Wederom afwegingen rond Libië

dinsdag, 5 april

De Westerse interventie in Libië – de no-fly zone, de luchtaanvallen, en VN-resolutie 1973 die er de grondslag in het internationaal recht voor legde – was verwerpelijk, is verwerpelijk en blijft verwerpelijk. Het schadelijke effect – de eerste week nog slechts in beperkte mate aanwijsbaar – wordt per dag, per luchtaanval, duidelijker. Het blijft nodig om daartegen stelling te nemen, dat dient echter dan wel met adequate argumenten te gebeuren, waarbij solidariteit met de opstanden in de regio – nadrukkelijk óók met de Libische opstand – een centrale plek verdient.

Te vaak gebeurt dat niet. Te vaak wordt sympathie voor de opstandelingen gecombineerd met het steunen van de luchtaanvallen, met als argument dat die luchtsteun onmisbaar is voor de revolte. Te vaak zien we – andersom – dat afwijzing van de luchtaanvallen samengaat met afst wijzing van de opstand tegen het Kadhafi-bewind, met verwijzing naar reactionaire kopstukken van de opstand, en naar de roep om luchtaanvallen vanuit die opstand. Het uitgangspunt van de eerste redenering is mij sympathieker: ook ik wil dat de opstand wint. Het uitgangspunt voor de tweede redenering is mij niet sympathiek: dat behelst immers een weigering te kiezen tussen onderdrukkers en degene die zich proberen te verzetten, en gaat soms zelfs zo ver om een voorkeur voor Kadhafi boven de opstand uit te spreken. Maar het sympathiekere uitgangspuntpunt leidt tot een funeste keus voor interventie. Het minder sympathieke uitganspunt leidt tot een op zich zelf juiste afwijzing van die interventie. Een wrange toestand, derhalve. En een toestand die verbetering en verheldering verdient, in de vorm van een standpunt dat de opstand steunt en – mede daaróm! – de interventie afwijst.

Laten we eens anar wat argumenten aan verschillende kanten in dit debat kijken. Ik begin bij twee sterke punten die tegenstanders van de interventie naar voren brengen; ik zelf heb de twee argumenten ook gehanteerd. Het eerste argument is: interventie in Libië om mensen te redden is hypocriet: er zijn zoveel plaatsen waar soortgelijke bloedbaden dreigen of plaatsvinden, en waar níét wordt ingegrepen. Er wordt overduidelijk met twee maten gemeten. Waarom mag Kadhafi geen Libiërs uitmoorden, terwijl Saleh, de predident van Jemen, ongehinderd demonstranten mag laten neerknallen?Het tweede argument is: interventie door grote mogendheden wordt ingegeven door economische, politieke en strategische belangen van die grote mogendheden. We kunnen dan denken aan zaken als oliecontracten, de wens van de VS om weer een militaire basis in Libië te hebben, hulp van een regering-na-Kadhafi om m Afrikaanse migranten van de Europese zuidkust wèg te houden. Om dit soort redenen steunen mogendheden de opstandelingen, met als doel dat er vanuit de leiding van de opstand plooibare types naar boven zullen komen, met wie het Westen goede zaken kan doen op dit soort punten.

Welnu: beide argumenten staan wat mij betreft als een huis. Maar op zichzelf zijn ze onvoldoende reden om de interventie af te wijzen. Eerest die hypocrisie. Ja, de twee maten zijn dagelijks zichtbaar. Maar we moeten tegelijk erg voorzichtig zijn. Er is immers een manier voor pro-intetrventionisten om dit argument tegengas te bieden. Hoe? Door te zeggen: inderdaad, elders zou ook moeten worden ingegrepen, en waar we dat kunnen, zullen we dat doen. Dat zien we momenteel feitelijk gebeuren ook. Tien dagen geleden wezen demonstranten in Ivoorkust op de tegenstelling: “VN: Libië wel, waarom niet Ivoorkust? Verlos ons”. Welnu, de ‘verlossing’ is gaande. “VN-helicopters hebben de troepen van Laurent Gbagbo in Ivoorkust aangevallen en ze op vier plaatsen waar ze burgers beschoten, vernietigd.” Dat is het argument waramee de interventie in Libië gerechtvaardigd werd en wordt: aanvallen op burgers tegengaan. Dat het bepaald niet enkel de troepen van Gbagbo zijn die burgers aanvallen, komt er nog eens bij. Volgens een mensenrechtenfunctionaris van de VN hebben aanhangers van zijn tegenstander Ouattara 220 burgers omgebracht, de aanhangers van Gbagbo 110. Humanitair gezien is er voor partij kiezen voor welk van deze twee ook geen reden.

Wat nu als er in meer landen, met verwijzing naar bloedbaden en menselijk leed, onder VN-vlag wordt ingegrepen? Zijn we dan tevreden? De genoemde hypocrisie achter de Libië-interventie zou immers dan ten einde zijn gekomen. Dat kan immers niet alleen door principieel anti-interventionisme, maar evenzeer door consistent pro-interventionisme. Het is dus steeds zaak om duidelijk te maken dat we de hypocrisie op de eerste manier – geen interventies van dit type! – beëindigd willen zien worden, en niet op de tweede – interventie overal en altijd! Met die tweede, wel degelijk consistente, politiek, zijn we immers terug bij de logica van de koloniale oorlogen, die ook gerechtvaardigd werden op humanitaire basis, waarbij ook verwezen werd aan gruwelen waar een eind aan gemaakt moest worden, gruwelen die vaak wel degelijk bestonden ook. De luchtaanvallen op Libië aanklagen als hypocriet is, hoe waar momenteel dan ook, op zichzelf geen reden om een eind aan deze luchtaanvallen te bepleiten. Daar is veel meer voor nodig.

Wijzen op de belangen die mogendheden als de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk, maar ook de voor de interventie zeer belangrijke Arabische staten als Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten, Koeweit en vooral Saoedi-Arabië hebben, is van groot belang. De eerste drie, vooral de VS, zien de interventie in Libië vooral als een begin van een antwoord op de revolutionaire golf in de hele regio. Dictators tot vlak voor hun val blijven steunen – zoals ze deden met Mubarak – betekent gezichtsverlies voor het Westen als de dictator ondanks die steun toch valt. Daarmee vermindert ook het overwicht van die mogendheden. Door nu in Libië de opstand te steunen herwinnen Westerse staten enig moreel krediet, winnen daarmee weer invloed in de regio en kunnen de revolutionaire ontwikkelingen in een meer contrarevolutionaire richting beïnvloeden. In Libië is dat zichtbaar in het naar voren komen van conservatieve, pro-Westerse functionarissen in het orgaan dat de oppositie tegen Libië aanvoert, de Libische Overgangsraad. Maar het effect is breder zichtbaar dan enkel in Libië. Deel ervan is de impliciete boodschap aan opstandigen elders: zonder Westerse steun kan de opstand in Libië niet winnen, zonder Westerse steun redden jullie het evenmin. Zo hoopt het Westen zich kennelijk om te vormen in een bondgenoot van opstanden – die daarmee minder echte opstanden worden, en steeds meer pro-Westerse regeringswisselingen worden waar het radicale bevrijdingspotentieel goeddeels uit is weggesaneerd.

Er spelen ook veel directere belangen. De olie is niet onbelangrijk, maar de interventie is geen eenvoudige greep naar Libische oliebronnen of iets dergelijks. Dat was immers niet nodig: met Kadhafi werd door een hele reeks oliemaatschappijen uit Westerse staten immers heel handig zaken gedaan. Waarom een zakenpartner vervangen met een dure en riskante oorlog? Voor die maatschappijen hoefde Kadhafi niet te verdwijnen. Maar toen Kadhafi’s positie gevaar begon te lopen, was het wél zaak om goede banden met mogelijke opvolgers te smeden. Westerse steun aan de opstandelingen beloven, op een moment dat die sowieso aan de winnende hand leken te zijn, leek een goedkope en eenvoudige wijze om goodwill bij de opstandsleiding te winnen, en daarmee bijvoorbeeld contracten veilig te stellen. Toen de opstand teruggeslagen werd door Kadhafi’s bloedige en effectieve tegenaanval, was de Westerse switch naar steun aan de opstand al zo ver dat een nieuwe zwenking – terug naar steun voor Kadhafi – weinig reëel meer was. Qua PR zou dat – gezien de steun aan diens wel erg opvallende repressie die dat impliceerde – ook niet aantrekkelijk meer zijn.

Olie speelde waarschijnlijk nog op twee andere manieren een rol. In de eerste plaats leidt langdurige onrust in Libië tot hogere olieprijzen, deels doordat een flink deel van de profi uctie stilligt, deels vanwege de angst voor instabiliteit die speculatie en prijsopdrijving in de hand werkt. Hogere olieprijzen b werken door in Westerse economiën, tot mogelijke schade van het toch al zo gammele economische herstel. “Zullen NAVO-landen echt het risico van een duik in nieuwe verkiezingen nemen omdat ze nalieten om een no-fly zone boven Libië en een snel einde te maken aan wat voor hen niet alleen een humanitaire crisis is, maar ook een potentiële oliecrisis thuis?” Dat vroeg Juan Cole – die veel later schreef dat hij nergens een geloofwaardige olie-connectie achter de interventie had gezien! – op 28 februari. Westerse staten hebben, in deze redenering, dus belang bij een snelle ontknoping van het Libische drama. Kadhafi had zich onmogelijk gemaakt, dus bood interventie tegen Kadhafi een uitweg. Maar precies een snélle ontknoping is zelf met de luchtaanvallen niet echt in zicht. Als dit argument heeft meegespeeld, dan is er tenminste gedeeltelijk van een misrekening sprake.

Een andere olie-factor wordt genoemd door Gilbert Achhar. Als Kadhafi’s troepen in Benghazi een bloedbad hadden aangericht, zou er zoveer politieke pressie op gang komen dat sancties tegen Libië – inclusief een olie-embargo, een exportverbod voor Libische olie – onvermijdelijk zouden worden. Maar zonder Libische olie op de wereldmarkt zou dit een forse prijsstijging betekenen, met de al eerder genoemde economische schadelijke gevolgen. Om dat te voorkomen, moest een bloedbad in Benghazi voorkomen worden. Vandaar de interventie, in deze redenering. Bewijzen kan ik het niet, maar hier zou wel eens iets in kunnen zitten.

Dan zijn er nog de Arabische staten die de interventie steunen. Er zijn serieuze aanwijzingen dat die daarvoor een wrede en hoge prijs hebben bedongen. Pepe Escobar schrijft in de Asia Times dat hij van twee diplomatieke bronnen, los van elkaar, heeft vernomen dat er een weerzinwekkende uitruil heeft plaatsgevonden. Saoedi-Arabië mag van het Westen ongestoord gewapend ingrijpen in Bahrein, zij aan zij met het bewind ter plekke, tegen de protestbeweging die daar meer vrijheid opeist. In ruil daarvoor steunt de VS de Westerse politiek tegen Kadhafi’s bewind. Of deze uitruil een feit is, valt niet met zekerheid te zeggen, maar een dergelijke samenhang – misschien niet letterlijk afgesproken, maar een soort onuitgesproken deal – lijkt wel zeer aannemelijk. Dat de Saoedische koning en de Libische kolonel al jaren een diepe vijandschap koesteren, zal vast ook meespelen. Meer algemeen komt het de conservatieve monarchieën op het Arabische schiereiland, goed uit dat alle aandacht en woede zich nu richt op Libië. Dat leidt de aandacht mooi weg van de onderdrukking die deze monarchieën zelf uitoefenen tegen de bevolkingen over wie zij heersen. Als de interventie al enige vrijheid voor Libiërs dichterbij gaat brengen – en dat is maar zeer de vraag! – wordt die vrijheid betaald met voortdurende ónvrijheid voor Bahreini’s, Saoedi’s, Koeweiti’s, Omani’s en Jemenieten. Om Benghazi te redden, worden Saana, Aden en de Pearl Rotonde opgeofferd. Dat is de, wederom niet bijster humanitaire, logica achter vliegverbod en NAVO-luchtaanvallen, en vooral achter het draagvlak dat de Arabische Liga – die coalitie van halve en hele dictaturen – aan de interventie bood. En zonder dit draagvlak was de VS er waarschijnlijk niet aan begonnen.

In feite komen we hier aan een wezenlijk punt in de discussie. Nee, het is niet voldoende om op de belangen van de interventiemogendheden te wijzen. Het is nodig om te laten zien wat voor consequenties de doorvoering van die belangen, in termen van menselijkheid, mensenlevens, vrijheid, rechtvaardigheid en dergelijke heeft. Zeggen dat de Arabische monarchieën belangen nastreven dioor de interventie te steunen, is niet genoeg. Zeggen dat die belangen het vertrappen van mensenlevens in Bahrein en elders impliceren, dat mensen in Benghazi gered wordt door mensen in Bahrein op te offeren, dát gaat een wezenlijke stap verder. Immers, een voorstander van interventie kan het belangenverhaal – als de consequenties ervan niet scherp worden neergezet – nog wel van een zinnige tegenwerping voorzien. Paul Woodward schreef bijvoorbeeld, in een op 12 maart verschenen stuk: “publieke druk proberen op te bouwen voor assistentie aan de rebellen vam Libië gaat niet over het appelleren aan idealistische instincten waar ze waarschijnlijk niet gevonden kunnen worden. Het gaat over het steun winnen voor een rechtvaardige zaak, zelfs als die steun die komt besmet is met een een pakket dubieuze belangen.”

Je kunt dus een open oog hebben voor belangen van ingrijpende staten, en tóch het ingrijpen van die staten acceoptabel, als de beste optie onder de gegeven omstandigheden, verwelkomen. Dat komt voor: zowel Woodward als Achar zijn op deze wijze voorstanders van zulk ingrijpen. Het gaat hier om een inschatting van de consequenties; het onderkennen van belangen is op zichzelf onvoldoende om interventie af te wijzen. Als bijvoorbeeld de consequentie van een militair afgedwongen vliegverbod is dat Benghazi gered wordt en de Libische revolutie wint, wat is daar dan op tegen? En inderdaad, ik word zelf ook liever door schurken gered dan door nobele zielen in de steek gelaten. Met de schurken – in dit geval de Westerse mogendheden – kunnen de opstandelingen immers alsnog de strijd aanbinden, als ze éérst maar in leven blijven. Het is een serieus argument, dat niet zomaar als naief geloof in goede bedoelingen weggewuifd kan worden. Immers, het gaat hier om het verwelkomen van interventie óndanks de – erkende – mogelijkheid dat kwalijke bedoelingen achter de interventie zitten, simpelweg omdat de consequenties van de interventie nu eenmaal welkom zijn, en anders niet bereikt kunnen worden. Dat is althans wat wordt beweerd of geïmpliceerd.

Wat mij betreft is dit het stérkste argument dat linkse voorstanders van interventie in stelling hebben gebracht, in combinatie met de onbetwistbare vaststelling dat opstandelingen zélf om interventie gevraagd hebben. Toch overtuigt het me in de kern niet, om diverse redenen. In de eerste plaats hebben we al gezien dat in deze redenering Libische mensen gered mogen worden, op rekening van mensen elders, mensen in Bahrein, Jemen, Saoedi-Arabië – afgetuigd, opgepakt, mishandeld en soms neergeschoten met gericht vuur. Misschien is het aantal doden in die drie landen minder hoog dan tot nu toe in Libië. Steunen we dan de interventie in Libië tótdat in Jemen het aantal doden het dodental in Libië evenaart en vervolgens gaat overtreffen? Daarmee zouden we van ons standpunt een nogal ziek soort rekensommetje maken. Ik denk dat we hier een heldere lijn moeten trekken. Mensen op de ene plaats redden van een dictator, door op een andere plaats een dictator groen licht te geven voor onderdrukking en moord, is als zodanig pervers en onaanvaardbaar. Dat mensen in de ene plaats sméken op deze wijze gered te worden, is volstrekt begrijpelijk. Maar dat wil niet zeggen dat het verzoek om gewapend ingrijpen ook moet worden ingewilligd. Als een goede vriend mij om heroïne vraagt, ben ik ook niet verplicht om hem dat te geven, hoezeer ik zijn verlangen ook kan begrijpen.

Een tweede reden om het redden van de opstand via militaire steun niet te accepteren is gelegen in de consequentie van dit soort redding, óók in humanitair opzicht. Ja, ik denk dat zonder de luchtaanvallen Benghazi onder de voet zou zijn gelopen, en ik vermoed dat Kadhafi’s bewind dan inderdaad een akelig bloedbad zou hebben aangericht. Dat is nu voorkomen. Maar daarvoor betalen ook de opstandelingen – en vooral de mensen die straks onder een door de opstand voortgebrachte regering leven – een prijs. De opstand is afhankelijk geworden van Westerse steun, en deze afhankelijkheid groeit – met training van rebellen door Westerse commando’s en inlichtingenmensen, met wapenleveranties, en met de voortgaande luchtaanvallen die de opstandelingen voordeel bieden – steeds verder. Straks valt Kadhafi wellicht, en kunnen opstandelingen ook Tripoli binnentrekken. Dat hebben ze dan in hoge mate te danken aan de NAVO-staten, en aan Saoedi-Arabië en bondgenoten. Díé hebben dan vooral gewonnen, en die zullen invloed hebben, grote invloed, op de keus van een nieuwe regering, en op het beleid ervan. Dan zullen we allerlei lui die twee maanden geleden nog trouwe functionarissen onder Kadhafi waren, de dienst zien uitmaken. Sommigen daarvan vallen op door hun al eerder pro-Westerse houding, voorkeur voor neoliberaal beleid. Allemaal zijn ze gewend aan een door repressie stil gehouden bevolking, zodat de elite haar werk kan doen. Deze lui zijn geen vrienden van de vrijheid van de bevolking, en zeker niet van een lotsverbetering op sociaal gebied van deze bevolking.

We mogen er van uitgaan dat Westerse druk en invloed een nieuw bewind zal duwen in de richting van een pro-Westerse, tamelijk autoritaire oliestaat, zoals we er velen kennen. Er zijn mildere varianten van zoals Koeweit en Oman. Er zijn keiharde varianten van, zoals Saoedi-Arabië. Er zijn zelfs varianten van waarin er formeel van democratie sprake was opf is. Zo hebben we Nigeria, waar verkiezingen zijn maar waar Swhell in de delta jaar na jaar haar milieuverwoestende gang kan gaan, geholpen door uiterst corrupte bindingen met het bewind. Er was bijvoorbeeld ook Venezuela, ook een land met verkiezingen en meerdere partijen, maar tevens een land waar zo’n gekozen president, Perez, in 1989 in enkele dagen tijds duizenden mensen dood liet schieten toen mensen rebelleerden tegen prijsstijgingen. Het was een slachting waar Kadhafi nog wat van kon leren. En Venezuela was dan nog de democratische variant van de pro-Westerse oliestaat. Olie is nu eenmaal een zo belangrijk en winstgevend product dat de greep erop desnoods met de botste repressie wordt verkregen en gehandhaafd. De combinatie ‘olie’ en ‘Westerse multinationals’ leidt nu eenmaal niet tot bijster veel; respect voor mensenrechten. Pas als de bevolking zélf de zeggenschap heeft, is er uit deze repressie te breken. De hele interventie is er echter mede op gericht om ervoor te zorgen dat de zeggenschap níét in handen komt van het volk, maar in een van bovenaf geselecteerd en gescreend gezelschap politici. Die gebruiken die de opstand én de Westerse steun om zelf in het zadel te komen, om vervolgens dankbaar hun diensten aan dat Westen aan te bieden. Straks marcheert niet de plaatselijke versie van Zapata of Machno Tripoli binnen, maar wordt veeleer de plaatselijke versie van Karzai ingevlogen. We kunnen aan Afghanen vragen of dat erg goed bevalt. Tegenover de geredde mensen in Benghazi staan niet alleen de slachtoffers in Bahrein en Jemen. Tegenover de geredde mensen in Benghazi staan ook de slachtoffers van de volgende regering in Libië zelf, Benghazi niet uitgezonderd.

Er is over die redding van mensen in Benghazi nog wel een zeer belangrijk punt te maken. Als de luchtaanvallen wérkelijk het enige middel waren om daar mensenlevens te redden, dan was het toch nog erg lastig om tegen de luchtaanvallen te zien, zélfs als je de genoemde bezwaren serieus meeweegt. Dan nog zou je kunnen zeggen: we kunnen beter nu accepteren dat Benghazi gered wordt, en dan zo snel mogelijk, zodra Kadhafi voldoende verzwakt is, voor alle slachtoffers en dreigende slachtoffers opkomen, desnoods weer tegen de interventie in. Twee argumenten pleiten daartegen. Eén: door, zelfs maar eventjes, Westerse luchtaanvallen goed te keuren, geeft je de Westerse interventie extra ruimte om een voet tussen de deur te krijgen. Na een tijdje alsnog tegen de interventie stelling nemen is niet alleen een beetje zwabberig. Het kwaad – die voet tussen de deur – is dan ook al geschied, en eenmaal op gang gekomen plegen deze interventies een eigen logica te krijgen die veel verder gaat dat het oorspronkelijk geproclameerde officiële doel. Je ziet dat nu al. Het is geen beperkte operatie ter redding van Benghazi. Het is een luchtoorlog tegen een bewind. De deur daarvoor is ietsje makkelijker opengezet door de steun die, wegens dat beperkte officiële doel, ook door linkse mensen aan de interventie is gegeven. Die oorlog heeft opstandelingen weliswaar geholpen heeft Kadhafi’s troepen terug te dringen. Maar die troepen beschieten nu andere plaatsen, en doden daar ook burgers. Als maatregel om burgers te beschermen werkte de interventie dus ook al niet. Alleen vinden de moorden op burgers door eenheden van het regime nu niet langer plaats in Benghazi, maar nog ‘slechts’ in westelijker gelegen steden.

Je kunt zelfs stellen dat de interventie de burgeroorlog verlengt, en daarmee mensenlevens van burgers in gevaar brengt die, zelfs na een overwinning van Kadhafi, géén gevaar zouden lopen. Diens terreur heeft immers het breken van verzet, het neerslaan van de opstand, ten doel. Hij is niet bezig met het uiroeien van het Libische volk of iets dergelijks. Als hij zou winnen, volgen er wraakacties, dan lopen opstandelingen en sympatghisanten levensgevaar. Maar aan het beschieten van binnensteden, en het langs die weg mensen van het leven beroven, komt dan wèl een einde. Nee, ik wil niet dat het die kant op gaat. Ik probeer alleen te laten zien hi oe de huidige interventie óók tot burgerslachttoffers leidt, die zonder die interventie niet zouden vallen.  Burgers in benghazi worden gered, burgers elders zien hhun lijden aanslepen. Het redden van sommige burgers, gevolgd door het in gevaar brengen van andere burgers – ik vind dat zoiets ook volgens humanitasire maatstaven niet door de beugel kan.

Bovendien, en van groot belang: er was en is een heel ándere manier om mensen in Benghazi te redden. Het is een manier die niet duurder is dan oorlog, niet de schadelijke effecten in Bahrein heeft, en ook geen repressieve schaduwen in Libië zelf vooruit werpt, zoals de huidige operaties dat wèl doen. Het is echter ook een manier waar Westerse regeringen totaal en helemaal geen zin in hebben. Ik doel op het toelaten, ja, verwelkomen van iedereen die uit Libië zou willen vluchten, en op het actief hélpen bij die vlucht. Ja, ook als de complete bevolking van Benghazi de wijk zou willen nemen. Dat is nodig, uit strikt menselijke overwegingen: ieder aldus geredde mensenleven is er één en er wordt niemand in Bahrein voor opgeofferd. Het is bovendien eem bijdrage, hoe vreemd dat ook klinkt, aan het verzet in Libië zelf. De zekerheid dat, áls het misgaat, áls Kadhafi de overhand krijgt, je dan in ieder geval ergens in veiligheid en vrijheid terecht kunt, biedt een soort ruggensteun om het vol te houden.

Is zoiets onwerkelijk? Het kost veel geld, zeg je? Jazeker. Maar oorlog is ook niet bepaald gratis. De Volkskrant berichtte op 2 april dat de kosten van de Westerse operaties al in de richting van de één miljard dollar, oftewel 709 miljoen euro, liepen.  In Benghazi wonen wonen iets meer dan 700.000 mensen. Als die allemáál zouden willen vluchten, en je had ze ruim 700 miljoen euro die de oorlog nu kost daarvoor gebruikt, dan had je voor 700.000 mensen een budget van 1.000 euro per vluchteling gehad. In werkelijkheid zal het aantal mensen dat uit Benghazi weg wil, lager zijn: veel mensen zouden de strijd ondergrond proberen voort te zetten, anderen zouden hopen dat ze geen gevaar liepen omdat ze geprobeerd hadden afzijdig te blijven, en ja, er wonen in die stad ook pro-Kadhafi-mensen, of we dat nu leuk vinden of niet… En in werkelijkheid zal het oorlogsbudget nog veel verder oplopen, als dit zo doorgaat. Er is dus kennelijk min of meer onbeperkt budget beschikbaar ‘voor het redden van burgers in Libië’. Het zou goed zijn om dit budget daar dan ook werkelijk voor te gebruiken. Dat Westerse mogendheden deze optie niet eens overwegen – sterker: dat zij de ‘dreiging’ van vluchtelingen aanvoeren als excuus voor militair ingrijpen – demonstreert dat het onvoorwaardelijk redden van mensenlevens níét de drijfveer achter de interventie is. Dat die optie echter wel degelijk bestáát, demonstreert dat er – in tegenstelling tot wat voorstanders van interventie volhouden – wèl een alternatief voor de luchtaanvallen is, een werkelijk mensenreddend alternatief bovendien. Zoiets naar voren brengen lijkt me vruchtbaarder dan, met alle mitsen en maren, toch min of meer een heilloze, geld- én mensenverslindende oorlogspolitiek van enige linkse steun en acceptatie te voorzien.

Vrijwel direct na plaatsing van datum voorzien, moet er nog aan wennen:-)

3 reacties op Wederom afwegingen rond Libië

  1. Eric zegt:

    Mooi rood hoor, die datum!

  2. Ferry zegt:

    De strijders tegen Khadaffi strijden gebruiken de monarchistische vlag. De troonpretendent woont in Londen. De rebellen worden militair gesteund door een internationale coalitie en de voortrekkers daarin zijn Cameron, Sarkozi en Berlusconi en ook de VVD-CDA-PVV combinatie.
    Libiers hadden het hoogste gemiddelde inkomen van Afrika … totdat de revolutie uitbrak. Het land komt nu in puin te liggen. Wellicht is dat de bedoeling? Het strakke gezag van Kadaffi voorkwam dat er Al Kaida-achtige groepen ruimte kregen in die regio. Die ruimte krijgen ze nu wel. Het aanwakkeren en op gang houden van een burgeroorlog schept die ruimte. Is dat de bedoeling soms? Dat kan straks volop gelegenheid bieden om in het gebied “orde op zaken te gaan stellen”…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 36 andere volgers

%d bloggers like this: