlement. Rechts als geheel – VVD, PVV, CDA, D66, CU, SGP – winnen 10 zetels vcergeleken bij 2006 en komen gezamenlijk op 93. Links als geheel – PvdA, SP en GL – komen op 55, of 57 als we de Partij voor de Dieren bij links rekenen. Er is aan deze cijfers, ook voor een revolutionaire niet-stemmer als ik, geen vreugde te beleven. Het aantal mensen dat mee gaat met het idee dat bezuinigingen, grootschalig, nodig en onontkombaar zijn, gecombineerd met ideeën die de schuld van veel narigheid bij migranten, moslims en linkse hobbies leggen, en die dat via de stembus laat weten, is gegroeid. Het aantal mensen dat daartegen, mede via de stembus, op de rem wil trappen en sociale bescherming enigszins overeind wil houden, is afgenomen. De verkiezingsuitslag registreert een verschuiving naar rechts onder flinke delen van de bevolking, juist ook binnen de arbeidersklasse. Dat ontkennen is onszelf zand  in de ogen strooien. Dat onder ogen zien, is een startpunt voor verzet.

Daarmee is het verhaal helemaal niet af. Binnen het rechtse kamp zien we opmerkelijke, en gevaarlijke, verschuivingen. Natuurlijk springt de grote opmars van de PVV er uit. De afgelopen twee maanden zakten Wilders’ gardisten wat weg in de peilingen, tot ruim onder de twintig. Het leek er op dat het, na grote praatjes, niet meebesturen van de PVV in Almere en Den Haag na grote overwinningen daar, een deel van hun kiezers had teleurgesteld. Geharrewar rond omstreden kandidaten, en ook de manoeuvres van onder-opper-leider  Hero Brinkman voor meer democratie in fascistenland, en een jeugdafdeling, leek een deel van de PVV-aanhang toch tot andere gedachten aan het brengen te zijn. De keiharde taal die inmiddels Rutte ook uitsloeg rond immigratie maakte een verschuiving van een deel van die mensen terug naar de VVD aannemelijk. Het feit dat de verkiezingscampagnes vooral gevoerd werden over bezuinigings- en aanverwante economische onderwerpen, leek ook de aandacht wat weg te trekken van het Moslims-treiteren waar Wilders zo mee scoort. Het was opvallend dat Wilders een tweede vijand om hard aan te pakken aanwees de laatste maanden: bankiers.

Feit is dat al deze factoren Wilders niet hebben gestuit. Juist Wilders slaagde er in de slotfase in zich te profileren als een soort SP, maar dan met een veel en veel harder anti-immigratiestandpunt. Wat hij op het slotdebat voor de verkiezingen uithaalde, was een meesterzet: tranentrekkend aanstippen hoe het met de zorg  voor ouderen is gesteld, en van de andere lijsttrekkers eisen dat dit binnen vier jaar verandert. Ja of nee, mijnheer Rutte, mijnheer Cohen?! Pure demagogie – maar ik vrees ook tamelijk effectieve demagogie tegenover politici die daartegenover alleen maar mitsen en maren stellen.

Wilders won met zijn racisme én met zijn sociaal-economische toonzetting. dat verklaart waarom hij styemmen won van de VVD én van de SP. Roemer was, met alle beperkingen die zijn SP typeert en die recht overeind staan , de meest principiële – en de meest sympathieke! – opponent van de rechtse logica van bezuinigingen en bijbehorende onbeschaafdheden van de lijsttrekkers. Wilders was vanuit rechts echter de felste – en de meest effectieve. Hij heeft zich de afgelopen jaren als oppositieleider een machtspositie verworven, en heeft gisteren geïncasseerd. En hoe.

Een tweede ontwikkeling ter rechterzijde betreft het CDA. Eeen electorale afgang, nog wat zwaarder dan zich al aftekende, voltrok zich. Op zich is dat reden voor een brede grijns: de partij is bij uitstek dé partij van de macht in Nederland, en die zie ik graag grondig verzwakt, vernederd, ontredderd. Dat Balkenende meteen zijn leiderschap neerlegde was onontkoombaar en op zichzelf welkom. Dáár zijn we in ieder geval van af.

Maar de nederlaag van het CDA was geen links succes. Het CDA is slachtoffer geworden van drie zaken. In crisistijd winnen hárde verhalen het van vage mitsen-en-maren-politiek. De hardste verhalen kwamen van rechts. Dát heeft het CDA heel veel stemmen gekost. Het CDA is leeggehaald door vooral de VVD, naar mijn indruk. Tussen bedaard maar stevig bezuinigingen met een sociaal randje en keihard, als onontkoombare redingsoperatie verkochte, bezuinigingsbeleid, kozen mensen het tweede.

Tweede factor was de zwakke leiding van het CDA, de verdeeldheid aan de top. Al meteen na de gemeenteraadsverkiezingen wees de CDA-top Balkenende toch meteen aan als lijsttrekker voor de Kamerverkiezingen. Maar snel brak er in regionale partijkringen kritiek uit, en klonk de vraag of dit niet te voorbarig was. Moest er toch niet aan een andere lijsttrekker worden gedacht? Dat zeurde wekenlang door, en zoiets is niet goed voor slagvaardigheid en zelfvertrouwen aan de top. We zagen dan ook een Balkenende die nu en dan krampachtig optrad, af en toe uitgleed. Kort voor de verkiezingen lekte ook nog eens uit dat prominente CDA-ers al niet meer in een overwinning geloofden en al dachten aan wat er dan moest gebeuren. Gisteren zagen we de ontknoping van wat al in de lucht hing.

Derde factor was persoonsgebonden. Balkenende wist bij eerdere gelegenheiden tee scoren als een soort vaderfiguur die het beste met iedereen voorhad, streng waar het moest, beminnelijk waar het kon. Balkenende en zijn CDA werd daarmee een soort vluchtheuvel voor diegenen die scherpe tegenstellingen eng vonden en vooral rust in de tent wilden. Na de moord op Fortuyn versterkte precies die uitstraling zijn positie. Na de moord op van Gogh zag je hetzelfde effect. Maar nu werkte het niet meer, om twee redenen.

De eerste was de felle, toch door sociaal-economische verschillen gedomineerde, polarisatie. Je wilde harde bezuinigingen, dan stemde je rechts. Of je wilde een flink stuk sociale bescherming, met minder en trage bezuinigingen, en dan stemde je links. Dat was de keus, in de beeldvorming. Balkenende horde inhoudelijk bij dat eerste, rechtse kamp, maar zijn uitstraling past meer bij het tweede. Je zag dat hij zich de laatste weken met enige nadruk tegen de “kille sanering” die Rutte beoogde, ging afzetten. Toch kon je aan je water aanvoelen dat hij veel dichter bij Rutte stond dan bij de PvdA. Dat ‘klopte’ niet, en dat deed hem waarschijnlijk geen goed.

Degene die dan ook met de rol van goede huisvader aan de haal kon gaan, was niet Balkenende, maar Cohen. Dat zijn partij de schade wist te beperken tot een verlies van twee zitels – een half jaar geleden zag dat er heel wat ernstiger uit – had dan ook voor een deel daarmee te maken. Mensen stemden op hem, niet zozeer omzat ze hem zagen als links en dat verwelkomden, maar omdat ze hem zagen als iemand die alle kanten recht deed, die ‘de boel bij elkaar hield’. Die rol, die Balkenende eerder speelde, is hij kwijtgeraakt aan de PvdA-leider. Intussen zien we uit welke hoek de wind in het CDA waait. Verhagen is zojuist tot fractieleider gekozen. Daarmee dreigt het CDA de weg omhoog terug te zoeken, niet via gematigde verzoening, maar via Raspoetineske machtspolitiek.

Er komt meer, maar dit is een beginnetje…

(bijgeschaafd 12 juni ’s nachts tegen kwart voor drie)


Politieke crisis in Nederland, deel 2: rechts, links, rechts…

26 maart, 2010

Zoeken naar kostenverlaging om meer ruimte te krijgen voor winst en de concurrentiepositie van ondernemers te verbeteren – dat is waarom de kapitalistenklasse in Nederland belang heeft bij bezuinigingen. Minder staatsuitgaven betekenen lagere belastingen, en die maken het mogelijk om meer geld in de ondernemerskas te houden, voor dividend, investeringen,  topsalarissen en bonussen. Bezuinigen maakt dat  terugdringen van staatsuitgaven makkelijker –  al is een bij gebrek aan bezuinigingen oplopende staatsschuld beslist niet het grote probleem dat rechtse politici er zo graag van maken.

In deze drang tot meer winst en een sterkere positie tegenover concurrenten wortelt de aandrang tot bezuinigen die de politiek momenteel in een ijzeren greep houdt. Alle partijen voelen die aandrang, alle partijen hebben zich deze logica in meerdere of mindere mate eigen gemaakt. De politieke spanningen hangen voor een aanzienlijk dele met deze bezuinigingslogica samen. Overeenstemming is er over de noodzaak ervan. Maar over timing, tempo en omvang bestaan grote meningsverschillen.

Elke partij heeft een andere mix tussen de bezuinigingen als noodzaak enerzijds, en de gezochte steun van kiezers  anderzijds. De ideologie van partijen speelt vervolgens een rol om die mix tot stand te brengen en in effectieve PR om te zetten. Bij een partij als de SP die voornamelijk geldelijke en kiezerssteun  van lager betaalde arbeiders en mensen met een uitkering zoekt, met een sociaaldemocratische ideologie, pakt de mix heel anders uit dan bij partijen als VVD en CDA die haar fondsen van rijke mensen haalt, haar kiezers veelal bij middenstanders en beter betaalde arbeiders en haar ideologie uit een mengsel van liberalisme en conservatisme. Bij de eerste is de neiging om bezuinigingen beperkt te houden om de achterban te ontzien groter. Bij de tweede zal de neiging om de bezuinigingen snel en fors door te zetten – die voornamelijk kiezers van andere partijen raken, en de geldschieters en steungevers van de eigen partij juist helpen – veel groter zijn. Dit soort mechanismes verklaart zowel de algemene richting van komend beleid als ook de talloze meningsverschillen.

Dit is één van de factoren die het politieke bestel onder druk zet. Maar als dit de enige motor van de  politieke crisis was, zag het landschap er bepaald anders uit. Dan zou de strijd veel meer gepolariseerd zijn langs sociaal-economische lijnen, dan zouden juist partijen die bezuinigingen erg beperkt willen houden, er veel beter vor staan in de peilingen. Als de tegenstelling  tussen hard, snel en niets ontziend bezuinigen enerzijds en traag, weinig bezuinigen, rekening houdend met laagbetaalden en collectieve voorzieningen anderzijds, centraal zou staan, dan zou de SP niet, zoals nu, op 9 zetels staan in een peiling, maar er veel beter in slagen om haar kiezers vast te houden. Dan zou rechts in de peilingen veel en veel zwakker staan. Want bezuinigingen gaan heel veel mensen treffen, en de partijen die het hardst willen bezuinigen, zouden hun kiezers zien weglopen als dit thema het overheersende thema was. Dat gebeurt momenteel niet. Er speelt kennelijk dus nog veel meer.

De tweede factor die de politieke crisis aanwakkert zouden we kunnen omschrijven als: misvormd gebundelde, verkeerd gerichte, extreem-rechts gekanaliseerde onvrede. Die onvrede zélf werd en wordt gevoed door het marktgerichte beleid van inmiddels de afgelopen tientallen jaren. Bezuinigen was daar deel van, privatisering en de blootstelling van collectieve voorzieningen aan marktwerking waren twee andere peilers van wat als neoliberalisme bekend is komen te staan.

Het beleid leidde tot verslechteringen in onderwijs, zorg en openbaar vervoer. Het heeft het levenspeil de betaanszekerheid van mensen die afhankelijk zijn van sociale voorzieningen aangetast. Terwijl regeringen dit neoloberale beield doordrukten, gebruikten ondernemers de ruimte die hen geboden werden om hun winsten en de inkomsten van zichzelf  op te krikken. Miljoenen mensen voelden hoe hun levens moeilijker werden hoe zwaar het werd om rond te komen, hoe onzeker het bestaan was. Tegelijk zagen ze dat een beperkte groep zich ongestaard verrijkte. Dat alles leidde tot onbehagen onvrede, en soms tot uitbarstingen van protest.

Tussen 2002 en 2006 had deze onvrede vooral een hoopgevende, naar links gerichte dynamiek. Er was het in deel één van deze serie genoemde vakbondsprotest van 2004. Er waren demonstraties tegen de Irak-oorlog in 2003, er waren acties voor een generaal pardon voor mensen die al te lang op erkenning as vluchteling hadden moeten wachten. Die laatste twee thema’s hadden niet rechtstreeks betrekking op het neoliberale beleid. Maar dat beleid voedde wel de onvrede die ook tegen andere stukken beleid – oorlogsdeelname, deportatiebeleid tegen vluchtelingen – tot uiting kwam.

Als klap op de vuurpijl kwam het referendum tegen de neoliberale EU-grondwet, dat tot een dramatische, voor een flink deel door de SP aangejaagde, nee-stem leidde. In 2006 zagen we vervolgens een grote verkiezingsoverwinning van die SP, die voor een flink deel het anti-neoliberale, anti-regeringssetntiment had weten te bundelen en in zetels wist om te zetten. Zo werd de terechte woede van een jaar na jaar getergde arbeidersklasse omgezet in  een referendum-uitslag, in parlementaire posities en in vakbondsacties.

Maar de vakbondsacties hadden slechts beperkt resultaat, de EU-grondwet kwam er in iets gewijzigde vorm toch, en de parlementaire SP-macht leidde niet tot regeringsdeelname, en ook niet tot veel positief resultaat. Slechts beperkte bijstellingen van beleid werden binnengehaald, zoals het uiteindelijk acepteren vn een generaal prdon voor lang wachtende vluchtelingen. Dat was de fooi die de PvdA als progressief pronkstuk mocht binnenhalen om deelname aan een kabinet met CD en CU wat meer verteerbaar te maken – en waarmee de PvdA aan SP-kiezers kon laten zien dat er ook via de PvdA heus nog wel iets progressiefs te behalen viel. Voor jarenlang maatchappelijk verzet en linkse overwinningen in de stembus was dit alles toch wel een vrij magere oogst.

De onvrede had linkse beddingen gevonden – en vrij weinig bereikt. Dat opende nieuwe ruimte voor pogingen om de woede en getergdheid een rechtse draai en uitlaatklep te geven, de woede  een ander, misplaatst, doelwit te geven. Dit is wat Fortuyn al met groot succes deed in 2002. Maar pogingen om dit, na de moord op Fortuyn, verder door te zetten, liepen stuk. Dat lag niet zozeer aan het op zichzelf zeer aanzienlijke geklungel van Fortuyns politieke nazaten. Veel belangrijker was dat, met een economische inzinking in die jaren, sociaal-economsche kwesties die arbeiders tegenover ondernemers plaatsen, naar de voorgrond kwamen. Antikapitalistische sentimenten, ook sterk vanwege de uitstraling van de andersglobaliseringsbeweging van die jaren, speelden een rol. De rechtse storm van 2001-2002 ging tijdelijk liggen, en er kwam enkele jaren en vrij stevige linkse bries te staan.

Maar in de luwte wachtten uiterst-rechtse politici, en ze werkten aan een comeback voor hun aanpak. Hoe minder de linkse bries tot resultaten leidde, hoe meer rechts er opnieuw in begon te slagen om onvrede op háár manier te benutten, te misbruiken. Geert Wilders werd van deze ontwikkeling het kopstuk en het symbool. Eerst opereerde hij nog op de rechterflank van de VVD, waar hij zich profileerde door zich fel tegen toelating van Turkije als EU-lid te keren. Een land vol met moslims, dat paste volgens hem niet in de Europese cultuur. Daarmee  was de islamofobe toon gezet.

In 2004 brak hij met  de VVD. Nadat in november van dat jaar filmmaker Theo van Gogh – zelf niet vies van islamofobe uithalen -werd vermoord, kreeg de uiterst-rechtse cocktail die  Wilders serveerde, een griezelig groeiende populariteit. In de campagne tegen de EU-grondwet, voorjaar 2005, speelde hij al een  rol. Als één van de eersten en hardsten riep hij, na de uitslag, de  regering – die zich breed had gemaakt voor een ja-stem – op om af te treden. Zulke stelligheid bleef van linkse zijde – de kant die de nee-campagne nota bena had gedomneerd – vrijwel uit. Het is één van de manieren waarop “links dit potentieel op tragische wijze verspeeld (heeft)”, zoals Pepijn Brandon de verschuiving van linkse kracht naar rechtse overmacht verklaart in een mooi stuk op de website van de Internationle Socialisten. Zo zag je toen al dat Wilders niet alleen een islamofoob racisme predikte, maar tegelijk ook een keiharde anti-regeringstoon aansloeg. Juist in de periode dat links van succes naar succes snelde, had uiterst rechts zich al van een flinke rol verzekerd. De 9 zetels voor Wilders’  PVV bij de verkiezingen van november 2006 waren daarvan het bewijs.

(wordt vervolgd)


De SP en de Algemene Beschouwingen

19 september, 2009

Een onderwerp dat ik in mijn vorige stuk over de Algemene Beschouwingen goeddeels heb laten rusten, is de opstelling van de Socialistische Partij in de debattten. Die opstelling viel opzichzelf niet tegen. Maar de keus van Agnes Kant om een motie van wantrouwen van rechts tegen het kabinet te steunen, vond ik onjuist en erg riskant.

Agnes Kant hamerde in haar bijdrage keer op keer op de verschraling van de publieke sector vanwege de vermarkting, het doordrukken van marktwerking in allerlei sectoren, openbaar vervoer, zorg, noem maar op. Ze verweet het kabinet om – ondanks de crisis de voortkomt uit doorgedreven marktwerking nen hebzucht-boven-alles – stug door te gaan met de huidige koers. Ze pleitte hardnekkig voor keuzes op de publieke sector weer echt publiek te maken, en de markt daaruit weg te werken.

Ze pleitte voor een paar eerste concrete eerste stappen. Eén zo’n stap is het in staatshanden nemen van vervoersbedrijf Connexion om het om te bouwen tot een Nederlandse Busmtaas tschappij. “Het is mooi geweest met het mislukte experiment met marktwerking in het busvervoer.” Een andere eerste stap: “We stoppen met de marktwerking in de thuiszorg.” Daarvoor heeft de SP een eigen wetsvoorstel ingediend.

Natuurlijk nam ze ook fel stelling tegen het plan om de AOW-leefijd tot 67 jaar te verhogen.  Dat plan noemde ze “ongewenst: Als je 65 bent is het mooi geweest (…) Een beschaafd lant gunt ouderen hun welverdiende rust.” Ze noemde het plam ook “onzinnig” en “onnodig: de AOW is helemaal niet onbetaalbaar.” Allemaal ware en nuttige woorden, en op de fronten van strijd tegen marktwerking en tege slechtere sociale zekerheid levert de SP nog steeds nuttig werk.

Ook deed Kant in haar bijdrage een nadrukkelijke oproep om de oorlogsmissie in Afghanistan stop te zetten, en zelf een stap te zetten: “Haal de Nederlandse troepen terug!” Ook dat is een goede zaak. In de debatten die volgden was ze bovendien vrij hard tegen Wilders, en ook dat  was niet bepaald verkeerd.

Minder blij ben ik met de inzet voor de politie waar de SP de laatste tijd zo’n stevig nummer van maakt. Jazeker, “meer blauw op straat” klinkt goed, in oren van mensen die een op zichzelf niet onredelijke zorg hebben over veiligheid en criminaliteit. Maar een redelijke bezorgdheid verdient ook een redelijk antwoord: meer politie dient niet de veiligheid, maar eerder de orde. En juist degenen die vechten voor een anders, socialer soort orde, komen keer op keer de politie tegen: met dwangbevelen, met boetes, met helmen en wapenstok. Links dient de politie niet te behandelen als  zomaar een groep arbeiders wiens sociale eisen gesteund dienen twe worden. Links hoort de politie  te zien voor wat ze in feite is: de knokploeg van het kapitaal, heel ouderwets gezegd. Dat daarmee niet het laatste woord over op zichzelf terechte zorgen rond veiligheid en criminaliteit gezegd is, mag duidelijk zijn. De drie-hoeraatjes-voor-onze-dienders houding waar de SP de laatste tijd zoveel uiting aan geeft, bevalt me niets.

Echt verkeerd ging het met de vertaling van de SP-opstelling in stemgedrag. De PVV van Wilders had meteen woensdag al een motie van wantrouwen aangekondigd;  de VVD volgde in de loop van donderdag. De SP steunde uiteindelijk de motie van wantrouwen.

Directe aanleiding was de lompe en botte houding van Balkenende over vragen die Agnes Kant aanhoudend stelde over bezuinigingen op zorg en dergelijke. “Ja, de plaat blijft een beetje hangen”, voegde de premier Kant vinnig toe. Dat was de druppel. Maar de hele houding van de premier die alle kritiek afwimpelde had al kwaad bloed gezet bij haar.

Uiteindelijk steunde ook Agnes Kant de motie van de VVD. Ze zei: “de opstelling van de premier is een premier onwaardig. Hij gaat vragen uit de weg, toont geen visie en zijn aanpak mist iedere mate van daadkracht. Ik kan daarom na vandaag niemand meer uitleggen waarom de SP vertrouwen hebben in dit kabinet.”  

Wat moeten we daar nu van denken? Natuurlijk toont het kabinet wèl visie: een visie waarin bezuinigen centraal staan, maar nog even worden uitgesteld om om de zaken niet erger te maken als heze al zijn. Het is, in de woorden van Maina van der Zwan, “dezelfde als de voorgaande kabinetten: een maatschappij waarin winst voor de top boven alles gaat.” De kritiek op de visieloosheid van het kabinet is wat mij betreft net zo min erg terzake als de kritiek op het ontbrekend leiderschap van Balkenende, waarik woensdag over schreef. 

En ik mag toch hopen dat vóór gisteren de SP toch óók al geen vertrouwen meer had in het kabinet? Dat bleek uit het eerdere betoog van Kant, maar ook uit de hele opstelling van de SP tegen dit kabinet: oppositie voeren, niet als tijd stevig genoeg, maar toch. Van vertrouwen was geen spreke, de SP hoort niet bij de meerderheid waaraan de regering haar steun ontleent. Van vertrouwen in reële zin was aldoor al geen sprake. Het idee dat pas gisteren een eind aan dat vertrouwen kwam, zoals Kant impliceert, lijkt me absurd.

Wat een motie van wantrouwen doet is feitelijk: de regering manen tot vertrek. Door zo’n motie niet te steunen, spreek je geen inhoudelijk vertrouwen uit, maar je erkent er simpelweg het feit mee dat dee regering nu eenmaal over een Kamermeerderheid beschikt en dus, in parlementaire termen, legitiem regeert. Een motie van wantrouwen die een Kamermeerderheid achter zich krijgt, laat zien dat de regering die Kamermeerderheid niet meer heeft. Voor een motie van wantrouwen stemmen betekent: zeggen dat de regering moet opstappen.

Nu vind ik in principe dat elke kapitalistische regering dient op te stappen, liever vandaag dan morgen. Maar niet elke soort van opstappen is op elk moment onder alle omstandigheden een stap vooruit. De motie van de VVD worteld in de réchtse kritiek die deze partij op het kabinet heeft: het kabinet is te slap en stelt hoognodige bezuinigen uit. Het kabinet is niet rechts genoeg, dát is de kritiek. De PVV-motie is uiteraard  ook een aanval van rechts.

Agnes Kant onderkende wel het verschil tussen haar houding en die van de VVD. “De SP maakt heel andere keuzes dan het kabinet, maar ook dan de VVD”, zei ze in een toelichting op haar steun aan de VVD-motie. Punt is en blijft dat ze, hoezeer ze in woorden zich ook onderscheidt van de VVD, ze een initiatief van die partij steunt. Een succes van die motie zou het kabinet ten val hebben gebracht, ten gunste van réchts. Het had de deuren geopend voor een verkiezingscampagne waarbij VVD en PVV – in toenemende mate zij aan zij, met Hans Wiegel als bruggenbouwer tussen die twee – frontaal in de aanval zouden kunnen gaan. Het wegsturen van het kabinet, op inititatief van rechtse en uiterst rechts, verdient van een linkse partij op dit moment dan ook geen enkele steun.

Uit een reconstructie in de Volkskrant blijkt – gelukkig! – dat het steunen van een motie van wantrouwen binnen de SP ook omstreden was. “Bij de socialisten waren ze flink verontwaardigd  over ‘de minachting’ voor de kamer van ‘deze norse’ premier. Maar  een motie van wantrouwen steunen van de VVD nota bene, was niet vanzelfsprekend. De liberalen wilden immers het kabinet naar huis sturen omdat er te laat en te weinig werd bezuinigd. Niet een standpunt van de SP-fractie. De voorstanders binnen de SP deden dat argument van hun twijfelende collega’s af als ‘Haags geneuzel’.” Soms is Haags geneuzel écht Haags geneuzel. maar hier werd ‘Haags geneuzel’ als scheldwoord gebruikt tegen mensen die zich nog enigszins linkse tactieken en strategische keuzes weten te herinneren: géén steun aan agressief rechts, ook niet tegen een vijandig kabinet. Onder de twijfelende collega’s bevond zich trouwens een zekere Jan Marijnissen, die zich “op de vlakte (hield)”.

We mogen hopen dat de SP haar talloze zinnige en woorden in de Algemene Beschouwingen, combineert met daden, en omzet in actie. We moen eveneens hopen dat de neiging tot het spelen van doodenge parlementaire spelletjes binnen de SP voldoende omstreden is om ervoor te zorgen dat zoiets niet weer gebeurt. Maar ergens op rekenen wat dit betreft? Dat zou getuigen van grote, onverantwoordelijke naïviteit.